Onroerend goed. Gebouw. Bouwsector. Maatstaf van heffing. Normale waarde. Minimummaatstaf van heffing. · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

116 2 september 1981

Zoeken

Onroerend goed. Gebouw. Bouwsector. Maatstaf van heffing. Normale waarde. Minimummaatstaf van heffing.Onroerend goed. Gebouw. Bouwsector. Maatstaf van heffing. Normale waarde. Minimummaatstaf van heffing. Bouwwaarde. Bewijs. Bouwdossier. Controlemaatregel. Factuur. Bouwaangifte

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/116-onroerend-goed-gebouw-bouwsector-maatstaf-5ca3

Nummer
116
Datum
2 september 1981

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat G.Z. 1980-1981 blz. 1894

Onroerend goed - Gebouw - Bouwsector - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwwaarde - Bewijs - Bouwdossier - Controlemaatregel - Factuur - Bouwaangifte

VRAAG

De bestrijding van de belastingontduiking is een van de opdrachten van het Ministerie van Financiën, maar mag niet leiden tot toestanden die de expansie afremmen en dus de Schatkist benadelen.

ANTWOORD

Het blad Le Soir van 18 juli 1981 wees op het geval van de verkoop of het optrekken van gebouwen: wel wordt er geld " onder de toonbank " betaald, maar dat de snelle daling van de vraag een ongunstige terugslag had op de verkoopvoorwaarden sinds de zomer van vorig jaar is toch niet verwonderlijk.

Bovendien hebben de duurdere hypotheekleningen de aannemers aangezet tot het gebruik van minder dure materialen en tot het toepassen van een kleinere winstmarge.

De bevoegde besturen (BTW, Registratie) zouden nog steeds naar de vergelijkingswaarde van 1979 of van begin 1980 verwijzen om soms aanzienlijke belastingverhogingen op te leggen.

Kan u mij meedelen:

1. Of de laatst aangehaalde bewering juist is;

2. Welk beroep de belastingplichtigen ter zake kunnen instellen ?

Antwoord: 1. Wanneer een in artikel 9, § 3, van het BTW-Wetboek bedoeld gebouw vervreemd wordt, mag de maatstaf van heffing waarover de BTW wordt berekend niet lager zijn dan de normale waarde van dat gebouw.

In geval van oprichting van een gebouw, mag het totaal van de maatstaven van heffing betreffende de door de opdrachtgever gesloten aannemingsovereenkomsten niet lager zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken.

Luidens de artikelen 3 en 16 van het koninklijk besluit nr. 15, van 3 juni 1970, genomen ter uitvoering van de artikelen 9, § 3, 36, 53, § 2, en 59, § 2, van het BTW-Wetboek is het in aanmerking te nemen tijdstip voor de vaststelling van de normale waarde, wat de vervreemdingen van gebouwen betreft, de datum van de overeenkomst en, wat het werk in onroerende staat tot oprichting van een gebouw betreft, 1 januari van het jaar waarin het gebouw geheel of gedeeltelijk in gebruik werd genomen.

Ik kan het geachte Lid verzekeren dat de normale waarde van een vervreemd of opgericht gebouw wordt vastgesteld met inachtneming van de prijzen die gelden op de tijdstippen welke door de bovengenoemde reglementaire bepalingen zijn aangeduid.

Voor de gebouwen waarvan de oprichting gespreid is over meer dan één kalenderjaar, wordt er verwezen naar het antwoord op de vraag nr. 50 van 3 januari 1975 (1) van de heer Senator Verbist (zie bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 17 van 28 januari 1975, Senaat, gewone zitting 1974-1975, blz. 601; zie ook vraag nr. 292 van de heer Volksvertegenwoordiger De Greve van 3 juli 1980 (2), bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 40 van 5 augustus 1980, Kamer, gewone zitting 19791980, blz. 3432).

2. Indien de verkrijger of de opdrachtgever meent dat de normale waarde van het gebouw dat met toepassing van de BTW werd vervreemd of van het werk in onroerende staat tot oprichting van een gebouw betwistbaar is, kan hij zijn zienswijze uiteenzetten (verg. art. 84 van het BTW-Wetboek).

Hij kan eveneens de deskundige schatting die door artikel 59, § 2, van het BTW-Wetboek wordt voorgeschreven en door het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 wordt geregeld, hetzij zelf vorderen hetzij het resultaat ervan afwachten wanneer die vordering door de administratie is ingesteld.

3. Wat het registratierecht betreft, wordt verwezen naar het antwoord op de parlementaire vraag nr. 59 d.d. 10 december 1980 (3) van de heer Volksvertegenwoordiger W. De Clercq (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 15 van 20 januari 1981, blz. 1282, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1980-1981).

(1) Z. Revue nr. 20, blz. 166, nr. 10. art. 36, BTW-Wetboek. (2) Z. Revue nr. 48, blz. 295, nr. 1. art. 36, BTW-Wetboek. (3) Z. Revue nr. 48, blz. 316, nr. 10 art. 36, BTW-Wetboek.

Aangehaalde teksten

7
WBTW art. 363 voorkomens
WBTW art. 592 voorkomens
WBTW art. 92 voorkomens
KB nr. 15 art. 31 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 841 voorkomen

Administratieve doctrine

1

« … 59 § 2, van het BTW-Wetboek wordt voorgeschreven en door het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 wordt geregeld, hetzij zelf vorderen hetzij het resultaat ervan afwachten wanneer die vordering door de administratie is ingesteld (zie het antwoord op de vraag nr. 116 van 2 september 1981 (2) van de heer Senator Lagneau bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 50, van 22 september 1981, Senaat, zitting 1980-1981). 3. De financiële moeilijkheden die de betaling van een belastingsupplement voor bepaalde bouwheren tot gevolg kan hebben ontgaan … »

Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf van heffing.Parlementaire vraag01.03.1984

Bekijk het document