ANTWOORD
Eén van de oorzaken schuilt ongetwijfeld in de geleidelijke ineenzakking van de nominale bouw- en verkoopprijzen. Dit blijkt vooral uit de openbare verkopen, waar de waardestijgingen 1975-1980 niet eens de indexaanpassing weerspiegelen.
Daar de administratie oudere criteria en referentiepunten blijft gebruiken (1977) met een indexaanpassing, is het gevolg uiteraard een stijging van het aantal navorderingen op nochtans regelmatige gronden.
Graag vernam ik van de heer Minister of dienaangaande geen betere werkmethode kan gevonden die geen aanleiding geeft tot eerder fiktieve navorderingen op niet meer gerealiseerde prijzen.
Antwoord: In geval van verkoop van in België gelegen onroerende goederen bestaat de minimale heffingsgrondslag van het registratierecht in de verkoopwaarde van de goederen ten dage van de verkoop (Wetboek der Registratierechten, art. 46).
Vertonen de prijzen van de openbare verkopingen en van de verkopen uit de hand betreffende gelijkaardige goederen als het te schatten onroerend goed een dalende trend ten opzichte van de vroeger bekomen prijzen, dan moet bij het schatten van de verkoopwaarde mede met dat objectief gegeven rekening worden gehouden.
Indien op dat punt, zoals op onverschillig welk ander punt, de schatting van de ontvanger naar het oordeel van de koper aan kritiek onderhevig is, heeft deze het volste recht om bij de ontvanger bezwaar te maken tegen diens schatting. Tevens kan de koper zijn standpunt uiteenzetten in een rekwest te richten aan de gewestelijke directeur van de Registratie. Overigens is het zo, dat, wanneer hij geen gevolg geeft aan het verzoek om de zaak in der minne te regelen, de administratie hem slechts tot betaling kan verplichten na te zijn overgegaan tot de controleschatting door een of drie deskundigen, als bedoeld in de artikelen 189 tot 199 van bovenvermeld wetboek, mits en voor zover de verkoopwaarde vastgesteld door de deskundige(n) uitstijgt boven de reeds belaste grondslag.
Voor de toepassing van de BTW bepaalt artikel 36, § 1, b, van het BTW-Wetboek dat de maatstaf van heffing van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op een pas opgericht gebouw niet lager mag zijn dan de normale waarde zoals die is vastgesteld door artikel 32, tweede lid, van hetzelfde wetboek.
Ten aanzien van het in aanmerking te nemen tijdstip voor het vaststellen van die normale waarde bepaalt artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 uitdrukkelijk dat die schatting moet gebeuren op datum van 1 januari van het jaar waarin het gebouw geheel of gedeeltelijk in gebruik werd genomen.
Omtrent dat tijdstip en inzonderheid betreffende gebouwen waarvan de oprichting is gespreid over meer dan één kalenderjaar wordt er verwezen naar het antwoord op de vraag nr. 50 van 3 januari 1975 van Senator Verbist (1) (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 17 van 28 januari 1975, Senaat, gewone zitting, 1974-1975, blz. 601).
Met betrekking tot de door de administratie toegepaste werkmethode voor het bepalen van de normale bouwwaarde kan ik het geacht Lid verzekeren dat geen " oudere criteria en referentiepunten " worden gebruikt maar dat die waarde wordt vastgesteld met inachtneming van de prijzen die voor de te schatten diensten in de bouwsector gelden op de evengenoemde tijdstippen.
(1) Z. Revue nr. 20, blz. 166, nr. 10. art. 36. BTW-Wetboek.