ANTWOORD
Dit leidt tot onrechtvaardigheden inzonderheid lastens personen die - na de ruwbouw te hebben laten oprichten door gevestigde aannemers - achteraf zelf geleidelijk de verdere afwerking doen eventueel met de kosteloze hulp van familieleden.
Het gebeurt dat aldus een paar jaren verstrijken sinds het begin der werken tot bij de ingebruikneming der woning.
Wegens de zeer sterke prijsstijgingen inzonderheid in de bouwsector leidt dit tot een overdreven taxatie in hoofde van medeburgers die prijzenswaardige inspanningen deden om een eigen woning te verkrijgen.
Mag ik derhalve de geachte Minister vragen of hij geen mogelijkheid ziet - eventueel door het aanpassen van voormeld koninklijk besluit - om deze toestanden te verhelpen ?
Antwoord: Op grond van de artikelen 36, § 1, b, en 61, § 3, van het BTW-Wetboek, is de administratie van de BTW belast met de controle op de heffing van de BTW en onder meer met het bepalen van de normale waarde van werk in onroerende staat wanneer het betrekking heeft op op te richten gebouwen.
Inzonderheid wordt door artikel 36, § 2, van het BTW-Wetboek voorgeschreven dat wanneer de bouwheer meer dan één contract voor de oprichting van een gebouw heeft gesloten de normale waarde van ieder van die contracten moet worden bepaald en daarenboven het totaal van die maatstaven van heffing niet lager mag zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken.
Artikel 32 van het BTW-Wetboek bepaalt uitdrukkelijk dat onder normale waarde wordt verstaan de prijs die hier te lande op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, in dezelfde handelsfaze voor iedere van de prestaties kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.
Omdat ten aanzien van de oprichting van gebouwen de belasting zoals bepaald in artikel 22, van het BTW-Wetboek op verschillende tijdstippen kan verschuldigd zijn en de administratie daarenboven niet altijd kennis heeft van de contracten waarvan de datum meestal als niet vast kan worden aangemerkt konden de verschillende tijdstippen waarop de belasting verschuldigd wordt niet met zekerheid en preciesheid worden aangeduid.
Met het oog op een éénvormige toepassing van de wet en voor de administratie en voor de eigenaar-oprichter bepaalt artikel 16, van het koninklijk besluit nr. 15, van 3 juni 1970, de normale waarde van het werk in onroerende staat op 1 januari van het jaar waarin het gebouw waarop de te schatten diensten betrekking hebben, geheel of gedeeltelijk in gebruik werd genomen.
Wanneer een gebouw wordt opgericht in een periode van dalende prijzen van goederen en diensten is de keuze van die datum in het voordeel van de eigenaar-oprichter.
Dat is eveneens waar ten aanzien van een gebouw opgericht in een periode van voortdurende verhoging van de prijzen van goederen en diensten op voorwaarde dat het betrokken gebouw werd opgericht en in gebruik genomen in de loop van hetzelfde kalenderjaar.
Voor gebouwen evenwel waarvan de oprichting gespreid is over meer dan één kalenderjaar en in een periode van gevoelige prijsstijgingen van de goederen en diensten (en dit was het geval in de jaren 1973 en 1974), kan de keuze van die datum in het nadeel van de eigenaar-oprichter zijn. Deze buitengewone toestand is niet aan mijn aandacht ontgaan.
Daarom zal de administratie van de BTW ten aanzien van gebouwen opgericht in die periode en in gebruik genomen in één van de jaren die volgt na het sluiten van de contracten tot oprichting en voor zover in die contracten geen aanpassing van de prijs is overeengekomen om reden van de verhoging van de prijzen van goederen en diensten, aan haar ambtenaren de nodige richtlijnen geven om met maat en naar billijkheid ieder van die bijzondere gevallen te onderzoeken.