VRAAG
Het is de Minister zeker bekend dat de immobiliënmarkt ineengestort is, waardoor onroerende eigendommen aan 80% of soms de helft van hun vroegere verkoopswaarde verhandeld worden.
De ambtenaren van het Bestuur van Registratie en Domeinen beschikken over waardemeters aan de hand waarvan zij onroerende goederen taxeren.
Graag vernam ik of de Minister overweegt deze waardeschattingscriteria aan te passen aan de nieuwe toestanden, teneinde de huidige realiteit meer en beter te benaderen?
ANTWOORD
In geval van verkoop van in België gelegen onroerende goederen bestaat de minimale heffingsgrondslag van het registratierecht in de verkoopwaarde van de goederen ten dage van de verkoop (Wetboek der Registratierechten, art. 46).
Bij het bepalen van die verkoopwaarde maken de ambtenaren van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de regel gebruik van vergelijkingspunten: prijzen bekomen in normale voorwaarden bij openbare verkopingen en verkopen uit de hand van gelijkaardige goederen als het te schatten goed.
Vertonen die prijzen een dalende trend tegenover de vroeger bekomen prijzen, dan moet er uiteraard bij het schatten van de verkoopwaarde mede met dat objectief gegeven rekening worden gehouden.
De door de administratie aldus toegepaste schattingswijze blijkt in de praktijk voldoende pertinent en soepel om zich aan de schommelingen van de onroerende markt aan te passen.
In concrete gevallen is het verder zo dat indien op dat punt, zoals op onverschillig welk ander punt, de schatting van de ontvanger naar het oordeel van de koper aan kritiek onderhevig is, deze het volste recht heeft om bij de ontvanger bezwaar te maken tegen diens schatting. Tevens kan de koper zijn standpunt uiteenzetten in een rekwest te richten aan de gewestelijke directeur van de registratie.
Tenslotte is het in elk geval ook nog zo dat, wanneer de koper geen gevolg geeft aan het verzoek om de zaak in der minne te regelen, de Administratie hem slechts tot betaling kan verplichten na te zijn overgegaan tot de controleschatting door één of drie deskundigen, als bedoeld in de artikelen 189 tot 199 van bovenvermeld wetboek, mits en voor zover de verkoopwaarde vastgesteld door de deskundige(n) uitstijgt boven de reeds belaste grondslag.
Met betrekking tot de door de administratie toegepaste methode voor het bepalen van de minimummaatstaf van heffing van de BTW ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op een op te richten gebouw kan ik het geacht Lid verzekeren dat de werken worden vastgesteld met inachtneming van de prijzen die gelden in de bouwsector op het tijdstip waarop de schatting moet gebeuren.
Omtrent dat tijdstip en inzonderheid betreffende gebouwen waarvan de oprichting is gespreid over meer dan één kalenderjaar wordt er verwezen naar het antwoord op de vraag nr. 50 van 3 januari 1975 van de heer Senator Verbist Z. Revue nr. 20, blz. 166, nr. 10. art. 36, B.T.W.-Wetboek.
(zie bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 17 van 28 januari 1975, Senaat, gewone zitting, 1974-1975, blz. 601; zie ook vraag nr. 292 van de heer Volksvertegenwoordiger De Greve van 3 juli 1980 Z. Revue nr. 48, blz. 48, nr. 1. art. 36, B.T.W.-Wetboek.
, bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 40 van 5 augustus 1980, Kamer, gewone zitting 1979-1980, blz. 3432).