Vrijstellingen voor intracommunautaire leveringen en verwervingen (01.07.2022) · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

4 augustus 2022

Zoeken

Vrijstellingen voor intracommunautaire leveringen en verwervingen (01.07.2022)

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/vrijstellingen-intracommunautaire-leveringen-verwervingen-ee8a

Datum
4 augustus 2022

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

705 paragrafen

BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief

Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer

Afdeling 3 - Vrijstellingen voor intracommunautaire leveringen en verwervingen

Bijwerking 01.07.2022 – Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020] [01.07.2021]

Inhoud · 60 onderdelen

1. Terminologie

2. Wijze waarop de btw wordt geheven over de belastbare intracommunautaire leveringen en verwervingen

3. De intracommunautaire levering van goederen

A. Het begrip intracommunautaire levering van goederen

B. Aan de btw onderworpen intracommunautaire leveringen van goederen

C. Plaats van de intracommunautaire levering

D. Tijdstip van de intracommunautaire levering en belastbaar feit

a. Verzending of vervoer door de leverancier of voor zijn rekening

b. Verzending of vervoer door de koper of voor zijn rekening

c. Doorlopende levering

E. Tijdstip van opeisbaarheid van de belasting

a. Levering is niet vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Btw-Wetboek

b. Levering is vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Btw-Wetboek

4. Het begrip intracommunautaire verwerving van goederen

5. De vrijstelling van intracommunautaire levering bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek

A. Grondvoorwaarden

B. Bewijs dat een levering van goederen heeft plaatsgevonden

C. Hoedanigheid en btw-identificatienummer van de koper

a. Algemene principes

b. Retroactieve schrapping van het btw-identificatienummer van de afnemer

c. De afnemer beschikt over een geldig btw-nummer maar heeft het niet meegedeeld

d. Btw-nummer van de afnemer is in aanvraag op het tijdstip van de levering (6)

e. De afnemer beschikt niet over een btw-identificatienummer op het tijdstip van de levering, maar wil zich nadien in regel stellen

f. Interactie met de richtlijn 2008/9/EG en de dertiende richtlijn wanneer de voorwaarde van artikel 39bis, eerste lid, 1°, b), van het Btw-Wetboek niet vervuld is

D. Het vervoer of de verzending van de goederen

a. Algemene principes

b. Beperking van de aansprakelijkheid voor de te goeder trouw handelende leverancier ingeval van fraude door de afnemer

c. Wettelijk vermoeden van verzending of vervoer van artikel 45bis van de uitvoeringsverordening

d. Bestemmingsdocument

E. Opname van de levering in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

F. Bijzondere situaties bij de toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek

a. Gietvormen, modellen en andere reproductiematerieel

b. Levering in België van brandstof aan een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige

c. Levering met montage in België van autobanden, radio, motor, alarm, LPG-installatie… voor belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat

G. Hoofdelijke aansprakelijkheid van de globale aansprakelijke vertegenwoordiger

a. Algemeen

b. Voorwaarden

6. De vrijstelling van intracommunautaire levering bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek

A. Principes

B. Voorwaarden

C. Onderzoek van de voorwaarden

7. De vrijstelling van intracommunautaire levering bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek

A. Voorwaarden

B. Onderzoek van de voorwaarden

8. De vrijstelling van intracommunautaire levering bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek

A. Het stelsel van de overbrengingen

B. Toepassingsvoorwaarden vrijstelling

9. De vrijstellingen voor intracommunautaire verwervingen van goederen van artikelen 39, 39quater en 40 van het Btw-Wetboek

A. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om onder een opschortende douaneregeling te worden geplaatst

B. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst onder de regeling van het btw-entrepot

C. Vrijstellingen onder artikel 40 van het Btw-Wetboek

a. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in het binnenland in elk geval is vrijgesteld

b. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die een definitieve vrijstelling genieten op grond van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering

c. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een overbrenging naar een andere lidstaat en die, om welke reden ook, in dezelfde staat terugkeren naar België

d. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werden geplaatst onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek bedoelde regelingen

10. De vrijstelling van intracommunautaire verwerving van artikel 40bis van het Btw-Wetboek

11. De vrijstelling van intracommunautaire verwerving van artikel 42, § 3, 9°, van het Btw-Wetboek

12. Intracommunautaire verwerving van recuperatiestoffen en -producten.

13. Intracommunautaire verwerving van accijnsproducten door leden van de groep van vier die enkel hun intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten aan de btw moeten onderwerpen, wanneer de goederen zijn vrijgesteld van accijns.

[Top]

1. Terminologie

In het kader van deze afdeling wordt verwezen naar de terminologie in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titel 1’.

2. Wijze waarop de btw wordt geheven over de belastbare intracommunautaire leveringen en verwervingen

Vereenvoudigd gesproken bestaat het heffingsmechanisme erin dat er sprake is van twee afzonderlijke belastbare handelingen, zijnde:

• de intracommunautaire levering van goederen die wordt vrijgesteld in de lidstaat van vertrek (voor zover de voorwaarden van de vrijstelling zijn voldaan)

• de intracommunautaire verwerving die in de lidstaat van bestemming aan de btw wordt onderworpen.

Voor een uitgebreide beschrijving van de evolutie van de intracommunautaire regeling wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titels 2 en 3’.

Bovendien wordt de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat in bepaalde gevallen gelijkgesteld met een (intracommunautaire) levering in de lidstaat van vertrek en met een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst (zie artikelen 12bis en 25quater van het Btw-Wetboek - artikelen 17 en 21 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd - ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 7 en Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 5’).

[Top]

3. De intracommunautaire levering van goederen

A. Het begrip intracommunautaire levering van goederen

Voor een bespreking van het begrip intracommunautaire levering wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 3, titel 2, rubriek A’.

B. Aan de btw onderworpen intracommunautaire leveringen van goederen

In het kader van de bespreking van de vrijstellingen voor intracommunautaire leveringen van goederen van artikel 39bis van het Btw-Wetboek, wordt opgemerkt dat er logischerwijs slechts sprake kan zijn van een vrijstelling voor zover de intracommunautaire levering onderworpen is aan de btw (zie artikel 2 van het Btw-Wetboek). Opdat de vrijstelling van artikel 39bis van het Btw-Wetboek van toepassing zou kunnen zijn, is er (naast het vervullen van de voorwaarden van die vrijstelling) in de eerste plaats vereist dat de intracommunautaire levering:

• wordt verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.

Hierbij wordt alvast opgemerkt dat overeenkomstig artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek om het even wie, die onder bezwarende titel een nieuw vervoermiddel levert onder de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek, eveneens als een belastingplichtige wordt beschouwd (toevallige belastingplichtige).

• plaatsvindt in België.

In de basisdefinitie van de intracommunautaire levering is het vervoer of de verzending van de goederen van de ene lidstaat naar de andere lidstaat een essentieel element. Het gaat dus steeds om een levering waarbij de goederen door de leverancier, de verkrijger of een derde voor hun rekening worden vervoerd of verzonden. Bijgevolg vindt de intracommunautaire levering steeds plaats daar waar het vervoer of de verzending naar de afnemer aanvangt overeenkomstig artikel 14, § 2, van het Btw-Wetboek.

• wordt verricht onder bezwarende titel.

Er mag niet uit het oog worden verloren dat bepaalde verzendingen van goederen vanuit een bepaalde lidstaat naar een andere lidstaat met een levering onder bezwarende titel worden gelijkgesteld (artikel 12bis van het Btw-Wetboek, zie titel 8, hierna) en zodoende een belastbare intracommunautaire levering uitmaken.

• niet van de belasting is vrijgesteld door een andere bepaling van algemene draagwijdte.

De vrijstellingen voorzien in artikel 40, § 2, artikel 42, §§ 1, 2 en 3, 1° tot 8° van het Btw-Wetboek hebben voorrang op de vrijstelling voor intracommunautaire levering van artikel 39bis van het Btw-Wetboek.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de vrijstelling van artikel 44 van het Btw-Wetboek (zie artikelen 132 tot 136 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) (zie in dit verband de door België onderschreven richtsnoeren van het 56e btw-comité van 13-14.10.1998 XXI/98/1871 punt 6.2. en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 302 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 08.03.2013).

Voorbeelden:

•Ziekenhuis X verricht een intracommunautaire levering onder bezwarende titel van menselijk bloed aan een ziekenhuis uit Lidstaat 1 dat zijn geldig btw-identificatienummer toegekend door Lidstaat 1 meedeelt. De levering wordt vrijgesteld door artikel 44, § 2, 1°ter, van het Btw-Wetboek omdat deze vrijstelling voorrang heeft op die van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

•Tandarts A verkoopt een tandartsenstoel die hij voor zijn praktijk heeft gebruikt (en waarvoor hij geen enkel recht op aftrek heeft gehad bij de aankoop) aan een in Lidstaat 1 gevestigde tandarts B die ginder gehouden is om zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.

De goederen worden voor rekening van de koper vervoerd naar B. Aangezien de tandartsstoel werd gebruikt voor een door artikel 44, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek vrijgestelde activiteit die A geen enkel recht op aftrek verschaft, wordt de levering vrijgesteld door artikel 44, § 2, 13°, van het Btw-Wetboek. Deze vrijstelling heeft voorrang op de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

•De zaak die aan bod kwam in het Arrest Eurodental (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Eurodental, zaak C-240/05, van 07.12.2006) betreft een in Luxemburg gevestigde vennootschap waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het vervaardigen en repareren van tandprothesen in opdracht van in Duitsland gevestigde cliënten.

De bevoegde belastingdienst had Eurodental aftrek geweigerd van voorbelasting ter zake van goederen die zijn aangewend voor de levering van goederen en het verrichten van diensten ten behoeve van in Duitsland gevestigde cliënten, op grond dat de vrijstelling van artikel 132, lid 1, e) van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (vergelijk artikel 44, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek) voorrang heeft boven artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (vergelijk artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek).

De toevallige intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel in de zin van artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek door een belastingplichtige die het goed uitsluitend heeft gebruikt voor een door artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde activiteit zonder recht op aftrek, zal daarentegen niet bij voorrang worden vrijgesteld door artikel 44, § 2, 13°, van het Btw-Wetboek, wanneer de voorwaarden van artikel 39bis, eerste lid 1° of 2°, van het Btw-Wetboek vervuld zijn. Het bijzondere stelsel met betrekking tot nieuwe vervoermiddelen is dan van toepassing, wat onder meer inhoudt dat de intracommunautaire levering wordt vrijgesteld door artikel 39bis, eerste lid, 1° of 2°, van het Btw-Wetboek en de leverancier een begrensd recht op aftrek (zie artikel 45, § 2, tweede lid, k), van het Btw-Wetboek) kan uitoefenen met betrekking tot dat nieuw vervoermiddel.

Ook de vrijstelling inzake beleggingsgoud van artikel 44bis van het Btw-Wetboek primeert boven de vrijstelling van artikel 39bis van het Btw-Wetboek (zie aanschrijving nr. 3/2000 van 12.10.2000, randnummer 16).

Voorbeeld: een producent van goud die in België gevestigd is en die niet geopteerd heeft voor de belastingheffing van zijn leveringen van beleggingsgoud, verkoopt en vervoert goudstaven naar een bank gevestigd in Lidstaat 1. Deze levering is vrijgesteld door artikel 44bis van het Btw-Wetboek en heeft voorrang op de vrijstelling van artikel 39bis van het Btw-Wetboek.

C. Plaats van de intracommunautaire levering

Er wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 8, titel 2, rubriek A’.

D. Tijdstip van de intracommunautaire levering en belastbaar feit

a. Verzending of vervoer door de leverancier of voor zijn rekening

Er wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 9, titel 2, rubriek D, subrubriek a’.

b. Verzending of vervoer door de koper of voor zijn rekening

Er wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 9, titel 2, rubriek A’.

c. Doorlopende levering

Levering is niet vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Btw-Wetboek

Doorlopende intracommunautaire levering van goederen die de vrijstelling van artikel 39bis van het Btw-Wetboek niet genieten en die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen worden geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft. Deze regel geldt niet wanneer het een huurkoop of verkoop op afbetaling betreft.

Levering is vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Btw-Wetboek

Doorlopende intracommunautaire leveringen van goederen gedurende een periode langer dan een kalendermaand, waarbij de goederen worden verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere lidstaat, met vrijstelling onder de in artikel 39bis van het Btw-Wetboek vastgestelde voorwaarden, worden geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke kalendermaand totdat de levering van goederen wordt beëindigd (artikel 16, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

Voorbeeld:

Een in België gevestigde belastingplichtige-indiener A levert via een pijplijn vanuit Antwerpen grondstoffen in vloeibare vorm, zoals polypropyleen, aan een belastingplichtige-indiener B in haar inrichtingen in lidstaat 1. Het contract voorziet in een doorlopende levering van 01.02.2019 tot 30.06.2019. De leveringen worden verricht onder de voorwaarden van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek en zijn bijgevolg vrijgesteld.

De leveringen worden geacht te zijn verricht en het belastbaar feit doet zich voor bij het verstrijken van elke kalendermaand van februari tot juni 2019 bijvoorbeeld op basis van maandelijkse opnamen van de meters die de geleverde hoeveelheid vaststellen (artikel 16, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

E. Tijdstip van opeisbaarheid van de belasting

a. Levering is niet vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Btw-Wetboek

Indien de levering niet is vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Btw-Wetboek, dan wordt de btw opeisbaar:

• op het tijdstip van het belastbaar feit (artikel 16, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek)

• wat de leveringen van goederen betreft waarvoor de belastingplichtige is gehouden een factuur uit te reiken, over het gefactureerde bedrag op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt, ongeacht of de uitreiking van de factuur plaatsvindt vóór of na het tijdstip waarop de levering wordt verricht.

De belasting wordt in elk geval opeisbaar op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum.

Wanneer de prijs of een deel ervan wordt ontvangen vóór het tijdstip waarop de levering van de goederen wordt verricht, wordt de belasting evenwel opeisbaar over het ontvangen bedrag, op het tijdstip waarop de betaling wordt ontvangen (artikel 17, § 1, van het Btw-Wetboek).

• over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of de subsidies als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het Btw-Wetboek worden ontvangen, voor de leveringen van roerende goederen verricht door een belastingplichtige die gewoonlijk goederen levert aan particulieren en waarvoor hij niet verplicht is een factuur uit te reiken (artikel 17, § 3, van het Btw-Wetboek)

• over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of een deel ervan wordt ontvangen, voor de leveringen van roerende goederen verricht door een belastingplichtige aan publiekrechtelijke lichamen als bedoeld in artikel 6 van het Btw-Wetboek (artikel 17, § 4, van het Btw-Wetboek).

b. Levering is vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Btw-Wetboek

Voor de intracommunautaire leveringen van goederen die onder de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek zijn verricht, wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip van uitreiking van de factuur die de handeling vaststelt en betrekking heeft op de gehele prijs.

De belasting wordt in elk geval opeisbaar op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum (zie artikel 17, § 2, van het Btw-Wetboek) (1).

(1) Bij doorlopende leveringen zoals bedoeld onder rubriek D, subrubriek c doet de opeisbaarheid zich dus voor telkens op de dag van de uitreiking van de factuur die elk belastbaar feit vaststelt of, bij afwezigheid van een factuur, telkens uiterlijk op de vijftiende dag van de maand volgend op die waarin elk belastbaar feit zich heeft voorgedaan overeenkomstig artikel 16, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek.

In tegenstelling tot andere dan vrijgestelde intracommunautaire leveringen, is de ontvangst van voorschotten (ook de betaling van een totaal voorschot) vóór het belastbare feit geen oorzaak van opeisbaarheid van de belasting.

Ingeval van een vrijgestelde intracommunautaire levering is de leverancier verplicht overeenkomstig artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek om een factuur uit te reiken die de levering (het belastbaar feit) vaststelt en betrekking heeft op de gehele prijs. Er bestaat geen verplichting om een factuur uit te reiken bij ontvangst van een voorschot (zelfs een totaal voorschot, met andere woorden de betaling van de volledige prijs vóór het belastbare feit).

De factuur mag dus in principe pas worden uitgereikt of opgesteld van zodra het belastbare feit zich heeft voorgedaan (2). Er kan omwille van conformiteit met de richtlijn, in principe, geen enkele tolerantiemaatregel worden overwogen.

(2) Overeenkomstig artikel 4, § 2, van het Koninklijk besluit nr. 1, van 29.12.1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, moet de factuur worden uitgereikt of opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand volgend op die waarin de levering werd verricht.

Als enige pragmatische tolerantie aanvaardt de administratie om de factuur die uiterlijk 7 dagen vóór het belastbare feit wordt uitgereikt (bijvoorbeeld bij aanvang van de verzending of het vervoer) te beschouwen als een document dat beantwoordt aan de voorschriften van het Btw-Wetboek en zijn besluiten.

De administratie aanvaardt eveneens dat, indien het in de praktijk niet mogelijk is om de precieze datum van het belastbare feit te bepalen, op de factuur enkel de datum van haar uitreiking wordt vermeld en niet die van het belastbare feit.

Er wordt opgemerkt dat de uitreiking van een factuur vóór het belastbare feit, de leverancier niet vrijstelt van de uitreiking van de factuur die het belastbare feit vaststelt wanneer de levering zich heeft voorgedaan (behalve dan wanneer de hierboven vermelde 7-dagentolerantie van toepassing is).

In elk geval dient de leverancier de handeling verplicht op te nemen in de periodieke aangifte en de intracommunautaire opgave met betrekking tot de periode waarin de wettelijke oorzaak van opeisbaarheid heeft plaatsgevonden. Bij de toepassing van de hierboven vermelde 7-dagentolerantie wordt het tijdstip van de uitreiking van de factuur geacht overeen te komen met het tijdstip van het belastbaar feit. Daarom moet er bij toepassing van de tolerantie in de praktijk worden gekeken naar het tijdstip van het belastbare feit om te bepalen in welke btw-aangifte de verschuldigde/aftrekbare btw moet worden opgenomen.

[Top]

4. Het begrip intracommunautaire verwerving van goederen

De intracommunautaire verwerving van goederen is een afzonderlijke belastbare handeling en de tegenhanger van de intracommunautaire levering van goederen.

Dit begrip wordt uitgebreid besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 3, titel 3 en Afdeling 6, titel 1’.

[Top]

5. De vrijstelling van intracommunautaire levering bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek

A. Grondvoorwaarden

De vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek is onderworpen aan volgende grondvoorwaarden:

• de levering wordt verricht door een belastingplichtige, met uitzondering van de belastingplichtige die onderworpen is aan de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek.

Onder belastingplichtige valt dus ook de toevallige belastingplichtige van artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 7, titel 2’) of de belastingplichtige onderworpen aan de bijzondere regeling voor landbouwondernemingen van artikel 57 van het Btw-Wetboek (zie niettemin ‘Boekwerk V: Bijzondere regelingen – Hoofdstuk 15: Bijzondere regelingen, Afdeling 5’, voor wat betreft de forfaitaire terugbetaling).

De vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek is niet van toepassing op intracommunautaire leveringen die worden verricht door belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek. Deze kleine ondernemingen leveren altijd belasting inbegrepen, met inbegrip van de restbelasting die noodzakelijkerwijze deel uitmaakt van de verkoopprijs, ongeacht de hoedanigheid van de verwerver en de lidstaat van bestemming. Een uitzondering hierop is de intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel in de zin van artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek. Wanneer zulke leveringen onder de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek worden verricht, worden ze uitgesloten van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek (zie artikel 56bis, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek). De vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek kan dus wel degelijk van toepassing zijn op de intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel door een belastingplichtige die onderworpen is aan de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen voor zover de overige voorwaarden voldaan zijn.

• de levering wordt verricht voor een in een andere lidstaat dan België als zodanig handelende belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die ertoe is gehouden of ervoor heeft geopteerd zijn intracommunautaire verwervingen in die lidstaat te onderwerpen aan de btw.

• de afnemer is voor btw-doeleinden geïdentificeerd in een andere lidstaat dan België en heeft dat btw-identificatienummer meegedeeld aan de leverancier.

• de goederen worden verzonden of vervoerd van België naar een andere lidstaat van de Gemeenschap:

•hetzij door de verkoper of voor zijn rekening

•hetzij door de koper of voor zijn rekening

• de levering is niet onderworpen aan de bijzondere regeling van de belasting over de winstmarge zoals voorzien in artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek

• overeenkomstig artikel 39bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek geldt de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek niet indien de leverancier niet voldoet aan de in de artikelen 53sexies, § 1, 53octies, § 1, en 57, § 7 van het Btw-Wetboek en koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, neergelegde verplichting om de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen in te dienen of indien de door hem ingediende opgave niet de vereiste correcte informatie betreffende de levering bevat. De vrijstelling wordt evenwel niet verworpen wanneer de leverancier eventuele tekortkomingen terdege ten genoegen van de administratie kan verantwoorden.

De leverancier die de vrijstelling van artikel 39bis van het Btw-Wetboek inroept, moet het bewijs leveren dat de in dat artikel vermelde grondvoorwaarden voldaan zijn (zie artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 52 van 11.12.2019 met betrekking tot de bewijsregeling inzake de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen en met betrekking tot de vrijstelling van intracommunautaire verwervingen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde).

De voorwaarden onder het eerste en vijfde opsommingsteken stellen geen bijzondere problemen.

De voorwaarden onder het tweede, derde, vierde en zesde opsommingsteken worden hieronder toegelicht.

B. Bewijs dat een levering van goederen heeft plaatsgevonden

Het is nogal vanzelfsprekend dat de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1° tot 3°, van het Btw-Wetboek slechts kan worden toegepast, voor zover er daadwerkelijk een levering van goederen heeft plaatsgevonden.

De intracommunautaire levering kan slechts worden vrijgesteld, wanneer onder meer (naast alle andere voorwaarden) de macht om als eigenaar te beschikken over het goed op de afnemer is overgegaan (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Teleos, zaak C-409/04, van 27.09.2007, punt 42.; Arrest X, zaak C-84/09, van 18.11.2010, punt 27, Arrest Mecsek-Gabona, zaak C-273/11, van 06.09.2012, punt 31; Arrest Santogal, zaak C-26/16, van 14.06.2017, punt 43).

De leverancier moet steeds in het bezit zijn van alle documenten waaruit de echtheid van de levering van goederen blijkt. Die stukken omvatten onder meer de contracten, de bestelbonnen, de facturen en de betalingsdocumenten (zie artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd).

C. Hoedanigheid en btw-identificatienummer van de koper

a. Algemene principes

Eén van de materiële voorwaarden voor de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek bestaat erin dat de levering wordt verricht voor een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreden in een andere lidstaat en daar gehouden zijn om hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.

Anders gezegd moet de afnemer de hoedanigheid hebben van:

• een als zodanig handelende belastingplichtige/indiener (3)

• een als zodanig handelend lid van de ‘groep van vier’ (3) dat gehouden is om zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen in een andere lidstaat, omdat hij:

•de door die lidstaat bepaalde drempel heeft overschreden (artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd)

•in die lidstaat geopteerd heeft om zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen (artikel 3, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

(3) Zie de terminologie onder titel 1 van deze Afdeling 3, hiervoor.

Deze hierboven vermelde voorwaarde van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek vertoont een dubbel aspect. Enerzijds dient de koper een persoon te zijn die de hoedanigheid bezit van belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die gehouden is om zijn intracommunautaire verwervingen aan de btw te onderwerpen, en anderzijds dient de koper ‘als zodanig’ te handelen, dit wil zeggen in de uitoefening van die hoedanigheid.

In dit kader wordt alvast opgemerkt dat uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat een belastingplichtige ‘als zodanig’ handelt wanneer hij handelingen verricht in het kader van zijn belastbare activiteiten (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Profitube, zaak C-165/11, van 08.11.2012, punt 52).

De Belgische leverancier kan zelf moeilijk vaststellen of de afnemer al dan niet 'als zodanig' handelt.

Voorbeeld

De koper schaft zich een bureelmeubel aan. Dit kan zowel bestemd zijn voor zijn handelszaak als voor de privé-behoeften van zijn zoon die studeert.

Het feit dat de afnemer als zodanig handelt, wordt geacht te zijn bewezen wanneer de afnemer een btw-identificatienummer opgeeft dat aan hem toebehoort en dat rechtsgeldig werd afgeleverd door een andere lidstaat dan België.

Met betrekking tot de oude versie van artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in het verleden bevestigd dat een lidstaat als voorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling voor intracommunautaire levering mag stellen dat de leverancier beschikt over het geldig btw-identificatienummer van de afnemer. Deze voorwaarde werd evenwel als een formele voorwaarde beschouwd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest VSTR, zaak C-587/10, van 27.09.2012, Arrest Plöckl, zaak C-24/15, van 20.10.2016, Arrest Euro Tyre, zaak C-21/16, van 09.02.2017).

In het licht van die rechtspraak heeft de Europese wetgever het noodzakelijk geacht een grondvoorwaarde toe te voegen aan artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (zie artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek).

Die grondvoorwaarde houdt in dat de afnemer:

• voor btw-doeleinden moet geïdentificeerd zijn in een andere lidstaat dan die waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt

• zijn btw-identificatienummer aan de leverancier heeft meegedeeld (4).

(4) Door het feit dat de leverancier het btw-identificatienummer van de afnemer heeft vermeld op de factuur die hij uitreikt aan de afnemer, kan worden aangenomen dat de afnemer het heeft meegedeeld aan de leverancier.

De leverancier moet dus beschikken over het geldige btw-identificatienummer van de afnemer dat aan hem is toegekend door een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de goederen.

Voor de toepassing van de vrijstelling is evenwel niet vereist dat het meegedeelde btw-identificatienummer van de afnemer werd toegekend door de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, zolang het maar is toegekend door een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de goederen.

Wanneer niet voldaan is aan deze nieuwe grondvoorwaarde, wordt de vrijstelling geweigerd (5). De belastingplichtige kan zich voor wat betreft intracommunautaire leveringen die plaatsvinden vanaf 01.01.2020 niet meer beroepen op voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die handelt over de toepassing van de vrijstelling wanneer de afnemer dat btw-identificatienummer niet heeft meegedeeld (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest VSTR, zaak C-587/10, van 27.09.2012, Arrest Plöckl, zaak C-24/15, van 20.10.2016, Arrest Euro Tyre, zaak C-21/16, van 09.02.2017

(5) De mogelijkheden tot latere rechtzetting worden hieronder besproken onder subrubriek c tot subrubriek f.

De mededeling door de afnemer van een btw-identificatienummer dat werd afgeleverd door een andere lidstaat, vormt op zich geen voldoende bewijs. Er moet eveneens worden aangetoond dat:

• het btw-identificatienummer, dat door de afnemer wordt meegedeeld aan de leverancier, daadwerkelijk is toegekend aan die afnemer, hetgeen kan worden aangetoond door de documenten waarvan sprake in artikelen 2 en 3 van koninklijk besluit nr. 52, voornoemd (zie rubriek A en rubriek D)

• dit btw-identificatienummer geldig is op het tijdstip van de levering.

Het is aangewezen dat de leverancier zich telkens vergewist van de identiteit van de persoon aan wie ze met vrijstelling van btw levert (identiteitskaart, paspoort, kredietkaart...), vooral indien de goederen meegenomen worden door de koper.

De leverancier die niet overtuigd is van de geldigheid van het btw-identificatienummer dat hem werd medegedeeld kan hiervan bevestiging vragen bij onderstaande dienst:

Federale Overheidsdienst Financiën

Internationale Betrekkingen – CLO-btw

North Galaxy

Koning Albert II-laan 33 bus 25

1030 BRUSSEL

Tel.: 0257/740 30 (alle werkdagen van 8.00 u. tot 16.00 u.)

Fax: 0257/963 57

E-mail: vat.validation@minfin.fed.be

Het CLO-btw bevestigt of ontkent, naargelang het geval, dat een aan een belastingplichtige leverancier of dienstverrichter (die intracommunautaire handelingen verricht) medegedeeld btw-identificatienummer geldig is en toegekend is aan de persoon met de naam of de benaming en het adres zoals opgegeven door deze belastingplichtige. Op verzoek bevestigt de dienst CLO-btw haar antwoord schriftelijk. De bevestiging geldt slechts voor het moment van de raadpleging van de elektronische bestanden. Die datum wordt in geval van schriftelijke bevestiging overigens uitdrukkelijk vermeld en heeft tot gevolg dat het betrokken nummer bestaat en 'actief' is op het ogenblik van de raadpleging.

De bevestiging van de geldigheid van btw-identificatienummers kan ook bekomen worden via een website van de Europese Commissie, directoraat TAXUD:

http://ec.europa.eu/taxation_customs/vies/vieshome.do

Afhankelijk van het land wordt het btw-identificatienummer gekoppeld aan een naam en een adres (wat het geval is voor een Belgisch btw-identificatienummer).

Deze site kan ook een schriftelijke bevestiging afleveren, als een belastingplichtige, die de validatie aanvraagt, zijn eigen btw-identificatienummer meedeelt.

Merk evenwel op dat deze website op dit ogenblik voor een aantal lidstaten enkel toelaat om de geldigheid van een door de klant medegedeeld btw-identificatienummer na te gaan, maar in tegenstelling tot een aanvraag tot bevestiging via de dienst CLO-btw, niet toelaat om na te gaan of het btw-identificatienummer effectief werd toegekend aan de klant.

Er wordt opgemerkt dat deze verificatie noch onmisbaar, noch voldoende is om de betrokken levering rechtmatig vrij te stellen.

Zij voegt zich bij het geheel van de bewijsmiddelen.

Deze verificatie dringt zich niet op in alle gevallen. Wanneer een onderneming met vrijstelling van btw verkoopt aan een klant in een andere lidstaat die de nodige garanties biedt (bijvoorbeeld omdat er reeds een handelsrelatie bestaat), is het overbodig de geldigheid van het btw-identificatienummer systematisch bij elke levering na te gaan. Het blijft evenwel raadzaam, zelfs in die gevallen, het btw-identificatienummer periodiek te verifiëren.

b. Retroactieve schrapping van het btw-identificatienummer van de afnemer

Wanneer de leverancier te goeder trouw handelt en voldoet aan zijn bewijsverplichting, zal de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek niet worden geweigerd om de enkele reden dat de fiscale autoriteiten van een andere lidstaat na de intracommunautaire levering van het goed het btw-identificatienummer van de afnemer met terugwerkende kracht - tot vóór die levering - hebben geschrapt.

Voorbeeld:

Een te goeder trouw handelende belastingplichtige verricht een intracommunautaire levering aan een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige-indiener. Laatstgenoemde deelt zijn op dat moment geldig btw-identificatienummer mee, toegekend door die lidstaat. De leverancier controleert de geldigheid via de website van de Europese Commissie en bekomt een schriftelijke bevestiging van de website. Bij een latere fiscale controle bij de leverancier, legt deze de nodige bewijsstukken voor waaruit blijkt dat er voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, maar blijkt dat het btw-nummer een tijd na de levering in kwestie is geschrapt door de fiscale autoriteiten van die lidstaat met een terugwerkende kracht tot vóór de levering in kwestie. In dit voorbeeld kan de vrijstelling niet worden geweigerd om de enkele reden dat het btw-nummer van de afnemer met terugwerkende kracht is geschrapt.

De vrijstelling zal uiteraard worden geweigerd, wanneer de belastingplichtige zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude of wanneer de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met zijn levering deelnam aan een handeling die onderdeel is van btw-fraude of bij misbruik (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest R, zaak C-285/09, van 07.12.2010, punten 50 en 51).

c. De afnemer beschikt over een geldig btw-nummer maar heeft het niet meegedeeld

Wanneer de leverancier vanuit België een intracommunautaire levering verricht en zijn afnemer beschikt over een geldig btw-identificatienummer dat hem werd toegekend door een andere lidstaat, maar het niet meedeelt aan de leverancier, kan de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek in principe niet worden toegepast. De leverancier zal bijgevolg Belgische btw aanrekenen op de oorspronkelijke factuur en de handeling in zijn periodieke btw-aangifte opnemen door vermelding van de maatstaf van heffing in één van de roosters 01, 02 of 03 en de verschuldigde btw in rooster 54.

Het kan bijvoorbeeld gaan om een vergissing of onzorgvuldigheid vanwege de afnemer.

Als de afnemer op een later moment alsnog zijn btw-identificatienummer (toegekend door een andere lidstaat en reeds geldig op het tijdstip van de levering) meedeelt met het oog op een rechtzetting, wordt de factuur rechtgezet en is de vrijstelling alsnog van toepassing (voor zover natuurlijk alle overige voorwaarden van de vrijstelling zijn voldaan).

Concreet gebeurt de rechtzetting als volgt:

• de reeds uitgereikte factu(u)r(en) zonder vrijstelling (dient) dienen te worden rechtgezet (dit kan per uitgereikte factuur via een verbeterend stuk dat verwijst naar de factuur in kwestie. De oorspronkelijke factuur en het verbeterend stuk vormen in dit geval samen de uitgereikte factuur). De leverancier mag er ook voor kiezen om deze factuur volledig te annuleren door middel van een creditnota en tegelijkertijd een nieuwe factuur uit te reiken aan zijn medecontractant

• de opname van de handeling in de periodieke btw-aangifte moet worden rechtgezet in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de rechtzetting plaatsvindt. De leverancier moet bij de rechtzetting de maatstaf van heffing vermeld op de oorspronkelijke factuur opnemen in rooster 49 aangezien de oorspronkelijke inschrijving werd verricht in een ander rooster dan rooster 46. Hij moet bovendien de thans vrijgestelde levering opnemen in rooster 46 van de periodieke btw-aangifte van het tijdvak waarin de rechtzetting gebeurt

• de handeling moet worden opgenomen in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de rechtzetting plaatsvindt (de voorwaarde onder rubriek E wordt dan geacht te zijn gerespecteerd)

• de leverancier kan de teruggaaf vragen van de over die leveringen aangerekende btw overeenkomstig artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Hij neemt het bedrag van de belasting, vermeld op de oorspronkelijke factuur die hij heeft opgenomen in rooster 54 van een eerdere periodieke btw-aangifte, op in rooster 64 van de periodieke btw-aangifte van het tijdvak waarin de rechtzetting plaatsvindt.

De rechtzetting is mogelijk via een periodieke btw-aangifte ingediend uiterlijk op 31.12 van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de initieel aangerekende btw opeisbaar is geworden.

De vrijstelling zal uiteraard worden geweigerd, wanneer de leverancier zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude of wanneer hij wist of had moeten weten dat hij met zijn levering deelnam aan een handeling die onderdeel is van btw-fraude of ingeval van misbruik (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest R, zaak C-285/09, van 07.12.2010, punten 50 en 51).

d. Btw-nummer van de afnemer is in aanvraag op het tijdstip van de levering (6)

(6) Deze subrubriek geldt ook mutatis mutandis indien het aangevraagde btw-identificatienummer reeds zou zijn toegekend, maar nog niet is opgeladen in VIES (en dus nog niet geldig is) op het tijdstip van de levering.

Wanneer de leverancier vanuit België een intracommunautaire levering verricht en zijn afnemer hem meedeelt dat zijn btw-nummer van een andere lidstaat nog in aanvraag is, kan de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek in principe niet worden toegepast. De leverancier zal bijgevolg Belgische btw aanrekenen op de oorspronkelijke factuur en de handeling in zijn periodieke btw-aangifte opnemen door vermelding van de maatstaf van heffing in één van de roosters 01, 02 of 03 en de verschuldigde btw in rooster 54.

Wanneer de andere lidstaat uiteindelijk het btw-identificatienummer heeft toegekend aan de afnemer en de afnemer het meedeelt aan zijn leverancier, wordt de factuur rechtgezet en is de vrijstelling alsnog van toepassing (voor zover natuurlijk alle overige voorwaarden van de vrijstelling zijn voldaan) rekening houdend met het hierna gemaakte onderscheid:

• indien het door de afnemer meegedeelde btw-identificatienummer met terugwerkende kracht geldig is op het tijdstip van de levering, dient de rechtzetting te gebeuren zoals vermeld onder subrubriek c

• indien het door de afnemer meegedeelde btw-identificatienummer niet werd toegekend met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de levering heeft plaatsgevonden, gebeurt de rechtzetting van de factuur als kan worden aangetoond dat de afnemer op het tijdstip van de initiële levering een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon is die als zodanig optrad in een andere lidstaat en er daar toe gehouden was om zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen:

A. er wordt aangenomen dat het bewijs daarvan wordt geleverd als de leverancier van zijn afnemer het schriftelijk bewijs heeft bekomen dat zijn btw-identificatienummer in aanvraag was op het tijdstip van de levering (het kan bijvoorbeeld gaan om een attest afgeleverd door de fiscale autoriteiten van de lidstaat die het btw-identificatienummer hebben toegekend of om schriftelijke communicatie tussen de afnemer en die fiscale autoriteiten)

B. kan het bewijs onder A niet worden aangeleverd, dan volstaat het dat de leverancier het bewijs verkrijgt van zijn afnemer dat laatstgenoemde de intracommunautaire verwerving van de goederen heeft aangegeven en aan de btw (7) heeft onderworpen in de lidstaat van aankomst

(7) Dit sluit uiteraard niet de mogelijkheid uit dat de intracommunautaire verwerving in die lidstaat is vrijgesteld.

C. kan het bewijs onder A of B niet worden aangeleverd, dan dient er te worden aangetoond dat de afnemer een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon was die als zodanig (8) handelde. Dit bewijs kan worden aangeleverd door elk bewijskrachtig stuk waarover de leverancier beschikt of dat de leverancier verkrijgt van de afnemer, behalve de eed (het bewijs kan voortvloeien uit bijvoorbeeld jaarrekeningen van de afnemer, de aard van de goederen, contracten, facturen en bestelbonnen uit die periode betreffende de afnemer, een uittreksel uit het lokale handelsregister van het land waar de afnemer gevestigd is…).

(8) Dit betekent dat de afnemer handelde in het kader van zijn economische activiteit wanneer hij een belastingplichtige is en dat de afnemer handelde in het kader van zijn activiteit die buiten de werkingssfeer valt wanneer hij een niet-belastingplichtige rechtspersoon is.

Concreet gebeurt de rechtzetting als volgt:

• de reeds uitgereikte factu(u)r(en) zonder vrijstelling (dient) dienen te worden rechtgezet (dit kan per uitgereikte factuur via een verbeterend stuk dat verwijst naar de factuur in kwestie. De oorspronkelijke factuur en het verbeterend stuk vormen in dit geval samen de uitgereikte factuur). De leverancier mag er ook voor kiezen om deze factuur volledig te annuleren door middel van een creditnota en tegelijkertijd een nieuwe factuur uit te reiken aan zijn medecontractant

• de opname van de handeling in de periodieke btw-aangifte moet worden rechtgezet in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de rechtzetting plaatsvindt. De leverancier moet bij de rechtzetting de maatstaf van heffing vermeld op de oorspronkelijke factuur opnemen in rooster 49 aangezien de oorspronkelijke inschrijving werd verricht in een ander rooster dan rooster 46. Hij moet bovendien de thans vrijgestelde levering opnemen in rooster 46 van de periodieke btw-aangifte van het tijdvak waarin de rechtzetting gebeurt

• de handeling moet worden opgenomen in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de rechtzetting plaatsvindt (de voorwaarde onder rubriek E wordt dan geacht te zijn gerespecteerd)

• de leverancier kan de teruggaaf vragen van de over die leveringen aangerekende btw overeenkomstig artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Hij neemt het bedrag van de belasting, vermeld op de oorspronkelijke factuur die hij heeft opgenomen in rooster 54 van een eerdere periodieke btw-aangifte, op in rooster 64 van de periodieke btw-aangifte van het tijdvak waarin de rechtzetting plaatsvindt.

De rechtzetting is mogelijk via een periodieke btw-aangifte ingediend uiterlijk op 31.12 van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de initieel aangerekende btw opeisbaar is geworden.

De vrijstelling zal worden geweigerd, wanneer de leverancier zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude of wanneer hij wist of had moeten weten dat hij met zijn levering deelnam aan een handeling die onderdeel is van btw-fraude of bij misbruik (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest R, zaak C-285/09, van 07.12.2010, punten 50 en 51).

e. De afnemer beschikt niet over een btw-identificatienummer op het tijdstip van de levering, maar wil zich nadien in regel stellen

Het kan bijvoorbeeld gaan om een belastingplichtige uit een derde land die niet vertrouwd is met de btw-verplichtingen of om een lid van de groep van vier (9) die in zijn lidstaat zijn verwervingsdrempel heeft overschreden zonder zich ervan bewust te zijn.

(9) Zulke belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen hebben normaal gezien weinig btw-verplichtingen en zijn zich niet altijd bewust van hun verplichtingen en de in die lidstaat bestaande drempels wanneer zij intracommunautair goederen aankopen.

Wanneer de leverancier vanuit België een intracommunautaire levering verricht aan een afnemer die niet over een btw-identificatienummer beschikt dat aan hem werd toegekend door een andere lidstaat, kan de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek niet worden toegepast. De leverancier zal bijgevolg Belgische btw aanrekenen op de oorspronkelijke factuur en de handeling in zijn periodieke btw-aangifte opnemen door vermelding van de maatstaf van heffing in één van de roosters 01, 02 of 03 en de verschuldigde btw in rooster 54.

Wanneer de afnemer zich in regel wil stellen en alsnog een btw-identificatienummer aanvraagt en toegekend krijgt in een andere lidstaat en dit meedeelt aan de leverancier, wordt de factuur rechtgezet en is de vrijstelling alsnog van toepassing (voor zover natuurlijk alle overige voorwaarden van de vrijstelling zijn voldaan) rekening houdend met het hierna gemaakte onderscheid:

• indien het door de afnemer meegedeelde btw-identificatienummer met terugwerkende kracht geldig is op het tijdstip van de levering, dient de rechtzetting te gebeuren zoals vermeld onder subrubriek c

• indien het door de afnemer meegedeelde btw-identificatienummer niet werd toegekend met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de levering heeft plaatsgevonden, gebeurt de rechtzetting van de factuur als kan worden aangetoond dat de afnemer op het tijdstip van de initiële levering een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon is die als zodanig optrad in een andere lidstaat en er daar toe gehouden was om zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen:

A. er wordt aangenomen dat het bewijs daarvan wordt geleverd als de leverancier het bewijs verkrijgt van zijn afnemer dat laatstgenoemde de intracommunautaire verwerving van de goederen heeft aangegeven en aan de btw (10) heeft onderworpen in de lidstaat van aankomst

(10) Dit sluit uiteraard niet de mogelijkheid uit dat de intracommunautaire verwerving in die lidstaat is vrijgesteld.

B. kan het bewijs onder A niet worden aangeleverd, dan dient er te worden aangetoond dat de afnemer een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon was die als zodanig (11) handelde. Dit bewijs kan worden aangeleverd door elk bewijskrachtig stuk waarover de leverancier beschikt of dat de leverancier verkrijgt van de afnemer, behalve de eed (het bewijs kan voortvloeien uit bijvoorbeeld jaarrekeningen van de afnemer, de aard van de goederen, contracten, facturen en bestelbonnen uit die periode betreffende de afnemer, een uittreksel uit het lokale handelsregister van het land waar de afnemer gevestigd is…).

(11) Dit betekent dat de afnemer handelde in het kader van zijn economische activiteit wanneer hij een belastingplichtige is en dat de afnemer handelde in het kader van zijn activiteit die buiten de werkingssfeer valt wanneer hij een niet-belastingplichtige rechtspersoon is.

Concreet gebeurt de rechtzetting als volgt:

• de reeds uitgereikte factu(u)r(en) zonder vrijstelling (dient) dienen te worden rechtgezet (dit kan per uitgereikte factuur via een verbeterend stuk dat verwijst naar de factuur in kwestie. De oorspronkelijke factuur en het verbeterend stuk vormen in dit geval samen de uitgereikte factuur). De leverancier mag er ook voor kiezen om deze factuur volledig te annuleren door middel van een creditnota en tegelijkertijd een nieuwe factuur uit te reiken aan zijn medecontractant

• de opname van de handeling in de periodieke btw-aangifte moet worden rechtgezet in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de rechtzetting plaatsvindt. De leverancier moet bij de rechtzetting de maatstaf van heffing vermeld op de oorspronkelijke factuur opnemen in rooster 49 aangezien de oorspronkelijke inschrijving werd verricht in een ander rooster dan rooster 46. Hij moet bovendien de thans vrijgestelde levering opnemen in rooster 46 van de periodieke btw-aangifte van het tijdvak waarin de rechtzetting gebeurt

• de handeling moet worden opgenomen in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de rechtzetting plaatsvindt (de voorwaarde onder rubriek E wordt dan geacht te zijn gerespecteerd)

• de leverancier kan de teruggaaf vragen van de over die leveringen aangerekende btw overeenkomstig artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Hij neemt het bedrag van de belasting, vermeld op de oorspronkelijke factuur die hij heeft opgenomen in rooster 54 van een eerdere periodieke btw-aangifte, op in rooster 64 van de periodieke btw-aangifte van het tijdvak waarin de rechtzetting plaatsvindt.

De rechtzetting is mogelijk via een periodieke btw-aangifte ingediend uiterlijk op 31 december van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de initieel aangerekende btw opeisbaar is geworden.

De vrijstelling zal worden geweigerd, wanneer de leverancier zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude of wanneer hij wist of had moeten weten dat hij met zijn levering deelnam aan een handeling die onderdeel is van btw-fraude of bij misbruik (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest R, zaak C-285/09, van 07.12.2010, punten 50 en 51).

f. Interactie met de richtlijn 2008/9/EG en de dertiende richtlijn wanneer de voorwaarde van artikel 39bis, eerste lid, 1°, b), van het Btw-Wetboek niet vervuld is

Zoals hierboven aangehaald kan de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek niet worden toegepast, wanneer de leverancier vanuit België een intracommunautaire levering verricht aan een afnemer die geen btw-identificatienummer meedeelt dat aan hem werd toegekend door een andere lidstaat. De leverancier zal bijgevolg Belgische btw aanrekenen op de oorspronkelijke factuur en de handeling in zijn periodieke btw-aangifte opnemen door vermelding van de maatstaf van heffing in één van de roosters 01, 02 of 03 en de verschuldigde btw in rooster 54.

De afnemer kan geen teruggaaf krijgen via de procedure van de richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12.02.2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, van de btw die hem in rekening werd gebracht voor een intracommunautaire levering van goederen die kan worden vrijgesteld door artikel 39bis, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, maar deze vrijstelling niet geniet omdat de afnemer zijn verplichting niet is nagekomen om zijn geldig btw-identificatienummer van een andere lidstaat mee te delen.

Evenmin kan een niet in de EU gevestigde belastingplichtige teruggaaf krijgen via de procedure van de Dertiende Richtlijn 86/560/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen, van de btw die hem in rekening werd gebracht voor een intracommunautaire levering van goederen die kan worden vrijgesteld door artikel 39bis, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, maar deze vrijstelling niet geniet omdat de afnemer zijn verplichting niet is nagekomen om zijn geldig btw-identificatienummer van een andere lidstaat mee te delen.

Om de teruggaaf van de door de leverancier aangerekende btw te bekomen over de intracommunautaire levering in kwestie, moet de afnemer dus de nodige stappen zetten naar de leverancier toe om zijn situatie te regulariseren, zoals beschreven onder subrubriek c tot subrubriek e.

Via de rechtzetting zoals omschreven onder punten subrubriek c tot subrubriek e, kan de afnemer de teruggaaf van de initieel aangerekende btw bekomen bij de leverancier en kan de leverancier op zijn beurt de teruggaaf van die btw bekomen via zijn periodieke btw-aangifte.

Uitsluitend in een situatie waarin:

• voldaan is aan de voorwaarden voor de rechtzetting zoals vermeld (naar gelang het geval) onder subrubriek c, d of e

• er geen sprake is van fraude of misbruik

• die btw daadwerkelijk aan de Schatkist is gestort door de leverancier en

• de terugbetaling van de btw door die leverancier aan de afnemer onmogelijk of uiterst moeilijk blijkt te zijn (meer bepaald ingeval van insolvabiliteit, faillissement, gerechtelijk akkoord van de leverancier)

kan de afnemer zijn verzoek tot terugbetaling rechtstreeks richten tot de administratie (12) (zie in dit verband Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Reemtsma, zaak C-35/05, van 15.03.2007 en Working Paper nr. 989 van de Europese Commissie, taxud.c.1(2020)971538, van 07.02.2020). Hiermee wordt dus niet de situatie bedoeld waarbij de leverancier de terugbetaling weigert (discussie, conflict tussen de partijen), zonder dat hij in de onmogelijkheid is om de terugbetaling te doen wegens insolvabiliteit, faillissement, gerechtelijk akkoord. In dat geval dient de afnemer de teruggaaf desnoods langs civielrechtelijke weg te bekomen.

(12) De afnemer richt zijn verzoek schriftelijk aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Operationele expertise en ondersteuning, dienst btw, Koning Albert II-laan 33 bus 25, 1030 Brussel.

D. Het vervoer of de verzending van de goederen

a. Algemene principes

Een andere belangrijke grondvoorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek is dat de goederen worden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de gemeenschap (van België naar een andere lidstaat):

• hetzij door de verkoper of voor zijn rekening

• hetzij door de koper of voor zijn rekening.

De leverancier moet aantonen dat de goederen in kwestie naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd en België ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek hebben verlaten.

De leverancier moet steeds in bezit zijn van alle documenten waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen vanuit België naar een andere lidstaat blijkt.

Dit bewijs moet dus voortvloeien uit gebruikelijke handelsdocumenten die het bestaan van het vervoer of de verzending van de goederen naar de andere lidstaat vaststellen. Elk bewijsdocument is toegelaten, maar geen enkel bijzonder document is op zich voldoende of onmisbaar.

Voorbeelden van deze documenten zijn: bestelbonnen, facturen van vervoerders, vervoerdocumenten, betalingsdocumenten (13), contracten, verzekeringsdocumenten... (zie artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd).

(13) Leveranciers hebben er bijgevolg belang bij geen contante betaling te aanvaarden, behoudens in uitzonderlijke gevallen.

Wanneer het vervoer of de verzending van de goederen door of voor rekening van de koper wordt verricht is het in principe laatstgenoemde die beschikt over het merendeel van de bewijselementen. Bijgevolg komt het toe aan de belastingplichtige leverancier om zich ervan te verzekeren dat zijn klant hem de nodige bewijzen zal aanleveren. Ook al is er geen bepaalde termijn voorzien, dan nog is het in elk geval verplicht dat de leverancier, in geval van een controle van de fiscale administratie, in het bezit is van alle deze bewijselementen. Wanneer de controle wordt verricht kort na de levering en hij nog niet in het bezit is van die elementen, moet de belastingplichtige in staat zijn om aan te tonen dat hij alle nodige stappen heeft gezet bij zijn koper en dat hij die bewijzen op korte termijn zal kunnen verstrekken. Bij gebreke daaraan, in afwezigheid van de bewijsstukken, heeft de leverancier de op hem rustende verplichtingen om aan te tonen dat de toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling (vervoer van de goederen naar een andere lidstaat) werden voldaan, niet vervuld en zal de administratie gehouden zijn om de btw over de handeling van hem te vorderen (zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 365 van de heer Volksvertegenwoordiger Benoît Piedboeuf van 13.05.2020).

In het kader van de intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel waarbij de koper zelf met het voertuig naar de lidstaat van bestemming rijdt, kunnen onder meer volgende documenten een element vormen in het geheel van bewijzen dat door de verkoper moet worden voorgelegd: een kopie van het inschrijvingsbewijs van het voertuig in de lidstaat van aankomst, verzekeringsdocumenten, eventueel een rekeninguittreksel waaruit blijkt dat de betaling werd gedaan vanuit een rekeningnummer bij een financiële instelling uit de lidstaat van bestemming, een kopie van de documenten die in het kader van de intracommunautaire verwerving van het voertuig aan de koper werden afgeleverd door de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van aankomst, zoals een betalingsbewijs van de btw, een bevestiging van de verwerving, een (ontvangst)bewijs van de indiening van de aangifte/melding van de intracommunautaire verwerving, eventuele douaneformaliteiten, enz. Het is ook aangeraden om een kopie te nemen van de identiteitsdocumenten (paspoort, identiteitskaart, rijbewijs) van de koper (schriftelijke parlementaire vraag nr. 603 van de heer Volksvertegenwoordiger Josy Arens van 08.09.2021).

Indien de leverancier niet over de nodige bewijsstukken beschikt om het vervoer of de verzending van de goederen van België naar een andere lidstaat aan te tonen, is de Belgische administratie niet verplicht om krachtens de richtlijn inzake wederzijdse bijstand en de verordening inzake administratieve samenwerking inlichtingen, waaruit dat vervoer zou kunnen blijken, in te winnen bij de bevoegde fiscale autoriteiten van de lidstaat waarnaar de goederen volgens de leverancier werden vervoerd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Twoh, zaak C-184/05, van 27.09.2007).

b. Beperking van de aansprakelijkheid voor de te goeder trouw handelende leverancier ingeval van fraude door de afnemer

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat wanneer de verkoper aan zijn verplichtingen inzake het bewijs van een intracommunautaire leveringen heeft voldaan, terwijl de afnemer zijn contractuele verplichting tot verzending of vervoer van het betrokken goed buiten de lidstaat van levering niet is nagekomen, de btw in deze lidstaat dient te worden betaald door de afnemer. De leverancier kan in dat geval dus niet worden verplicht tot nabetaling van de over deze levering verschuldigde btw.

Er wordt benadrukt dat het hier over een leverancier gaat die te goeder trouw heeft gehandeld en een geheel van bewijzen heeft aangeboden waardoor zijn recht op vrijstelling voor een intracommunautaire levering van goederen op het eerste gezicht wordt gestaafd. Hij moet trouwens alle maatregelen hebben genomen nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht, niet betrokken raakt bij belastingfraude (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Teleos, zaak C-409/04, van 27.09.2007, punt 55, Arrest Traum, zaak C-492/13, van 09.10.2014, punt 41).

De vrijstelling van een intracommunautaire levering moet worden geweigerd, wanneer aan de hand van objectieve elementen vaststaat dat de verkoper de op hem rustende bewijsplicht niet is nagekomen of hij wist of had moeten weten dat de door hem verrichte handeling deel uitmaakte van fraude door de afnemer en hij niet alle hem ter beschikking staande redelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat hij zelf bij deze fraude betrokken raakte (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Mecsek-Gabona, zaak C-273/11, 06.09.2012, Arrest Traum, zaak C-492/13, van 09.10.2014, punt 42) of in geval van misbruik (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Maks Pen, zaak C-18/13, van 13.02.2014, punt 26) (zie ook schriftelijke parlementaire vraag nr. 365 van de heer Volksvertegenwoordiger Benoît Piedboeuf van 13.05.2020).

c. Wettelijk vermoeden van verzending of vervoer van artikel 45bis van de uitvoeringsverordening

De Europese wetgever heeft ervoor gekozen om 2 wettelijke vermoedens toe te voegen aan de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, op basis waarvan de goederen moeten worden geacht te zijn verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een bestemming buiten zijn grondgebied maar binnen de gemeenschap (zie artikel 45bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, en artikel 3, § 2, koninklijk besluit nr. 52, voornoemd).

Het eerste vermoeden is van toepassing wanneer het vervoer of de verzending van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de leverancier.

Het tweede vermoeden is van toepassing wanneer het vervoer of de verzending van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de afnemer.

Deze maatregel treedt in werking op 01.01.2020 en heeft de bedoeling een praktische oplossing aan te reiken alsook de administratie waarborgen te bieden.

De vermoedens hebben een omkering tot gevolg van de bewijslast met betrekking tot de verzending of het vervoer van de goederen buiten België naar een andere lidstaat. Wanneer de leverancier gebruik maakt van één van bovenvermelde vermoedens, wordt die verzending of dat vervoer geacht te zijn bewezen, behalve wanneer de administratie dat vermoeden kan weerleggen.

Om het toegepaste vermoeden te weerleggen moet de administratie de nodige elementen aanvoeren die aantonen dat de goederen niet werden vervoerd of verzonden van België naar een andere lidstaat.

Het weerleggen van het vermoeden verschilt van de situatie waarin de administratie kan aantonen dat één van de voorgelegde documenten (zie hieronder categorie 1 en 2) onjuiste informatie bevat of vals is (14). Het gevolg hiervan is dat de leverancier zich niet langer kan beroepen op het vermoeden. Het is evenwel mogelijk dat de leverancier andere documenten zoals hierna bedoeld onder categorie 1 en 2 kan voorleggen die hem toelaten om te genieten van het vermoeden of dat hij het bewijs van vervoer kan verschaffen door middel van een geheel van bewijsstukken zoals bedoeld in subrubriek a.

(14) Uiteraard is de vrijstelling van artikel 39bis, van het Btw-Wetboek niet van toepassing wanneer de leverancier deelneemt aan fraude of wist of had moeten weten dat hij bij fraude is betrokken of ingeval van misbruik.

De leverancier is trouwens niet verplicht om zich te beroepen op het vermoeden en mag voor elke afzonderlijke intracommunautaire levering kiezen of hij er zich op beroept. Niets weerhoudt de belastingplichtige om de verzending of het vervoer buiten België naar een andere lidstaat te bewijzen aan de hand van een geheel van bewijsstukken zoals besproken onder subrubriek a of om beroep te doen op het vermoeden bedoeld onder subrubriek d.

De tekst van artikel 45bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, verwijst naar de vrijstellingen van artikel 138 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, in het algemeen en sluit de overbrengingen in de zin van artikelen 12bis, eerste lid, en 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek op zichzelf niet uit. De belastingplichtige die een overbrenging verricht handelt tegelijk als leverancier en afnemer en kan zich dus zich dus beroepen op het vermoeden van artikel 45bis, lid 1, a), van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, voor zover alle voorwaarden voldaan zijn (circulaire 2021/C/47 van 21/05/2021 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109-10), punt 2).

Voor de toepassing van artikel 39bis van het Btw-Wetboek geldt het vermoeden dat goederen zijn verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere lidstaat in de volgende gevallen:

1. De leverancier, of een derde voor zijn rekening, verricht de verzending of het vervoer van de goederen:

1.1. ofwel is de leverancier in het bezit van ten minste twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken van categorie 1 (zie hieronder) afgegeven door twee verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de leverancier en van de afnemer

1.2. ofwel is de leverancier in het bezit van één niet-tegenstrijdig bewijsstuk van categorie 1 (zie hieronder), samen met één niet-tegenstrijdig bewijsstuk van categorie 2 (zie hieronder), die de verzending of het vervoer bewijzen en die zijn uitgereikt door twee verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de verkoper en van de afnemer

2. De afnemer, of een derde voor zijn rekening, verricht de verzending of het vervoer van de goederen:

2.1. de leverancier is in het bezit van een schriftelijke verklaring van de afnemer waarin hij bevestigt dat de goederen door hem of voor zijn rekening zijn verzonden of vervoerd en waarin de lidstaat van bestemming is vermeld

Die schriftelijke verklaring bevat:

2.1.1. de datum van afgifte van de verklaring

2.1.2. de naam en het adres van de afnemer

2.1.3. de hoeveelheid en de aard van de goederen

2.1.4. de datum en plaats van aankomst van de goederen

2.1.5. ingeval van levering van vervoermiddelen het identificatienummer van het vervoermiddel (chassisnummer)

2.1.6. de identificatie van de persoon die de goederen namens de afnemer aanvaardt.

De afnemer moet die verklaring uiterlijk op de tiende dag van de maand volgend op de levering aan de koper bezorgen.

2.2. EN de leverancier is in het bezit van:

2.2.1. ofwel ten minste twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken van categorie 1 (zie hieronder) die zijn uitgereikt door twee verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de leverancier en van de afnemer

2.2.2. ofwel één niet-tegenstrijdig bewijsstuk van categorie 1 (zie hieronder), samen met één niet-tegenstrijdig bewijsstuk van categorie 2 (zie hieronder), die de verzending of het vervoer bewijzen en die zijn uitgereikt door twee verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de verkoper en van de afnemer.

Voor de toepassing van bovenvermelde vermoedens worden aanvaard als bewijs van verzending of vervoer:

• Categorie 1: documenten met betrekking tot de verzending of het vervoer van de goederen, zoals:

o een ondertekend CMR-document of een ondertekende CMR-vrachtbrief

o een cognossement

o een factuur voor het luchtvrachtvervoer van de goederen

o een factuur van de vervoerder van de goederen.

• Categorie 2: De volgende documenten:

o een verzekeringsdocument voor de verzending of het vervoer van de goederen of bankdocumenten die de betaling van de verzending of het vervoer of het vervoer of de verzending staven

o officiële documenten uitgereikt door een openbare instantie, zoals een notaris, waarin de aankomst van de goederen in de lidstaat van bestemming wordt bevestigd

o een ontvangstbewijs van een entrepothouder afgegeven in de lidstaat van bestemming, waarin de opslag van de goederen in die lidstaat wordt bevestigd.

Het btw-comité is bijna unaniem overeengekomen dat om te bepalen of twee partijen onafhankelijk zijn van elkaar in de zin van artikel 45bis, lid 1, a en b, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd:

• twee partijen niet als 'onafhankelijk' worden beschouwd wanneer ze dezelfde rechtspersoon zijn, en

• de criteria bepaald in artikel 80 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd zullen worden gebruikt zodat partijen waarbij familiale of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden bestaan', niet mogen worden beschouwd als onafhankelijk van elkaar (richtsnoeren van het 113de btw-comité van 03.06.2019, document H – taxud.c.1(2019) 7901898 WP nr. 979).

In dit verband wordt verwezen naar artikel 33, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek. Bijgevolg worden twee partijen niet als 'onafhankelijk' beschouwd wanneer de afnemer verbonden is met de leverancier van de goederen:

• ingevolge een arbeidsovereenkomst, met inbegrip van hun familieleden tot in de vierde graad

• als vennoot, lid of bestuurder van de vennootschap of rechtspersoon, met inbegrip van hun familieleden tot in de vierde graad.

Wanneer de leverancier of de afnemer zelf met eigen transportmiddel het vervoer van de goederen verricht, kunnen de vermoedens van artikel 45bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, in principe niet worden toegepast, aangezien er in principe niet zal voldaan zijn aan de vereiste van artikel 45bis, lid 1, a) en b), ii) van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, met name de vereiste dat de niet-tegenstrijdige bewijsstukken moeten worden afgegeven door 2 verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de leverancier en van de afnemer.

De leverancier kan zich uiteraard niet op de vrijstelling van artikel 39bis van het Btw-Wetboek beroepen wanneer hij betrokken is bij fraude of wist of had moeten weten dat hij met zijn levering zou betrokken raken bij fraude of ingeval van misbruik.

d. Bestemmingsdocument

Naast de wettelijke vermoedens zoals bedoeld in artikel 45bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, heeft de Belgische wetgever een eigen wettelijk vermoeden bepaald in artikel 3, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd.

Het vermoeden kan worden toegepast ongeacht of het vervoer of de verzending van de goederen gebeurt:

• door of voor rekening van de leverancier, of

• door of voor rekening van de afnemer.

Goederen die het voorwerp uitmaken van een intracommunautaire levering met toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1° tot 3°, van het Btw-Wetboek worden geacht te zijn verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere lidstaat wanneer de leverancier in het bezit is van:

• het bestemmingsdocument (zie hieronder), en

• de factuur met betrekking tot het vervoer indien de goederen voor rekening van de leverancier werden vervoerd.

De inhoud van deze stukken mag niet tegenstrijdig zijn met die van de documenten bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd. Laatstgenoemde documenten betreffen de stukken die de echtheid van de levering staven en omvatten onder meer: de contracten, de bestelbonnen, de facturen en de betalingsstukken. De administratie behoudt dus de mogelijkheid om deze documenten op te vragen om de echtheid van de transactie te controleren.

De administratie kan het hierboven bedoelde vermoeden weerleggen. Om het vermoeden te weerleggen, moet de administratie de nodige elementen aanvoeren die aantonen dat de goederen niet werden vervoerd of verzonden van België naar een andere lidstaat.

Het weerleggen van het vermoeden verschilt van onder meer volgende situaties:

• de belastingplichtige niet alle in artikel 3, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd, vereiste documenten kan voorleggen

• dat het bestemmingsdocument niet alle door artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd, vereiste vermeldingen bevat

• de administratie kan aantonen dat één van de door artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd, vereiste documenten onjuiste informatie bevat of vals is (15).

(15) De vrijstelling van artikel 39bis van het Btw-Wetboek is evenwel niet van toepassing wanneer de leverancier deelneemt aan fraude of wist of had moeten weten dat hij bij fraude betrokken is of ingeval van misbruik.

Het gevolg hiervan is dat de leverancier zich niet langer kan beroepen op het vermoeden van artikel 3, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd. Het is evenwel mogelijk dat de leverancier:

• het bewijs van vervoer kan verschaffen door middel van een geheel van bewijsstukken zoals bedoeld in subrubriek a, of

• zich beroept op het vermoeden van artikel 45bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, voor zover aan alle door die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan (zie subrubriek c).

De leverancier is trouwens niet verplicht om zich te beroepen op het vermoeden van artikel 3, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd, en mag voor elke afzonderlijke intracommunautaire levering kiezen of hij er zich op beroept. Niets weerhoudt de belastingplichtige om de verzending of het vervoer buiten België naar een andere lidstaat te bewijzen aan de hand van een geheel van bewijsstukken zoals besproken onder punt subrubriek a of zich te beroepen op het vermoeden van artikel 45bis (zie subrubriek c) van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, onder de door die bepaling gestelde voorwaarden.

Het vermoeden is niet van toepassing wanneer de leverancier wist of had moeten weten dat de goederen niet van België naar een andere lidstaat werden verzonden of vervoerd. Meer in het algemeen kan de leverancier zich niet op de vrijstelling van artikel 39bis van het Btw-Wetboek beroepen wanneer hij betrokken is bij fraude of wist of had moeten weten dat hij met zijn levering zou betrokken raken bij fraude of ingeval van misbruik.

Het bestemmingsdocument moet de volgende gegevens vermelden (zie artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd):

1. de naam of de maatschappelijke benaming van de leverancier, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel en zijn Belgisch btw-identificatienummer

2. de naam of de maatschappelijke benaming van de afnemer, het adres en zijn btw-identificatienummer van een andere lidstaat dan België waaronder de afnemer de intracommunautaire verwerving heeft verricht

3. de bevestiging dat het bestemmingsdocument betrekking heeft op de aankomst van goederen die het voorwerp uitmaken van de intracommunautaire levering van goederen die vrijgesteld is op grond van artikel 39bis, eerste lid, 1° en 3°, van het Btw-Wetboek

4. de plaats van aankomst van de goederen, namelijk het adres in de lidstaat van aankomst ander dan België

5. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van de goederen en, indien het vervoermiddelen betreft, het identificatienummer van het vervoermiddel

6. de datum van uitreiking van de factuur evenals het opeenvolgend nummer dat de factuur op eenduidige wijze identificeert of, wanneer de factuur nog niet is uitgereikt, een andere tussen de partijen gebruikte referentie die ondubbelzinnig aan de factuur is verbonden, op voorwaarde dat zowel de leverancier als de afnemer in het bezit zijn van een exemplaar van het document dat die referentie bevat

7. de datum van de ontvangst van de geleverde goederen.

Er mag een geglobaliseerd bestemmingsdocument worden opgesteld voor alle leveringen vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Btw-Wetboek die werden gedaan voor eenzelfde afnemer gedurende een periode die niet meer bedraagt dan drie opeenvolgende kalendermaanden. In dat geval worden de gegevens bedoeld in 4 tot 7 vermeld per levering die is vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Btw-Wetboek en vermeldt het bestemmingsdocument tevens de periode waarop het betrekking heeft.

Het bestemmingsdocument wordt opgesteld door:

• de leverancier, of

• de afnemer, of

• een persoon die door één van hen naar behoren werd gemachtigd.

In geval van een kettingverkoop is de leverancier uiteraard die persoon die in die ketting de vrijgestelde levering verricht. In dat geval kan het bestemmingsdocument uiteraard eveneens worden opgesteld door zijn medecontractant in de ketting (de belastingplichtige afnemer van de goederen na deze vrijgestelde levering)of een door één van hen naar behoren gemachtigde persoon. Laatstgenoemde persoon kan bijvoorbeeld de eindafnemer in de ketting zijn voor wie de goederen uiteindelijk zijn bestemd (de laatste schakel in de ketting) indien het vervoer en dus de intracommunautaire levering in een eerder stadium van de ketting plaatsvindt.

Het bestemmingsdocument wordt gedateerd en ondertekend en bezorgd aan de leverancier uiterlijk binnen de drie maanden na het verstrijken van de periode waarop het document betrekking heeft, door:

• de afnemer, of

• een door de afnemer gemachtigde persoon die uit hoofde van zijn functie binnen de onderneming van de afnemer geacht mag worden kennis te hebben van de door de onderneming verrichte aankopen en die op het bestemmingsdocument de vermelding 'in naam van de afnemer' aanbrengt evenals zijn naam en zijn functie binnen de onderneming.

De leverancier moet zich op voorhand de identiteit en de hoedanigheid van deze persoon per e-mail, per brief of op een andere schriftelijke wijze door de koper laten bevestigen.

Ingeval de goederen niet naar een inrichting van de afnemer worden verzonden of vervoerd (16), wordt het bestemmingsdocument eveneens gedateerd en ondertekend door een persoon van wie de functie hem toelaat om binnen die inrichting te attesteren dat de goederen wel degelijk zijn aangekomen (bijvoorbeeld medewerker van een derde-entrepothouder waarnaar de goederen werden verzonden, werknemer van een klant verder in de keten waarnaar de goederen werden verzonden ingeval van een ketenverkoop…). Die persoon moet op het bestemmingsdocument de vermelding 'in naam van de afnemer' aanbrengen evenals zijn naam en zijn functie en de naam van de onderneming die de inrichting uitbaat.

(16) Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de goederen worden vervoerd naar een magazijn van een derde-entrepothouder waar de goederen voor rekening van de afnemer worden opgeslagen of dit kan het geval zijn bij een ketenverkoop waarbij de goederen rechtstreeks naar een volgende koper in de keten worden verzonden.

In de situatie van een intracommunautaire ketenverkoop waarin:

• een in België voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige A goederen levert aan een in een andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige B

• B de aankopen verricht onder zijn btw-identificatienummer dat door een andere lidstaat dan België is toegekend (B deelt dit btw-nummer mee aan A)

• de goederen voor rekening van B rechtstreeks vanuit België worden vervoerd of verzonden tot bij de eindklant (van de ketenverkoop) in een andere lidstaat dan België

• B voor het vervoer beroep doet op een derde X (transportonderneming)

• B om commerciële redenen de identiteit van de eindklant niet bekendmaakt aan A

• A wenst gebruik te maken van het bestemmingsdocument bedoeld in artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd

aanvaardt de administratie dat er voldaan is aan de vereiste van artikel 4, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd, wanneer het bestemmingsdocument [naast te worden gevalideerd door B (de afnemer van A) of een gemachtigde persoon binnen onderneming B] wordt gedateerd en ondertekend door een persoon van wie de functie binnen de transportfirma X [die het vervoer verricht van België naar de eindklant in de lidstaat van bestemming voor rekening van B] het mogelijk maakt te attesteren dat de goederen effectief zijn aangekomen in de lidstaat van bestemming [andere lidstaat dan België] bij de eindklant, met wie A geen contractuele band heeft en wiens identiteit A niet kent aangezien B ze omwille van commerciële redenen niet meedeelt.

Uiteraard moeten alle andere voorwaarden van artikel 3, § 3 en artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd, vervuld zijn (Circulaire 2021/C/26 van 12.03.2021 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (E.T. nr. 135.109-9)).

Bestemmingsdocumenten kunnen per e-mail of op een andere elektronische wijze worden verstuurd alsook bevestigd, voor zover de authenticiteit van de ondertekenaar gegarandeerd blijft. De uitwisselingsdocumenten moeten dan eveneens als zodanig worden bewaard.

Voorbeelden van een bestemmingsdocument:

A. De Belgische onderneming X (kwartaalaangever) heeft met een in Lidstaat 1 gevestigde onderneming Y een bestendige handelsrelatie en levert in de maanden april tot juni goederen die via in totaal 5 facturen afgerekend worden. De goederen worden verzonden naar een inrichting van Y in de lidstaat van aankomst. Y kan in één enkel bestemmingsdocument de aankomst van de goederen bevestigen, mits verwijzing naar de respectieve facturen.

Bevestiging van de aankomst van intracommunautaire leveringen van goederen, in de zin van artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.

Periode: april-juni 2020

Leverancier:

- Naam: NV X

- Adres: Industrielaan 1, 9000 Gent

- BE-nummer: BE 999.999.999

Koper:

- Naam: Y

- Adres: Adres Lidstaat 1

- Btw-nummer: xxxxxxxxxxxx

Ontvangen leveringen:

Factuur nummer

Factuurdatum

Zink (in ton)

Nikkel (in ton)

Koper (in ton)

Datum van ontvangst van de goederen door of voor rekening van de koper

Plaats aankomst

663

06.04. 2020

1

april 2020

adres

687

27.04. 2020

3

mei 2020

adres

715

12.05. 2020

1

mei 2020

adres

734

10.06. 2020

1,5

juni 2020

adres

1,2

juni 2020

adres

785

21.06. 2020

2

juni 2020

adres

Bevestiging van de correctheid van het bestemmingsdocument:

- Naam en voornaam: Z, vermelding functie bij Y, in naam van de afnemer Y

- Datum: …

- Handtekening Z

B. Een Belgische belastingplichtige A (maandaangever) verkoopt goederen aan een in Lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige B, die ze doorverkoopt aan een in Lidstaat 2 gevestigde belastingplichtige C. De goederen worden voor rekening van verkoper A over de weg vervoerd naar de inrichting van C in Lidstaat 2.

Bevestiging van de aankomst van een intracommunautaire levering van goederen in de zin van artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd

Periode: mei 2020

Leverancier:

- Naam: NV A

- Adres: Industriepark West, 8000 Brugge

- BE-nummer: BE 999.999.999

Koper:

- Naam: B

- Adres: Adres Lidstaat 1

- Btw-nummer: DE 999.999.999

Geleverde goederen:

- Factuurnummer: 700

- Datum factuur: 29.05.2020

- Geleverde goederen: 100 tapijten van het type …

- Datum van aankomst: mei 2020

- Plaats van aankomst: Adres Lidstaat 2

Bevestiging van de correctheid van het bestemmingsdocument:

- Naam en voornaam: X, vermelding functie bij B, in naam van de afnemer B

- Datum …

- Handtekening X

- Naam en voornaam: Y, vermelding naam onderneming C en functie bij C, in naam van de afnemer B

- Datum: …

- Handtekening Y

C. De Belgische onderneming K (kwartaalaangever) heeft aan de in Lidstaat 1 gevestigde onderneming L op 10.01, 20.02 en 30.06 van een jaar goederen geleverd.

De Belgische onderneming K kan de leveringen van 10.01 en 20.02 in één enkel bestemmingsdocument opnemen met betrekking tot de intracommunautaire leveringen van het eerste kwartaal. Voor de levering op 30 juni moet een ander bestemmingsdocument worden opgemaakt, omdat de goederen niet in het eerste kwartaal in ontvangst werden genomen.

E. Opname van de levering in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

De btw-opgave van de intracommunautaire handelingen (zie artikel 53sexies, § 1, 53octies, § 1, en 57, § 7 van het Btw-Wetboek en koninklijk besluit nr. 50, voornoemd) is voor het VIES-systeem (17) van essentieel belang om de lidstaat van aankomst te informeren over de aanwezigheid van goederen op zijn grondgebied. Het is een cruciaal onderdeel in de strijd tegen fraude.

(17) Systeem voor de uitwisseling van btw-informatie tussen de lidstaten onderling.

Aldus wordt door middel van het nieuwe artikel 39bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek een bijkomende grondvoorwaarde toegevoegd en geldt de vrijstelling van artikel 39bis, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek niet wanneer de leverancier zijn verplichtingen met betrekking tot de btw-opgave niet vervult. Dit houdt in dat de leverancier de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen tijdig moet indienen en die opgave die vereiste correcte informatie moet bevatten.

Er zal onvermijdelijk een tijdspanne bestaan tussen het tijdstip waarop de intracommunautaire levering plaatsvindt en het tijdstip waarop de leverancier zijn verplichtingen aangaande de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen moet vervullen.

Wanneer op het tijdstip van de levering de voorwaarden van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek zijn vervuld, kan de intracommunautaire levering worden vrijgesteld, aangezien dat de enige voorwaarden zijn die op het tijdstip van de levering relevant zijn om te bepalen of de vrijstelling voor intracommunautaire levering van toepassing is.

Op dat ogenblik kunnen en moeten de verplichtingen in verband met de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen nog niet zijn vervuld.

De vrijstelling kan slechts met terugwerkende kracht worden ingetrokken wanneer de administratie vaststelt dat de leverancier de verplichting, opgelegd door artikel 53sexies van het Btw-Wetboek en koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, niet naleeft om de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen tijdig in te dienen, of de ingediende btw-opgave niet de vereiste correcte informatie bevat met betrekking tot de levering in kwestie, behalve wanneer de leverancier de tekortkomingen met betrekking tot de btw-opgave terdege kan verantwoorden ten aanzien van de administratie (zie richtsnoeren van het 113de btw-comité van 03.06.2019, document F – taxud.c.1(2019) 7900872).

Met betrekking tot een bepaalde intracommunautaire levering, kan de vrijstelling dus in principe worden verworpen, wanneer:

• de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin die intracommunautaire levering in kwestie plaatsvond niet of laattijdig werd ingediend. Het feit dat een andere btw-opgave van de intracommunautaire handelingen (met betrekking tot een ander tijdvak) niet of laattijdig werd ingediend heeft geen gevolg voor deze specifieke intracommunautaire levering in kwestie (maar wel voor de intracommunautaire leveringen die in die andere btw-opgave moesten worden opgenomen)

• de lijn/regel waarin de gegevens met betrekking tot die welbepaalde intracommunautaire levering moeten worden opgenomen, niet werd opgenomen of onvolledige of incorrecte informatie bevat. Het feit dat de gegevens met betrekking tot een lijn of regel van de btw-opgave waarin die intracommunautaire levering in kwestie niet moest worden opgenomen, niet is opgenomen of onvolledige of incorrecte informatie bevat, heeft op zichzelf geen gevolg voor die welbepaalde intracommunautaire levering (maar wel voor de intracommunautaire levering(en) die wel in die lijn/regel moest(en) worden opgenomen).

Deze voorwaarde mag echter niet te strikt worden toegepast en geldt niet wanneer de leverancier te goeder trouw handelt, wat inhoudt dat hij de tekortkomingen met betrekking tot de btw-opgave terdege kan verantwoorden ten aanzien van de administratie. Dit betreft een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht.

Hieruit volgt dat, voor zover de andere voorwaarden voldaan zijn en de belastingplichtige te goeder trouw handelt, de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek niet zal worden verworpen ingeval van:

• een toevallige vergissing of weglating aangaande de informatie met betrekking tot de levering in kwestie die spontaan werd verbeterd of werd vastgesteld door de administratie en onmiddellijk werd rechtgezet

• de toevallige laattijdige indiening van de btw-opgave met betrekking tot de levering in kwestie

• de toevallige niet-indiening van de btw-opgave voor de intracommunautaire verwervingen waarin de levering in kwestie moest worden opgenomen voor zover die ontbrekende btw-opgave onmiddellijk wordt ingediend wanneer de niet-indiening werd vastgesteld door de belastingplichtige of de administratie

• overmacht, bijvoorbeeld wanneer de belastingplichtige wordt getroffen door een ramp, een brand, computerhacking, die ervoor zorgt dat tijdelijk niet aan bovengenoemde verplichtingen kan worden voldaan, voor zover uiteraard de nodige rechtzettingen zo snel mogelijk worden doorgevoerd.

F. Bijzondere situaties bij de toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek

a. Gietvormen, modellen en andere reproductiematerieel

Wanneer een in België gevestigde belastingplichtige enerzijds een intracommunautaire levering van goederen en anderzijds afzonderlijk gietvormen, modellen en ander reproductiemateriaal nodig voor het vervaardigen van die goederen, aanrekent aan de afnemer die in een andere lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, kunnen volgende gevallen zich voordoen:

• ofwel blijft de verkoper eigenaar van het reproductiematerieel.

In dit geval maakt de waarde van het reproductiematerieel, zelfs indien afzonderlijk gefactureerd, deel uit van de maatstaf van heffing van de levering van de goederen.

Geen enkele btw is verschuldigd indien de met de gietvormen in kwestie gefabriceerde goederen het voorwerp uitmaken van een intracommunautaire levering onder de voorwaarden bepaald in artikel 39bis van het Btw-Wetboek.

De uiteindelijke bestemming van het reproductiematerieel (vernietiging, hergebruik voor een andere klant, doorverkoop...) heeft geen enkel belang ten aanzien van de hierboven genoemde intracommunautaire levering.

• ofwel wordt het reproductiematerieel verkocht aan de klant, maar staat de producent, al dan niet gratis, in voor de bewaring gedurende de termijn van de productie van de goederen.

In dit geval dient de verkoop van het reproductiematerieel in België aan de btw te worden onderworpen, wat ook het ogenblik is waarop de eigendom overgaat (onmiddellijk of na tijdsverloop).

Om evenwel te vermijden dat de buitenlandse belastingplichtige de teruggave zou moeten vragen via de procedure bedoeld in de richtlijn 2008/9/EG, voornoemd, aanvaardt de administratie bij wijze van vereenvoudigingsmaatregel dat de prijs van dit materieel beschouwd wordt als een last van de verkoopprijs van de met die gietvormen gefabriceerde goederen, voor zover deze het voorwerp uitmaken van een intracommunautaire levering onder de voorwaarden bepaald in artikel 39bis van het Btw-Wetboek.

De uiteindelijke bestemming van het reproductiematerieel (vernietiging of het achterlaten van het reproductiematerieel door de klant, uitvoer, intracommunautaire levering, levering in België, hergebruik voor een ander product) heeft geen enkel belang ten aanzien van de hierboven genoemde intracommunautaire levering.

Elke latere belastbare handeling met betrekking tot het reproductiemateriaal die door de verkoper of door de klant wordt verricht, volgt zijn eigen btw-stelsel (zie circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109), punt 3.6.1.6.1).

b. Levering in België van brandstof aan een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige

De levering van brandstof (18) voor voertuigen die in België rechtstreeks wordt getankt in de brandstoftank van een motorvoertuig of in een voor een motorvoertuig gebruikelijk reserverecipiënt, toebehorend aan een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige kan, zelfs bij opgave van het btw-identificatienummer door laatstgenoemde, in België de vrijstelling van artikel 39bis van het Btw-Wetboek niet genieten.

(18) Dit geldt bijvoorbeeld ook voor elektriciteit.

Deze goederen worden niet geacht naar een andere lidstaat te zijn verzonden of vervoerd in de zin van voornoemde bepaling van het Btw-Wetboek.

De brandstof wordt in geval van levering onder voormelde voorwaarden door de administratie beschouwd als zijnde verbruikt op het ogenblik van de levering. Dergelijke leveringen worden derhalve, op grond van artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek, geacht in België plaats te vinden en dienen onderworpen te worden aan de Belgische btw.

De over deze aankopen betaalde btw kan door de in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige in België worden teruggevraagd op grond van de richtlijn 2008/9/EG, voornoemd, rekening houdend met de eventuele toepassing van artikel 45, § 2, van het Btw-Wetboek.

Voor brandstof die op andere wijze dan in de normale brandstoftank of in een passend en aan de normale behoeften beantwoordend reserverecipiënt wordt verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat, geldt hetgeen hierboven werd gesteld niet en geldt de normale btw-reglementering aangaande de intracommunautaire leveringen. Indien aan de voorwaarden gesteld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek wordt voldaan, kan de levering worden vrijgesteld (zie circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109), punt 3.6.1.6.2).

c. Levering met montage in België van autobanden, radio, motor, alarm, LPG-installatie… voor belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat

Omwille van de moeilijkheden die zich soms voordoen om bepaalde handelingen te kwalificeren als een levering van een goed of als een dienst, wanneer die handelingen tegelijkertijd het leveren van een goed en de installatie of montage ervan op een roerend goed met zich brengen, werd er beslist de volgende regels aan te nemen:

• wanneer de waarde van de ter gelegenheid van de handeling geleverde en geplaatste goederen lager is dan 50 % van de totale prijs die verschuldigd is door de koper of de ontvanger, dient de handeling voor het geheel te worden aangemerkt als een dienst waarvan de plaatsbepaling bij B2B handelingen wordt geregeld door artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek

• in de andere gevallen wordt de handeling in haar geheel beschouwd als een levering van goederen waarvan de plaats bepaald wordt overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, of § 3, van het Btw-Wetboek.

De hierboven omschreven regels kunnen inzonderheid worden toegepast voor alle handelingen die bestaan in de levering met plaatsing van een goed in een vervoermiddel (banden, radio, motor, alarm, LPG-installatie...), hetzij in, hetzij buiten het kader van een onderhouds- of herstellingswerk (zie beslissing nr. E.T. 95.109 van 10.05.1999).

Wanneer meer bepaald de handeling wordt aangemerkt als een levering en het roerend goed waarop het andere goed werd gemonteerd of geïnstalleerd na de installatie of montage wordt verzonden of vervoerd naar de inrichting van de verkrijger, wordt de levering geacht plaats te vinden daar waar de verzending of het vervoer aanvangt, overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek. In dit verband kan opgemerkt worden dat de lokalisatie van de levering van een goed niet geschiedt op basis van artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek, wanneer het goed wordt vervoerd of verzonden naar de inrichting van de verwerver nadat de montage of installatie is verricht.

Deze levering van goederen door een belastingplichtige kan de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek genieten, voor zover voldaan is aan de voorwaarden (zie rubrieken A en B, van deze titel 5, hiervoor) (zie circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109), punt 3.6.1.6.3).

G. Hoofdelijke aansprakelijkheid van de globale aansprakelijke vertegenwoordiger

a. Algemeen

Zoals hierboven onder rubriek D werd aangehaald, geldt als één van de grondvoorwaarden voor de vrijstelling voor een intracommunautaire levering van goederen dat de goederen in kwestie moeten verzonden of vervoerd zijn door of voor rekening van de leverancier of afnemer vanuit België naar een andere lidstaat.

Om de vrijstelling rechtsgeldig toe te passen, moet dus onder meer worden aangetoond dat de geleverde goederen België hebben verlaten en effectief werden vervoerd naar een andere lidstaat. Deze bewijslast ligt bij de schuldenaar en de hoofdelijke schuldenaar van die levering overeenkomstig de principes van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd (zie rubriek D hierboven).

De titularissen van een globaal btw-identificatienummer BE0796.5 en BE0796.6 zijn in hun hoedanigheid van erkend aansprakelijk vertegenwoordiger, op grond van artikel 55, § 4 van het Btw-Wetboek hoofdelijk gehouden tot de betaling van de btw op de handelingen die hun lastgevers in België verrichten, in casu een intracommunautaire levering van goederen. Deze wettelijke hoofdelijkheid kan in principe altijd jegens de globale fiscale vertegenwoordiger ingeroepen worden op elke handeling van de lastgever die de btw opeisbaar maakt.

In de praktijk worden deze titularissen vaak geconfronteerd met moeilijkheden die het gevolg zijn van dit soort van fiscale vertegenwoordiging: zij vertegenwoordigen een groot aantal niet in België gevestigde lastgevers die elk in België occasioneel punctuele handelingen verrichten, waaronder intracommunautaire leveringen. Deze context heeft vaak tot gevolg dat de band tussen de globale fiscale vertegenwoordiger en zijn lastgever niet hecht is, wordt en kan ertoe leiden dat eerstgenoemde problemen ondervindt om bewijsstukken van intracommunautair vervoer van goederen aangeleverd te krijgen van zijn lastgever.

Om enigszins tegemoet te komen aan deze realiteit, roept de Algemene Administratie van de Fiscaliteit de hoofdelijkheid van de globale aansprakelijke vertegenwoordiger jegens de intracommunautaire leveringen van hun lastgevers niet in wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Dit standpunt geldt voor elke administratie van de FOD Financiën die de toepassing van de btw onder haar bevoegdheid heeft.

Deze regeling heeft uitsluitend betrekking op de toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid bedoeld in artikel 55, § 4, van het Btw-Wetboek in hoofde van de globale aansprakelijke vertegenwoordiger.

De niet in België gevestigde leverancier, in zijn hoedanigheid van schuldenaar ten aanzien van de intracommunautaire levering die hij verricht, blijft uiteraard aansprakelijk voor de btw op de levering, ook in het geval de administratie van oordeel is dat de voorwaarden voor de ontheffing van de hoofdelijke aansprakelijkheid van zijn fiscaal vertegenwoordiger vervuld zijn, maar het bewijs van het intracommunautair vervoer nog onvoldoende vindt.

b. Voorwaarden

Het niet inroepen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de globale aansprakelijke vertegenwoordiger (titularis van het globaal btw-nummer) kan enkel plaatsvinden wanneer volgende voorwaarden zijn vervuld:

1. de globale aansprakelijke vertegenwoordiger handelt te goeder trouw.

2. de globale aansprakelijke vertegenwoordiger (19) kan deze regeling enkel toepassen met betrekking tot lastgevers met wie hij een type contract heeft afgesloten waarin de in deze subrubriek vermelde voorwaarden zijn opgenomen.

(19) Lasthebber en titularis van het globaal btw-nummer.

Dit contract moet afgesloten zijn voorafgaand aan de eerstvolgende intracommunautaire levering die de lastgever in België verricht onder dat globaal btw-nummer.

De partijen zijn vrij om de exacte inhoud van dit typecontract te bepalen.

3. de globale aansprakelijke vertegenwoordiger moet voor elke intracommunautaire levering van zijn lastgever een uittreksel van het VIES-systeem of een schriftelijke bevestiging van de dienst CLO-btw (20) kunnen voorleggen waaruit blijkt dat het btw-identificatienummer van de afnemer (of van de lastgever ingeval van een overbrenging van goederen) waaronder de intracommunautaire verwerving in een andere lidstaat wordt verricht, geldig was op het tijdstip van de levering of, bij uitbreiding, op het tijdstip van de invoer met toepassing van de douaneregeling 42 die de intracommunautaire levering onmiddellijk voorafgaat.

(20) De contactgegevens van de dienst CLO-btw worden vermeld onder rubriek C, subrubriek a, hierboven.

Deze voorwaarde moet vervuld zijn ongeacht door wie of voor rekening van wie het intracommunautaire vervoer van de goederen wordt verricht.

Het bewijs van het btw-identificatienummer mag in uitzonderlijke gevallen achteraf op alternatieve wijze worden geleverd.

4. de globale aansprakelijke vertegenwoordiger moet de intracommunautaire levering die zijn lastgever verricht in de boekhouding, de periodieke btw-aangifte en in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen van het globaal btw-nummer hebben opgenomen.

Dit houdt onder meer in dat hij in het bezit moet zijn van een kopie van de factuur van de levering die zijn lastgever heeft verricht.

5. de globale aansprakelijke vertegenwoordiger moet voor elke intracommunautaire levering van zijn lastgever (die wordt verricht via het globale btw-nummer) in principe een volledig ingevulde en ondertekende vrachtbrief kunnen voorleggen die het intracommunautair vervoer aantoont van de goederen die het voorwerp uitmaken van een levering.

De gegevens met betrekking tot de goederen zoals die vermeld zijn op de vrachtbrief, moeten overeenstemmen met de factuurgegevens.

Dit principe geldt ongeacht door of voor rekening van wie de goederen intracommunautair worden vervoerd.

Onder vrachtbrief wordt begrepen elk document waarvan de transportwetgeving voorschrijft dat het de goederen moet begeleiden die worden vervoerd over de weg, via de binnenwateren, over zee, in de lucht of per spoor.

Voor de toepassing van deze regeling moet de vrachtbrief voor ontvangst van de goederen zijn ondertekend door de koper of door ieder ander persoon die in het kader van de uitvoering van de tussen de partijen afgesloten verkoopovereenkomst mag geacht worden de goederen in naam van de koper in ontvangst te nemen.

De vrachtbrief kan evenwel worden vervangen door:

• het bestemmingsdocument (21) (zie rubriek D, subrubriek d) dat voldoet aan alle voorwaarden van artikelen 3, § 3 en 4, van het koninklijk besluit nr. 52 van 11.12.2019, ongeacht de leveringsvoorwaarden waaronder de intracommunautaire levering plaatsvindt (dus ook voor de intracommunautaire leveringen franco bestemming)

• een combinatie van niet-tegenstrijdige bewijsstukken die voldoen aan alle voorwaarden van artikel 45bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, en in de situatie van artikel 45bis, lid 1, b), van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, is aangevuld met de in punt i) opgelegde schriftelijke verklaring van de afnemer opgemaakt volgens de in dat punt i) opgelegde modaliteiten (22) (zie rubriek D, subrubriek c). Dit houdt onder meer in dat de bewijsstukken moeten zijn uitgereikt door twee verschillende partijen die onafhankelijk zijn van elkaar, van de verkoper en van de afnemer. Er wordt aan herinnerd dat artikel 45bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, niet van toepassing is wanneer de leverancier of de afnemer zelf met eigen transportmiddel het vervoer van de goederen verricht.

(21) Er wordt aan herinnerd dat het bestemmingsdocument in de zin van artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd, met ingang van 01.01.2020 niet kan worden gebruikt voor overbrengingen in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek.

(22) De tekst van artikel 45bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, sluit de overbrengingen in de zin van artikelen 12bis, eerste lid en 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek niet uit. Aangezien de belastingplichtige die een overbrenging verricht tegelijk optreedt als leverancier en afnemer, kan hij zich beroepen op het vermoeden van artikel 45bis, lid 1, a), van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, als alle voorwaarden voldaan zijn.

Dit moet worden voorzien in het typecontract dat tussen de globale aansprakelijke vertegenwoordiger en zijn lastgever is afgesloten. In het typecontract kan worden voorzien dat de lastgever per transactie de keuze heeft om de aansprakelijk vertegenwoordiger ofwel een vrachtbrief, ofwel een bestemmingsdocument, ofwel de hierboven bedoelde bewijsstukken - en in voorkomend geval de schriftelijke verklaring van de afnemer - die voldoen aan de voorwaarden van artikel 45bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, te bezorgen.

Wanneer de lasthebber de voor ontvangst van de goederen ondertekende vrachtbrief of het ondertekende bestemmingsdocument om welke reden ook (verlies, niet toegezonden …) niet in zijn bezit krijgt en dus niet kan voorleggen, geldt de hierboven besproken regeling in principe niet voor de levering waarop de vrachtbrief of het bestemmingsdocument betrekking heeft.

[Top]

6. De vrijstelling van intracommunautaire levering bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek

A. Principes

Er is een bijzondere regeling ingevoerd met betrekking tot nieuwe vervoermiddelen (zie de terminologie onder titel 1 van deze Afdeling, hiervoor), zodat de btw over de aankoop ervan steeds toekomt aan de lidstaat van bestemming van het voertuig.

Daarom is voorzien:

• dat naast de in artikel 4 van het Btw-Wetboek bedoelde belastingplichtigen, eenieder die toevallig onder bezwarende titel een nieuw vervoermiddel intracommunautair levert onder de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek als een belastingplichtige wordt aangemerkt (artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 7, titel 2’)

• dat de intracommunautaire levering onder bezwarende titel van een nieuw vervoermiddel steeds is vrijgesteld ongeacht de hoedanigheid van de koper (artikel 39bis, eerste lid, 1° en 2°, van het Btw-Wetboek)

• dat de intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel van een nieuw vervoermiddel steeds aan de btw is onderworpen ongeacht de hoedanigheid van de koper (artikel 25ter, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 4, titel 4’)

• in bijzondere bepalingen aangaande het recht op aftrek van de voorbelasting die gedragen is door de persoon die een nieuw vervoermiddel intracommunautair levert (artikel 45, § 1bis, en § 2, tweede lid, k), van het Btw-Wetboek).

B. Voorwaarden

De vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek is van toepassing indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

• de levering betreft een nieuw vervoermiddel in de zin van artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek

• de levering wordt verricht voor:

•hetzij een particulier

•hetzij een lid van de ‘groep van vier’ (zie de terminologie onder titel 1 van deze Afdeling, hiervoor), dat er niet toe gehouden is en dat er niet voor heeft geopteerd zijn intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten in de lidstaat van bestemming te onderwerpen aan de btw

• het vervoermiddel wordt verzonden of vervoerd van België naar een andere lidstaat:

•hetzij door de verkoper of voor zijn rekening

•hetzij door de koper of voor zijn rekening.

C. Onderzoek van de voorwaarden

Voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek moet worden bewezen dat het vervoermiddel op het tijdstip van de levering nog een nieuw vervoermiddel was in de zin van artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek. Het bewijs kan worden geleverd door een geheel van eensluidende bewijsstukken zoals bijvoorbeeld:

• een afschrift van het bijzondere tijdelijk inschrijvingsbewijs van het voertuig (zie artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 48 van 29.12.1992 met betrekking tot de levering van vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, verricht binnen de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek)

• een kopie van het elektronisch signaal gericht aan de dienst van de douane gevestigd bij de Dienst voor Inschrijvingen van de Voertuigen (zie artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 48, voornoemd)

• een afschrift van:

•het laatste Belgische inschrijvingsbewijs van het luchtvaartuig of landvoertuig

•de laatste Belgische vlaggenbrief waaronder het schip vaart of heeft gevaren

•het logboek van het luchtvaartuig of schip

•het certificaat van inschrijving van het luchtvaartuig of landvoertuig in de lidstaat van bestemming

•de buitenlandse vlaggenbrief waaronder het schip sedert de overbrenging naar de lidstaat van bestemming vaart

• het verkoopcontract

• enzovoort.

De combinatie van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, en die van artikel 39bis, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, laat in feite de vrijstelling toe voor elke intracommunautaire levering onder bezwarende titel van nieuwe vervoermiddelen en waarborgt op deze manier mede de toepassing van het principe van belastingheffing in de lidstaat van de aankomst van de goederen, ongeacht de hoedanigheid van de koper.

De bepaling van artikel 39bis, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek is derhalve niet van toepassing indien de levering reeds is vrijgesteld op grond van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

Dit laatste is het geval wanneer de koper:

• hetzij een belastingplichtige/indiener (zie de terminologie onder titel 1 van deze Afdeling, hiervoor) is

• hetzij een lid van de ‘groep van vier’ (zie de terminologie onder titel 1 van deze Afdeling, hiervoor) is dat ertoe gehouden is of er voor heeft geopteerd zijn intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten in een andere lidstaat te onderwerpen aan de btw.

De koper dient bijgevolg ieder ander persoon te zijn dan deze genoemd in voorgaande alinea.

De verkoper daarentegen kan om het even wie zijn:

• een belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek, inclusief onder meer:

•belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling voor landbouwondernemingen van artikel 57 van het Btw-Wetboek

•belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek. Intracommunautaire leveringen van nieuwe vervoermiddelen onder de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek worden van die regeling uitgesloten

• een niet-belastingplichtige aangezien die voor de toevallige levering van een nieuw vervoermiddel als toevallige belastingplichtige wordt aangemerkt (zie artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek).

Wat het bewijs betreft van de echtheid van de levering wordt verwezen naar titel 5, rubriek B, hiervoor.

Wat het bewijs betreft van het bestaan van een vervoer of een verzending van het goed van België naar een andere lidstaat, wordt verwezen naar titel 5, rubriek D, van deze Afdeling, hiervoor.

De bijzondere regeling voor de nieuwe vervoermiddelen wordt gedetailleerder uitgelegd in ‘Boekwerk VI: Specifieke topics - Hoofdstuk 16: Specifieke Topics, Afdeling 3’.

[Top]

7. De vrijstelling van intracommunautaire levering bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek

A. Voorwaarden

Deze vrijstelling is van toepassing wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarden:

• de levering betreft accijnsproducten

• de levering wordt verricht door een belastingplichtige/indiener (zie de terminologie onder titel 1 van deze Afdeling, hiervoor), of een belastingplichtige onderworpen aan de forfaitaire landbouwregeling van artikel 57 van het Btw-Wetboek

• de levering wordt verricht voor een lid van de ‘groep van vier’ (zie de terminologie onder titel 1 van deze Afdeling, hiervoor), dat er niet toe gehouden is en er niet voor heeft geopteerd zijn intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten in de lidstaat van bestemming te onderwerpen aan de btw

• de goederen worden verzonden of vervoerd van België naar de andere lidstaat:

•hetzij door de verkoper of voor zijn rekening

•hetzij door de koper of voor zijn rekening

• het vervoer of de verzending van de goederen wordt verricht overeenkomstig artikel 19 of artikel 34 van de richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16.12.2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG

• de levering is niet onderworpen aan de bijzondere regeling over de winstmarge van artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek.

B. Onderzoek van de voorwaarden

Krachtens artikel 39bis, eerste lid, 3° van het Btw-Wetboek worden de intracommunautaire leveringen van accijnsproducten, verricht aan belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen (zij zijn leden van de ‘groep van vier’), die er in de lidstaat van bestemming niet toe gehouden zijn om hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen aan de btw te onderwerpen, onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld.

Bijgevolg is de bepaling vervat in artikel 39bis, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek niet van toepassing indien de levering is vrijgesteld op grond van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Dit is het geval wanneer de koper:

• hetzij een belastingplichtige/indiener (zie de terminologie onder titel 1 van deze Afdeling, hiervoor) is

• hetzij een ‘lid van de groep van vier’ (zie de terminologie onder titel 1, van deze Afdeling, hiervoor) dat ertoe gehouden is of dat er voor heeft geopteerd zijn intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten in een andere lidstaat te onderwerpen aan de btw.

Wat het bewijs betreft van de echtheid van de levering wordt verwezen naar titel 5, rubriek B, hiervoor.

Wat het bewijs betreft van het bestaan van een vervoer of een verzending van het goed van België naar een andere lidstaat, wordt verwezen naar titel 5, rubriek D van deze Afdeling, hiervoor.

Het vervoer of de verzending van de goederen moet worden verricht overeenkomstig artikel 19 of artikel 34 van de richtlijn 2008/118/EG, voornoemd.

Merk op dat de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek nooit van toepassing kan zijn op leveringen van accijnsproducten die worden verricht voor particulieren.

Er wordt nog verwezen naar de circulaire 2021/C/73 van 02.08.2021 betreffende het intracommunautair verkeer van accijnsproducten vanuit andere lidstaten naar België (nr. E.T. 137.563).

[Top]

8. De vrijstelling van intracommunautaire levering bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek

Overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek, worden de in artikel 12bis van het Btw-Wetboek bedoelde leveringen van goederen, andere dan die onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek, waarvoor de vrijstelling als bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek zou gelden, vrijgesteld indien zij voor een andere belastingplichtige zouden zijn verricht.

Artikel 12bis van het Btw-Wetboek betreft het stelsel van de overbrengingen dat wordt besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 7’ en ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 5’.

A. Het stelsel van de overbrengingen

Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 7’.

Overeenkomstig artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek wordt een overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel.

Als overbrenging naar een andere lidstaat wordt overeenkomstig het tweede lid van die bepaling beschouwd, iedere verzending of ieder vervoer van een lichamelijk roerend goed voor bedrijfsdoeleinden, door of voor rekening van de belastingplichtige, buiten België, maar binnen de Gemeenschap, voor zover het daarbij niet om een van de volgende handelingen (gevallen van niet-overbrenging) gaat:

• de levering van dat goed door de belastingplichtige binnen de lidstaat waar de installatie of de montage onder de voorwaarden van artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek plaatsvindt of binnen de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer onder de voorwaarden van artikel 15, §§ 1 en 2 van het Btw-Wetboek (afstandsverkopen)

• de levering van dat goed door de belastingplichtige onder de voorwaarden van artikel 14, § 4, van het Btw-Wetboek (levering van goederen aan boord van een schip, vliegtuig of trein en tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer)

• de levering van dat goed door de belastingplichtige in het binnenland onder de voorwaarden van de artikelen 39, § 1, 39bis en 42, §§ 1, 2 en 3, van het Btw-Wetboek

• de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met expertises of werkzaamheden betreffende dat goed, die materieel worden verricht op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover het goed na expertise of bewerking opnieuw wordt verzonden naar deze belastingplichtige in België vanwaar het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd

• het tijdelijk gebruik van dat goed op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, ten behoeve van diensten door de in België gevestigde belastingplichtige

• het tijdelijke gebruik van dat goed voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het grondgebied van een andere lidstaat waar de invoer van hetzelfde goed uit een derde land met het oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten

• de levering van gas via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of eender welk op een dergelijk systeem aangesloten net, de levering van elektriciteit of de levering van warmte of koude via warmte- of koudenetten, onder de in artikel 14bis van het Btw-Wetboek bepaalde voorwaarden.

Er wordt opgemerkt dat wanneer één van de voorwaarden voor de toepassing van de hierboven aangehaalde gevallen van niet-overbrenging niet meer wordt vervuld, het goed wordt beschouwd als overgebracht naar een andere lidstaat. In dat geval vindt de overbrenging plaats op het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld.

De aankomst van die goederen in die andere lidstaat wordt op haar beurt overeenkomstig artikel 21 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (vergelijk artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek), gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 6’).

B. Toepassingsvoorwaarden vrijstelling

Overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek, worden vrijgesteld, de in artikel 12bis van het Btw-Wetboek bedoelde leveringen van goederen, andere dan die onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek, waarvoor de vrijstelling als bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek zou gelden, indien zij voor een andere belastingplichtige zouden zijn verricht.

De voorwaarden voor vrijstelling van een intracommunautaire overbrenging zijn dus identiek aan de voorwaarden voor de vrijstelling van een intracommunautaire levering van artikel 39bis, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek, met dat verschil dat de overbrenging niet voor een andere belastingplichtige hoeft te worden verricht.

De regels vermeld onder titel 5 en dus ook de daarin besproken nieuwe grondvoorwaarden van de vrijstelling, zijn mutatis mutandis van toepassing. Er wordt evenwel opgemerkt dat:

• artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd, niet geldt ten aanzien van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek

• het bestemmingsdocument waarvan sprake onder titel 5, rubriek D, subrubriek d, niet kan worden gebruikt in het kader van een overbrenging (zie artikel 3, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd)

• in de situatie bedoeld in titel 5, rubriek C, subrubrieken d of e, er niet bijkomend moet worden aangetoond dat de belastingplichtige 'als zodanig handelde' wanneer het door de lidstaat van aankomst toegekende btw-identificatienummer van de belastingplichtige niet met terugwerkende kracht geldig is op het tijdstip van de overbrenging, en de belastingplichtige op dat tijdstip reeds over een Belgisch identificatienummer beschikte of de nodige stappen had ondernomen om een Belgisch btw-identificatienummer te bekomen, dan wel zich op dat tijdstip liet vertegenwoordigen door een globale aansprakelijk vertegenwoordiger (zie titel 5, rubriek C, subrubriek d, tweede alinea, tweede opsommingsteken en titel 5, rubriek C, subrubriek e, derde alinea, tweede opsommingsteken). In dit geval zijn de leverancier en de afnemer dezelfde persoon. Wanneer de handeling een overbrenging is overeenkomstig artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire levering, houdt dit in dat de goederen voor bedrijfsdoeleinden zijn vervoerd of verzonden.

Verder wordt nog opgemerkt dat de hoedanigheid van de belastingplichtige die de overbrenging verricht zowel in de lidstaat van vertrek als in de lidstaat van aankomst (belastingplichtige-indiener, belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht die worden vrijgesteld door artikel 44, van het Btw-Wetboek en geen recht op aftrek verlenen, belastingplichtige onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling, belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen) belangrijk is om te bepalen of de overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek al dan niet is vrijgesteld van de btw op grond van artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek.

Om een door artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek vrijgestelde overbrenging te verrichten, dient de belastingplichtige in België (lidstaat van vertrek) een belastingplichtige te zijn, met uitzondering van kleine vrijgestelde onderneming (artikel 56bis, van het Btw-Wetboek) met inbegrip van een belastingplichtige onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek.

Bovendien dient hij in de lidstaat van aankomst een persoon te zijn die ertoe gehouden is zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen. Het is dan ook evident dat hij in de lidstaat van aankomst van de goederen, overeenkomstig de daar vigerende bepalingen, zal moeten beschikken over een btw-identificatienummer geldig voor zijn intracommunautaire verwervingen van goederen.

Opdat de overbrenging vrijgesteld zou zijn door artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek, is het vereist dat in het geval waarin dezelfde belastingplichtige een intracommunautaire levering zou verrichten, deze levering vrijgesteld zou zijn door artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Daarom kan de overbrenging van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten onderworpen aan de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge voorzien door artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek, niet worden vrijgesteld.

Het is ook mogelijk dat een overbrenging niet wordt vrijgesteld door artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek, omdat een andere vrijstelling van algemene draagwijdte van toepassing is, zoals de vrijstelling van artikel 44, van het Btw-Wetboek (zie ook titel 3, rubriek B). Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een belastingplichtige een goed van zijn onderneming overbrengt dat hij enkel heeft gebruikt voor een door artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde activiteit en waarvoor hij geen enkel recht op aftrek heeft gehad (zie artikel 44, § 2, 13°, van het Btw-Wetboek).

Tenslotte kan de belastingplichtige, die de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 56bis, § 1, van het Btw-Wetboek geniet, geen overbrenging verrichten die is vrijgesteld op grond van artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek (wanneer dezelfde vrijgestelde belastingplichtige een intracommunautaire levering zou verrichten, zou deze levering niet kunnen worden vrijgesteld door artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek).

Voorbeelden (in volgende voorbeelden wordt verondersteld dat geen enkele inrichting in zijn lidstaat deel uitmaakt van een btw-eenheid):

• een Belgische belastingplichtige-indiener verzendt goederen van zijn bedrijf van België naar Lidstaat 1 om daar te worden opgeslagen. Hij heeft een btw-identificatienummer in Lidstaat 1 en neemt de handeling op in zijn Belgische btw-opgave van de intracommunautaire handelingen. Hij verricht in België een belastbare overbrenging die evenwel is vrijgesteld op basis van artikel 39bis, eerste lid, 4° van het Btw-Wetboek. In Lidstaat 1 wordt de bestemming van de goederen gelijkgesteld met een belastbare intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel

• een dokter, die uitsluitend handelingen verricht die worden vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek en hem geen enkel recht op aftrek verlenen, verzendt goederen van zijn bedrijf (die hij heeft gebruik voor de vrijgestelde activiteit) vanuit België naar Lidstaat 1. Hij verricht in België een belastbare overbrenging die evenwel is vrijgesteld door artikel 44, § 2, 13°, van het Btw-Wetboek

• een Belgische belastingplichtige-indiener (met recht op aftrek), die in Lidstaat 1 beschouwd wordt als een vrijgestelde belastingplichtige (zonder recht op aftrek), brengt een in België aangekocht investeringsgoed over naar Lidstaat 1. In België heeft hij de btw over deze aankoop in aftrek kunnen brengen. Om uit te maken of de overbrenging al dan niet vrijgesteld is door artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek, dient er vastgesteld te worden of deze belastingplichtige er al dan niet toe gehouden is al zijn intracommunautaire verwervingen aan de btw te onderwerpen. Indien hij gehouden is al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in Lidstaat 1 aan de btw te onderwerpen, zal zijn overbrenging worden vrijgesteld door artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek, mits ook alle andere voorwaarden voldaan zijn. Indien hij daarentegen niet gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in Lidstaat 1 aan de btw te onderwerpen, verricht de belastingplichtige een overbrenging die niet is vrijgesteld door artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek en die bijgevolg onderworpen is aan de Belgische btw.

[Top]

9. De vrijstellingen voor intracommunautaire verwervingen van goederen van artikelen 39, 39quater en 40 van het Btw-Wetboek

De artikelen 39, 39quater en 40 van het Btw-Wetboek werden zodanig aangevuld dat de intracommunautaire verwervingen van goederen vrijgesteld zijn, indien de levering in het binnenland of de invoer van die goederen eveneens zouden vrijgesteld zijn.

A. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om onder een opschortende douaneregeling te worden geplaatst

De intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst onder een opschortende douaneregeling (tijdelijke opslag, douane-entrepot, actieve veredeling…) als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7°, van het Btw-Wetboek, zijn vrijgesteld op basis van artikel 39, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek.

B. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst onder de regeling van het btw-entrepot

De intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (ook gekend als btw-entrepot) zijn vrijgesteld op basis van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek.

Deze vrijstelling wordt voorlopig verleend (zie artikel 7, § 1, van koninklijk besluit nr. 54 van 25.02.1996, met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde).

De vrijstelling wordt pas definitief als die intracommunautaire verwerving wordt gevolgd door (zie artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd):

• een levering van goederen onder bezwarende titel met behoud van de regeling btw-entrepot. Deze levering door de persoon die de goederen onder de regeling btw-entrepot heeft geplaatst, is op haar beurt voorlopig vrijgesteld (zie artikel 39quater, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek en artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd)

• de onttrekking van de goederen aan de regeling btw-entrepot door de belastingplichtige die een levering van goederen verricht onder bezwarende titel zoals bedoeld in artikel 10, § 1, van het Btw-Wetboek. Deze levering zonder handhaving van de regeling btw-entrepot is een belastbare handeling. De goederen ondergaan de juiste fiscale druk door het belasten van de levering volgens de geldende regels, ongeacht of die levering eventueel kan vrijgesteld worden door een andere bepaling dan artikel 39quater van het Btw-Wetboek

• de onttrekking van de goederen aan de regeling btw-entrepot door hun eigenaar, los van elke handelstransactie, in het kader van

•een overbrenging van goederen zoals bedoeld in artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek (zie ‘titel 8, rubriek A, van deze Afdeling, hiervoor). Dergelijke transactie wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel en is bijgevolg een belastbare handeling. Het bereiken van de juiste fiscale druk die op de goederen moet wegen bij het beëindigen van de regeling btw-entrepot, gebeurt in dit geval op dezelfde manier als wanneer de goederen aan de regeling worden onttrokken ingevolge een levering onder bezwarende titel zonder handhaving van de regeling btw-entrepot

•een vervoer of verzending van die goederen buiten de Gemeenschap verricht door die eigenaar of voor zijn rekening. Op de goederen die buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd moet geen fiscale druk wegen. De wegneming van de goederen uit het btw-entrepot, los van elke handelstransactie, ter bestemming van een plaats buiten de Gemeenschap vereist dus geen regularisatie

De btw wordt opeisbaar over die voorlopig vrijgestelde intracommunautaire verwerving, wanneer de goederen niet het voorwerp hebben uitgemaakt van enige levering onder bezwarende titel, maar los van elke handelstransactie onttrokken worden aan de regeling btw-entrepot door hun eigenaar en:

• in België blijven

• het voorwerp uitmaken van een niet-overbrenging zoals bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4°, 5° of 6°, van het Btw-Wetboek, met andere woorden de verzending of het vervoer van een lichamelijk roerend goed voor bedrijfsdoeleinden met het oog op:

•de verrichting voor de eigenaar van een dienst in verband met expertises of werkzaamheden betreffende dat goed, die materieel worden verricht op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover het goed na expertise of bewerking opnieuw worden verzonden naar die eigenaar in België vanwaar het oorspronkelijk was vervoerd of verzonden

•het tijdelijke gebruik van dat goed op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, in het kader van diensten die door de eigenaar worden verricht

•het tijdelijke gebruik van dat goed voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het grondgebied van een andere lidstaat waar de invoer van hetzelfde goed uit een derde land met het oog op het tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten (zie artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd).

Het wegnemen van goederen uit het btw-entrepot zoals omschreven in de vorige alinea, is geen belastbare handeling. De juiste fiscale druk die op de goederen moet wegen, kan dus enkel bereikt worden door het belasten van de laatste handeling die voorafgaat aan het wegnemen van de goederen uit het btw-entrepot, in dit geval de intracommunautaire verwerving met plaatsing van de goederen in het btw-entrepot.

De regeling btw-entrepot wordt besproken in Afdeling 4, van dit Hoofdstuk 8, hierna.

C. Vrijstellingen onder artikel 40 van het Btw-Wetboek

a. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in het binnenland in elk geval is vrijgesteld

Op meer algemene wijze verleent artikel 40, § 1, 1°, a), van het Btw-Wetboek, vrijstelling voor de intracommunautaire verwervingen van goederen waarvan de levering in België in elk geval is vrijgesteld. Zo zijn bijvoorbeeld in België vrijgesteld:

• de intracommunautaire verwervingen van goederen verworven door erkende organisaties die deze goederen uitvoeren uit de Gemeenschap in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk, waarvan de levering in het binnenland zou vrijgesteld zijn door artikel 42, § 3, 10°, van het Btw-Wetboek

• de intracommunautaire verwervingen van echte parels, natuurlijke edelstenen en dergelijke door personen die uitsluitend handelaar in die goederen zijn, waarvan de levering in het binnenland zou vrijgesteld zijn door artikel 42, § 4, 1°, van het Btw-Wetboek

• de intracommunautaire verwerving van menselijke organen, van menselijk bloed en van moedermelk waarvan de levering is vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 2, 1°ter, van het Wetboek (zie artikel 132, lid 1, d), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd)

• de intracommunautaire verwerving, tegen nominale waarde, van postzegels die frankeerwaarde hebben in het binnenland, fiscale zegels en andere soortgelijke zegels, overeenkomstig artikel 44, § 3, 12°, van het Btw-Wetboek (zie artikel 135, lid 1, h), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd)

• de intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen, wanneer de levering in België van dezelfde goederen op grond van artikel 44, § 2, 13°, van het Btw-Wetboek zou zijn vrijgesteld. Voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 40, § 1, 1° a), van het Btw-Wetboek is vereist dat:

o de levering in de lidstaat van vertrek is vrijgesteld door artikel 136 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, omdat de leverancier, op het tijdstip van de aankoop, de goederen voor een vrijgestelde activiteit heeft bestemd en geen recht op aftrek heeft kunnen genieten, en

o de goederen zijn gebruikt voor een activiteit die, indien zij in België had plaatsgevonden, eveneens zou zijn vrijgesteld op grond van artikel 44 van het Btw-Wetboek en geen recht op aftrek zou verlenen.

b. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die een definitieve vrijstelling genieten op grond van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering

De intracommunautaire verwerving van goederen, die een definitieve vrijstelling genieten op grond van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering, worden vrijgesteld door artikel 40, § 1, 1°, b), van het Btw-Wetboek.

De bepalingen opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk IV (artikelen 12 tot 37) van het koninklijk besluit nr. 7 van 29.12.1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, zijn eveneens van toepassing op de intracommunautaire verwervingen van goederen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 40, § 1, 1°, b), van het Btw-Wetboek (zie artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 52, voornoemd).

Voorbeeld:

Een in België gevestigde belastingplichtige/indiener verricht een overeenkomstig artikel 25ter van het Btw-Wetboek belastbare intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel van goederen, die bestemd zijn voor onderzoek, analyses of proefnemingen met het oog op de vaststelling van hun samenstelling, kwaliteit of andere technische kenmerken voor het verkrijgen van informatie of voor industrieel of commercieel onderzoek.

Het betreffen goederen waarvan de invoer onder de voorwaarden bepaald in artikel 34 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, zou kunnen worden vrijgesteld door artikel 40, § 1, 1°, b), van het Btw-Wetboek.

Onder diezelfde voorwaarden kan de belastbare intracommunautaire verwerving in België van zulke goederen worden vrijgesteld door artikel 40, § 1, 1°, b), van het Btw-Wetboek.

c. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een overbrenging naar een andere lidstaat en die, om welke reden ook, in dezelfde staat terugkeren naar België

De intracommunautaire verwervingen van goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een overbrenging naar een andere lidstaat en die, om welke reden ook, in dezelfde staat terugkeren naar België, zijn vrijgesteld op basis van artikel 40, § 1, 2°bis, van het Btw-Wetboek. Een gelijkaardige bepaling bestaat reeds in artikel 40, § 1, 2°, a), van het Btw-Wetboek voor de wederinvoeren van goederen.

Voorbeeld:

A, een in België gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige die eveneens voor btw-doeleinden geïdentificeerd is in Nederland, verzendt een partij goederen, die hij heeft geproduceerd en opgeslagen in België, naar zijn opslagplaats in Nederland om ze van daaruit te verkopen op de Nederlandse markt. De verzending wordt in hoofde van A gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel in de zin van artikel 12bis van het Btw-Wetboek. Hij verricht dus een overbrenging.

Na zes maanden keert de niet verkochte overschot van de goederen in dezelfde staat terug naar de opslagplaats van A in België. De overbrenging van de goederen vanuit Nederland (zie artikel 17, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) geeft in België aanleiding in hoofde van A tot een bestemming die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (artikel 25quater, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 6’) en die is vrijgesteld door artikel 40, § 1, 2°bis, van het Btw-Wetboek.

d. Vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werden geplaatst onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek bedoelde regelingen

De intracommunautaire verwervingen van goederen die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werden geplaatst onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek bedoelde regelingen (tijdelijke opslag, douane-entrepot...), met handhaving van één van die regelingen worden vrijgesteld door artikel 40, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek.

[Top]

10. De vrijstelling van intracommunautaire verwerving van artikel 40bis van het Btw-Wetboek

Artikel 40bis van het Btw-Wetboek, bepaalt dat de intracommunautaire verwervingen van goederen van de belasting zijn vrijgesteld wanneer de afnemer op grond van artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek, in ieder geval recht zou hebben op de volledige teruggave van de belasting die bij toepassing van de bepalingen van artikel 25ter van het Btw-Wetboek, zou verschuldigd zijn. Het betreft een louter technische vrijstelling.

Er wordt opgemerkt dat de aan artikel 40bis van het Btw-Wetboek ten grondslag liggende doelstelling om de verplichtingen voor bepaalde buitenlandse belastingplichtigen te verlichten ruimschoots werd tegemoet gekomen bij de invoering op 01.01.2002 van nieuwe toepasselijke regels inzake de schuldenaar van de belasting en de identificatie voor btw-doeleinden van buitenlandse belastingplichtigen ingevolge richtlijn 2000/65/EEG van de Raad van 17.10.2000 tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de bepaling van degene die tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden is.

Aldus kunnen sinds 01.01.2002 de niet in België maar in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtigen zich rechtstreeks identificeren zonder aansprakelijk vertegenwoordiger (artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek).

Daarenboven werd de mogelijkheid voor een niet in België gevestigde belastingplichtige om zich te laten vertegenwoordigen door een vooraf erkend persoon (stelsel van de vertegenwoordiging onder een globaal nummer) uitgebreid tot nieuwe situaties. Zo komt de situatie voor waarin een niet in België gevestigde belastingplichtige een intracommunautaire verwerving verricht van goederen met uitzondering van elke andere handeling onderworpen aan de belasting in België (zie artikel 2, § 1, 5°, van het koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002, met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen en circulaire nr. 4/2003 (nr. E.T. 103.925) van 04.03.2003, randnummers 274 tot en met 284).

Deze twee stelsels (rechtstreekse identificatie voor btw-doeleinden of vertegenwoordiging door een vooraf erkend persoon) veronderstellen de indiening van periodieke aangiften, maandelijks of trimestrieel, waarin het recht op aftrek kan worden uitgeoefend. Aangezien bij die twee stelsels de bij de intracommunautaire verwerving verschuldigde btw in aftrek kan worden gebracht in de periodieke aangifte, heeft de in artikel 40bis van het Btw-Wetboek bepaalde vrijstelling dan ook geen nut meer.

De in artikel 40bis van het Btw-Wetboek voorziene vrijstelling kan niettemin nog worden gebruikt in specifieke gevallen.

Dit is meer bepaald het geval voor de tolerantie bedoeld in circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109), punt 5.4.8.9. Deze is van toepassing in de situatie waarbij een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige aannemer, die niet in België geïdentificeerd is voor btw-doeleinden en in België enkel werken in onroerende staat (dienstprestaties) verricht waarbij de verlegging van heffing naar de medecontractant van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek van toepassing is, materialen, die zijn bestemd om te worden ingelijfd in het bouwwerk in België, uit zijn voorraad neemt en (eventueel voor zijn rekening) verzendt of vervoert van zijn vestiging naar de werf in België.

Die overbrenging van de materialen geeft in België aanleiding tot een bestemming die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (artikel 25quater, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Enkel voor deze bestemming zou de aannemer zich moeten identificeren voor btw-doeleinden.

De administratie aanvaardt onder bepaalde voorwaarden bij tolerantie dat de in een andere lidstaat gevestigde aannemer zich niet in België hoeft te identificeren voor btw-doeleinden en geen periodieke aangiften moet indienen. In het kader van de tolerantie wordt de met een intracommunautaire verwerving gelijkgestelde bestemming vrijgesteld overeenkomstig artikel 40bis van het Btw-Wetboek.

[Top]

11. De vrijstelling van intracommunautaire verwerving van artikel 42, § 3, 9°, van het Btw-Wetboek

Artikel 42, § 3, 9°, van het Btw-Wetboek stelt vrij van de btw de intracommunautaire verwerving van goud door de centrale banken.

[Top]

12. Intracommunautaire verwerving van recuperatiestoffen en -producten.

De belastingplichtige die in België een belastbare intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel verricht van recuperatiestoffen en -producten zoals bedoeld in de aanschrijving nr. 88/1970 van 15.12.1970 (zie ook aanschrijving nr. 120/1971 van 30.07.1971), kan de vergunning bedoeld in die aanschrijving toepassen om niet de btw te voldoen die ter zake van die handelingen is verschuldigd.

[Top]

13. Intracommunautaire verwerving van accijnsproducten door leden van de groep van vier die enkel hun intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten aan de btw moeten onderwerpen, wanneer de goederen zijn vrijgesteld van accijns.

Er wordt verwezen naar punt 2.3.2.2.4. van circulaire 2021/C/73 van 02.08.2021 betreffende het intracommunautair verkeer van accijnsproducten vanuit andere lidstaten naar België (nr. E.T. 137.563).

[Top]

Aangehaalde teksten

70
WBTW art. 39bis104 voorkomens
WBTW art. 4417 voorkomens
WBTW art. 4015 voorkomens
WBTW art. 12bis14 voorkomens
KB nr. 52 art. 313 voorkomens
WBTW art. 8bis9 voorkomens
WBTW art. 39quater7 voorkomens
WBTW art. 40bis7 voorkomens
WBTW art. 427 voorkomens
WBTW art. 56bis7 voorkomens
WBTW art. 146 voorkomens
WBTW art. 576 voorkomens
KB nr. 52 art. 45 voorkomens
WBTW art. 395 voorkomens
WBTW art. 585 voorkomens
KB nr. 52 art. 24 voorkomens
KB nr. 54 art. 74 voorkomens
WBTW art. 164 voorkomens
WBTW art. 174 voorkomens
WBTW art. 234 voorkomens
WBTW art. 25quater4 voorkomens
WBTW art. 25ter3 voorkomens
WBTW art. 53sexies3 voorkomens
WBTW art. 773 voorkomens
KB nr. 48 art. 42 voorkomens
WBTW art. 42 voorkomens
WBTW art. 44bis2 voorkomens
WBTW art. 452 voorkomens
WBTW art. 53octies2 voorkomens
WBTW art. 552 voorkomens
accijnsrichtlijn 2008/118 art. 342 voorkomens
KB nr. 1 art. 41 voorkomen
KB nr. 31 art. 21 voorkomen
KB nr. 52 art. 11 voorkomen
KB nr. 7 art. 341 voorkomen
WBTW art. 101 voorkomen
WBTW art. 14bis1 voorkomen
WBTW art. 151 voorkomen
WBTW art. 21 voorkomen
WBTW art. 211 voorkomen
WBTW art. 261 voorkomen
WBTW art. 331 voorkomen
WBTW art. 501 voorkomen
WBTW art. 511 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 61 voorkomen
WBTW art. 761 voorkomen