Btw-Commentaar. Vrijstellingen voor diensten betreffende het internationaal vervoer (01.03.2023)
BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief
Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer
Afdeling 6 - Vrijstellingen voor diensten betreffende het internationaal vervoer
Bijwerking 01.03.2023 - Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020] [01.07.2021]
Inhoud · 30 onderdelen
2. Personenvervoer (artikel 41, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek)
A. Diensten met betrekking tot de invoer van goederen in België of in een andere lidstaat (artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek)
C. Het intracommunautaire vervoer van goederen naar of vanaf de eilanden die de autonome regio's van de Azoren en van Madeira vormen, het vervoer van goederen tussen deze eilanden alsmede de daarmee samenhangende handelingen (artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek)
4. Diensten verricht door makelaars en lasthebbers (artikel 41, § 2, van het Btw-Wetboek)
A. Artikel 41, § 2, a), van het Btw-Wetboek
B. Artikel 41, § 2, b), van het Btw-Wetboek
C. Artikel 41, § 2, c), van het Btw-Wetboek
5. Bewijs van de vrijstellingen voorzien in artikel 41, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek
A. Personenvervoer (artikel 41, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek)
C. Diensten verricht door makelaars en lasthebbers (artikel 41, § 2, van het Btw-Wetboek)
6. Extracommunautaire reizen (artikel 41, § 2bis, van het Btw-Wetboek)
B. Administratieve vereenvoudigingsregelingen voor pakketreizen
a. Luchtvervoer en rechtstreeks zeevervoer van personen
Luchtvervoer dat voorafgaat aan of volgt op rechtstreeks zeevervoer van personen
Luchtvervoer dat voorafgaat aan of volgt op een zeecruise
e. Aansluitend vervoer dat, buiten de pakketprijs, afzonderlijk wordt aangerekend aan de reiziger
f. Met het luchtvervoer nauw samenhangende diensten andere dan vervoerdiensten
1. Beginselen
Diensten met betrekking tot het internationaal verkeer die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, zijn in België aan de btw onderworpen wanneer ze op grond van artikel 21 en artikel 21bis van het Btw-Wetboek in België plaatsvinden. Voor een omstandige toelichting van de regels inzake de plaats van de dienst wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 8’.
Artikel 41 van het Btw-Wetboek voorziet evenwel een aantal vrijstellingen voor bepaalde diensten die verband houden met het internationaal verkeer en maakt daarbij geen onderscheid naargelang de ontvanger van de dienst een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige is.
2. Personenvervoer (artikel 41, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek)
Op grond van artikel 41, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek wordt vrijstelling van de belasting verleend voor het zeevervoer van personen, het internationale luchtvervoer van personen en het vervoer van door reizigers begeleide bagage en auto’s bij dergelijk vervoer.
Het vervoer van personen is een dienst zoals bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, bestaande uit het overbrengen van personen van een bepaalde plaats naar een andere plaats en dit ongeacht welke vervoermiddelen daarvoor worden gebruikt. Personen zijn eender welke menselijke wezens. Alle vervoer van mensen wordt dus als personenvervoer beschouwd. Ook het vervoer van een lijk - met inbegrip van de kist en andere voorwerpen waarvan het lijk vergezeld gaat (bloemen, kransen en andere ornamenten die deze gewoonlijk vergezellen)- wordt als personenvervoer aangemerkt.
Artikel 371 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en punt 10 van bijlage X, deel B, aan die richtlijn, maakt het de lidstaten mogelijk om het personenvervoer dat op 01.01.1978 reeds was vrijgesteld, te blijven vrijstellen onder de op dat tijdstip bestaande voorwaarden.
Bij toepassing van die bepaling heeft België de vrijstelling van btw voor het zeevervoer en het
internationale luchtvervoer van personen, die sinds 01.01.1971 vervat is in artikel 41, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek, kunnen behouden.
Van de belasting zijn vrijgesteld:
• het zeevervoer van personen, dat wil zeggen het vervoer van personen per zeeschip, zelfs indien dat vervoer uitsluitend in de Belgische territoriale wateren wordt verricht.
Voor de toepassing van de vrijstelling wordt onder ‘zeeschip’ verstaan, deze die bedoeld zijn in artikel 42, § 1, 1°, a), van het Btw-Wetboek vóór de inwerkingtreding van de Wet van 29.11.2017 tot wijziging van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, met betrekking tot de opeisbaarheid van de belasting, de met diensten gelijkgestelde handelingen, de regeling van actieve veredeling bij invoer en de vrijstelling van de belasting voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee (Belgisch Staatsblad van 06.12.2017)(1).
(1) Dit zijn de zeeschepen en -boten van alle types al dan niet met mechanische aandrijving, die uitsluitend gebruikt worden of bestemd zijn voor een winstgevende handels- of industriële bedrijvigheid op zee. Zijn eveneens bedoeld als zeeschepen, de passagiersschepen, vrachtschepen, koelboten voor het vervoer van goederen, tankerschepen (petroleumtankers, enzovoort), ferryboten, visserssloepen en andere vissersboten, vaartuigen speciaal ingericht om kabels te leggen, ijsbrekers, fabrieksschepen, loodsboten, bergingsvaartuigen voor het lichten van schepen, vaartuigen voor het vervoeren en het verankeren van boeien, sleepboten, duwboten en luchtkussenvaartuigen bestemd voor het verrichten van bezoldigd vervoer van personen of goederen.
Het vervoer op zee met jachten en pleziervaartuigen kan bijgevolg niet van de btw worden vrijgesteld, zelfs wanneer ze uitsluitend zouden worden gebruikt voor pleziervaarten op zee tegen betaling (zie beslissing nr. E.T. 62.099 van 27.12.1994).
• het internationale luchtvervoer van personen, dat wil zeggen het vervoer van personen door middel van luchtvaartuigen of andere toestellen die zich in de lucht voortbewegen, vanuit ofwel een plaats in België naar een plaats in het buitenland of omgekeerd, ofwel een plaats in het buitenland, over Belgisch grondgebied, naar een andere plaats in het buitenland.
Als internationaal luchtvervoer wordt daarentegen niet aangemerkt de vlucht vanuit een luchthaven in België, over buitenlands grondgebied, naar een andere luchthaven in België.
• het vervoer van door reizigers begeleide bagage en auto’s bij het zee- of luchtvervoer bedoeld onder het eerste en tweede opsommingsteken.
Opmerking
Voor het bezoldigd personenvervoer over de weg (met uitsluiting van spoorvervoer) in België door niet in België gevestigde belastingplichtigen bestaat er, onder bepaalde voorwaarden, een afwijking op de na te leven formaliteiten op het vlak van btw. Deze regeling wordt uitvoerig becommentarieerd in beslissing nr. E.T. 122.611 van 20.02.2014.
Sinds 01.07.2021 kunnen niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België diensten van bezoldigd personenvervoer verrichten voor niet-belastingplichtigen evenwel op vereenvoudigde wijze btw aangeven via de éénloketregeling OSS (artikelen 58ter en 58quater van het Btw-Wetboek).
Gelet op deze omstandigheden van dubbel gebruik met de regeling OSS, wordt de bijzondere regeling waarin de voornoemde beslissing nr. E.T. 122.611 voorziet, definitief afgeschaft op 30.06.2023. Vanaf 01.07.2023 zullen niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België diensten van bezoldigd personenvervoer verrichten voor niet-belastingplichtigen, enkel kunnen kiezen tussen de registratie in de vereenvoudigingsregeling OSS of de btw-identificatie in België met indiening van periodieke aangiften (zie circulaire 2023/C/25 van 03.03.2023 betreffende het bezoldigd personenvervoer in België door niet in België gevestigde belastingplichtigen (nr. E.T. 140.185).
[Top]
3. Diensten betreffende het internationaal verkeer van goederen (artikel 41, § 1, eerste lid, 2° tot en met 6°, van het Btw-Wetboek)
De vrijstellingen van toepassing op diensten die verband houden met het internationaal verkeer van goederen worden uitvoerig becommentarieerd in de circulaire AOIF nr. 3/2010 (nr. E.T. 117.619) van 07.01.2010, waarnaar wordt verwezen.
Artikel 41, § 1, eerste lid, 2° tot en met 6° en § 2, van het Btw-Wetboek vormt de omzetting van de artikelen 142, 144, 146, lid 1, e), 149, 153 en 159 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, die betrekking hebben op diensten die worden verricht in het kader van het extracommunautaire goederenverkeer.
A. Diensten met betrekking tot de invoer van goederen in België of in een andere lidstaat (artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek)
Op grond van artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek wordt vrijstelling van de belasting verleend voor de diensten die betrekking hebben op de invoer van goederen en waarvan de waarde in België of in een andere lidstaat opgenomen is in de maatstaf van heffing bij invoer.
De diensten met betrekking tot de invoer van goederen bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek betreffen de diensten waarvan de waarde moet worden opgenomen in de maatstaf van heffing van de ingevoerde goederen, krachtens:
• artikel 34, § 2, eerste lid, 2°, en tweede lid, van het Btw-Wetboek, indien het gaat om een invoer in België.
Overeenkomstig die bepaling moeten in de maatstaf van heffing bij invoer worden opgenomen, voor zover zij niet reeds daarin zijn begrepen: de bijkomende kosten, zoals van commissie, douaneformaliteiten, verpakking, vervoer en verzekering, tot op de eerste plaats van bestemming van de goederen in België of een andere plaats van bestemming in de Gemeenschap, indien deze plaats bekend is op het tijdstip waarop het belastbaar feit plaatsvindt.
• de nationale bepaling van een andere lidstaat van de Gemeenschap die de omzetting vormt van artikel 86, lid 1, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, in geval van een invoer in een andere lidstaat dan België.
Overeenkomstig die bepaling moeten de volgende elementen in de maatstaf van heffing bij invoer worden opgenomen, voor zover zij niet reeds daarin zijn begrepen: de bijkomende kosten, zoals de kosten van commissie, verpakking, vervoer en verzekering, tot de eerste plaats van bestemming binnen het grondgebied van de lidstaat van invoer, alsmede de kosten die voortvloeien uit het vervoer naar een andere plaats van bestemming in de Gemeenschap, indien deze plaats bekend is op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt.
Het gaat dus in hoofdzaak om commissie-, verpakkings-, vervoers- en verzekeringskosten tot op de eerste plaats van bestemming van de goederen op het grondgebied van de lidstaat van invoer evenals om de genoemde kosten die voortvloeien uit het vervoer naar een andere plaats van bestemming in de Gemeenschap, indien deze plaats gekend is op het tijdstip waarop het belastbaar feit plaatsvindt.
Onder eerste plaats van bestemming van de goederen wordt verstaan, de plaats die vermeld is in de vrachtbrief of enig ander document waaronder de goederen in de lidstaat van invoer binnenkomen. Bij gebrek aan dergelijke vermelding, wordt de eerste plaats van bestemming geacht de plaats te zijn waar de eerste overlading van goederen in de lidstaat van invoer geschiedt (zie artikel 86, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd).
De vrijstelling heeft uitsluitend betrekking op de diensten die verband houden met goederen die definitief in de Gemeenschap worden ingevoerd en die ten verbruik worden aangegeven. De vrijstelling is van toepassing op de bedoelde diensten wanneer ze geacht worden in België plaats te vinden, ongeacht de lidstaat van invoer van de goederen in de Gemeenschap.
De vrijstelling van bedoelde diensten is voorzien om te vermijden dat ze tweemaal zouden worden belast, met name eenmaal bij de invoer van de goederen (doordat de kosten van deze diensten begrepen zijn in de maatstaf van heffing van de ingevoerde goederen) en een tweede maal als dienstverrichting.
Merk op dat de vrijstelling tevens van toepassing is wanneer de invoer vrijgesteld is van de belasting. Het criterium voor de toepassing van de vrijstelling is immers de opname van de waarde van de dienst in de maatstaf van heffing bij invoer, ongeacht of die invoer wordt belast of vrijgesteld. Dit principe werd bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Federal Express Europe Inc., zaak C-273/16, van 04.10.2017), nadat het reeds met grote meerderheid aanvaard was door het 93e btw-comité van 01.07.2011 (Document D – taxud.c.1(2011)1212515 – 711).
Het vervoer van de ingevoerde goederen maakt deel uit van de bedoelde diensten. In de maatstaf van heffing bij invoer moeten namelijk worden opgenomen: de kosten van vervoer van de ingevoerde goederen tot op de eerste plaats van bestemming van de goederen op het grondgebied van de lidstaat van invoer evenals de kosten van vervoer die voortvloeien uit het vervoer naar een andere plaats van bestemming in de Gemeenschap, indien deze plaats bekend is op het tijdstip waarop het belastbaar feit inzake invoer plaatsvindt.
De vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek betreft dus enkel het vervoer van goederen die afkomstig zijn van buiten de Gemeenschap, wanneer deze goederen in de Gemeenschap worden ingevoerd en voor het verbruik worden aangegeven. Ze is van toepassing op het vervoer van goederen dat geacht wordt in België plaats te vinden en waarvan de waarde begrepen is in de maatstaf van heffing bij invoer (2), ongeacht de lidstaat van invoer van de goederen en ongeacht de plaats waar dit vervoer materieel wordt verricht.
(2) Er wordt opgemerkt dat indien de ingevoerde goederen aan de geadresseerde werden verkocht onder de clausule ‘franco bestemming’, de transportkosten geacht worden deel uit te maken van de maatstaf van heffing bij invoer.
De vrijstelling is eveneens van toepassing wanneer de kosten van vervoer die in de douanewaarde (en aldus ook in de maatstaf van heffing) moeten worden opgenomen, op forfaitaire wijze worden vastgesteld overeenkomstig artikel 138 en bijlage 23.01 van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, voornoemd.
Handelingen zoals het laden, het lossen en het behandelen van goederen evenals gelijkaardige handelingen die betrekking hebben op het vervoer van ingevoerde goederen, worden beschouwd als met het vervoer van goederen samenhangende handelingen waarvan de kosten, op dezelfde wijze als het vervoer, moeten worden opgenomen in de maatstaf van heffing bij invoer. Dergelijke handelingen worden bijgevolg bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek voor zover ze in België plaatsvinden.
De expertise gedurende het vervoer van beschadigde goederen die door een schade-expert wordt verricht, wordt eveneens bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek als zijnde een dienst die samenhangt met voormeld vervoer, op voorwaarde dat deze dienst in België plaatsvindt en voor zover de kosten van die expertise of de kosten van de verzekering in het kader waarvan deze expertise wordt verricht, in de maatstaf van heffing van de betrokken ingevoerde goederen zijn opgenomen. De expertise van de gebruikte vervoermiddelen is niet van de btw vrijgesteld op grond van deze bepaling.
De kosten inzake douaneformaliteiten zijn de sommen die worden betaald voor de diensten geleverd door de commissionair-expediteur bij het vervoer of door de douanevertegenwoordiger, waarop de invoerder een beroep heeft gedaan, om de ingevoerde goederen voor het verbruik aan te geven. Dergelijke handeling is op zich geen dienst die met een vervoer van goederen samenhangt. In de douanereglementering worden deze kosten echter wel beschouwd als kosten die nauw samenhangen met het vervoer van goederen voorbij de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap, waardoor deze alsnog moeten worden opgenomen in de maatstaf van heffing bij invoer. Deze handelingen inzake inklaring worden derhalve ook bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, indien ze in België plaatsvinden.
De opslag van goederen is evenmin een handeling die beschouwd kan worden als een met een vervoer samenhangende dienst. De kosten voor de opslag van goederen maken als zodanig evenwel geen deel uit van de bijkomende kosten die in de maatstaf van heffing bij invoer moeten worden opgenomen. Dergelijke opslagdienst kan dus niet worden vrijgesteld door artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, wanneer hij in België plaatsvindt.
De opslag van goederen kan echter, in voorkomend geval, genieten van de vrijstelling voorzien in artikel 41, § 1, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek. Dat is bijvoorbeeld het geval voor goederen die onder de regeling douane-entrepot of de regeling btw-entrepot zijn geplaatst.
Ten slotte wordt nog opgemerkt dat indien een dienstverrichter een globale dienst factureert die hoofdzakelijk betrekking heeft op het vervoer van goederen, maar daarnaast ook met het vervoer samenhangende diensten en/of de opslag van goederen omvat, welke enkel als modaliteiten van het vervoer kunnen worden beschouwd, de handeling voor het geheel als een vervoer van goederen wordt aangemerkt. Indien de kosten van dit vervoer in de maatstaf van heffing bij invoer moeten worden opgenomen, wordt de dienst voor zijn geheel vrijgesteld door artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, voor zover de vervoerdienst in België plaatsvindt.
B. Diensten met betrekking tot de uitvoer van goederen buiten de Gemeenschap en diensten met betrekking tot goederen die zich onder een opschortende regeling inzake douane, een fiscale regeling of de regeling btw-entrepot bevinden (artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek)
a. Algemeen
Op grond van artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek wordt vrijstelling van de belasting verleend voor de diensten die rechtstreeks verband houden met de uitvoer van goederen vanuit België of vanuit een andere lidstaat buiten de Gemeenschap.
Op grond van artikel 41, § 1, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek wordt vrijstelling van de belasting verleend voor de diensten die rechtstreeks verband houden met goederen die:
• in België vallen onder een regeling als bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek of onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, of
• in een andere lidstaat vallen onder een regeling die het equivalent is van die regelingen.
Op grond van artikel 41, § 1, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek wordt vrijstelling van de belasting verleend voor de diensten die rechtstreeks verband houden met handelingen die op grond van artikel 39, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek vrijgesteld zijn van de belasting.
De diensten met betrekking tot de uitvoer van goederen buiten de Gemeenschap evenals de diensten met betrekking tot goederen die zich onder een opschortende regeling inzake douane, een fiscale regeling of de regeling btw-entrepot bevinden, waarvan sprake in artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek, worden op een niet-exhaustieve wijze opgesomd in artikel 41, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek.
b. Vervoer van goederen
Het vervoer van goederen maakt deel uit van bedoelde diensten, overeenkomstig artikel 41, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek.
Het moet meer bepaald gaan om een vervoer met betrekking tot:
• goederen die in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn en die vanuit België of vanuit een andere lidstaat naar een plaats buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd (artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek).
Merk op dat de vervoerde goederen niet noodzakelijk het voorwerp moeten uitmaken van een levering die om reden van uitvoer is vrijgesteld van de btw. Zo kan het vervoer van goederen buiten de Gemeenschap in het kader van een verhuis, van een levering met installatie of montage, van een overbrenging van de voorraad of van een maakloonwerk eveneens genieten van de vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek.
• goederen die zich in België of in een andere lidstaat onder een opschortende regeling inzake douane (3), een fiscale regeling (4) of de regeling btw-entrepot bevinden (artikel 41, § 1, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek)
(3) Worden bedoeld, de goederen die niet de douanestatus van Uniegoederen hebben en die, vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap, overeenkomstig de douanewetgeving:
o bij de douane worden aangebracht en eventueel onder een regeling van tijdelijke opslag worden geplaatst
o onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten worden geplaatst
o onder een regeling voor extern douanevervoer worden geplaatst
o onder een regeling van vrije zones of vrije entrepots worden geplaatst
o onder een regeling van douane-entrepots worden geplaatst
o onder een regeling van actieve veredeling worden geplaatst
o onder een regeling inzake de in de territoriale zee toegelaten goederen voor boor- en werkeilanden worden geplaatst.
(4) Worden bedoeld, de goederen die de douanestatus van Uniegoederen hebben, die afkomstig zijn uit delen van het douanegebied van de Gemeenschap die geen deel uitmaken van het btw-gebied van de Gemeenschap (artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd – artikel 1, § 4, eerste lid, van het Btw-Wetboek) en die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap worden geplaatst onder een regeling voor intern Uniedouanevervoer of onder een fiscale regeling die equivalent is aan een in de vorige voetnoot vermelde opschortende regeling inzake douane, uitgezonderd de onder het derde opsommingsteken vermelde regeling.
• goederen die het voorwerp uitmaken van een levering of een intracommunautaire verwerving die vrijgesteld is door artikel 39, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 41, § 1, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek).
Artikel 39, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek stelt vrij van de belasting, de leveringen en de intracommunautaire verwervingen van goederen die plaatsvinden in België en die bestemd zijn om in België onder een hiervoor genoemde opschortende regeling inzake douane te worden geplaatst, met uitzondering van de regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten en de regeling voor extern douanevervoer, evenals de leveringen van goederen met handhaving van één van die regelingen. Deze vrijstelling heeft uitsluitend betrekking op goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden en waarvan de plaatsing onder een opschortende regeling inzake douane, met het oog op hun uitvoer, door de douanewetgeving is toegelaten, voor zover de plaats waar deze regeling van toepassing is in België is gelegen.
De vrijstelling die door artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek wordt verleend, is van toepassing op het vervoer van goederen dat in België plaatsvindt, ongeacht de plaats waar dit vervoer materieel wordt verricht. Het kan gaan om goederenvervoer tussen de Gemeenschap en derde landen of derdelandsgebieden, maar ook om een vervoer van goederen tussen twee lidstaten of een zuiver nationaal goederenvervoer. Het is overigens niet verplicht dat dit vervoer ononderbroken verloopt.
Om de vrijstelling te kunnen genieten, dient het vervoer rechtstreeks verband te houden met de in artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek bedoelde handelingen en bedoelde goederen.
Zo beoogt de vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek, het vervoer van goederen waarbij het bij de aanvang van dat vervoer vaststaat dat enerzijds de goederen bestemd zijn om naar een plaats buiten de Gemeenschap te worden vervoerd en anderzijds de goederen zich, op het ogenblik dat ze de buitengrens van de Gemeenschap overschrijden, in dezelfde staat bevinden als bij aanvang van het vervoer (5). Hieruit volgt dat de volgende handelingen de vrijstelling niet kunnen genieten:
• het vervoer van goederen die bestemd zijn om buiten de Gemeenschap te worden uitgevoerd, maar die in de Gemeenschap nog het voorwerp moeten uitmaken van een bewerking, een verwerking of een aanpassing
• het vervoer van goederen die niet daadwerkelijk worden uitgevoerd.
(5) Het verpakken van de goederen met het oog op hun vervoer wordt niet als een wijziging van hun staat beschouwd.
De vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek beoogt op haar beurt het vervoer van goederen waarvan het bij de aanvang van het vervoer vaststaat dat ze zich onder een opschortende regeling inzake douane, een fiscale regeling of de regeling btw-entrepot bevinden. De vrijstelling is van toepassing ongeacht de bestemming die aan de goederen zal worden gegeven bij hun onttrekking aan de betrokken regeling.
Wat ten slotte het vervoer van goederen betreft dat bij toepassing van artikel 41, § 1, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek is vrijgesteld, aanvaardt de administratie om praktische redenen dat er niet moet worden teruggekomen op de op het vervoer toegepaste vrijstelling wanneer de vervoerde goederen uiteindelijk niet worden uitgevoerd en de voorlopig toegekende vrijstelling, verleend overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 18, voornoemd, niet definitief wordt.
c. Andere beoogde diensten
De andere diensten dan het vervoer van goederen met betrekking tot de uitvoer van goederen evenals met betrekking tot goederen die zich onder een opschortende regeling inzake douane, een fiscale regeling of de regeling btw-entrepot bevinden, waarvan sprake in artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek, worden op een niet-exhaustieve wijze opgesomd in artikel 41, § 1, tweede lid, 2° tot en met 9°, van het Btw-Wetboek:
• het laden, lossen, overslaan en overpompen van goederen
• het wegen, meten en peilen van goederen
• het verpakken, overpakken en het uitpakken van goederen
• het behandelen, het stouwen en verstouwen van goederen
• het nazien, onderzoeken en in ontvangst nemen van goederen
• het beveiligen van goederen tegen slecht weer, diefstal, brandgevaar en ander gevaar voor verlies of vernieling
• het opbergen en bewaren van goederen
• het verrichten van formaliteiten bij invoer, uitvoer uit de Gemeenschap of douanevervoer en die zijn voorgeschreven overeenkomstig een communautaire bepaling.
De opslag van goederen waarbij de begunstigde een exclusief gebruiksrecht geniet van het (gedeelte van het) onroerend goed waar de goederen zijn opgeslagen, is in principe aan de btw onderworpen (6), overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw-Wetboek. Dergelijke opslagdienst, evenals de opslagdienst zonder exclusief gebruiksrecht of die gepaard gaat met bijkomende economische activiteiten, wordt echter vrijgesteld door artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek indien hij betrekking heeft op goederen die zich ofwel onder een opschortende regeling inzake douane, een fiscale regeling of de regeling btw-entrepot bevinden, ofwel in het vrije verkeer bevinden en zijn bestemd voor vervoer buiten de Gemeenschap.
(6) In het uitzonderlijke geval evenwel waarin de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek toch zou samenvallen met deze beoogd door artikel 41, § 1, van het Btw-Wetboek, primeert de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, van het Btw-Wetboek die een specifieke vrijstelling is, op de vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 1, van het Btw-Wetboek die een algemene vrijstelling is (zie beslissing nr. E.T. 124.412 van 02.06.2014, punten 4.2. en 4.2.1. en schriftelijke parlementaire vraag nr. 361 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 13.03.2009).
Wat betreft expertisediensten, daaronder begrepen de diensten van schade-experts, is de vrijstelling van toepassing wanneer deze handeling rechtstreeks betrekking heeft op goederen die het voorwerp uitmaken van een van de situaties bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek. De expertise van de gebruikte vervoermiddelen zelf is niet van de btw vrijgesteld op grond van die bepaling.
Zoals reeds aangehaald in voornoemde opsomming, stelt artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek eveneens vrij van de btw, de diensten die tot voorwerp hebben het verrichten van formaliteiten bij invoer, uitvoer uit de Gemeenschap of douanevervoer en die zijn voorgeschreven overeenkomstig een communautaire bepaling. Voor de toepassing van de vrijstelling komen enkel de diensten in aanmerking die een belastingplichtige onder bezwarende titel verricht en die bestaan uit het vervullen van formaliteiten die ter gelegenheid van goederenbewegingen tussen de Gemeenschap en derde landen of derdelandsgebieden dienen te worden verricht ingevolge een communautaire (douane-, fiscale of andere) reglementering, waarbij de tussenkomst van de douaneautoriteiten is voorzien voor de uitvoering van die formaliteiten.
Het betreft in de eerste plaats formaliteiten van puur douanetechnische aard bij invoer, uitvoer en doorvoer van goederen die zich onder douanetoezicht bevinden, zoals bijvoorbeeld de opmaak van aangiften voor de plaatsing van goederen onder een douaneregeling of van certificaten van oorsprong, ongeacht of daarbij al dan niet douanerechten of andere belastingen worden geheven.
Daarnaast gaat het ook om formaliteiten bij invoer en uitvoer die geen betrekking hebben op belastingen of heffingen van welke aard ook, maar waarvan de vervulling is voorgeschreven door een andere communautaire reglementering, zoals het nakomen van verplichtingen met betrekking tot vergunningen (bijvoorbeeld goederen onderworpen aan handelspolitieke maatregelen) of met betrekking tot goederen onderworpen aan controlemaatregelen (bijvoorbeeld inzake gezondheid).
Het vervullen van die formaliteiten wordt aangemerkt als een dienst die rechtstreeks verband houdt met de handelingen bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek.
De vrijstelling voorzien in artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek is daarentegen niet van toepassing op diensten bestaande uit de opmaak van documenten die niet vereist zijn door een communautaire reglementering met betrekking tot goederenbewegingen tussen de Gemeenschap en derde landen of derdelandsgebieden, ook al houden ze verband met een invoer, een uitvoer of een doorvoer. Het betreft onder meer handelingen van in de Gemeenschap gevestigde organisaties of autoriteiten die er een derde land vertegenwoordigen en die, ingevolge een eenzijdige maatregel van dat derde land, moeten nagaan of bepaalde voorschriften zijn nageleefd die vereist zijn voor de invoer van de goederen in dat derde land. Het gaat bijvoorbeeld om:
• het afstempelen van verkoopfacturen door één van de hiervoor bedoelde organisaties of autoriteiten, vereist om de goederen in het derde land te kunnen invoeren
• het certificeren van de (technische) conformiteit van bepaalde goederen aan de normen van het derde land van bestemming.
Ook de dienst bestaande uit de opmaak van het vervoersdocument (zoals een CMR-vrachtbrief of een bill of lading) wordt om die reden niet beoogd door de vrijstelling van artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek.
Omdat ze betrekking hebben op het intracommunautair goederenverkeer is de opmaak van de volgende documenten evenmin bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek:
• geleidedocumenten inzake accijnzen voor bewegingen van accijnsgoederen binnen de Europese Unie
• documenten ter ondersteuning van de toepassing van artikel 42, § 3, 1° tot en met 6°, van het Btw-Wetboek voor de vrijgestelde aankopen van goederen en diensten binnen de Europese Unie, zoals het Certificaat voor vrijstelling van btw en/of accijnzen (artikel 151 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 12 van richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19.12.2019 houdende een algemene regeling inzake accijns).
C. Het intracommunautaire vervoer van goederen naar of vanaf de eilanden die de autonome regio's van de Azoren en van Madeira vormen, het vervoer van goederen tussen deze eilanden alsmede de daarmee samenhangende handelingen (artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek)
Op grond van artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek (artikel 142 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) wordt vrijstelling van de belasting verleend voor het intracommunautaire vervoer van goederen naar of vanaf de eilanden die de autonome regio’s van de Azoren of van Madeira vormen evenals voor het vervoer van goederen tussen deze eilanden, wanneer dat vervoer gelokaliseerd wordt in België.
De vrijstelling voor het intracommunautaire vervoer van goederen is slechts van toepassing voor zover het een intracommunautair goederenvervoer in de zin van artikel 1, § 6, 1°, van het Btw-Wetboek betreft, zijnde een vervoer van goederen waarvan de plaats van vertrek en de plaats van aankomst op het grondgebied van twee verschillende lidstaten zijn gelegen.
Bovendien is de vrijstelling enkel van toepassing op het vervoer van goederen die afkomstig zijn uit de Gemeenschap, in de zin van artikel 1, §§ 2 tot en met 5, van het Btw-Wetboek, of die in de Gemeenschap zijn ingevoerd en er voor het verbruik zijn aangegeven. Het vervoer van goederen die niet de douanestatus van Uniegoed bezitten, vallen binnen de werkingssfeer van de vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek.
Merk ten slotte op dat Portugal in toepassing van artikel 149 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, een vervoer van goederen tussen de Azoren en Madeira of tussen deze eilanden en het vasteland gelijkstelt met een internationaal vervoer, waardoor dat vervoer de in artikel 142 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, voorziene vrijstelling kan genieten.
Naast het intracommunautaire vervoer van goederen naar of vanaf de eilanden die de autonome regio's van de Azoren en van Madeira vormen en het vervoer van goederen tussen deze eilanden, stelt artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek de daarmee samenhangende handelingen eveneens vrij van de belasting.
Derhalve beoogt die bepaling de diensten die samenhangen met zowel een intracommunautair vervoer van goederen tussen deze eilanden en de andere lidstaten dan Portugal als een vervoer van goederen tussen beide eilanden, wanneer ze in België plaatsvinden.
Het moet bovendien gaan om goederen die afkomstig zijn uit de Gemeenschap in de zin van artikel 1, §§ 2 tot en met 5, van het Btw-Wetboek of die in de Gemeenschap zijn ingevoerd en er voor het verbruik zijn aangegeven. De diensten die samenhangen met het vervoer van goederen die niet de douanestatus van Uniegoed bezitten, vallen binnen de werkingssfeer van de vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek.
Opdat een handeling voor de toepassing van artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek kan worden aanzien als samenhangend met een vervoer van goederen, dient die rechtstreeks betrekking te hebben op het vervoerde goed en een rechtstreeks verband te hebben met het vervoer. De administratie aanvaardt dat de in navolgende niet-limitatieve lijst opgesomde diensten beantwoorden aan deze voorwaarden:
• het laden van goederen in schepen, boten, luchtvaartuigen, spoorwagons, vrachtwagens en andere vervoermiddelen
• het lossen van goederen uit dergelijke vervoermiddelen
• het overslaan van goederen uit een vervoermiddel in een andere vervoermiddel
• het overpompen van vloeibare producten, met of zonder verwarming, bij het laden of het lossen
• het stuwen (of stouwen), ontstuwen, verstuwen, trimmen (een schip in evenwicht brengen door verplaatsing van de lading)
• het wegen, meten, peilen; de controle en de ambtshalve inontvangstneming van de goederen; het tellen van zakken, vaten en balen; de hulpverlening bij deze handelingen en de controle erop; de inontvangstneming van goederen, het nemen en analyseren van monsters; het opmaken van gewicht- of meetnota’s, luiklijsten en tallylijsten; het opmaken van rapporten en getuigschriften in verband met het meten, wegen en andere handelingen die verband houden met de inontvangstneming van de goederen
• het beveiligen van goederen tegen slecht weer, diefstal, brandgevaar en ander gevaar voor verlies of vernieling
• het verpakken, overpakken en het uitpakken van goederen evenals de controle hierop, voor zover deze handelingen verricht worden ten behoeve van het vervoer van de goederen, zoals: het verpakken van goederen in kisten, kratten of vaten, het paletteren van goederen, het opzakken, het opensnijden van zakken, het samenstellen en ontbinden van eenheidsladingen, het inladen in containers, het uitladen uit containers, het schoren en het ontschoren van goederen
• het klasseren en sorteren van goederen met het oog op het vervoer of het opbergen; het stofvrij maken en het ontsmetten van goederen
• het verplaatsen van goederen met bijzondere toestellen op kaaien en in opslagplaatsen
• het merken van zakken, vaten, enzovoort, alsook het etiketteren en verzegelen van goederen, containers en vervoermiddelen
• expertise van de vervoerde goederen in geval van beschadiging ervan tijdens het vervoer.
Vermits de opslag van goederen geen handeling is die beschouwd wordt als een met een vervoer samenhangende dienst, kan die niet worden vrijgesteld door artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek, wanneer die in België plaatsvindt.
Indien een dienstverrichter echter een globale dienst factureert die hoofdzakelijk betrekking heeft op ofwel het intracommunautair vervoer van goederen naar of vanaf de Azoren en Madeira ofwel het vervoer van goederen tussen deze eilanden, maar die ook met dit vervoer samenhangende diensten en/of de opslag van goederen omvat die enkel als modaliteiten van dit vervoer beschouwd kunnen worden, wordt de handeling in haar geheel als een vervoer van goederen aangemerkt. Derhalve wordt die handeling in haar geheel beoogd door artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek, indien ze in België plaatsvindt.
[Top]
4. Diensten verricht door makelaars en lasthebbers (artikel 41, § 2, van het Btw-Wetboek)
Op grond van artikel 41, § 2, van het Btw-Wetboek wordt vrijstelling van de belasting verleend voor de diensten verricht door makelaars en lasthebbers die niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek, wanneer die makelaars en lasthebbers tussenkomst verlenen bij:
• leveringen van goederen of diensten die buiten de Gemeenschap plaatsvinden
• leveringen van goederen of diensten die vrijgesteld zijn ingevolge de artikelen 39, 39quater, 40, 41 en 42 van het Btw-Wetboek
• leveringen van goederen of diensten die in een andere lidstaat plaatsvinden en die in die lidstaat zijn vrijgesteld ingevolge een nationale bepaling die de artikelen 146 tot en met 152 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, omzet.
Bedoelde makelaars en lasthebbers zijn de personen die, voor de contracten waarin ze tussenkomen, niet in hun eigen naam of onder firma voor rekening van hun opdrachtgever handelen en geen op hun naam opgemaakte factuur, debetnota of ander daarmee gelijkgesteld stuk ontvangen of uitreiken.
Artikel 41, § 2, van het Btw-Wetboek vormt de omzetting van artikel 153 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, die betrekking heeft op diensten die worden verricht in het kader van het extracommunautaire goederenverkeer.
De circulaire AOIF nr. 16/2010 (nr. E.T. 117.880) van 25.02.2010 licht deze vrijstelling toe.
A. Artikel 41, § 2, a), van het Btw-Wetboek
Artikel 41, § 2, a), van het Btw-Wetboek stelt vrij van de belasting de diensten van makelaars en lasthebbers die in België plaatsvinden, wanneer deze tussenpersonen niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek en zij tussenkomst verlenen bij leveringen van goederen of diensten die buiten de Gemeenschap, in de zin van artikel 1, §§ 2 tot en met 5, van het Btw-Wetboek, plaatsvinden.
Deze bepaling behoeft geen bijzondere commentaar.
Er wordt niettemin opgemerkt dat indien de tussenpersoon tussenkomt bij een levering van goederen die het voorwerp uitmaken van een invoer in de Gemeenschap, hij tussenkomt bij een levering van goederen die in principe buiten de Gemeenschap plaatsvindt, zijnde daar waar de verzending of het vervoer naar de verkrijger aanvangt, overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Zijn dienst kan in dat geval worden vrijgesteld door artikel 41, § 2, a), van het Btw-Wetboek (7).
(7) De vrijstelling van de dienst van de tussenpersoon kan ook gebaseerd zijn op artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek in de mate dat het gaat om commissiekosten betaald door de geadresseerde om de goederen te verkrijgen en waarvan de waarde opgenomen moet worden in de maatstaf van heffing bij invoer.
Indien de levering van de ingevoerde goederen daarentegen op grond van artikel 14, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek wordt geacht plaats te vinden in de lidstaat van invoer van de goederen of op grond van artikel 15, § 1, eerste lid, 2° en 3°, en § 2bis, van het Btw-Wetboek wordt geacht plaats te vinden in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer, kan de dienst van de makelaar of lasthebber niet genieten van de vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 2, a), van het Btw-Wetboek.
In voorkomend geval kan bedoelde dienst evenwel binnen de werkingssfeer vallen van de vrijstelling die bedoeld is in:
• artikel 41, § 2, b), van het Btw-Wetboek, indien de gedelokaliseerde levering vrijgesteld wordt krachtens één van de bepalingen bedoeld in dat artikel
• artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, indien de dienst van de tussenpersoon opgenomen moet worden in de maatstaf van heffing bij invoer (zie titel 3, rubriek A, van deze Afdeling 6, hiervoor).
Wanneer de makelaar of lasthebber zijn dienst verricht voor een ontvanger die geen belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, is de vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 2, a), van het Btw-Wetboek zonder voorwerp en zal ze in de praktijk niet worden toegepast. Aangezien de plaats van de dienst van de tussenpersoon samenvalt met die van de hoofdhandeling, overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek, vindt de dienst van de tussenpersoon in deze gevallen niet in België plaats.
B. Artikel 41, § 2, b), van het Btw-Wetboek
Artikel 41, § 2, b), van het Btw-Wetboek stelt vrij van de belasting de diensten van makelaars en lasthebbers die in België plaatsvinden, wanneer deze tussenpersonen niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek en zij tussenkomst verlenen bij leveringen van goederen of diensten die:
• in België plaatsvinden, en
• worden vrijgesteld door:
o artikel 39 van het Btw-Wetboek (vrijstellingen bij de uitvoer van goederen)
o artikel 39quater van het Btw-Wetboek (vrijstellingen inzake de regeling btw-entrepot)
o artikel 40 van het Btw-Wetboek (vrijstellingen inzake opschortende regelingen inzake douane en fiscale regelingen)
o artikel 41 van het Btw-Wetboek (vrijstellingen met betrekking tot invoer, uitvoer en bepaalde internationale vervoeren)
o artikel 42 van het Btw-Wetboek (vrijstellingen voor bepaalde schepen, vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en dergelijke toestellen, buitenlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten, internationale instellingen, NAVO-strijdkrachten, centrale banken, menslievende, liefdadige of opvoedkundige organisaties, parels en edelstenen).
Wanneer makelaars en lasthebbers tussenkomen bij handelingen bedoeld in artikel 39, § 2, of 39quater van het Btw-Wetboek, worden hun diensten vrijgesteld door artikel 41, § 2, b), van het Btw-Wetboek, niettegenstaande dat de vrijstelling van de handeling waarin ze tussenkomen slechts voorlopig wordt verleend (zie artikelen 11 tot en met 13 van het koninklijk besluit nr. 18, voornoemd, voor wat betreft artikel 39, § 2, van het Btw-Wetboek en artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, voor wat betreft artikel 39quater van het Btw-Wetboek).
Omdat de tussenpersonen, om praktische redenen, onmogelijk het resultaat van deze voorlopige vrijstellingen kunnen kennen, aanvaardt de administratie bovendien dat geen enkele regularisatie moet worden verricht in het geval de voorlopig toegekende vrijstellingen niet definitief worden.
Er moet ook onderlijnd worden dat geen enkele vrijstelling van toepassing is wanneer een tussenpersoon tussenkomt bij een intracommunautaire handeling.
C. Artikel 41, § 2, c), van het Btw-Wetboek
Artikel 41, § 2, c), van het Btw-Wetboek stelt vrij van de belasting de diensten van makelaars en lasthebbers die in België plaatsvinden, wanneer deze tussenpersonen niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek en zij tussenkomst verlenen bij leveringen van goederen of diensten die:
• in een andere lidstaat dan België plaatsvinden, en
• in die lidstaat zijn vrijgesteld krachtens een nationale bepaling die de omzetting vormt van de artikelen 146 tot en met 152 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.
De artikelen 146 tot en met 152 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, stellen vrij van de belasting de handelingen met betrekking tot uitvoer, de handelingen met betrekking tot internationaal vervoer evenals de met uitvoer gelijkgestelde handelingen. Deze artikelen moeten door alle lidstaten verplicht worden toegepast.
De handelingen in kwestie zijn in wezen deze die in het Belgisch recht het voorwerp uitmaken van de vrijstellingen bedoeld in de artikelen 39, § 1, 41, § 1, eerste lid, 3° tot en met 5°, en 42 van het Btw-Wetboek.
Er kan dus worden vastgesteld dat de draagwijdte van de vrijstelling verleend door artikel 41, § 2, c), van het Btw-Wetboek beperkter is dan die van de vrijstelling verleend door punt b) van datzelfde artikel, die eveneens een vrijstelling verleent wanneer de tussenpersoon tussenkomt bij een levering van goederen of een dienst die in België plaatsvindt en die is vrijgesteld door de artikelen 39, § 2, 39quater of 40, § 2, van het Btw-Wetboek. De oorzaak daarvan is dat die vrijstellingen voortvloeien uit de artikelen 156 tot en met 161 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, die voor de lidstaten facultatieve bepalingen vormen, waarvan de toepassingsvoorwaarden niet in het communautaire recht zijn geharmoniseerd. Hoewel België er via de artikelen 39, § 2, 39quater en 40, § 2, van het Btw-Wetboek voor geopteerd heeft om die handelingen vrij te stellen wanneer ze in België plaatsvinden, is dat niet noodzakelijk in alle lidstaten het geval.
Wanneer de makelaar of lasthebber zijn dienst verricht voor een ontvanger die geen belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, is de vrijstelling bedoeld in artikel 41, § 2, c), van het Btw-Wetboek zonder voorwerp en zal ze in de praktijk niet worden toegepast. Aangezien de plaats van de dienst van de tussenpersoon samenvalt met die van de hoofdhandeling, overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek, vindt de dienst van de tussenpersoon in deze gevallen niet in België plaats.
[Top]
5. Bewijs van de vrijstellingen voorzien in artikel 41, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek
Overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6, van 27.12.1977, met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van internationaal vervoer, zee- en binnenschepen en luchtvaartuigen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 41, § 3, van het Btw-Wetboek, moeten de vrijstellingen bedoeld in artikel 41, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden waarvan de aard en de vorm worden bepaald door of vanwege de minister van Financiën.
In casu is elk bewijskrachtig document toegelaten en is geen enkel document op zich voldoende of noodzakelijk om aan te tonen dat de dienst in kwestie beantwoordt aan de voorwaarden die zijn voorgeschreven door artikel 41, §§ 1 of 2, van het Btw-Wetboek. Dit is in lijn met het beschikkend gedeelte van het arrest Cartrans Spedition SRL van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Cartrans Spedition SRL, zaak C-495/17 van 08.11.2018).
A. Personenvervoer (artikel 41, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek)
De passagierslijsten - samen met de dubbels van de uitgereikte reisbiljetten - kunnen door de dienstverrichter worden aangehaald als bewijs van de vrijstelling.
B. Diensten betreffende het internationaal verkeer van goederen (artikel 41, § 1, eerste lid, 2° tot en met 6°, van het Btw-Wetboek)
Het bewijs van de vrijstelling moet door de schuldenaar van de belasting worden geleverd door middel van een geheel van bewijskrachtige documenten. In dit verband kunnen volgende elementen, naast andere, in het kader van deze bewijsvoering worden gebruikt: de transportdocumenten, de factuur, de bestelbon van de opdrachtgever, een verklaring van de hoofdvervoerder ingeval van onderaanneming evenals, in voorkomend geval, een kopie van het douanedocument van de invoer, van de uitvoer of van de plaatsing van de goederen onder een opschortende regeling inzake douane of een fiscale regeling.
C. Diensten verricht door makelaars en lasthebbers (artikel 41, § 2, van het Btw-Wetboek)
Het bewijs van de vrijstelling moet door de schuldenaar van de belasting worden geleverd door middel van een geheel van bewijskrachtige documenten. In dit verband zijn kopieën van handels-, douane-, of fiscale documenten met betrekking tot de handelingen waarbij de tussenpersoon tussenkomt, elementen die, naast andere, in het kader van deze bewijsvoering kunnen worden gebruikt.
[Top]
6. Extracommunautaire reizen (artikel 41, § 2bis, van het Btw-Wetboek)
Door artikel 105 van de Wet houdende diverse bepalingen van 15.05.2014 werd in artikel 41 van het Btw-Wetboek een nieuwe paragraaf 2bis ingevoegd luidende:
‘§ 2bis. Van de belasting is vrijgesteld de dienst verricht door een reisbureau indien de handelingen waarvoor het, voor de totstandkoming van de reis, een beroep doet op andere belastingplichtigen door laatstgenoemden buiten de Gemeenschap worden verricht.
Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen zowel binnen als buiten de Gemeenschap worden verricht, mag alleen het gedeelte van de dienst van het reisbureau betreffende de buiten de Gemeenschap verrichte handelingen worden vrijgesteld’.
Deze bepaling vormt de omzetting van artikel 309 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.
Artikel 41, § 2bis, van het Btw-Wetboek is in werking getreden op 01.05.2014 (zie artikel 1 van het koninklijk besluit tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van artikel 106 van de wet van 15.05.2014 houdende diverse bepalingen van 13.06.2014 (Belgisch Staatsblad van 25.06.2014, editie 1) en beslissing nr. E.T. 126.109 van 06.05.2014).
Deze vrijstelling wordt uitvoerig becommentarieerd in beslissing nr. E.T. 126.560 van 16.10.2014. Er wordt ook nog verwezen naar circulaire 2020/C/44 van 23.03.2020 betreffende de bijzondere reisbureauregeling en de btw-regeling voor reishandelingen waarop de bijzondere reisbureauregeling niet toepasselijk is.
A. Wettelijke Regeling
Voor de toepassing van artikel 41, § 2bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek dient bijgevolg te worden nagegaan welke diensten het reisbureau voor de totstandkoming van de reis van derden ontvangt en dient vervolgens voor elk van die diensten de plaats te worden bepaald waar hij, overeenkomstig de lokalisatieregels van artikel 21 van het Btw-Wetboek, wordt verricht (B2B-situatie met het reisbureau als afnemer van de diensten).
Voorbeelden:
• het verschaffen van gemeubeld logies (hoteldienst): vindt plaats daar waar het onroerend goed (het hotel) gelegen is (artikel 21, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek)
• restaurantdiensten: vinden plaats daar waar de dienst materieel wordt verricht (artikel 21, § 3, 4°, van het Btw-Wetboek)
• diensten van personenvervoer: vinden plaats daar waar het vervoer wordt verricht, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden (artikel 21, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek)
• diensten van gidsen: vinden plaats daar waar het evenement of de activiteit daadwerkelijk plaatsvindt (artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek).
Voor pakketreizen waarbij een globale prijs voor de reisdienst wordt vastgesteld en de bedoelde handelingen door derde belastingplichtigen zowel binnen als buiten de Gemeenschap worden verricht, dient een opsplitsing te worden gemaakt. Daarvoor moet een verhoudingsgetal worden vastgesteld dat bestaat uit een breuk die als volgt wordt gevormd:
• als teller: de kosten (inclusief btw) die het reisbureau rechtstreeks met betrekking tot de reis heeft gedaan en die betrekking hebben op door andere belastingplichtigen verrichte diensten die plaatsvinden binnen de Gemeenschap in de zin van artikel 1, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek
• als noemer: alle kosten (inclusief btw) die het reisbureau rechtstreeks met betrekking tot de reis heeft gedaan en die betrekking hebben op door andere belastingplichtigen verrichte diensten die zowel binnen als buiten de Gemeenschap plaatsvinden.
De aldus berekende breuk wordt omgezet in een percentage dat wordt toegepast op de prijs die voor de pakketreis aan de reiziger wordt aangerekend. Op het aldus verkregen resultaat wordt de forfaitaire winstmarge berekend en daarop wordt tenslotte de verschuldigde btw berekend volgens het normaal tarief dat thans 21% bedraagt.
B. Administratieve vereenvoudigingsregelingen voor pakketreizen
Voor de meeste diensten die opgenomen zijn in de globale prijs van een pakketreis kan gemakkelijk worden bepaald waar de inkomende diensten door de derde belastingplichtigen aan het reisbureau worden verstrekt en is het duidelijk of deze kosten al dan niet moeten worden opgenomen in de teller van de onder rubriek A van deze titel, hiervoor, bedoelde breuk.
Diensten van personenvervoer die worden verricht voor een als zodanig handelende belastingplichtige, vinden overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek plaats daar waar het vervoer wordt verricht, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden. Voor vlieg- en bootreizen is het evenwel in de praktijk moeilijk om te bepalen welke afstanden over het grondgebied van de Gemeenschap worden afgelegd en welke afstanden over derde landsgebied(en). De reisbureaus worden ten aanzien van de door hen ontvangen diensten inzake lucht- en zeevervoer bij een strikte uitvoering van artikel 41, § 2bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek zodoende geconfronteerd met enerzijds praktische toepassingsproblemen en anderzijds een aanzienlijke verhoging van hun administratieve lasten.
Rekening houdend met het voorgaande wordt aan de reisbureaus bij wijze van administratieve vereenvoudigingsmaatregel toegestaan ten aanzien van de door hen aangeboden pakketreizen de hierna volgende regelingen toe te passen voor de plaatsbepaling van de diensten van lucht- of rechtstreeks zeevervoer van personen en de diensten van zeecruises die zij van andere belastingplichtigen ontvangen en die een onderdeel vormen van de door hen verleende reisdiensten.
Bedoelde vereenvoudigingsregelingen gelden enkel ten aanzien van het lucht- en zeevervoer van personen (zie subrubriek a, van deze rubriek B, hierna) en ten aanzien van zeecruises (zie subrubriek b, van deze rubriek B, hierna) en niet voor andere vormen van reizigersvervoer, zoals vervoer per trein of per bus, behoudens het geval waarin dit vervoer voorafgaat aan of volgt op luchtvervoer, rechtstreeks zeevervoer of een zeecruise en zodoende ook onder de voor dat luchtvervoer, rechtstreeks zeevervoer of die zeecruise toepasselijke vereenvoudigingsregeling valt (zie subrubriek d, van deze rubriek B, hierna).
De reisbureaus kunnen ervoor kiezen om ofwel voor hun gehele activiteit die bestaat uit de verkoop van pakketreizen waarbij er ten aanzien van de door hen voor de totstandkoming van de reis ontvangen diensten een extracommunautair element aanwezig is, gebruik te maken van deze vereenvoudigingsregels ofwel voor hun gehele activiteit de normale regels inzake plaatsbepaling toe te passen.
a. Luchtvervoer en rechtstreeks zeevervoer van personen
Onder rechtstreeks zeevervoer wordt in principe het zeevervoer zonder tussenstops tussen twee havens bedoeld. Het rechtstreeks karakter van de reis gaat evenwel niet verloren indien andere havens worden aangedaan om nieuwe reizigers te laten opstappen of eerder opgestapte reizigers die hun reis beëindigen, te laten afstappen. Daarbij mogen de reizigers waarvan de bestemming een andere haven is dan die van de tussenstop, de boot niet tijdelijk verlaten. Indien dit wel het geval is, wordt de bootreis aangemerkt als een zeecruise (zie subrubriek b, van deze rubriek B, hierna).
Indien de plaats van vertrek of de plaats van bestemming van de dienst van luchtvervoer of rechtstreeks zeevervoer van personen, die het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, buiten de Gemeenschap gelegen is, wordt het volledig lucht- of rechtstreeks zeevervoer geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap, dat wil zeggen ook het deel van het lucht- of rechtstreeks zeevervoer dat volgens de toepassing van de normale regels inzake plaatsbepaling van de dienst (naar verhouding van de afgelegde afstanden) binnen de Gemeenschap plaatsvindt.
Het bedrag van de door het reisbureau gedane kosten om de reis samen te stellen dat betrekking heeft op het lucht- of rechtstreeks zeevervoer van personen, moet in dat geval enkel worden opgenomen in de noemer van de onder rubriek A van deze titel, hiervoor, bedoelde breuk.
Indien ook alle andere diensten die het reisbureau voor de totstandkoming van de reis van derden ontvangt, plaatsvinden buiten de Gemeenschap, is de door het reisbureau verrichte reisdienst in dat geval overeenkomstig artikel 41, § 2bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek volledig vrijgesteld van de btw.
Indien de plaats van vertrek én de plaats van bestemming van de dienst van lucht- of rechtstreeks zeevervoer van personen, die het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, binnen de Gemeenschap gelegen zijn, wordt het volledig lucht- of rechtstreeks zeevervoer geacht plaats te vinden binnen de Gemeenschap, dat wil zeggen ook het deel van het lucht- of rechtstreeks zeevervoer dat volgens de toepassing van de normale regels inzake plaatsbepaling van de dienst (naar verhouding van de afgelegde afstanden) buiten de Gemeenschap plaatsvindt.
Het bedrag van de door het reisbureau gedane kosten om de reis samen te stellen dat betrekking heeft op het lucht- of rechtstreeks zeevervoer van personen, moet in dat geval zowel in de teller als in de noemer van de onder rubriek A, van deze titel, hiervoor, bedoelde breuk worden opgenomen.
b. Zeecruises
Een zeecruise is een zeereis van bijzondere aard die onder die benaming aan het publiek wordt aangeboden. Zij wordt verricht aan boord van een uitsluitend voor het vervoer en verblijf van passagiers ingericht schip. Cruises omvatten, naast het vervoer, een geheel van prestaties in verband met het verblijf aan boord van het schip en het bezichtigen van bezienswaardigheden in of vanuit iedere haven die wordt aangedaan.
Ten aanzien van de door de reisbureaus georganiseerde en als pakketreizen aangeboden cruises, waarvoor het beroep doet op de diensten van derde belastingplichtigen, moeten in principe de algemene regels hierboven uiteengezet onder rubriek A, van deze titel, hiervoor, worden toegepast.
De uitsplitsing van de dienstprestaties (in enerzijds een gedeelte dat volgens de toepassing van de plaatsbepalingsregels inzake btw binnen de Gemeenschap plaatsvindt en anderzijds een gedeelte dat volgens diezelfde regels buiten de Gemeenschap plaatsvindt) die de reisbureaus van derden ontvangen voor de totstandkoming van de zeecruise, stelt de sector evenwel voor grote praktische problemen. Daarom kunnen de reisbureaus ten aanzien van de door hen verkochte zeecruises bij wijze van proef gebruik maken van de hierna volgende bijzondere vereenvoudigingsregeling.
Indien de eerste vertrekhaven van de zeecruise, zoals die is opgenomen in het voorgestelde reisschema dat aan de reizigers (in een reisbrochure, op de website van het reisbureau,…) wordt aangeboden, zich in de Gemeenschap bevindt, is de btw verschuldigd over de volledige winstmarge, dat wil zeggen dat op de totaalprijs die aan de reiziger wordt gevraagd, eerst de forfaitaire winstmarge wordt berekend en daarop de verschuldigde btw wordt berekend volgens het normaal tarief dat thans 21% bedraagt.
Indien de eerste vertrekhaven van de zeecruise, zoals die is opgenomen in het voorgestelde reisschema dat aan de reizigers (in een reisbrochure, op de website van het reisbureau…) wordt aangeboden, zich buiten de Gemeenschap bevindt, is de volledige winstmarge voor die zeecruise vrijgesteld van de btw.
Indien het reisbureau geen gebruik maakt van de hierboven beschreven bijzondere vereenvoudigingsregeling dient het noodzakelijkerwijs voor zeecruises die zowel binnen als buiten de Gemeenschap plaatsvinden, een uitsplitsing te maken overeenkomstig artikel 41, § 2bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek (wettelijke regeling). De plaats van de diensten die het reisbureau voor de totstandkoming van de zeecruise van derden ontvangt, wordt bepaald volgens de gewone regels.
c. Aansluitende vluchten en luchtvervoer dat voorafgaat aan of volgt op rechtstreeks zeevervoer van personen of een zeecruise
Aansluitende vluchten
Indien de door het reisbureau voor de totstandkoming van de reis van derden ontvangen diensten van luchtvervoer van personen, betrekking hebben op meerdere op elkaar aansluitende vluchten, waarvan de prijs in zijn geheel is opgenomen in de voor een pakketreis gevraagde prijs, dienen deze vluchten voor de toepassing van de vereenvoudigingsregeling (namelijk voor het bepalen van de plaats van vertrek en de plaats van bestemming van het luchtvervoer) niet als afzonderlijke vluchten te worden aangemerkt, maar als één dienst van luchtvervoer van personen, waarop bijgevolg de betreffende vereenvoudigingsregeling voor het geheel van toepassing is, op voorwaarde dat:
• er tussen het voorziene aankomstuur/vertrekuur van de opeenvolgende vluchten geen tijdspanne is van meer dan 12 uren
• er geen overnachting plaatsvindt tijdens een tussenstop tussen twee vluchten.
Indien de plaats van vertrek of de uiteindelijke plaats van bestemming van een gecombineerd luchtvervoer, dat het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, buiten de Gemeenschap gelegen is, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap, ook indien één van de vluchten op zich, bij toepassing van de vereenvoudigingsregeling, binnen de Gemeenschap plaatsvindt.
Indien de plaats van vertrek én de uiteindelijke plaats van bestemming van een gecombineerd luchtvervoer, dat het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, binnen de Gemeenschap gelegen zijn, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden binnen de Gemeenschap, ook indien één van de vluchten op zich, bij toepassing van de vereenvoudigingsregeling, buiten de Gemeenschap plaatsvindt.
Luchtvervoer dat voorafgaat aan of volgt op rechtstreeks zeevervoer van personen
Het luchtvervoer dat het rechtstreeks zeevervoer van personen voorafgaat of erop volgt en waarvan de prijs in zijn geheel is opgenomen in de voor een pakketreis gevraagde prijs, wordt geacht samen met dat rechtstreeks zeevervoer van personen één dienst van personenvervoer uit te maken waarop de betreffende vereenvoudigingsregeling (zie subrubriek a, van deze rubriek B, hiervoor) voor het geheel van toepassing is, op voorwaarde dat:
• er tussen het voorziene aankomstuur/vertrekuur van de vlucht en het zeevervoer geen tijdsspanne is van meer dan 12 uren
• er geen overnachting plaatsvindt tussen de vlucht en het zeevervoer.
Indien de plaats van vertrek of de plaats van bestemming van het volledig traject van het gecombineerd lucht- en zeevervoer, dat het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, buiten de Gemeenschap gelegen is, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap, ook indien het aansluitend luchtvervoer op zich, bij toepassing van de vereenvoudigingsregeling, binnen de Gemeenschap plaatsvindt.
Indien de plaats van vertrek én de plaats van bestemming van het volledig traject van het gecombineerd lucht- en zeevervoer, dat het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, binnen de Gemeenschap gelegen zijn, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden binnen de Gemeenschap, ook indien het aansluitend luchtvervoer op zich, bij toepassing van de vereenvoudigingsregeling, buiten de Gemeenschap plaatsvindt.
Luchtvervoer dat voorafgaat aan of volgt op een zeecruise
Het luchtvervoer dat voorafgaat aan een zeecruise of erop volgt en waarvan de prijs in zijn geheel is opgenomen in de voor de zeecruise gevraagde prijs, wordt geacht deel uit te maken van de zeecruise en valt onder de daarop toepasselijke vereenvoudigingsregeling (zie subrubriek b, van deze rubriek B, hiervoor) die bijgevolg voor het geheel van toepassing is, op voorwaarde dat:
• er tussen het voorziene aankomstuur/vertrekuur van het bedoelde luchtvervoer en de zeecruise geen tijdspanne is van meer dan 12 uren
• er geen overnachting plaatsvindt tussen het bedoelde luchtvervoer en de zeecruise.
Indien de eerste zeehaven van vertrek van een cruise, die het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, buiten de Gemeenschap gelegen is, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap, ook indien het aansluitend luchtvervoer op zich, bij toepassing van de vereenvoudigingsregeling, binnen de Gemeenschap plaatsvindt.
Indien de eerste zeehaven van vertrek van een cruise, die het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, binnen de Gemeenschap gelegen zijn, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden binnen de Gemeenschap, ook indien het aansluitend luchtvervoer op zich, bij toepassing van de vereenvoudigingsregeling, buiten de Gemeenschap plaatsvindt.
d. Treinvervoer, vervoer per autocar, shuttlebus of -wagen dat voorafgaat aan of volgt op luchtvervoer, rechtstreeks zeevervoer of een zeecruise
Het komt vaak voor dat het reisbureau van derde belastingplichtigen diensten van vervoer ontvangt die als dusdanig geen diensten van luchtvervoer, rechtstreeks zeevervoer of cruisediensten betreffen maar wel in samenhang met dit vervoer worden verricht. Zij hebben als enig doel, bij de heenreis, de reizigers in staat te stellen om vanuit hun woonplaats de luchthaven of haven van vertrek te bereiken en/of vanuit de luchthaven of haven van reisbestemming hun tijdelijke reisverblijfplaats te bereiken of, bij de terugreis, de reizigers in staat te stellen om vanuit hun tijdelijke reisverblijfplaats de luchthaven of haven van reisbestemming te bereiken en/of vanuit de luchthaven of haven van aankomst de woonplaats te bereiken.
Wanneer voornoemde diensten van vervoer deel uitmaken van de prijs waartegen de pakketreis wordt aangeboden, worden zij geacht deel uit te maken van de dienst van luchtvervoer, rechtstreeks zeevervoer of de cruisedienst en vallen zij onder de daarop toepasselijke vereenvoudigingsregeling (zie subrubrieken a en b, van deze rubriek B, hiervoor), op voorwaarde dat:
• er tussen het voorziene aankomstuur/vertrekuur van het bedoelde vervoer en het lucht- of zeevervoer geen tijdspanne is van meer dan 12 uren
• er geen overnachting plaatsvindt tussen het bedoelde vervoer en het lucht of- zeevervoer.
Wanneer aan bovenstaande voorwaarden is voldaan en de plaats van vertrek of de plaats van bestemming van het luchtvervoer of het rechtstreeks zeevervoer, eventueel gecombineerd (zie subrubriek c, van deze rubriek B, hiervoor), dat het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, buiten de Gemeenschap gelegen is, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap, dat wil zeggen ook het deel van het vervoer dat volgens de toepassing van de normale regels inzake plaatsbepaling van de dienst (naar verhouding van de afgelegde afstanden), binnen de Gemeenschap plaatsvindt.
Indien de plaats van vertrek én de plaats van bestemming van het luchtvervoer of het rechtstreeks zeevervoer, eventueel gecombineerd (zie subrubriek c, van deze rubriek B, hiervoor), dat het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, binnen de Gemeenschap gelegen zijn, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden binnen de Gemeenschap, dat wil zeggen ook het deel van het vervoer dat volgens de normale regels inzake plaatsbepaling van de dienst (naar verhouding van de afgelegde afstanden) buiten de Gemeenschap plaatsvindt.
Indien de eerste zeehaven van vertrek van een cruise, die het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, buiten de Gemeenschap gelegen is, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap, dat wil zeggen ook het deel van het vervoer dat volgens de toepassing van de normale regels inzake plaatsbepaling van de dienst (naar verhouding van de afgelegde afstanden), binnen de Gemeenschap plaatsvindt.
Indien de eerste zeehaven van vertrek van een cruise, die het reisbureau van derde belastingplichtigen ontvangt als onderdeel van de door hem verstrekte reisdienst, binnen de Gemeenschap gelegen is, wordt het volledig vervoer geacht plaats te vinden binnen de Gemeenschap, dat wil zeggen ook het deel van het vervoer dat volgens de normale regels inzake plaatsbepaling van de dienst (naar verhouding van de afgelegde afstanden) buiten de Gemeenschap plaatsvindt.
e. Aansluitend vervoer dat, buiten de pakketprijs, afzonderlijk wordt aangerekend aan de reiziger
Indien de prijs voor de aansluitende vluchten niet is opgenomen in de globale prijs waartegen de pakketreis wordt aangeboden maar daarentegen apart wordt aangerekend en gefactureerd aan de reiziger, dient het volgend onderscheid te worden gemaakt:
• indien het reisbureau optreedt als makelaar of lasthebber van de dienstverrichter (luchtvaartmaatschappij), wordt betreffend luchtvervoer rechtstreeks verstrekt door de vervoermaatschappij. Het bedrag dat door het reisbureau aan de reiziger wordt aangerekend moet worden aangemerkt als een voorschot in de zin van artikel 28, 5°, van het Btw-Wetboek waarop geen btw verschuldigd is. Het door het reisbureau van de luchtvaartmaatschappij ontvangen commissieloon is onderworpen aan de normale btw-regeling. Indien de verkoop van de vliegbiljetten betrekking heeft op internationaal luchtvervoer is het door het reisbureau van de luchtvaartmaatschappij ontvangen commissieloon vrijgesteld van de btw op grond van artikel 41, § 2, b), van het Btw-Wetboek
• indien het reisbureau niet optreedt als makelaar of lasthebber van de dienstverrichter (luchtvaartmaatschappij), handelt het als vervoerder of wordt het geacht als zodanig te handelen. In dat geval zijn de normale btw-regels die gelden ten aanzien van diensten van personenvervoer, van toepassing. Internationaal luchtvervoer is vrijgesteld op grond van artikel 41, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek (zie titel 2, van deze Afdeling, hiervoor).
Indien de prijs voor het bij het lucht- of zeevervoer aansluitend treinvervoer, autocarvervoer of vervoer per shuttlebus of -wagen niet is opgenomen in de prijs waartegen de pakketreis wordt aangeboden maar daarentegen apart wordt aangerekend en gefactureerd aan de reiziger, dient het volgend onderscheid te worden gemaakt:
• indien het reisbureau optreedt als makelaar of lasthebber van de dienstverrichter (vervoerder), wordt betreffend vervoer rechtstreeks verstrekt door de vervoermaatschappij aan de reiziger. De verschuldigde btw wordt geheven in de relatie tussen de vervoerder en de reiziger. Het bedrag dat door het reisbureau aan de reiziger wordt aangerekend moet worden aangemerkt als een voorschot in de zin van artikel 28, 5°, van het Btw-Wetboek waarop geen btw verschuldigd is. Het door het reisbureau van de vervoerder ontvangen commissieloon is onderworpen aan de normale btw-regeling. De prestatie van de makelaar of lasthebber vindt plaats daar waar de ontvanger van die dienst (de vervoerder) gevestigd is (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek). De vergoeding die het reisbureau als makelaar of lasthebber ontvangt is evenwel van de btw vrijgesteld indien en in de mate waarin zijn tussenkomst betrekking heeft op een dienstverrichting die buiten de Gemeenschap plaatsvindt (artikel 41, § 2, a), van het Btw-Wetboek)
• indien het reisbureau niet optreedt als makelaar of lasthebber van de dienstverrichter (vervoerder) handelt het als vervoerder of wordt het geacht als zodanig te handelen. In dat geval zijn de normale btw-regels die gelden ten aanzien van diensten van personenvervoer, van toepassing. De vervoerprestatie vindt overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek of artikel 21, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek plaats daar waar het vervoer wordt verricht, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden.
f. Met het luchtvervoer nauw samenhangende diensten andere dan vervoerdiensten
Indien het reisbureau van derden andere diensten dan vervoerdiensten ontvangt die een rechtstreekse band hebben met het voor de reizigers gepresteerde luchtvervoer en die de reizigers rechtstreeks ten goede komen, moeten zij voor de toepassing van de btw geacht worden deel uit te maken van het luchtvervoer waarop de hierboven uiteengezette administratieve vereenvoudigingsregeling kan worden toegepast.
Voor bedoelde diensten wordt aangenomen dat zij binnen de Gemeenschap dan wel buiten de Gemeenschap plaatsvinden naargelang dat het geval is voor het luchtvervoer waarvan zij geacht worden deel uit te maken.
Een voorbeeld van een dergelijke dienst is de cateringdienst die het reisbureau van derden ontvangt en die betrekking heeft op een maaltijd die op een luchthaven aan de reizigers wordt aangeboden.
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.