Diensten met betrekking tot maatschappelijk werk en sociale zekerheid · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

4 juni 2021

Zoeken

Diensten met betrekking tot maatschappelijk werk en sociale zekerheid

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/vrijstellingen-beoogd-artikel-44-wetboek-42d3

Datum
4 juni 2021

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

103 paragrafen

Btw-Commentaar. Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek - Diensten met betrekking tot maatschappelijk werk en sociale zekerheid - art. 44, § 2, 2° (01.06.2021)

BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief

Hoofdstuk 9. Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek

Afdeling 9 - Diensten met betrekking tot maatschappelijk werk en sociale zekerheid (artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek)

Bijwerking 01.06.2021 - Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020]

Inhoud: · 10 onderdelen

Inleiding

1. De instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben

2. De kinderbewaarplaatsen, de zuigelingentehuizen en de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over de jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben

A. Kinderbewaarplaatsen en zuigelingentehuizen

B. Instellingen voor de jeugd

3. De instellingen voor gezinshulp

4. De psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding

5. De instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben

6. Gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure

7. Diensten voor preventie en bescherming op het werk

Inleiding

Op grond van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek zijn van de belasting vrijgesteld de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend.

Met het begrip ‘instelling’ worden zowel de natuurlijke personen als de rechtspersonen beoogd.

Met ‘organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend’ worden beoogd:

• hetzij de instellingen die een formele erkenning genieten, in de gevallen waarin in een formele erkenning door de bevoegde federale, regionale of gewestelijke overheid wordt voorzien

• hetzij de instellingen waarvan de diensten en nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen worden verricht in overeenstemming met de voor die instellingen geldende reglementering (beslissing nr. E.T. 94.156 van 25.07.2005).

Een dergelijke erkenning kan bijvoorbeeld blijken uit een beslissing van de overheid, het feit dat aan de organisatie een subsidie wordt toegekend …

Met diensten die nauw samenhangen met het maatschappelijk werk worden de in de sociale sector verrichte diensten van algemeen belang beoogd aan, onder meer, economisch hulpbehoevenden, die recht hebben op de diensten in kwestie, die zijn gebaseerd op sociale solidariteit (Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 56/2013 van 25.04.2013).Wordt eveneens aangemerkt als een dienst die nauw samenhangt met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, wanneer een onafhankelijke adviseur voor rekening van de medische dienst van een zorgkas adviezen over de zorgbehoefte opstelt die door die zorgkas worden gebruikt om te beoordelen in hoeverre zijn verzekerden recht hebben op diensten op het gebied van maatschappelijk werk en sociale zekerheid, mits het voor het naar behoren verrichten van de handelingen op dit gebied onontbeerlijk is dat die adviseur die adviezen opstelt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Finanzamt tegen E, zaak C-657/19, van 08.10.2020).

Worden onder meer vrijgesteld op grond van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek:

• het verstrekken van taalonderricht in de sociale sector op voorwaarde dat die diensten worden verstrekt aan specifieke doelgroepen en in het kader van een uitdrukkelijke wettelijke regeling, voor zover uiteraard die dienst niet reeds is vrijgesteld krachtens artikel 44, § 2, 4°, van het Btw-Wetboek (zie Afdeling 11, titel 3, rubriek E, subrubriek a, hierna). Het gaat hier, bij wijze van voorbeeld, om taalonderricht verstrekt door commerciële ondernemingen aan allochtonen naar aanleiding van een verplichte inburgeringscursus of aan werkzoekenden in het kader van een hen opgelegd herscholings- of bijscholingstraject (beslissing nr. E.T. 125.077/2 van 11.07.2014)

• het vervoer van personen met verminderde mobiliteit (zieken, gewonden, mindervaliden) (zie ook artikel 44, § 2, 1°, b), van het Btw-Wetboek – Afdeling 7, hiervoor)

• de door jeugdhuizen in het kader van hun sociaal doel verrichte handelingen. De exploitatie van een drankgelegenheid door een jeugdhuis vormt geen belemmering voor de toepassing van deze vrijstelling voor zover cumulatief voldaan is aan bepaalde voorwaarden (beslissing nr. E.T. 128.632 van 05.11.2015)

• de door de lokale dienstencentra in het kader van hun sociaal doel verrichte handelingen. De exploitatie van een drank- of eetgelegenheid door een lokaal dienstencentrum vormt geen belemmering voor de toepassing van deze vrijstelling wanneer de gerealiseerde jaarlijkse omzet in het kader hiervan niet meer bedraagt dan 80.000 euro (beslissing nr. E.T. 130.608 van 23.09.2016).

Artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek vermeldt uitdrukkelijk een aantal instellingen van sociale aard die de vrijstelling genieten:

• de instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben

• de kinderbewaarplaatsen, de zuigelingentehuizen en de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben

• de instellingen voor gezinshulp

• de centra voor levens- en gezinsvragen

• de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen

• de psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding

• de instellingen die de gehandicaptenzorg tot doel hebben

• de instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben

• de instellingen bedoeld in het koninklijk besluit van 17.12.2003 betreffende de subsidiëring van instellingen die voorzien in een gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure

• de externe diensten erkend bij het koninklijk besluit van 27.03.1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk en de gemeenschappelijke interne diensten die voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 27.10.2009 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.

Deze opsomming is niet exhaustief.

Hierna worden een aantal instellingen grondiger besproken.

1. De instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben

De vrijstelling ten aanzien van de instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben is gebonden aan de erkenning ervan door de bevoegde overheid. Vermits het verlenen van die erkenning gebaseerd is op het nakomen van de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden die onder meer ook de sociale aspecten van de door bedoelde instellingen verstrekte bejaardenzorg beogen, worden de privaatrechtelijke instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben, op voorwaarde dat ze als zodanig door de bevoegde overheid zijn erkend en ze prijzen toepassen die goedgekeurd zijn door de Minister van Economische Zaken, voor de toepassing van de btw, geacht te handelen onder sociale voorwaarden, welke vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor de publiekrechtelijke instellingen.

Bijgevolg zijn de privaatrechtelijke instellingen die aan bovengenoemde voorwaarden voldoen, ongeacht de juridische vorm waarin ze zijn opgericht, op grond van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek eveneens van de belasting vrijgesteld.

Tevens is het zo dat de nieuwe strekkingen die zich in de bejaardenzorg aftekenen, ernaar streven de integratie van de bejaarden in de gemeenschap te bevorderen. Derhalve wordt de bejaardenzorg voortaan niet enkel beperkt tot de opvang van bejaarden in rusthuizen maar wordt thans ook in een aantal andere mogelijkheden voorzien waarvan de bejaarden kunnen gebruik maken, zoals serviceflatgebouwen of woningcomplexen met dienstverlening en dienstencentra.

De vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek is van toepassing ten aanzien van het geheel van diensten dat wordt aangeboden aan de bewoners (diensten die moeten verstrekt of verzekerd worden, facultatief aan te bieden diensten) en geldt slechts voor de diensten die aan de bewoners worden verstrekt.

Ze is daarentegen niet van toepassing ten aanzien van diensten die worden verstrekt aan de personen die niet in de serviceflatgebouwen verblijven.

Wanneer die diensten echter ook verstrekt worden aan bejaarden die niet in de serviceflatgebouwen verblijven, kunnen ze de vrijstelling genieten van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek betreffende diensten voor gezinshulp. Kunnen zodoende de vrijstelling genieten, het verstrekken van maaltijden (in de refter van de serviceflatgebouwen of bij de bejaarden thuis), het wassen van persoonlijk huishoudlinnen van bejaarden die niet in de serviceflatgebouwen verblijven, alsmede hulp in het huishouden thuis bij bejaarden die niet in de serviceflatgebouwen verblijven.

In beginsel zouden slechts de reeds erkende tehuizen de vrijstelling kunnen bekomen. Gelet op de mogelijke duur van de erkenningsprocedure neemt de administratie aan dat betreffende instellingen die de erkenning hebben aangevraagd en de voorwaarden vervullen om ze te verkrijgen zich voorlopig op de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek mogen beroepen. Wanneer een bejaardentehuis is erkend, wordt het recht op vrijstelling definitief (beslissing nr. E.T. 9.271 van 27.03.1972).

Wanneer evenwel aanspraak werd gemaakt op de vrijstelling, maar de erkenning uiteindelijk werd geweigerd of wanneer de toegepaste prijzen niet werden goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken, vervalt de vrijstelling op de datum dat de beslissing tot weigering aan de instelling betekend werd en worden de door de instelling verrichte handelingen vanaf die datum in principe aan de belasting onderworpen. Dit geldt ook wanneer, ingevolge een ministeriële beslissing tot sluiting, een bejaardentehuis de erkenning ontnomen wordt die het had bekomen. In de gevallen waarbij er evenwel sprake is van fraude dan wel van enige kwade trouw vanwege de aanvrager van betreffende erkenning, vervalt de toepassing van voornoemde vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek steeds met terugwerkende kracht.

Wanneer de betreffende instelling in uitzonderlijke gevallen voornoemde voorwaarden niet of niet meer vervult, is de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2° van het Btw-Wetboek op haar dan niet van toepassing. De door de betreffende instelling gestelde handelingen volgen hun eigen regeling zowel ten aanzien van het toepasselijke btw-tarief als ten aanzien van de in voorkomend geval eventueel toepasselijke vrijstelling (bijvoorbeeld medische prestaties).

Er wordt aanvaard dat de uitbating van een drank- of eetgelegenheid tevens van de belasting kan zijn vrijgesteld mits deze uitbating bijkomstig is bij de door een instelling die de bejaardenzorg tot doel heeft verrichte vrijgestelde handelingen en navolgende voorwaarden cumulatief zijn voldaan:

• de uitbating van de drank- of eetgelegenheid gebeurt door een belastingplichtige wiens handelingen worden beoogd in artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek (instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben)

• de exploitatie van de drank- of eetgelegenheid geschiedt op de site van de inrichting waar de vrijgestelde handelingen als bedoeld in het eerste puntje hiervoor worden verricht (hierna aangeduid als de betrokken inrichting)

• de in het eerste puntje beoogde vrijgestelde handelingen vormen een overwegend deel van de door de betrokken inrichting verrichte handelingen. Dit impliceert dat het totaalbedrag, per kalenderjaar, van de in dat eerste puntje beoogde vrijgestelde handelingen groter is dan het totaalbedrag van de overige door die betrokken inrichting verrichte handelingen, zijnde zowel de belaste als overige vrijgestelde handelingen (met inbegrip van de drank- of eetgelegenheid)

• de drank- of eetgelegenheid is in principe slechts toegankelijk voor personen die eveneens afnemer zijn van de hiervoor bedoelde vrijgestelde diensten (bewoners), hun bezoekers, alsook voor het personeel dat werkzaam is in de betrokken inrichting. Deze voorwaarde is in elk geval voldaan wanneer de drank- of eetgelegenheid niet toegankelijk is buiten de openingsuren van de inrichting én niet rechtstreeks toegankelijk is van buiten af (men moet met andere woorden eerst de hiervoor bedoelde inrichting betreden, alvorens men toegang heeft tot de drank- of eetgelegenheid). Het voldoen van deze voorwaarde kan evenwel ook worden aangetoond aan de hand van andere feitelijke elementen

• de ontvangsten uit de uitbating van de drank- of eetgelegenheid bedragen niet meer dan 10% van de omzet van de in het eerste puntje beoogde vrijgestelde handelingen van de betrokken inrichting.

Een éénmalige overschrijding van deze drempel met 10% - tot aldus maximaal 11% - van de omzet van de in het eerste puntje beoogde vrijgestelde handelingen van de betrokken inrichting per periode van vijf opeenvolgende kalenderjaren wordt voor de toepassing van deze voorwaarde buiten beschouwing gelaten.

Noch de aard van de verstrekte maaltijden, noch het feit dat de betrokken inrichting ook belaste werkzaamheden verricht zijn voortaan van belang (beslissing nr. E.T. 130.298 van 12.09.2016).

2. De kinderbewaarplaatsen, de zuigelingentehuizen en de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over de jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben

A. Kinderbewaarplaatsen en zuigelingentehuizen

Overeenkomstig de administratieve beslissingen strekt deze vrijstelling zich uit tot de personen of instellingen genaamd ‘bewaarplaatsen’, ‘kindertehuizen’ of ‘kinderdagverblijven’ die permanent, dat wil zeggen in beginsel het gehele jaar door, tegen vergoeding, kinderen van minder dan 14 jaar maaltijden verschaffen of in bewaring nemen en die erkend zijn door of handelen onder de controle van hetzij ‘Kind en Gezin’, hetzij ‘l'Office de la Naissance et de l'Enfance’, hetzij ‘Dienst für Kind und Familie’. Vóór 01.01.2021 was de leeftijdsgrens 12 jaar. Naar analogie met de regeling inzake Directe Belastingen werd deze grens met ingang van 01.01.2021 opgetrokken tot 14 jaar. Personen die slechts kinderen van familieleden van minder dan 14 jaar permanent bij zich houden, kunnen, ofschoon in dat geval de erkenning niet wordt geëist, eveneens voormelde vrijstelling genieten (beslissing nr. E.T. 11.448 van 02.03.1973, beslissing nr. E.T. 29.067 van 15.02.1979, schriftelijke parlementaire vraag nr. 488 van de heer Volksvertegenwoordiger Yves Leterme van 24.10.2000).

Gelet op de mogelijke duur van de erkenningsprocedure neemt de administratie aan dat betreffende instellingen die de erkenning hebben aangevraagd en de voorwaarden vervullen om ze te verkrijgen zich voorlopig op de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek mogen beroepen. Wanneer aanspraak werd gemaakt op de vrijstelling, maar de erkenning uiteindelijk werd geweigerd, vervalt de vrijstelling op de datum dat de beslissing tot weigering aan de instelling betekend werd en worden de door de instelling verrichte handelingen vanaf die datum in principe aan de belasting onderworpen. In de gevallen waarbij er evenwel sprake is van fraude dan wel van enige kwade trouw vanwege de aanvrager van betreffende erkenning, vervalt de toepassing van voornoemde vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek met terugwerkende kracht.

De beoogde vrijstelling geldt zowel voor de leveringen van goederen als voor het verrichten van diensten die nauw samenhangen met de vrijgestelde activiteit. Aldus zijn vrijgesteld het verschaffen van maaltijden en dranken om ter plaatse te worden verbruikt, het verblijf, de verzorging, de bewaking evenals het verstrekken van het verzorgingsmateriaal (bijvoorbeeld luiers) van de kinderen tijdens hun verblijf in bedoelde instelling.

Personen of instellingen die enkel tijdens de vakantieperiodes kinderen opvangen vallen niet onder de vrijstelling, ongeacht of die kinderen al dan niet jonger zijn dan 14 jaar. Die personen of instellingen zouden eventueel wel de vrijstelling kunnen genieten waarin artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek voorziet ten aanzien van instellingen erkend door de bevoegde overheid, die, ingevolge hun statuten, in hoofdzaak tot doel hebben het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding. Voor de toepassing van deze laatste bepaling is echter vereist dat de instelling subsidies ontvangt van de overheid die ze erkend heeft (beslissing nr. E.T. 11.448 van 02.03.1973).

B. Instellingen voor de jeugd

Hier worden bedoeld de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over de jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben.

Voor de toepassing van die bepaling wordt een jeugdinstelling enkel beschouwd als erkend ten aanzien van die werkzaamheden die door de bevoegde overheid in aanmerking worden genomen voor de berekening van de subsidies die zij uitkeert, alsook ten aanzien van de leveringen van goederen die de jeugdinstelling verricht in het kader zelf van zulke vrijgestelde werkzaamheden. Plaatselijke afdelingen van de jeugdbewegingen die hun subsidies niet rechtstreeks verkrijgen, doch via hun overkoepelende organisatie, zijn eveneens vrijgesteld van de btw op grond van deze bepaling (schriftelijke parlementaire vraag nr. 277 van de heer Volksvertegenwoordiger Jef Van den Bergh van 08.01.2010).

De erkenning kan van onderscheiden bevoegde overheidsinstanties uitgaan en beoogt onder meer jeugdtehuizen, jeugdclubs, jeugdherbergen ... Jeugdherbergen, jeugdhemen en vakantietehuizen voor de jeugd zijn dus vrijgesteld wanneer ze aangesloten zijn bij de Vlaamse Jeugdherbergcentrale, de Centrale Wallonne des Auberges de la Jeunesse, het Centrum voor Jeugdtoerisme of het Centre belge du tourisme des jeunes, en langs die centra om subsidies ontvangen van de bevoegde overheid.

Gelet op de mogelijke duur van de erkenningsprocedure neemt de administratie aan dat betreffende instellingen die de erkenning hebben aangevraagd en de voorwaarden vervullen om ze te verkrijgen zich voorlopig op de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek mogen beroepen. Wanneer aanspraak werd gemaakt op de vrijstelling, maar de erkenning uiteindelijk werd geweigerd, vervalt de vrijstelling op de datum dat de beslissing tot weigering aan de instelling betekend werd en worden de door de instelling verrichte handelingen vanaf die datum in principe aan de belasting onderworpen. In de gevallen waarbij er evenwel sprake is van fraude dan wel van enige kwade trouw vanwege de aanvrager van betreffende erkenning, vervalt de toepassing van voornoemde vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek met terugwerkende kracht.

De vrijstelling van artikel 44, § 2, 2° , van het Btw-Wetboek, geldt niet alleen voor de diensten die, tijdens hun verblijf in vakantiecentra, aan kinderen en adolescenten worden verleend, maar eveneens voor de bijkomende diensten die aan de ouders van de kinderen worden verstrekt bij gelegenheid van hun bezoek aan de kinderen (beslissing nr. E.T. 1.599 van 02.12.1970).

De vrijstelling geldt ook ten aanzien van de onthaalorganismen voor buitenlandse studenten en stagiaires erkend door de Dienst voor Ontwikkelingssamenwerking, afhangend van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, voor die werkzaamheden welke in aanmerking komen voor de uitkering van subsidies (en voor de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen verricht in het kader van die werkzaamheden).

De vrijstelling is eveneens van toepassing ten aanzien van de diensten verricht door de instellingen erkend door de Federale Overheidsdienst Justitie overeenkomstig het koninklijk besluit van 29.04.1969 tot vaststelling van de algemene voorwaarden voor erkenning bedoeld in artikel 66 van de wet van 08.04.1965 betreffende jeugdbescherming (homes die onderdak verschaffen aan jongeren die van de jeugdrechtbank afhangen). Wanneer de instelling door de Federale Overheidsdienst Justitie is erkend, is de vrijstelling van de belasting van toepassing op de diensten die de instelling verleent aan al de jongeren die er in ondergebracht zijn, zelfs indien een bepaald aantal onder hen niet onder toezicht staat van de jeugdrechtbank. Gelet op de duur van de erkenningsprocedure neemt de administratie verder aan dat de instellingen die de erkenning hebben aangevraagd en de voorwaarden vervullen om ze te verkrijgen zich voorlopig op de vrijstelling mogen beroepen. Deze vrijstelling mag echter slechts worden toegepast in de mate waarin de diensten worden verleend aan minderjarigen die reeds door de jeugdrechtbank in het kader van de wet van 08.04.1965 in de bedoelde instelling zijn geplaatst. Wanneer terecht aanspraak werd gemaakt op de vrijstelling, maar de erkenning uiteindelijk werd geweigerd, vervalt de vrijstelling op de datum dat de beslissing tot weigering aan de instelling betekend werd en worden de door de instelling verrichte handelingen in principe aan de belasting onderworpen (beslissing nr. E.T. 4.773 van 10.10.1973).

3. De instellingen voor gezinshulp

Onder gezinshulp moet worden verstaan zowel de eigenlijke hulp in het huishouden verricht door derden als de hulp aan bejaarden en alle andere diensten verstrekt door diensten voor gezinshulp.

Worden derhalve onder meer bedoeld:

• de eigenlijke gezinshulp in het huishouden verricht door een derde (huishoudelijke hulp)

• de diensten die ‘babysitting’ worden genoemd, betrekking hebbend op het bewaken van kinderen ten huize. De vrijstelling is niet alleen van toepassing op de prestaties van de personen die de bewaking verzekeren, maar ook op de prestaties van de instellingen die het op zich nemen de diensten van die personen aan de ouders te bezorgen (beslissing nr. T. 4.240 van 30.07.1971)

• de diensten verstrekt door herstellingsoorden gespecialiseerd in de opvang van personen na hun verblijf in een ziekenhuis of herstellend van een ziekte, die als dusdanig erkend zijn door de ziekenfondsen (beslissing nr. E.T. 45.685 van 30.06.1988). Deze herstellingsoorden onderscheiden zich van de vakantietehuizen onder meer door de zekerheid van medische begeleiding, de reglementering van de toelatingsvoorwaarden, de beperking van de verblijfsduur en de gehele of gedeeltelijke tussenkomst door de ziekenfondsen

• de dienstprestaties verricht door verenigingen zonder winstoogmerk waarvan de activiteiten bestaan in het bijstaan en begeleiden van bejaarden, alleenstaanden en invaliden, teneinde hen in de mogelijkheid te stellen een zekere zelfstandigheid te bewaren, een normaal sociaal leven te leiden en hen in staat te stellen om zo lang mogelijk thuis te kunnen leven. De diensten verricht door deze begeleid(st)ers die ter beschikking worden gesteld van personen die erom verzoeken, bestaan onder meer in het verrichten van boodschappen, hen te begeleiden of te vervoeren naar de geneesheer of familieleden, het thuisbezorgen van geneesmiddelen, bij bijvoorbeeld tijdelijke immobiliteit, en het verrichten van eenvoudige huishoudelijke taken (vaat, ophangen gordijnen, vervangen lampen ...) (beslissing nr. E.T. 84.569 van 07.10.1996)

• de prestaties van gebarentolken, schrijftolken en orale tolken die dove personen of slechthorenden bijstaan (beslissing nr. E.T. 127.709 van 15.06.2015) (zie Afdeling 15, titel 1, rubriek B)

• de prestaties van sociaal tolken en sociaal vertalers die in Vlaanderen optreden in opdracht van een STVD (Sociaal Tolk- en Vertaaldienst) en in Brussel en Wallonië in het kader van de diensten georganiseerd door SeTIS Bruxelles en SeTIS Wallon (Service de Traduction et d'Interprétariat en milieu Social); deze dienstverrichters helpen anderstaligen bij het stellen van administratieve, juridische en sociale handelingen in hun contacten met scholen, openbare diensten, ziekenhuizen of vergelijkbare instellingen (beslissing nr. E.T. 126.978 van 27.11.2014)

• de diensten die worden vergoed door de afgifte van dienstencheques beoogd door de wet van 20.07.2001 (BS van 11.08.2001) tot bevordering van buurtdiensten en -banen (beslissing nr. E.T. 105.675 van 30.09.2003).

4. De psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding

In de Vlaamse Gemeenschap zijn de krachtens artikel 44, § 2, 2°, tweede lid, zesde streepje, van het Btw-Wetboek bedoelde centra voor leerlingenbegeleiding de instanties voor leerlingenbegeleiding in zowel het basis- als het secundair onderwijs (decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding van 01.12.1998). In de Franse Gemeenschap bieden centres psycho-médico-sociaux dergelijke leerlingenbegeleiding aan (de wet van 01.04.1960 inzake PMS-centra, het koninklijk besluit van 13.08.1962 tot regeling van de PMS-centra, het decreet van 14.07.2006 betreffende de opdrachten, programma’s en activiteitsverslagen van de PMS-centra).

Dergelijke centra helpen leerlingen met leren en studeren, schoolloopbaanbegeleiding, psychische en sociale problemen en preventieve gezondheidszorg. Ouders, kinderen, leraren en directies kunnen er gratis terecht bij een team van artsen, verpleegkundigen, psychologen, pedagogen en maatschappelijk werkers.

In de Duitstalige Gemeenschap werden de psycho-medisch-sociale centra in 2014 gefuseerd met andere ondersteunende diensten tot een centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren, genaamd Kaleido DG (Bijzonder decreet van 20.01.2014 tot oprichting van een centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren, decreet van 31.03.2014 betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren) (circulaire 2018/C/6 (nr. E.T. 130.758), randnummer 15).

5. De instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben

Artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek stelt onder meer vrij de instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben. Als personen die voor deze bijstand in aanmerking komen worden onder meer bedoeld: daklozen, drugsverslaafden, alcoholisten ...

Zijn eveneens van de belasting vrijgesteld de diensten verricht door advocaten die meewerken aan ‘de permanentie geesteszieken’ voor zover zij daartoe door de vrederechter zijn aangesteld (beslissing nr. E.T. 126.564 van 18.07.2014, randnummers 52 en 53) en de diensten van advocaten of, in voorkomend geval, andere personen (bijvoorbeeld gerechtsdeurwaarders) die optreden als:

• schuldbemiddelaar: in zijn arrest nr. 56/2013 heeft het Grondwettelijk Hof bevestigd dat diensten inzake collectieve schuldenregeling zoals beoogd door artikel 1675 van het Gerechtelijk Wetboek diensten zijn ‘die nauw samenhangen met maatschappelijk werk’ en dat, wanneer deze diensten worden verricht door advocaten, ministeriële ambtenaren en gerechtelijke mandatarissen, waaronder gerechtsdeurwaarders, zij worden verricht door ‘een organisatie die door de bevoegde overheid als instelling van sociale aard wordt erkend’. Het Hof heeft aldus bevestigd dat de door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder in het kader van voornoemde collectieve schuldenregeling verrichte diensten aan beide in artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek gestelde voorwaarden voldoen, en bijgevolg van btw zijn vrijgesteld. (Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 56/2013 van 25.04.2013, beslissing nr. E.T. 126.564 van 18.07.2014, randnummer 54 en circulaire 2018/C/30 (nr. E.T. 133.130) van 07.03.2018)

• voorlopig bewindvoerder: met artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek heeft de wetgever bescherming willen bieden aan meerderjarige personen die omwille van hun lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand volledig of gedeeltelijk onbekwaam zijn geworden om hun goederen te beheren. Voornoemd artikel voorziet voor deze personen in een procedure van vertegenwoordiging of bijstand door een voorlopig bewindvoerder voor het beheer van hun vermogen. De door advocaten en gerechtsdeurwaarders als voorlopig bewindvoerder verrichte diensten zijn van de btw vrijgesteld voor zover zij zijn aangesteld door een rechter krachtens artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek (circulaire 2018/C/30 (nr. E.T. 133.130) van 07.03.2018 en beslissing nr. E.T. 126.564 van 18.07.2014, randnummers 33 en 34).

• voogd of voogd ad hoc: voor zover de advocaat een gerechtelijk mandaat bekleedt en wordt aangesteld door een vrederechter (circulaire AAFisc nr. 47/2013 (nr. E.T. 124.411) van 20.11.2013, randnummers 31 tot 35, beslissing nr. E.T. 126.564 van 18.07.2014, randnummer 54).

6. Gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure

De instellingen bedoeld in het koninklijk besluit van 17.12.2003 betreffende de subsidiëring van instellingen die voorzien in een gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure worden vrijgesteld.

Bedoeld worden de instellingen die tot opdracht hebben bij te dragen tot de resocialisatie en reïntegratie in de maatschappij van de delinquent door hem zijn sociaal rechtsgevoel terug te geven, eerder dan hem te isoleren en af te zonderen van zijn familie, zijn werkomgeving en zijn sociaal milieu (beslissing nr. E.T. 94.156 van 25.07.2005).

7. Diensten voor preventie en bescherming op het werk

Worden onder meer beoogd door het tiende streepje van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek, de externe diensten erkend bij het koninklijk besluit van 27.03.1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, genomen ter uitvoering van de wet van 04.08.1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (beslissing nr. E.T. 94.156 van 25.07.2005).

De Gemeenschappelijke Interne Diensten voor Preventie en Bescherming op het Werk (GIDPBW) die via een afzonderlijke entiteit (met of zonder rechtspersoonlijkheid) zijn opgericht, worden eveneens uitdrukkelijk genoemd in de niet-exhaustieve opsomming in artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek. Bij administratieve interpretatie werden deze vroeger ook reeds beoogd. In plaats van een beroep te doen op een bovengenoemde externe dienst, kan een werkgever of een groep van werkgevers, samen met anderen, immers gemachtigd zijn om via een afzonderlijke entiteit een GIDPBW op te richten. Een GIDPBW moet voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 27.10.2009 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, genomen ter uitvoering van artikel 38, § 1, van voornoemde wet van 04.08.1996 (circulaire 2017/C/48 (nr. E.T. 132.180) van 14.07.2017).

Een via een afzonderlijke entiteit opgerichte GIDPBW en een bovengenoemde externe dienst verrichten, in het licht van de wet van 04.08.1996, diensten van dezelfde aard (risicobeheer, medisch toezicht …). Beide spelen een belangrijke rol wat betreft de veiligheid, de gezondheid en het algemeen welzijn van de werknemer (bijvoorbeeld zijn welzijn op het werk met betrekking tot onder meer psychosociale problemen veroorzaakt door het werk).

Het is ook mogelijk dat een belastingplichtige een Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk opricht binnen zijn onderneming. Het spreekt voor zich dat dergelijke interne dienst handelingen verricht die, bij gebrek aan contractuele band, buiten het toepassingsgebied van de btw vallen.

[Top]

Aangehaalde teksten

2