Beslissing Btw nr. E.T. 94.156 dd. 25.07.2005
Vrijstellingen inzake maatschappelijk werk en sociale zekerheid - Artikel 44, § 2, 1° en 2°, van het BTW-Wetboek
Artikel 13, A, lid 1, g, van de zesde BTW-richtlijn stelt van de belasting vrij de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met sociale zekerheid, inclusief die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend. Artikel 13, A, lid 1, h, van die richtlijn verleent vrijstelling voor de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend.
Beide bepalingen werden omgezet in Belgisch recht middels artikel 44, § 2, 1° en 2°, van het BTW-Wetboek. Er werd vastgesteld dat deze omzetting onvolledig (bijvoorbeeld met betrekking tot de instellingen voor gehandicaptenzorg) en onnauwkeurig was. Om die redenen werden beoogde vrijstellingen middels de programmawet van 11 juli 2005 (Belgisch Staatsblad van 12 juli 2005 - 2de uitgave) gehergroepeerd en werd het toepassingsgebied ervan verduidelijkt.
Wat artikel 44, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek (nieuw) betreft, wordt benadrukt dat alle diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren, die worden verricht door publiekrechtelijke instellingen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend, van de belasting zijn vrijgesteld.
Zoals voorheen reeds het geval was, worden met het begrip "instelling" zowel de natuurlijke personen als de rechtspersonen beoogd.
Met organisaties erkend door de bevoegde overheid worden beoogd:
· hetzij de instellingen die een formele erkenning genieten, in de gevallen waarin in een formele erkenning door de bevoegde federale, regionale of gewestelijke overheid wordt voorzien,
· hetzij de instellingen waarvan de diensten en nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen worden verricht in overeenstemming met de voor die instellingen geldende reglementering
Artikel 44, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek vermeldt een aantal instellingen van sociale aard die het voordeel van de vrijstelling genieten. Naast de instellingen die reeds vroeger door de wet of bij administratieve beslissing werden vrijgesteld, worden voortaan uitdrukkelijk bedoeld:
· de instellingen bedoeld in het koninklijk besluit van 17 december 2003 betreffende de subsidiëring van instellingen die voorzien in een gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure (bedoeld worden de instellingen die tot opdracht hebben bij te dragen tot de resocialisatie en reïntegratie in de maatschappij van de delinquent door hem zijn sociaal rechtsgevoel terug te geven, eerder dan hem te isoleren en af te zonderen van zijn familie, zijn werkomgeving en zijn sociaal milieu)
· de externe diensten erkend bij het koninklijk besluit van 27 maart 1998, betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, die niet enkel een belangrijke rol spelen bij de veiligheid en gezondheid van de werknemers (met inbegrip van het medisch aspect dat reeds onderworpen was aan de vrijstelling beoogd door artikel 44, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek) maar ook bij de algemene toestand van welzijn van de werknemers (zoals welzijn op het werk en inzonderheid de psycho-sociale problemen veroorzaakt door het werk)
De gewijzigde bepalingen zijn van toepassing vanaf 22 juli 2005. Ze herroepen bijgevolg, vanaf dezelfde datum, alle andersluidende commentaren en/of beslissingen die met betrekking tot deze materie werden verstrekt.