Beslissing Btw nr. E.T.105.675 dd. 30.09.2003
Dienstencheques
Deze beslissing werd vervangen door de Circulaire 2022/C/66 betreffende het btw-regime van toepassing op dienstencheques van 11.07.2022
1) Wetgeving
Overeenkomstig de wet van 20 juli 2001(Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2001) tot bevordering van buurtdiensten en -banen kunnen ondernemingen, die voorafgaandelijk zijn erkend door de bevoegde overheden van de gewesten en gemeenschappen diensten verrichten die bestaan uit thuishulp van huishoudelijke aard, kinderopvang of hulp aan huis voor bejaarden, zieken of gehandicapten. Die diensten worden vergoed door de afgifte van dienstencheques die de ontvangers van deze diensten hebben verkregen bij een uitgiftebedrijf dat daartoe werd aangewezen door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA).
De wet van 20 juli 2001 voorziet daarenboven dat de RVA aan die erkende ondernemingen een aanvullend bedrag betaalt, afhankelijk van het aantal dienstencheques die door de ontvangers van de diensten aan die ondernemingen werden overhandigd.
Wat de thuishulp van huishoudelijke aard betreft, definieert artikel 1 van het koninklijk besluit van 12december 2001 (Belgisch Staatsblad van 22 december 2001)betreffende de dienstencheques, zoals gewijzigd bij koninklijkbesluit van 9 januari 2004 (Belgisch Staatsblad van 15 januari2004) deze hulp als zijnde " activiteiten ten gunste van particulieren die bestaan uit:
2) Gevolgen inzake BTW
Op het stuk van de BTW geldt het volgende.
De buurtdiensten die aan de voorwaarden van de wet van 20 juli 2001 beantwoorden zijn diensten van gezinshulp als bedoeld in de vrijstelling van artikel 44, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek en dit ongeacht de juridische vorm -handelsvennootschap, VZW,… - die de erkende onderneming-dienstverrichter heeft aangenomen.
Wanneer bijgevolg een erkende onderneming zou worden opgericht onder de vorm van een handelsvennootschap maar zich zou beperken tot het verrichten van deze buurtdiensten, is de identificatie als BTW-belastingplichtige niet vereist.
Anderzijds staat het vast dat wanneer een erkende vennootschap - die zowel buurtdiensten verricht, vrijgesteld door artikel 44, § 2, 1°, van voornoemd Wetboek, als andere handelingen met recht op aftrek - heeft geopteerd voor de toepassing van het algemeen verhoudingsgetal als bedoeld in artikel46, § 1, van genoemd Wetboek, de omzet van de vrijgesteldehandelingen m.b.t. de desbetreffende buurtdiensten moet opgenomen worden in de noemer van dit verhoudingsgetal. Overeenkomstig artikel 26, eerste lid, van het Wetboek wordt deze omzet bepaald door de waarde van de dienstencheques die door de ontvangers van de buurtdiensten aan deze onderneming werden overhandigd, verhoogd met het bedrag van de financiële tussenkomst van de RVA, zoals vermeld in punt 1, tweede lid, hiervoor.