Verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

18 april 2024

Zoeken

Verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositievenVrijstellingen beoogd door artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek - Verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven en van andere dergelijke voorwerpen van culturele aard, en de diensten van bibliotheken en leeszalen

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/vrijstellingen-beoogd-artikel-44-wetboek-3503

Datum
18 april 2024

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

95 paragrafen

Btw-Commentaar. Vrijstellingen beoogd door artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek - Verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven en van ... (15.04.2024)

BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief

Hoofdstuk 9. Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek

Afdeling 13 – Verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven en van andere dergelijke voorwerpen van culturele aard, en de diensten van bibliotheken en leeszalen (artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek)

Bijwerking 15.04.2024 - vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020] [15.06.2021] [01.08.2022] [01.04.2023]

Inhoud: · 6 onderdelen

Inleiding

1. Verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven en van andere dergelijke voorwerpen van culturele aard

2. Diensten van bibliotheken en leeszalen

3. Instelling zonder winstoogmerk

A. Algemene principes

B. Autonome gemeente- en provinciebedrijven

Inleiding

Artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek stelt vrij ‘de verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven en van andere dergelijke voorwerpen van culturele aard, en de diensten aan de lezers verstrekt door bibliotheken en leeszalen, wanneer de dienstverrichter een instelling is die geen winstoogmerk heeft en hij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan alsmede de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze handelingen.’

1. Verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven en van andere dergelijke voorwerpen van culturele aard

De hier bedoelde handelingen zijn die van verhuur als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek.

De vrijstelling van artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek is evenwel slechts van toepassing indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

• de dienstverrichter moet een instelling zijn die geen winstoogmerk heeft

• de uit die werkzaamheid bekomen ontvangsten worden uitsluitend gebruikt tot dekking van de exploitatiekosten.

Onder de hierboven vermelde voorwaarden geldt de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek onder meer in volgende gevallen:

• de verhuur van kunstwerken (schilderijen, tekeningen, foto's…) (beslissing nr. E.T. 29.719 van 08.05.1979)

• de overeenkomst waarbij een houder van partituren en libretto's zich uitsluitend bezighoudt - tegen betaling van een vergoeding - met het verlenen van het genot van die goederen aan een ander persoon (beslissing nr. E.T. 21.601 van 04.12.1975)

• de verhuur van boeken, publicaties, platen en magnetische banden door de culturele centra en culturele tehuizen ongeacht of deze al dan niet erkend zijn door de bevoegde overheden (beslissing nr. E.T. 19.398 van 29.11.1974).

De vrijstelling van artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek is onder meer niet van toepassing:

• wanneer een persoon aan een andere persoon het recht verleent om - tegen betaling van een vergoeding - een toneel- of ander werk in het publiek op te voeren. Deze handeling komt dan neer op een overdracht of een concessie van een intellectueel recht. Dit is ook zo wanneer de overdrager of de concessieverlener aan de concessiehouder materieel ter beschikking stelt dat noodzakelijk is voor de opvoering. Deze overdracht of concessie is niet van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek, noch op grond van artikel 44, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek dat enkel het contract voor uitgaven betreft (beslissing nr. E.T. 21.601 van 04.12.1975).

• op de verhuur van televisietoestellen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 114 van de heer Volksvertegenwoordiger Roland Gillet van 31.03.1971).

2. Diensten van bibliotheken en leeszalen

Onder ‘bibliotheek’ wordt verstaan de inrichting waarvan de voornaamste werkzaamheid erin bestaat boeken en andere documenten ter beschikking van de lezer te stellen, hetzij in de inrichting zelf, hetzij door middel van een werkelijke verhuur. Het spreekt voor zich dat dagbladkiosken, onder meer in stations, geen bibliotheken zijn.

Onder leeszaal wordt verstaan de plaats waar boeken worden verhuurd.

De diensten die door bibliotheken en leeszalen aan de lezers worden verstrekt, zijn vrijgesteld van de belasting wanneer de dienstverrichter een instelling is die geen winstoogmerk heeft (zie titel 3, van deze afdeling) en hij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan.

Op grond van dezelfde bepaling zijn eveneens van de belasting vrijgesteld, de leveringen van goederen door hogergenoemde bibliotheken en leeszalen die nauw samenhangen met de vrijgestelde diensten.

Aldus zijn de verkopen door een bibliotheek of een leeszaal van boeken of periodieke publicaties die aan de lezers werden verhuurd eveneens van de belasting vrijgesteld.

3. Instelling zonder winstoogmerk

A. Algemene principes

Zoals reeds aangegeven in titel 1 en 2, van deze afdeling, zijn de handelingen beoogd in artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek slechts van de belasting vrijgesteld wanneer ze worden verricht door instellingen die geen winstoogmerk nastreven.

Het begrip ‘instelling zonder winstoogmerk’ werd verduidelijkt door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn Arrest Kennemer Golf & Country Club, zaak C-174/00, van 21.03.2002.

Om te beoordelen of een instelling kwalificeert als een instelling zonder winstoogmerk dienen alle activiteiten van die instelling in aanmerking te worden genomen. Het volstaat niet dat de handelingen die in aanmerking komen voor de vrijstelling, zonder winstoogmerk worden verricht, terwijl andere handelingen met een commercieel doel worden gesteld. De instelling in haar geheel beschouwd, heeft geen winstoogmerk indien zij niet tot doel heeft winst te maken met het oog op de verdeling daarvan onder haar leden. Het bestaan van een dergelijk doel, moet worden bepaald aan de hand van het statutaire doel van de instelling en de concrete feitelijke omstandigheden van de zaak.

Als een instelling op basis van voornoemde criteria kwalificeert als een instelling zonder winstoogmerk, is het niet relevant of zij al dan niet systematisch overschotten realiseert of nastreeft. Als een instelling zonder winstoogmerk wordt ook gekwalificeerd de instelling die systematisch streeft naar overschotten, mits deze niet als winst onder de leden worden verdeeld (zie in dit verband ook conclusie advocaat-generaal F.G. JACOBS van 13.12.2001, C-174/00, Kennemer Golf & Country Club).

De voorwaarde dat de betreffende instellingen de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend mogen gebruiken tot dekking van de kosten ervan, houdt in dat zij wel degelijk overschotten mogen realiseren of zelfs nastreven, mits deze overschotten niet als winst onder de leden worden verdeeld en mits de instellingen deze overschotten aanwenden ten behoeve van hun vrijgestelde diensten. Een andersluidende interpretatie zou erop neerkomen deze instellingen te verbieden hun boekjaar met een batig saldo af te sluiten en hen te verhinderen reserves te creëren die zij kunnen aanwenden voor de instandhouding of de verbetering van de door hen verleende vrijgestelde diensten. De administratie heeft zich bij voornoemde principes inzake de draagwijdte van het begrip 'instelling zonder winstoogmerk' aangesloten (beslissing nr. E.T.104.780 van 27.11.2003).

Verder verduidelijkt het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn Arrest Golfclub Schloss Igling eV, zaak C-488/18, van 10.12.2020 dat het begrip ‘instelling zonder winstoogmerk’ in de zin van artikel 132, lid 1, onder m), van richtlijn 2006/112/EG aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling een autonoom begrip van het Unierecht is dat vereist dat een dergelijke instelling, bij ontbinding ervan, de door haar behaalde winst die groter is dan het door haar leden gestorte aandelenkapitaal en de marktwaarde van hun inbreng in natura, niet aan die leden mag uitkeren.

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat en vermits de desbetreffende wettelijke bepalingen uitsluiten dat ze een stoffelijk voordeel aan hun leden of oprichters mogen verschaffen, kunnen de instellingen onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, een internationale vereniging zonder winstoogmerk, een stichting van openbaar nut en een private stichting a priori de vrijstelling genieten beoogd in artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek. Het is vanzelfsprekend dat deze vrijstelling niet kan worden toegepast indien zou blijken dat ondanks alles een stoffelijk voordeel wordt toegekend aan de leden of oprichters.

Daarentegen kan een als sociale onderneming erkende coöperatieve vennootschap in principe niet worden beschouwd als een instelling zonder winstoogmerk omdat ze overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen aan haar aandeelhouders een beperkt vermogensvoordeel mag uitkeren, zelfs indien dit toegekende voordeel niet hoger mag zijn dan de rentevoet vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wet van 20.07.1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming, toegepast op het werkelijk gestorte bedrag van de aandelen.

Een dergelijke vennootschap bevindt zich evenwel in het toepassingsgebied van de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek indien al de overige voorwaarden voldaan zijn en de aandeelhouders, overeenkomstig de statuten, afstand doen van elk vermogensvoordeel en dus van elke verdeling van winst in hun voordeel en dit ook blijkt uit de feiten.

Het feit dat een instelling trouwens werkingstoelagen ontvangt heeft op zich geen invloed op de toepassing van voornoemde vrijstelling.

Het toekennen van werkingstoelagen kan het bewijs vormen dat de instelling of inrichting zelf niet genoeg middelen heeft om haar uitgaven te dekken, met andere woorden dat haar ontvangsten zelf niet voldoende zijn om haar exploitatiekosten te dekken. Hieruit volgt dat het toekennen van werkingstoelagen er op kan wijzen dat winstoogmerk ontbreekt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.320 van de heer Volksvertegenwoordiger Stef Goris van 12.06.2006).

Wanneer een instelling zonder winstoogmerk, waarvan de inkomsten uitsluitend dienen om de exploitatiekosten te dekken, toetreedt tot een btw-eenheid, dienen de voorwaarden van het ontbreken van winstoogmerk te zijn voldaan in hoofde van elk van de leden van de btw-eenheid aangezien deze voor de toepassing van de btw slechts één belastingplichtige vormt (zie circulaire AOIF nr. 42/2007 (nr. E.T. 111.702) van 09.11.2007 en ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 5: De btw-eenheid’)

B. Autonome gemeente- en provinciebedrijven

Gelet op de specifieke context waarin een AGB de activiteiten ontplooit en op het begrip 'winstoogmerk' (zie supra, punt 3.A.) is het noodzakelijk om te bepalen in welke omstandigheden het AGB kan aangemerkt worden als een instelling met winstoogmerk.

In dit verband, blijkt uit een antwoord van de toenmalige Minister bevoegd voor de Modernisering van Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude toegevoegd aan de Minister van Financiën, dat de belastingplicht met recht op aftrek van voorbelasting volgens de normale regels niet kan worden betwist voor autonome gemeentebedrijven die een inrichting beoogd door artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek (mutatis mutandis artikel 44, § 2, 6°, 7° of 9° van het Btw-Wetboek) uitbaten, waarvan uit de statuten blijkt dat zij een winstoogmerk hebben en dat zij zich tot doel stellen winst uit te keren (mondelinge parlementaire vraag nr. 519 van de heer Volksvertegenwoordiger Jan Peeters van 11.12.2007).

De Minister van Financiën heeft later echter nog verduidelijkt dat autonome gemeentebedrijven die activiteiten ontwikkelen waarvan de vrijstelling afhankelijk is van het gebrek aan winstoogmerk, buiten het toepassingsgebied van de betreffende vrijstelling vallen wanneer hun statuten voorzien dat de eventuele winsten zullen worden uitgekeerd aan de oprichtende gemeenten en dit ook daadwerkelijk gebeurt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 842 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Valérie Warzée-Caverenne van 02.04.2014).

De kwalificatie van een autonoom gemeentebedrijf als belastingplichtige met recht op aftrek in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek belet bovendien niet dat de administratie later kan onderzoeken of de statutaire bepalingen niet louter theoretisch zijn en desgevallend kan besluiten dat voornoemde vrijstelling alsnog van toepassing is.

Aangezien het nastreven van een winstoogmerk niet kan worden afgeleid uit de loutere vermelding

ervan in de statuten, moet nog worden bepaald op welke wijze het daadwerkelijke bestaan van een

dergelijk oogmerk (en dus van een uitkeerbare winst) in hoofde van het AGB kan worden vastgesteld.

De vrijstelling zal van toepassing zijn wanneer systematisch tekorten voorkomen in hoofde van het autonoom gemeentebedrijf omdat de aan de bezoekers van de inrichting aangerekende prijzen niet volstaan tot dekking van de exploitatiekosten van het autonoom gemeentebedrijf en het bijgevolg de facto onmogelijk is om winsten uit te keren. Hiervoor dient het operationeel resultaat van de globale activiteit (en dus niet activiteit per activiteit) van het autonoom gemeentebedrijf in aanmerking te worden genomen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 481 van de heer Volksvertegenwoordiger Benoît Dispa van 16.07.2015).

Om te bepalen of er sprake is van uitkeerbare winst, is het dus niet voldoende om louter het boek voor inkomende facturen en het boek voor uitgaande facturen/dagboek voor ontvangsten te vergelijken.

In plaats daarvan moet het bedrijfsresultaat (met inbegrip van afschrijvingen, aanleggen van

voorzieningen…) in aanmerking worden genomen, met uitsluiting van uitzonderlijke uitgaven en

uitzonderlijke inkomsten, omdat de winst/verlies-positie structureel moet zijn en onafhankelijk moet staan van toevallige gebeurtenissen langs inkomsten- of uitgavenzijde. Zo zijn bijvoorbeeld inkomsten uit onroerende en financiële transacties uitzonderlijke inkomsten.

Bijgevolg moet de winst/verlies-positie van het AGB structureel zijn en los staan van uitzonderlijke omstandigheden in termen van inkomsten en uitgaven.

De uitzonderlijke economische omstandigheden ingevolge de maatregelen die zijn genomen ter bestrijding van COVID-19 (Coronavirus) dienen te worden aangemerkt als een dergelijke toevallige gebeurtenis (zie circulaire 2021/C/57 van 11.06.2021 betreffende de beoordeling van de al dan niet aanwezigheid van een winstoogmerk in hoofde van een autonoom gemeentebedrijf (nr. E.T. 137.859/5).

Dientengevolge heeft de minister beslist dat door de administratie, bij haar onderzoek of betreffende statutaire bepalingen niet louter theoretisch zijn in de zin van hetgeen voorafgaat, geen rekening zal worden gehouden met het operationeel resultaat met betrekking tot het boekjaar dat de periode 01.03.2020 tot en met 31.12.2020 omvat. Het voorgaande geldt mutatis mutandis wanneer betreffende periode van 01.03.2020 tot en met 31.12.2020 betrekking heeft op twee verschillende boekjaren. Bijgevolg zal de administratie, wanneer een boekjaar deze periode geheel of gedeeltelijk omvat, geen rekening houden met het gehele boekjaar.

Voor wat het kalenderjaar 2021 betreft, heeft de minister overigens beslist dat met de handelingen verricht tot en met 30.09.2021 evenmin rekening zal worden gehouden door de administratie. Met de handelingen verricht vanaf 01.10.2021 zal daarentegen door de administratie wel rekening worden gehouden. Bijgevolg, en in de mate dat een boekjaar betrekking heeft op een periode die doorloopt na 30.09.2021, zal door de administratie geen rekening worden gehouden met het operationeel resultaat met betrekking tot de periode tot en met 30.09.2021.

Zodoende zal, wanneer het boekjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december, bij de beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van een winstoogmerk in hoofde van het betrokken autonoom gemeentebedrijf, geen rekening worden gehouden met het boekjaar 2020 (01.01.2020 – 31.12.2020) en met de periode die loopt tot en met 30.09.2021 (01.01.2021-30.09.2021).

Wanneer het boekjaar, bijvoorbeeld, loopt van 1 juni tot en met 31 mei, zal er, evenzo, geen rekening worden gehouden met de boekjaren 2019-2020 (01.06.2019 – 31.05.2020), 2020-2021 (01.06.2020 – 31.05.2021) evenals met de periode die loopt tot en met 30.09.2021 (01.06.2021-30.09.2021).

Daarnaast moeten, zoals hieronder wordt besproken, de door een gemeentelijke overheid aan het AGB uitgekeerde werkingstoelagen, hoewel zij bedrijfsinkomsten vormen, eveneens buiten beschouwing worden gelaten en niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het bestaan van een winst. Werkingstoelagen en investeringssubsidies die door een andere entiteit dan een gemeentelijke overheid aan het autonoom gemeentebedrijf worden ter beschikking gesteld, worden daarentegen wel aangemerkt als ontvangsten uit een bepaalde activiteit en mogen bijgevolg meegerekend worden bij de beoordeling van het winstoogmerk (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.955 van de heer volksvertegenwoordiger Luk Van Biesen van 06.12.2017),

Voorts wordt de waarde van het gratis ter beschikking stellen van personeel door de gemeente van het AGB, niet in aanmerking genomen. Het fictief bijrekenen van personeelskosten die er niet zijn, zou vereisen dat ook voor andere kosten en investeringen moet worden nagegaan of ze tegen de 'juiste' waarde in de resultatenrekening zijn opgenomen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.745 van mevrouw de volksvertegenwoordiger Leen Dierick van 12.07.2017).

Voorbeeld

Een AGB dat een bibliotheek exploiteert, kan onder meer het volgende ontvangen:

1. De bijdrage in de prijs van de dienst die door de begunstigde van de dienst wordt betaald.

In het geval van de exploitatie van een bibliotheek is dit bijvoorbeeld de prijs die de

gebruiker moet betalen om van de diensten van de bibliotheek (verhuur boeken, CD’s…) te mogen gebruik maken (lidkaart).

De prijs die aan de begunstigde (bijvoorbeeld de gebruiker van de bibliotheek) wordt aangerekend, ligt doorgaans lager dan de kostprijs, zodat de infrastructuur voor iedereen toegankelijk is. Het saldo wordt gesubsidieerd (zie hieronder).

2. De subsidies die door de gemeente worden toegekend en rechtstreeks verband houden met de prijs (hierna: 'prijssubsidies').

Er is slechts sprake van een rechtstreeks verband met de prijs indien de subsidie specifiek aan het gesubsidieerde orgaan wordt betaald om een welbepaald goed te leveren of een welbepaalde dienst te verrichten. Dit verband tussen de subsidie en de prijs moet duidelijk blijken uit een onderzoek van de concrete omstandigheden die aan de basis van de betaling van de tegenprestatie liggen. Daarentegen is het niet nodig dat de prijs van het goed of de dienst, of een deel ervan, bepaald zou zijn. Het volstaat dat hij bepaalbaar is (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Office des produits wallons, zaak C-184/00, van 22.11.2001, punten 11-13).

3. De werkingstoelagen die door de gemeente worden toegekend ter dekking van de exploitatiekosten van het AGB, zonder dat er een verband is met investeringen in vaste activa.

4. De kapitaalsubsidies, dat wil zeggen subsidies die door de overheid worden verleend ter financiering van de verwerving of het tot stand brengen van vaste activa.

De door de gemeente aan het AGB toegekende prijssubsidies, alsook de door de begunstigden van de door het AGB geleverde diensten betaalde prijzen, maken integrerend deel uit van de omzet van het AGB en worden in aanmerking genomen om te bepalen of de statutaire bepalingen inzake winstoogmerk en het doel winsten uit te keren al dan niet theoretisch zijn.

De door de gemeente aan het AGB toegekende prijssubsidies moeten in de maatstaf van heffing van de btw van een welbepaalde activiteit worden opgenomen (aangezien zij rechtstreeks verband houden met de prijs, worden zij aangemerkt als een tegenprestatie voor het leveren van goederen of het verrichten van diensten). In die zin bepaalt artikel 26, § 1, van het Btw-Wetboek: 'Voor de leveringen van goederen en de diensten wordt de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verricht, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden. […]'. Het belastingtarief bedraagt 6 % overeenkomstig Koninklijk Besluit nr. 20 (tabel A, XXVIII).

Wat betreft de werkingstoelagen wordt bevestigd dat het feit dat een instelling werkingstoelagen ontvangt, als zodanig geen gevolgen heeft voor de toepassing van de in artikel 44 van het Btw-Wetboek bedoelde vrijstellingen. Wanneer er bijvoorbeeld subsidies worden toegekend aan een sportinrichting, ongeacht of het gaat om een instelling zonder winstoogmerk, een autonoom gemeentebedrijf of een intercommunale, en ingevolge het toekennen van deze subsidies de ontvangsten hoger zijn dan de kosten, betekent dit niet dat hij moet worden beschouwd als een instelling zonder winstoogmerk, die is uitgesloten van de vrijstelling van artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek (mutatis mutandis artikel 44, § 2, 4°, a), 6°, 7° of 9°, van het Btw-Wetboek). Daarenboven kan het toekennen van subsidies het bewijs vormen dat die instelling of die inrichting zelf niet genoeg middelen heeft om haar uitgaven te dekken, met andere woorden dat haar ontvangsten zelf niet voldoende zijn om haar exploitatiekosten te dekken. De toekenning van werkingstoelagen kan aldus wijzen op het ontbreken van een winstoogmerk (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.320 van de heer Volksvertegenwoordiger Stef Goris van 12.06.2006).

De werkingstoelagen die door de gemeente aan het AGB worden ter beschikking gesteld, die boekhoudkundige bedrijfsopbrengsten vormen, maken gelet op de nauwe band tussen het AGB en de gemeente, geen deel uit van de ontvangsten uit een bepaalde activiteit van het AGB die in aanmerking worden genomen om te bepalen of de statutaire bepalingen inzake winstoogmerk en het doel winsten uit te keren al dan niet theoretisch zijn.

Hetzelfde geldt voor kapitaalsubsidies.

Ondanks de hierboven gegeven definities van de verschillende subsidies zijn er in de praktijk problemen ontstaan bij het onderbrengen van subsidies in de categorie werkingstoelagen of in de categorie prijssubsidies wegens het ontbreken van nauwkeurig omschreven criteria om de grens tussen beide categorieën te trekken. Het is dus nodig om deze criteria vast te stellen.

Prijssubsidie of werkingstoelage: afbakening van de grens

Zoals uit het voorgaande blijkt, hangt de toepassing van de in artikel 44, § 2, 3°, 4°, a), 6°, 7° of 9°, van het Btw-Wetboek bedoelde vrijstelling op de door het AGB verrichte bedrijfsactiviteiten, en bijgevolg het recht van het AGB op aftrek van de betaalde voorbelasting, met name af van de vraag of het AGB een winstoogmerk heeft.

Aangezien de vaststelling van de inkomsten noodzakelijk is om te bepalen of het AGB al dan niet een winstoogmerk heeft, en aangezien prijssubsidies inkomsten vormen en werkingstoelagen en kapitaalsubsidies niet, is het van essentieel belang dat de grens tussen eerstgenoemde en laatstgenoemde subsidies ondubbelzinnig wordt afgebakend.

De administratie gaat er in ieder geval van uit dat subsidies die door een gemeente aan het AGB worden betaald, kunnen worden beschouwd als prijssubsidies, rekening houdend met de specifieke context, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1. Vóór de aanvang van de activiteiten of vóór het begin van een nieuw boekjaar bepaalt het AGB de prijs van elk van de diensten die het zal verrichten (in voorkomend geval wordt voor elk van deze diensten een andere prijs vastgesteld naar gelang van de aard van de afnemer van deze diensten (al dan niet inwoner van de gemeente, lid van een club, school…)).

2. Op dezelfde manier, zal de gemeente vóór de aanvang van de activiteiten van het AGB of vóór het begin van een nieuw boekjaar van het AGB het bedrag van de prijssubsidie bepalen die zij voornemens is toe te wijzen aan elke door het AGB verleende dienst (in voorkomend geval met onderscheid naar gelang de aard van de ontvanger van de diensten); het is dus vereist dat het bedrag van de prijssubsidies bepaald is voordat het AGB enige dienst verricht.

3. De overeenkomstig punt 2 geïndividualiseerde bedragen van de prijssubsidies kunnen slechts tweemaal per jaar worden herzien (er wordt nogmaals op gewezen dat de prijssubsidies uitsluitend voor toekomstige diensten worden aangepast); de bewijslast voor de datum van inwerkingtreding van deze nieuwe bedragen en voor het feit dat zij niet met terugwerkende kracht worden gehanteerd, ligt bij het AGB.

4. De overeenkomstig punten 2. en 3. geïndividualiseerde bedragen van de prijssubsidies worden berekend op basis van het werkelijke aantal door het AGB verrichte diensten en niet op basis van een geraamd aantal aan het begin van de activiteit of aan het begin van het boekjaar.

5. De btw op de prijssubsidies wordt opeisbaar volgens de regels die van toepassing zijn op de inkomsten waarmee zij verband houden; deze regels verschillen naar gelang de hoedanigheid van de ontvanger van deze diensten (belastingplichtige, al dan niet vrijgesteld (artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Btw-Wetboek), particulier (artikel 22bis, § 3, van het Btw-Wetboek) of publiekrechtelijk lichaam bedoel in artikel 6 van het Btw-Wetboek (artikel 22bis, § 4, van het Btw-Wetboek)); de over deze subsidies verschuldigde belasting dient opgenomen te worden in de btw-aangifte van het tijdvak waarin de btw opeisbaar is geworden.

Hetgeen voorafgaat geldt mutatis mutandis voor autonome provinciebedrijven.

Deze problematiek wordt uitvoerig besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 6, titel 3’ en in circulaire 2022/C/100 van 13.10.2022 betreffende de btw-regeling die van toepassing is op autonome gemeentebedrijven (nr. E.T. 129.288/2).

[Top]

Aangehaalde teksten

11