Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 09.11.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
INZAKE A.R.nr. 04/1040/A
P. A., met ondernemingsnummer …, wonende te …, ….
Eiser, vertegenwoordigd door Mr. C. G., advocaat te …, ….
tegen :
ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de heer e.a. inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
Verweerder, vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. R., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 13.05.2004;
- de conclusie, aanvullende conclusie en stukken van verweerder;
- de conclusies en stukken van eiser.
Feiten en voorgaanden :
De heer P. A. is ingevolge de door hem uitgeoefende beroepsactiviteit van handel in bouwmaterialen, hout voor de bouwnijverheid, vloeibare brandstoffen, drogisterijartikelen, verven en onderhoudsproducten geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Op 23.08.2001 hebben de heren B. F. en J. J.-P., ambtenaren bij het fiscaal bestuur, ter beschikking gesteld bij de Administratie van de Ondernemings- en lnkomstenfiscaliteit, en verbonden aan de Inspectie Plaatselijke Opsporingen van Hasselt, sectie Tongeren-Genk, bij eiser onder meer een BTW-controle doorgevoerd over de periode van 01.01.2000 tot en met 31.12.2000.
Bij nazicht van de voorgelegde boeken en stukken en van de verstrekte inlichtingen stelden de controleambtenaren onder meer het volgende vast :
- de totale omzet voor het jaar 2000 bedroeg … BEF (… euro) waarvan … BEF (… euro) werd gefactureerd;
- van de uitgaande facturen blijkt ongeveer 50 % te zijn gefactureerd aan particulieren, zodat ongeveer 66 % van de totale omzet als verkopen aan particulieren kan worden weerhouden;
- dat uit het antwoord van de heer Minister van Financiën op de parlementaire vraag hem gesteld door de heer Senator V. blijkt dat de kleinhandelaar die voor een niet te verwaarlozen gedeelte van zijn activiteiten handels als groothandelaar voor het geheel van zijn activiteiten als dusdanig moet beschouwd worden en in principe dus steeds een factuur dient uit te reiken, zelfs wanneer de koper een natuurlijke persoon is die handelt voor privé-doeleinden.
De controleverrichtingen en hun resultaten weren opgenomen in een proces-verbaal van 31.08.2001 waarbij werd vastgesteld dat eiser de hiernavolgende bedragen verschuldigd is ingevolge het niet uitreiken van een reglementaire factuur voor alle geleverde goederen in tegenstelling met de bepalingen van art. 1, § 1 en art. 1, § 2, 8e lid van het KB nr. 1 van 29.12.1992;
- … BEF (… euro) aart BTW;
- een geldboete, berekend aan 200 %, op grond van art. 70, § 2 van het BTW-Wetboek wegens het niet uitreiken van facturen.
(zie stuk 1, bundel verweerder).
Bij brief van 17.12.2001 van de e.a. inspecteur a.i. van de controledienst van de BTW te Tongeren werd eiser in kennis gesteld van het proces-verbaal van 31.08.2001 en werd er hem meegedeeld dat er op basis van art. 70, § 2 W.BTW een geldboete werd opgelegd gelijk aan het dubbel van de verschuldigde belasting t.b.v. … BEF of … euro. Bij de omzetting in euro gebeurde er een rekenfout (zie stuk 2, bundel verweerder).
Bij brief van 21.12.2001 diende de fiscale raadgever van eiser bezwaar in tegen het hoger vermelde proces-verbaal (zie stuk 4, bundel verweerder). De fiscale raadgever stelde enerzijds dat de berekeningen uitgevoerd door de controleambtenaren niet juist waren en anderzijds werd er betwist dat eiser een groothandelaar zou zijn.
Naar aanleiding van dit bezwaar werd er bij eiser een bijkomende controle uitgevoerd op 22.01.2002 door de controleambtenaren de heren B. F. en J. J.-P.. Bij verder nazicht van de voorgelegde boeken en stukken en van de verstrekte inlichtingen stelden de controleambtenaren onder meer het volgende vast :
- de totale omzet voor het jaar 2000 bedroeg … BEF (… euro);
- van de uitgaande facturen van het jaar 2000 blijkt respectievelijk … BEF (… euro) te zijn gefactureerd aan "BTW-ontvangstenboek" of "dhr. Particulier verk/levering";
- dat er geen afzonderlijke bedrijfsafdelingen in de zin van art. 11 W.BTW zijn : alle kopers, particulieren zowel als geregistreerde belastingplichtigen, maken van dezelfde faciliteiten gebruik om zich te bevoorraden of om hun bestelling te plaatsen. De heer P. baat binnen zijn onderneming, vanuit technisch oogpunt onafhankelijk van elkaar functionerende "groothandel" of "kleinhandel" uit;
- dat uit het antwoord van de heer Minister van Financiën op de parlementaire vraag hem gesteld door de heer Senator V. blijkt dat de kleinhandelaar die voor een niet te verwaarlozen gedeelte van zijn activiteiten handels als groothandelaar voor het geheel van zijn activiteiten als dusdanig moet beschouwd worden en in principe dus steeds een factuur dient uit te reiken, zelfs wanneer de koper een natuurlijke persoon is die handelt voor privé-doeleinden.
Verder werd in het proces-verbaal vastgesteld dat eiser de hiernavolgende bedragen verschuldigd is ingevolge het niet uitreiken van een reglementaire factuur voor alle geleverde goederen in teenstelling met de bepalingen van art. 1, § 1 en art. 1, § 2, 8e lid van het KB nr. 1 van 29.12.1992 :
- … BEF (… euro) aan BTW;
- een geldboete, berekend aan 200 %, op grond van art. 70, § 2 van het BTW-Wetboek wegens het niet uitreiken van facturen.
(zie stuk 4, bundel verweerder).
Bij brief van 10.03.2004 werd de fiscale raadgever van eiser ervan in kennis gesteld dat aangezien de activiteit van eiser zowel groot- als kleinhandel in bouwmaterialen is, voor iedere uitgaande handeling een verkoopfactuur dient uitgereikt te worden en niet enkel voor de leveringen aan klanten die BTW belastingplichtige zijn. Tevens werd overeenkomstig het K.B. nr. 41, tabel C, I, 1) de opgelegde geldboete verminderd tot 60 % van de op de handelingen verschuldigde belasting en bedroeg ze nog … euro. Bij beslissing van de gewestelijke directeur van de BTW-directie Hasselt van 04.03.2004 werd de boete verminderd tot … euro (zie stuk 5, bundel verweerder).
Op 14.04.2004 betaalde eiser de hem opgelegde boete van … euro.
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 13.05.2004, stelde eiser fiscaal beroep in en vorderde de terugbetaling van de opgelegde en reeds betaalde BTW-boete ten bedrage van … euro, verhoogd met de verwijlintresten vanaf 14.04.2004 en de gerechtelijke intresten.
Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
Beoordeling :
Eiser streeft de kwijtschelding van de opgelegde geldboete na. Bij verzoekschrift en beroepsbesluiten houdt men vooreerst staande dat men niet diende te factureren bij verkoop aan particulieren, zodat dit aspect eerst dient onderzocht te worden.
1. Met betrekking tot de grond van de zaak :
1.1. Het proces-verbaal van 15.03.2002 :
De materiële vaststellingen die zijn geschied door de heren B. F. en J. J.-P., ambtenaren bij het fiscaal bestuur, ter beschikking gesteld bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, en verbonden aan de Inspectie Plaatselijke Opsporingen van Hasselt, sectie Tongeren-Genk" hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 15.03.2002 de in artikel 59, § 1 in fine van het BTW-Wetboek bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Door eiser worden de materiële vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 15.03.2002 niet betwist, zodat de juistheid en de waarachtigheid ervan dienen aanvaard te worden.
Uit de materiële vaststellingen blijkt dat er voor een bedrag van … BEF (… euro) werd gefactureerd aan een door eiser benoemde ''verzamelfactuur” : "BTW-ONTVANGSTENBOEK" of "DHR. PARTICULIER VERK/LEVERING".
Het staat derhalve vast dat eiser voor een bedrag van … BEF (… euro) heeft geleverd aan particulieren zonder het uitreiken van een factuur.
1.2. Facturatieplicht :
Overeenkomstig art. 53 W.BTW en art. 1 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 zijn in principe belastingplichtige, met uitzondering van degenen die geen recht op aftrek hebben, gehouden een factuur of een als zodanig geldend stuk, uit te reiken voor de door hen verrichte leveringen van goederen en de door hen verstrekte diensten.
Art. 1, § 2 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 ontheft de belastingplichtige van de verplichting om een factuur uit te reiken wanneer hij goederen of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik.
Art. 1, § 2, 8° van het KB nr. 1 van 29.12.1992 voorziet evenwel dat deze ontheffing niet van toepassing is op de leveringen door voortbrengers- of grossiersbedrijven.
Volgens eiser is de uitzondering voorzien in art. 1, § 2, 8° van voornoemd KB niet op hem van toepassing. Eiser houdt voor dat wat betreft de kasontvangsten hij niet onder de verplichting valt om facturen uit te reiken aan particulieren bij gebreke aan een duidelijke regelgeving. De term grossierbedrijf wordt immers niet omschreven in de wet Eiser houdt voor dat bij onduidelijkheid het beginsel "in dubio contra fiscum geldt.
De rechtbank volgt deze redenering van eiser niet. Het is niet omdat een term niet uitdrukkelijk omschreven is in een wettekst, dat hij onduidelijk zou zijn.
Slechts wanneer er onduidelijkheid blijft bestaan na tekstuele interpretatie mag de twijfel worden opgelost in het voordeel van de belastingplichtige.
Bij tekstuele interpretatie van niet typisch fiscale of juridische terminologie dient te worden teruggegrepen naar gezaghebbende woordenboeken (zie Brussel,18 december 1992, Fiscale Koerier, 93/365).
Een grossier wordt omschreven in het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse taal als een "groothandelaar, koopman die zijn waren alleen bij grote hoeveelheden verkoopt". Groothandel wordt omschreven als "1. Handel waarbij van de producent betrokken waar aan detaillisten doorverkocht wordt, 2. koop en verkoop bij grote partijen of aantallen".
De rechtbank is van oordeel dat rekening houdend met de materiële vaststellingen, eiser wel degelijk een grossierbedrijf uitbaatte in de periode waarop de BTW-controle betrekking had (01.01.2000 t.e.m. 31.12.2000). Uit de cijfergegevens opgenomen in het proces-verbaal van 15.03.2002 en die niet betwist worden, blijkt dat een groot gedeelte van de facturatie aan handelaars gebeurde.
Enkel de situatie waarbij de kleinhandel en groothandel afzonderlijk worden uitgebaat zou hierbij een rol kunnen spelen, doch er wordt niet betwist dat er geen afzonderlijke uitbating van de groot- en kleinhandel is en beide activiteiten in feite één geheel vormen.
De door de administratie toegelaten afwijking op de facturatieplicht kan dan ook geen toepassing vinden.
1.3. Europese wetgeving :
Art. 22.3 van de Zesde Richtlijn voorziet slechts in de plicht tot het opstellen en uitreiken van een factuur ten aanzien van BTW-plichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen. Omgekeerd heeft dat tot gevolg dat aan particulieren geen factuur moet worden uitgereikt.
In art. 1, § 2, 1° lid van het KB nr. 1 van 29.12.1992 heeft de Belgische wetgever dat principe overgenomen door een ontheffing van facturatieplicht jegens particulieren (natuurlijke personen die de leveringen of diensten bestemmen voor hun privé-gebruik) in te voeren. Evenwel werden in artikel 1, § 2, 2° lid van voornoemd KB enkele uitzonderingen voorzien o.m. voor leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven.
Deze wetsbepalingen houden een uitbreiding van de facturatieverplichting zoals expliciet door de Zesde Richtlijn is voorzien.
Eiser is van oordeel dat dit een schending van de Europese wetgeving inhoudt.
De rechtbank is van oordeel dat het uitbreiden van de facturatieplicht geen schending inhoudt van art. 22.3 van de Zesde Richtlijn.
Overeenkomstig art. 22.8 van de Zesde Richtlijn kunnen lidstaten, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtige verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborg van de juiste heffing van de belastingen en ter voorkoming van fraude mits deze verplichting in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geeft tot formaliteiten in verband met het overschrijden van een grens.
Het uitbreiden van de facturatieverplichting dient beschouwd te worden als het opleggen van "andere verplichtingen" zoals voorzien in art. 22.8 van de Zesde Richtlijn. Het is slechts de uitbreiding van een groep afnemers aan wie moet gefactureerd worden die een "andere verplichting" is dan in de Zesde Richtlijn uitdrukkelijk voorgeschreven.
Er kan dan ook geen schending van art. 22-3 van de Zesde Richtlijn worden aangenomen.
1.4. Schending art. 10 en 11 van de Grondwet en proportionaliteit tussen de fiscale controlemaatregel en het nagestreefde doel
Eiser houdt tevens voor dat deze facturatieverplichting art. 10 en 11 van de Grondwet schendt gezien het onderscheid tussen ondernemingen die enkel aan particulieren leveren en ondernemingen die zowel aan particulieren en zelfstandigen leveren geen pertinent criterium is om vast te stellen dat de enen geen facturen aan niet BTW-plichtigen moeten uitreiken en de anderen wel.
Het door de BTW-wetgeving en administratie inzake facturatieplicht gemaakt onderscheid tussen groothandelaars, die al dan niet tevens een kleinhandelsactiviteit uitoefenen, en kleinhandelaars schendt het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet, nu dit onderscheid berust op reële verschillen, een legitiem doel heeft en evenredig is met het beoogde doel, met name de BTW-controle - waarbij de factuur een centrale rol speelt - mogelijk te maken van de levering door groothandelaars aan BTW-belastingplichtigen, nu deze groothandelaars in tegenstelling tot kleinhandelaars in de regel goederen leveren aan BTW-belastingplichtigen.
De uitzondering voorzien in KB nr. 1 van 29.12.1992 kaderen in de doelstelling van de wetgever een uniforme en consequente belastingwetgeving uit te bouwen en te verhinderen dat er een zwart circuit zou ontstaan doordat handelaars zich bevoorraden bij grossiers en voortbrengen onder het mom van particulier te zijn.
Het kan dan ook bezwaarlijk betwist worden dat het invoeren van een facturatieplicht jegens particulieren in hoofde van groothandelaars een probaat middel is om BTW-fraude te voorkomen.
Verder is de verplichting om te facturen aan particulieren op zich geen zware, omslachtige formaliteit waardoor de administratie van de groothandelaar danig zou verzwaard worden.
De facturatieplicht is dan ook geenszins disproportioneel met het beoogde doel.
1.5. Overmacht :
Eiser beroept zich in ondergeschikte orde op overmacht stellende dat het voor hem als kleine zelfstandige praktisch onmogelijk is om voor iedere koper, zeker wat betreft kasontvangsten, een factuur op te stellen.
De rechtbank stelt vast dat men in het belastingrecht geen beroep kan doen op billijkheidsredenen of overmacht om aan de belasting te kunnen ontkomen uitgezonderd wanneer de wetgever zelf in een vrijstelling om billijkheidsredenen voorziet (zie tevens Cass., 10 april 2000, R.W., 2001 - 2002, 138).
Nu de wetgever niet in een uitzondering heeft voorzien, kan er van overmacht geen sprake zijn.
2. Met betrekking tot de opgelegde geldboete :
In het proces-verbaal van 15.03.2002 werd een boete opgelegd van 200 % op grond van art. 70, § 2 W.BTW dat bepaalt dat wanneer de factuur op het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53octies en 54, of door ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat (…) wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan … euro.
Overeenkomstig het K.B. nr. 41, tabel C, I, 1) werd de opgelegde geldboete verminderd tot 60 % van de op de handelingen verschuldigde belasting, zodoende bedroeg ze nog … euro.
Bij beslissing van de gewestelijke directeur van de BTW-directie Hasselt van 04.03.2004 werd de boete in toepassing van art. 9 van het Regentsbesluit van 18.03.1821 verminderd tot … euro.
Eiser heeft nagelaten bepaalde facturen uit te reiken overeenkomstig art. 1 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 zodat een boete opgelegd kon worden zoals voorzien in art. 70, § 2 W.BTW. Het bewijs van de inbreuk op zich volstaat, zonder dat verweerder nog bijkomende bewijzen moet leveren.
Daar eiser grossier is die aan alle klanten diende te facturen (zie motivering hierboven), kan hij geen beroep doen op art. 70, §.2 al 2 W.BTW waarin bepaald is dat de boete niet wordt opgelegd in de gevallen waarin een BTW-plichtige nalatig is geweest in het uitreiken van een regelmatig stuk "wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt (...) vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de mede contractant".
De niet uitreiking van de facturen gebeurde voor een aanzienlijk gedeelte van het zakencijfer en is dus geen toeval; bovendien diende geen onderscheid gemaakt te worden tussen niet belastingplichtigen en belastingplichtigen zodat eiser zich over de hoedanigheid van de kopers geen vragen hoefde te stellen en zich dus ook niet kon vergissen.
De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde boete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, T.F.R., 2004, nr. 264, 636;
Arbitragehof, 24 februari 1999, R.W., 1998-99, 1346; Arbitragehof 12 juni 2002).
Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter de rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding d.w.z. de boete aan te passen aan de concrete omstandigheden van de zaak. De belastingplichtige moet de opgelegde sanctie kunnen laten controleren door een rechterlijke instantie. De rechter mag weliswaar geen loutere redenen van opportuniteit of billijkheid laten gelden om de belastingplichtige te bevrijden van wettelijk opgelegde verplichtingen (zie Cass., 502.1999, T.F.R., 1999, nr. 99/44, tweede middel).
Eén en ander impliceert dat de uiteindelijk verschuldigde boete in/verhouding moet staan met de concrete gegevens van de zaak.
De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, zoals deze blijken uit het proces-verbaal van 15.03.2002, het opleggen van een geldboete van … euro verantwoord is en bij de feiten aansluit.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de opgelegde boete gerechtvaardigd is.
De vordering van eiser is derhalve ongegrond.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN :
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk, doch ongegrond,
Veroordeelt eiser tot de kosten, begroot in hoofde van verweerder op € … rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 09.11.2005 alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en,
De heer Ph. N., griffier.
Ph. N. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.