Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 31 januari 2005

Zoeken

Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-antwerpen-2005-01-31-81f3

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
31 januari 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

93 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 31.01.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op één en dertig januari tweeduizend en vijf in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR Nr. 02/205/A

M. C. D. NV met BTW-nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester B. V. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van inkomens- en ondernemingsfiscaliteit, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor 3 te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

En in zake : AR Nr. 02/4908/A

M. C. D. NV, met BTW-nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester B. V. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

A. Ministerie van Financiën, Administratie van inkomens- en ondernemingsfiscaliteit, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur der directe belastingen en de eerstaanwezend inspecteur bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, beiden ter beschikking gesteld van de administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Boom, met burelen gevestigd te 2850 Boom, J. Van Cleemputplein 7 (volgens inleidende dagvaarding),

B. administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur, rekenplichtige van het 3° BTW-ontvangkantoor te Antwerpen waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4, op vervolging en benaarstiging van de directeur van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van dezelfde dienst.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

In zake : AR Nr. 02/205/A

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder H. L. te … op 9 januari 2002,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 2 juni 2004,

- de besluiten van partijen.

En in zake : AR Nr. 02/4908/A

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder H. L. te … op 7 augustus 2002,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 2 juni 2004,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 13 december 2004.


Belangrijkste gegevens en voorgaande

De ontvanger van het derde kantoor te Antwerpen heeft op 14 december 2001 ten laste van huidig eiseres een dwangbevel met aangehecht proces-verbaal van de AOIF controle Boom van 12 december 2001 (over 1998) uitgevaardigd.

Het dwangbevel is op 19 december 2001 uitvoerbaar verklaard en met aangetekende brief van 19 december 2001 is er kennis van gegeven aan huidig eiseres, die met exploot van 9 januari 2002 heeft laten dagvaarden in betwisting van de fiscale vordering.

Deze zaak loopt onder AR 02/205/A.

Controle Boom van de AOIF heeft op 27 mei 2002 een proces-verbaal ten name van eiseres (over 1999) opgesteld, en op 3 juni opvolgend heeft de ontvanger van het derde kantoor te Antwerpen aan eiseres daarover een betalingsverzoek verzonden, waarop eiseres op 17 juni 2002 inkomend het gevorderde heeft betaald.

Met exploot van 7 augustus 2002 heeft eiseres laten dagvaarden in betwisting van de fiscale vordering. Pas in conclusie van 13 mei 2004 heeft eiseres het voorwerp van haar vordering van daaruit bepaald als vordering tot teruggaaf.

Deze zaak loopt onder AR 02/4908/A.

Gelet op de samenhang, zoals verderop blijkt, tussen beide zaken, past het ze samen in een en hetzelfde vonnis te beoordelen.

Onderzoek en beoordeling

In AR 02/4908/A werpt verweerder ontoelaatbaarheid op omdat eiseres heeft gedagvaard in betwisting van een door haar, bovendien zonder het minste voorbehoud, reeds voldane fiscale vordering.

Verweerder verwijst daartoe woordelijk naar de aanhef van artikel 85, § 1 Wetboek BTW, dat evenwel betrekking heeft op het uitvaardigen van een dwangbevel bij gebreke aan voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, wat te dezen niet rechtstreeks aan de orde is.

Verweerder sluit daarop aan dat eiseres 'niet het recht heeft (...) te dagvaarden zonder vooraf een dwangbevel te hebben verkregen', verwijst daarbij naar afwezigheid van belang tot het nà (voorbehoudsloze) betaling alsnog betwisten van de door betaling vervallen fiscale vordering.

Belang is als toelaatbaarheidsvereiste der rechtsvordering te beoordelen op het ogenblik van de inleiding van de eis, afgewogen aan het voorwerp van de vordering, voorwerp dat te dezen in het inleidend exploot is geformuleerd als betwisting van de door de eerdere betaling zonder voorwerp geworden en dus niet meer bestaande fiscale vordering.

De vordering is evenwel gesteld ten laste van de controle, wat wettelijk vereist is voor een eis tot teruggaaf (KB nr. 4, art.14, inzake BTW), en het voorwerp van de vordering werd in latere conclusie aangepast tot vordering in teruggaaf, zodat ze toelaatbaar is.

Ten gronde - A

Eiseres heeft begin september 1998 een 'dealer event' gehouden waarvan niet in betwisting staat dat het gesitueerd was in Frankrijk, en vanuit zijn benaming blijkt dat het louter en alleen was ingericht ten behoeve van (bepaalde of alle) door eiseres erkende verdelers.

Over deze organisatie zegt eiseres geen document te hebben bewaard, zoals bv. uitnodigingen.

Aftrek van de op dit evenement (in België) betaalde BTW werd onder verwijzing naar art. 45, § 3 4° Wetboek BTW verworpen als betrekking hebbend op kosten van onthaal.

De laatste zin van artikel 17.6 van de Zesde BTW-Richtlijn bepaalt : "De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning en representatie, zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten", en het vermelde art. 45, § 3, 4° Wetboek BTW vormt daarvan de omzetting naar positief Belgisch recht.

De belastingdienst heeft terecht gesteld dat de event-kosten geen strikt professioneel karakter hadden, zelfs al werden ze uitgezet met oogmerk verdelers positief te stemmen ten opzichte van het doel van eiseres om zoveel mogelijk van haar producten (te dezen voertuigen) te doen omzetten door deze verdelers.

Deze kosten hebben verder ook niet de aard van publiciteitskosten, hadden immers niet het aantrekken van nieuwe klanten op het oog, waardoor tegelijk de verwijzing door eiseres naar desbetreffende Europese rechtspraak te dezen niet relevant is.

Ten gronde - B

Eiseres heeft in december 1998 een personeelsfeest gegeven naar aanleiding van haar 25-jarig bestaan.

Over deze organisatie legt eiseres (als haar stuk 6) enkel een lijst voor van personeelsleden die aanwezig waren op die viering.

Aftrek van de op dit evenement betaalde BTW werd onder verwijzing naar artikel 45, § 3 4° Wetboek BTW verworpen als betrekking hebbend op kosten van onthaal.

Hier gelden dezelfde overwegingen als hogerop, met dezelfde gevolgtrekking.

Ten gronde - C

Eiseres heeft, met het oog op aanwezigheid van leden van haar personeel op het nationale Autosalon begin 1998 te Brussel, gelijkvormige maatpakken laten maken, bestaande in een 'veston', een broek, hemden en een das, zonder kenmerken van haar bedrijf, en na het salon meegegeven met de betrokken personeelsleden voor verder gebruik naar willekeur, gelet op het gegeven dat het maatpakken waren.

Aftrek van de op deze uitgaven betaalde BTW werd onder verwijzing naar art. 45, § 1 Wetboek BTW verworpen, want niet kaderend in een van de aldaar opgesomde aanwendingen, waaraan nog werd toegevoegd dat het ook niet ging om relatiegeschenken, en evenmin om specifieke beroepskledij in de zin van de wettelijke bepalingen inzake directe belastingen.

De toebedeling is niet belast als onttrekking onder artikel 12, § 1, 2° Wetboek BTW.

Nu het gaat om maatpakken ter beginwaarde van omgezet ongeveer 386,71 EUR exclusief BTW, en geenszins vaststaat dat het gaat om uniformen in de zin van specifieke dienstkledij naar eiseres wil doen voorkomen, en de discussie bovendien wordt gevoerd op het vlak van artikel 45 Wetboek BTW, blijken de aftrekvereisten niet vervuld en werd terecht verwerping gedaan van het desondanks uitgeoefende recht op aftrek.

Bij dit alles is geen uitzondering ter zake relatiegeschenken van geringe waarde voorhanden.

Verweerder meldt zich in conclusie bereid de aftrekbeperking te reduceren tot 80 %, aldus 20 % aftrek toe te laten uit oorzaak van het dan toch gedurende het salon gebruikt zijn der pakken.

Dit voorstel komt in het geheel van gegevens, in het bijzonder de onbetwiste relatief korte duur van een autosalon, als meer dan redelijk voor, waartegenover het tegenvoorstel vanwege eiseres van 80 % waardevermindering volkomen onredelijk is.

Hierover een gerechtsdeskundige aanstellen zou bij dit alles slechts neerkomen op uitzetting van in verhouding buitenmaatse gerechtskosten, en is daarom niet aangewezen.

De vordering is op dit punt gegrond ter waarde van 2/10 van het betaalde BTW-bedrag, zijnde na omrekening aldus 671,17 EUR.

Ten gronde - D

Eiseres heeft, met het oog op uitdeling aan diverse personen, publiciteitsvesten aangekocht met specifieke 'broderie' van kenmerken van het automerk waarvan zij toentertijd exclusief Belgisch verdeler was.

Aftrek van de op deze uitgaven betaalde BTW werd onder verwijzing naar art. 45, § 1 Wetboek BTW verworpen, om dezelfde redenen als ter zake de maatpakken hogerop.

Waar verweerder terecht opwerpt dat het bij deze gekenmerkte vesten niet ging om specifieke beroepskledij, te gebruiken door ermee bedacht personeel en door dito verdelers, gaat het hier evenwel ontegenzeglijk om publiciteitskosten, die wel vallen onder de in artikel 45 Wetboek BTW bepaalde aanwendingsoogmerken, namelijk het bij wijze van tegenprestatie voeren van publiciteit voor het automerk door de ontvanger-drager van het kledingstuk.

De waarde van deze tegenprestatie volgt uit de normale waarde van het gedragen stuk, aldus de aankoopprijs die eiseres ervoor heeft betaald aan haar leverancier.

De belastingdienst heeft daaromtrent evenwel geen fiscale vordering gesteld ter navordering van deze BTW als zijnde verschuldigd op uitgaande handelingen.

De vordering van eiseres in betwisting van de verwerping van recht op aftrek is te dezen om deze redenen gegrond. Zulks voor een bedrag van omgerekend - op basis van de gegevens in het proces-verbaal van 12 december 2001 (nummers van inkomend factuurboek 98/199372, 98/200037, 98/206260, 98/209170, 98/210000 en 98/217067) - 3.070,26 EUR aan onterecht verworpen aftrekrecht.

In beide zaken maakt eiseres principieel ten onrechte aanspraak op vergoeding van 82,00 EUR rolrecht, nu in voorliggende fiscale zaken geen rolrecht verschuldigd was.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Voegt de zaken onder AR 02/205/A en AR 02/4908/A samen en beoordeelt ze in een en hetzelfde vonnis,

Verklaart beide vorderingen toelaatbaar,

Verklaart de vordering onder AR 02/4908/A ongegrond,

Verklaart de vordering onder AR 02/205/A in volgende mate gegrond,

Verklaart het dwangbevel van 14 december 2001 onwettig in de mate van de uit de fiscale vordering hogerop verwijderde bedragen 671,17 EUR respectievelijk 3.070,26 EUR en de daarop betrekking hebbende boetes en intrest(en),

Verbiedt in de gestelde mate de uitvoering van het dwangbevel,

Veroordeelt eiseres tot drie vierden en verweerder tot een vierde van de kosten in beide zaken samen, deze in hun geheel in beide zaken samen door de rechtbank vereffend op (100,24 + 100,19 =) 200,43 EUR dagvaarding en 174,76 EUR geactualiseerde rechtsplegingvergoeding in hoofde van eiseres en op 174,76 EUR geactualiseerde rechtsplegingvergoeding in hoofde van verweerder,

Wijst eiseres af van het meer gevorderde en van het anders gevorderde.

N. D. L. B.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 457 voorkomens
WBTW art. 121 voorkomen
WBTW art. 851 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8