Werkingssfeer, intracommunautaire verwerving van goederen, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 5 november 2008

Zoeken

Werkingssfeer, intracommunautaire verwerving van goederen, bewijs, controlemaatregel, strafbepalingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-intracommunautaire-verwerving-goederen-bewijs-rechtbank-brussel-2008-11-05-42f4

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
5 november 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

72 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 05.11.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

AR 2005/6928/A

- Btw

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De vennootschap naar recht van de Verenigde Staten van Amerika NIC H. C., …, … (V.s.), voor de Belgische BTW gekend onder het nummer BE … en hebbende aangesteld als aansprakelijk 'vertegenwoordiger in België de NV F., met maatschappelijke zetel te …, …, gekend onder het nummer BE …;

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. D. C. loco Mr. A. V. R., advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van de Financiën, in de persoon van de heer ea. inspecteur van het centraal BTW-ontvangkantoor Brussel I, met kantoren te 1000 Brussel, Kantersteen 47;

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. A. D., advocaat te …, …,

In deze zaak, in beraad genomen op 24/10/2008, spreekt de rechtbank het

navolgend vonnis uit :

Gelet op :

- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het gerechtelijk wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 07/06/2005;

- de beschikking tot bepaling van de rechtsdag overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 17/09/2007 en de verbeterende beschikking van 03/12/2007;

- de conclusie en aanvullende conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 03/04/2006 en 11/06/2007;

- de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 03/04/2007;

- het bundel met stavingstukken van verweerder, neergelegd ter griffie op 03/04/2006, en andermaal op 26/10/2007 en 21/10/2008;

- het bundel met stavingstukken van eiseres, neergelegd ter griffie op 14/10/2008;

- de nota met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding voor eiseres, neergelegd ter griffie op 14/10/2008.

De raadslieden van partijen werden gehoord in openbare zitting, waarna de zaak werd in beraad genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1. Eiseres handelt in brandstoffen. Zij is ingeschreven als belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) voor haar activiteit in België onder het nummer BE …. Zij heeft tevens een BTW-nummer in Nederland, met name NL …

Bij een BTW-controle werd door de diensten van verweerder een vermeende onregelmatigheid vastgesteld tijdens een controle op 11/03/2004. Op basis van een factuur van 01/05/2003 ("credit note") uitgaande van S. T. R. BV gericht aan eiseres, met vermelding van het Belgische BTW-nummer, was eiseres van oordeel dat er in hoofde van eiseres een intracommunautaire verhandeling plaatsvond van een lading brandstof. Deze was niet opgenomen in de Belgische boekhouding van eiseres.

Op 05/05/2004 werd een inregelstelling overgemaakt aan eiseres op dit punt (stuk 2 bundel verweerder). Eiseres verklaarde zich hiermee niet akkoord (stuk 3 verweerder).

3.2. Ten gronde

4. Eiseres staaft haar vordering op de volgende gronden :

- zij verwijt verweerder een inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur, een schending van de rechten van verdediging en een gebrek aan motivering. Verweerder zou haar niet de nodige stukken ter inzage hebben gegeven en heeft bovendien in het proces-verbaal niet geantwoord op haar argumenten en stukken.

- zij verwijt verweerder een inbreuk op artikel 25quinquies, § 5 BTW-wetboek, daar het daarin opgenomen vermoeden slechts kan spelen indien eerst wordt bewezen dat er sprake is van een intracommunautaire verwerving;

- zij verwijt verweerder een inbreuk op artikel 25bis BTW-Wetboek, met name is er geen intracommunautaire verwerving bewezen;

- zij verwijt eiseres een inbreuk op artikel 59 BTW-Wetboek, doordat verweerder zich louter gesteund heeft op eenzijdige stukken van derden;

- doordat geen intracommunautaire verwerving is bewezen, kon er ook geen boete worden toegepast en maakte verweerder een inbreuk op artikel 70, § 1 BTW-Wetboek.

Wat betreft de grond van de zaak argumenteert eiseres dat de betreffende lading oorspronkelijk door haar werd aangekocht van S. T. R. BV op 16/04/2003. Hiervoor werd een voorlopig factuur opgesteld op 17/04/2003, op het Nederlands BTW-nummer van eiseres (stuk 1 bundel eiseres). Naderhand volgde een kredietnota van 01/05/2003 (stuk 4 eiseres), dewelke enkel tot voorwerp had een verrekening ingevolge prijsschommelingen, doch dewelke door S. T. R. BV verkeerdelijk werd gefactureerd op het Belgische BTW-nummer van eiseres.

Nog dezelfde dag van de aankoop (16/04/2003) werd deze lading verkocht aan BP O. I. L., met vermelding van de Nederlandse BTW-nummers van zowel eiseres als de koper.

5. Dat de voorlopige factuur van 17/04/2003 en de kredietnota van 01/05/2003 betrekking hebben op dezelfde lading staat niet ter discussie. Alle referenties evenals de prijs (rekening houdende met de wisselkoers) zijn immers identiek. Evenmin staat ter discussie dat deze lading zich in Rotterdam (Nederland) bevond (locatie "P.", zijnde de S. T.) op het moment van de aankoop, aan boord van het schip "E..

De rechtbank acht het afdoende bewezen dat de verkoop van een lading olie op 16/04/2003 door eiseres aan BP O. I. L., dezelfde lading betrof. Op basis van het stuk 2 van eiseres (met name de factuur aan BP O. I. L.) is bewezen dat de lading die hiervan het voorwerp uitmaakt, dezelfde is als diegene die het voorwerp uitmaakt van de facturen met S. T. R. BV.

De datum van lading is identiek (B/L date 0416), het vaartuig is identiek (E.) en de tonnage van de lading is identiek (2004.956). Hoewel de naam van het product lijkt te verschillen (met name IGO G. R. tegenover Gasoil), acht de rechtbank het afdoende bewezen dat het hier om hetzelfde product gaat, met name mazout (rode olie).

In deze verkoopfactuur wordt tevens melding gemaakt van het Nederlandse BTW-nummer van eiseres. Dit ligt in de lijn van de stelling van eiseres dat er door haar nooit een intracommunautaire verwerving werd gedaan, nu deze lading zowel werd aangekocht als verkocht onder haar Nederlands BTW-nummer.

Op basis van deze gegevens is alvast niet bewezen dat eiseres deze goederen, alvorens deze werden doorverkocht aan BP O. I. L., naar België transporteerde of liet transporteren. Dit lijkt overigens weinig waarschijnlijk, daar de lading werd aangekocht door eiseres op 16/04/2003 en op dezelfde dag, reeds op 9.44 uur 's morgens (zie bovenaan stuk 2 eiseres) werd doorverkocht.

De vermelding van het Belgische BTW-nummer van eiseres op de tweede factuur van S. T. L., kan niet anders dan een vergissing zijn geweest, dewelke eiseres niet kan verweten worden.

Op basis van deze gegevens acht de rechtbank het dan ook niet bewezen dat eiseres een intracommunautaire verwerving verrichtte in de zin van artikel 25bis, § 1 BTW-wetboek.

Zoals terecht voorgehouden door eiseres kon verweerder zich niet steunen op artikel 51quinquies, § 5 BTW-wetboek om een intracommunautaire verwerving in hoofde van eiseres te bewijzen. Deze bepaling heeft enkel betrekking op de lokalisatie van de intracommunautaire verwerving en kan op zich niet dienen als basis om het intracommunautair karakter van de verwerving zelf aan te tonen. Deze bepaling houdt dus geen vermoeden in van het feit dat er een intracommunautaire verwerving gebeurde en ontslaat verweerder dus niet van de op haar rustende bewijslast dat er inderdaad een intracommunautaire verwerving gebeurde.

Zelfs indien dit artikel een vermoeden van een intracommunautaire verwerving in het leven zou roepen (wat niet het geval is), dan nog had verweerder zich hierop niet zomaar kunnen steunen. Er was immers duidelijk een strijdigheid tussen twee facturen uitgaande van S. T. R. BV omtrent dezelfde levering, waarbij op de ene het Belgische BTW-nummer en op de andere het Nederlandse BTW-nummer van eiseres werd vermeld. Minstens had eiseres haar motivering op dit punt moeten verduidelijken.

Nu eiseres geen intracommunautaire verwerving verrichtte, beging zij ook niet de haar verweten inbreuk op de BTW-reglementering en dient zij ontheven te worden van de opgelegde boete.

6. In het aangevochten proces-verbaal van 22/04/2005 wordt overigens op geen enkele wijze gemotiveerd (buiten een verwijzing naar artikel 51quinquies, § 5 BTW-wetboek, wat zoals aangehaald niet voldoende is) waarom er sprake zou zijn van een intracommunautaire verwerving. Er wordt louter verwezen naar een vermelding door S. T. R. BV, doch zonder op enige wijze te antwoorden op de argumentatie van eiseres, noch enige duiding te geven omtrent de tegenstrijdigheid tussen de twee aangehaalde facturen uitgaande van deze maatschappij.

Het betreffende proces-verbaal is dan ook niet afdoende gemotiveerd en dient om deze reden alleen al vernietigd te worden.

De vordering van eiseres is op aangehaalde punten gegrond.

7. De vordering van eiseres tot kapitalisatie van de intresten op de waarborg verstrekt door eiseres kan niet toegestaan worden. Er ligt geen enkel stuk voor in verband met deze waarborg, noch omtrent het feit wanneer deze terug aan eiseres diende overgemaakt te worden. De rechtbank kan dan ook niet nagaan of voldaan is aan de voorwaarden om over te gaan tot kapitalisatie.

4. WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN

8. Aangezien de vordering van eiseres grotendeels gegrond is, worden de kosten van het geding ten laste van verweerder gelegd.

Op basis van de waarde van het geschil kan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op 1.100,00 euro. Partijen vorderen over en weer het basisbedrag en vragen geen afwijking hiervan.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering ontvankelijk en m de hierna volgende mate gegrond,

Vernietigt het aangevochten proces-verbaal van 22/04/2005 en ontheft eiseres van alle hierin opgenomen sommen in hoofdsom en aanhorigheden, met inbegrip van de boete.

Veroordeelt verweerder tot teruggave van de desgevallend in uitvoering van dit proces-verbaal onterecht betaalde of ingehouden sommen, te verhogen met de moratoriumintresten.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze kosten in hoofde van eiseres op 1.100,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 5 november 2008

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer J. V. B., toegevoegd rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. J. V. B.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 25bis2 voorkomens
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8