Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 15 januari 2003

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-rechtbank-hasselt-2003-01-15-f0e4

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
15 januari 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

219 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 15.01.2003

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR nr. 01/2454/A

W. A. V. CVBA, BTW nr. …, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,

eiseres,

vertegenwoordigd door M. T. loco Mr. J. V. C., advocaat te …, …;

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12,

2. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Hoofdcontroleur van het BTW-Controlekantoor Sint Truiden II, met burelen gevestigd te 3800 Sint-Truiden, Abdijstraat 6,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. S. loco Mr. F. R., advocaat te …, …;

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van rechtsingang, betekend door plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder P. C. loco A. V., gerechtsdeurwaarder te …, op 28.11.2001, waarbij de Belgische Staat in hoofde van de heer Minister van Financiën werd gedagvaard;

- het exploot van rechtsingang, betekend door gerechtsdeurwaarder B. H. te … op 30.11.2001, waarbij de Belgische Staat in hoofde van de heer hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor Sint-Truiden II werd gedagvaard;

- de conclusies en de stukken van partijen;

Feiten en voorgaanden

Eiseres is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … ingevolge de door haar uitgevoerde activiteit van tussenpersoon in wijnen en is uit hoofde van deze beroepswerkzaamheden onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Na een voorafgaande verwittiging heeft de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen bij eiseres op 31.01.2001 en 08.02.2001 een BTW-controle verricht over de periode 01.01.1997 tot 31.12.2000.

Naar aanleiding van deze controle werden er een aantal overtredingen vastgesteld die werden opgenomen in een correctieopgave van 19.02.2001, te weten :

- inbreuk op art. 45, § 1 W.BTW : 48.047 fr. (1.191,05 euro)

- inbreuk op art. 45, § 2 W.BTW : 8.327 fr. (206,42 euro)

- inbreuk op art. 3 KB nr. 3 : 11.104 fr. (275,26 euro)

- inbreuk op art. 47 W.BTW : 3.931 fr. (97,45 euro)

- inbreuk op art. 45, § 3 W.BTW : 1.625.624 fr. (40.298,17 euro)

- inbreuk op art. 19, § 1 W.BTW : 82.226 fr. (2.038,33 euro)

(zie stuk 1 van verweerder).

Namens eiseres verklaarde de raadsman van eiseres zich bij brief van 07.03.2001 akkoord met de in de correctieopgave weerhouden bedragen ingevolge een inbreuk op :

- art. 45, § 2 W.BTW : 8.327 fr. (206,42 euro)

- art. 3 KB nr. 3 : 11,104 fr. (275,26 euro)

- art. 47 W.BTW : 3.931 fr. (97,45 euro)

De overige weerhouden inbreuken werden door eiseres betwist (zie stuk 2 van eiseres).

Bij brief van 14.05.2001. bevestigde eiseres nogmaals het door haar ingenomen standpunt (zie stuk 3 van eiseres).

Op 23.10.2001 werd er voor de niet-betwiste posten een correctieopgave ondertekend (zie stuk 3 van verweerder).

De tijdens de controle vastgestelde overtredingen, met uitsluiting van deze die door eiseres werden erkend in de correctieopgave van 23.10.2001 en met uitsluiting van de inbreuk op art. 19, § 1 W.BTW, werden opgenomen in een proces-verbaal van 29.10.2001 in toepassing van art. 59, § 1 W.BTW (zie stuk 5 van verweerder), waarin gesteld werd dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- 1.673.671 fr. (41.489,22 euro) BTW;

- 167.000 fr. (4.139,82 euro) verminderde geldboete in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW en art. 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987, tabel H;

- wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.2001 over de som van 1.673.000 fr. (41.472,59 euro).

Bij brief van 08.10.2001 deelde eiseres mee dat zij bij haar standpunt bleef en dat zij het bedrag van 23.362 fr. (579,13 euro) zonder enig voorbehoud zou betalen en het bedrag van 1.755.897 fr. (43.527,55 euro) zou betalen onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis (zie stuk 5 van eiseres).

Op 10.10.2001 ging eiseres over tot betaling (zie stuk 6 van eiseres).

Op 27.11.2001 werd tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 29.10.2001. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van de BTW-controle te Sint-Truiden II aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Hasselt op 29.11.2001 en bij aangetekend schrijven van 04.12.2001 ter kennis gebracht aan eiseres (zie stuk 9 en 10 van verweerder).

Bij exploot van rechtsingang, betekend door plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder P. C. loco A. V., gerechtsdeurwaarder te …, op 28.11.2001 werd de Belgische Staat in hoofde van de heer Minister van Financiën gedagvaard en bij exploot van rechtsingang, betekend door gerechtsdeurwaarder B. H. te Hasselt op 30.11.2001 werd de Belgische Staat in hoofde van de heer hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor Sint-Truiden II gedagvaard in teruggave van een bedrag van 1.755.897 fr. (43.527,55 euro).

Beoordeling

1. Ontvankelijkheid

Bij besluiten neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 03.10.2002 stelt verweerder uitdrukkelijk dat de ontvankelijkheid van de vordering niet betwist wordt. De rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

De betwisting tussen partijen beperkt zich tot de hierna vermelde punten :

- geen aftrek van de BTW voor goederen die bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van een economische activiteit op grond van art. 45, § 1 W.BTW en art. 1, § 2 KB nr. 3 van 10.12.1969, gewijzigd bij KB van 29.12.1992;

- geen aftrekbaarheid van kosten van onthaal op grond van art. 45, § 3, 4° W.BTW.

2.1 Art. 45, § 1 W.BTW en art. 1, § 2 KB nr. 3

De betwisting tussen partijen handelt over de precieze draagwijdte van art. 45, § 1, W.BTW, dat stelt :

“Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4° handelingen bedoeld in art. 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen aanvaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4 bedoelde handelingen. "

In art. 45, § 1 van het W.BTW komen derhalve niet voor: handelingen voor privé- of andere doeleinden dan de economische activiteiten en handelingen ten kosteloze titel.

De in art. 45, § 1 W.BTW bedoelde goederenleveringen en diensten zijn alleen en uitsluitend die welke een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit verricht. In principe houdt dit de uitsluiting in van iedere aftrek van voorbelasting geheven van uitgaven die bestemd zijn voor het verrichten van goederenleveringen en diensten voor privé-doeleinden en voor andere doeleinden dan die economische activiteit.

In art. 1, § 2, 1° lid van het KB nr. 3 is deze uitsluiting expliciet opgenomen :

"Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit."

De rechtbank stelt dat uit punt I van het proces-verbaal van 29.10.2001 blijkt dat de aftrek van de BTW werd verworpen voor onder meet de aankoop van kledij, de kosten van de droogkuis, de aankoop van wijn voor eigen gebruik en voor kosten van uitvoeren van werken in onroerende staat aan het verlaagde BTW-tarief van 6 % (privé-gebruik).

De belastingadministratie was van oordeel dat de BTW op de verworven goederen, zoals opgesomd onder punt I van het proces-verbaal van 29.10.2001, ten onrechte door de belastingplichtige werd afgetrokken aangezien de goederen volledig bestemd waren voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van een economische activiteit.

Eiseres is evenwel de mening toegedaan dat zij gerechtigd is om de BTW op de kledij die zij aangekocht heeft met het oog op het dragen tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden, af te trekken en dat derhalve de vordering tot teruggave van het onder alle voorbehoud betaalde bedrag van 48.047 fr. (1.191,05 euro) gegrond is.

De belastingplichtige dient zelf het bewijs te leveren dat het door hem uitgeoefende recht op aftrek wel degelijk bestaat, m.a.w. dat de door hem ontvangen goederen en diensten gebruikt werden voor het verrichten van handelingen die recht op aftrek verlenen.

De goederen en diensten waarvan de BTW-aftrek wordt gevorderd, moeten aldus voldoende bijdragen tot de belaste activiteit van de belastingplichtige; er moet m.a.w. een voldoende verband zijn tussen de gedane uitgaven en de activiteit van eiseres.

Ter zake bewijst eiseres niet, terwijl de bewijslast op haar berust, dat er een verband bestaat tussen enerzijds de kosten voor kledij, droogkuis, aankoop van wijn, werken in onroerende staat en haar activiteit als "wijnagent".

De aankoop van kledij en de kosten voor de droogkuis vertonen wezenlijk een privé-gebruik, hetgeen niet weerlegd wordt door eiseres.

In een schrijven van de e.a. inspecteur van de BTW-controle te Sint-Truiden II werd vermeld dat de heer B., de echtgenoot van de zaakvoerster, had verklaard dat de aangekochte wijn voor privé-verbruik was, hetgeen niet wordt weerlegd door eiseres.

Gelet op wat voorafgaat heeft de administratie terecht de aftrekt van de BTW verworpen.

2.2 Art. 45, § 3 W.BTW

Art. 45, § 3 W.BTW stelt onder meer :

"Voor aftrek komt niet in aanmerking de belasting ter zake van:

1° (…)

2° (…)

3° kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van art. 18, § 1, tweede lid, 10° en 11° daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan :

a) voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van goederen of een dienstverrichting;

b) door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken

4° kosten van onthaal"

Uit het punt II van het proces-verbaal van 29.10.2001 blijkt dat de aftrek van de BTW werd verworpen voor onder meer de aankoop van maaltijden, eetwaren, dranken, relatiegeschenken, bloemen, restaurantkosten, kosten van vlerken in onroerende staat, aankoop van materialen, meubelen en elektrische apparaten.

De belastingadministratie was van oordeel dat de BTW op de aangekochte goederen en dienstverrichtingen, zoals opgesomd onder punt II van het proces-verbaal van 29.10.2001, ten onrechte door de belastingplichtige werd afgetrokken aangezien het kosten betrof op het vlak van public relations gedaan voor het onthaal, de ontvangst en het vermaak of ontspanning van aan het bedrijf vreemde bezoekers zoals leveranciers en klanten of m.a.w. kosten van onthaal, zijnde relatiegeschenken, aankoop eetwaren en maaltijden, verbouwingen aan de woning, aankoop van meubelen, aankoop van elektrische toestellen voor de ontvangst van aan het bedrijf vreemde bezoekers.

De administratiestelt dat overeenkomstig art. 45, § 3, 4° W.BTW van de aftrek is uitgesloten, de belasting geheven van de door een bedrijf gedane kosten van onthaal, d.w.z. de kosten op het stuk van public relations gedaan voor onthaal, ontvangst en vermaak of ontspanning van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid leveranciers en klanten.

Eiseres is van oordeel dat de administratie een al te ruime interpretatie aan het begrip "kosten van onthaal" geeft en dat dergelijk standpunt indruist tegen :

a) de Europese regelgeving;

b) de rechtspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen;

c) de eigen standpunten van verweerder;

d) de beginselen van behoorlijk bestuur.

a) Aangaande de beweerde inbreuken op de Zesde Richtlijn van de Raad van de E.E.G. nr. 77/388 van 17.05.1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (Zesde BTW-Richtlijn)

In de Zesde BTW-Richtlijn is de aftrekregeling vastgelegd in art. 17, waarvan het 1e lid bepaalt dat "het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt".

Zo de door de belastingplichtige ontvangen goederen en diensten worden gebruikt voor belastbare handelingen, mag deze belastingplichtige de BTW, ingevolge het 2e lid van voornoemd art. 17, van de door hem verschuldigde belasting aftrekken :

- die verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige in het binnenland geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere tot voldoening van de belasting gehouden belastingplichtige in het binnenland verrichte of te verrichten diensten;

- die verschuldigd of voldaan is voor in het binnenland ingevoerde goederen;

- die verschuldigd is wegens een met een levering, een dienst of een intracommunautaire verwerving gelijkgestelde handeling, overeenkomstig art. 5, art. 6, 3e lid en art. 5ter, 2e lid van de Zesde BTW-Richtlijn;

- die verschuldigd is wegens een intracommunautaire verwerving, overeenkomstig art. 2bis, 1e lid, a) van de Zesde BTW-Richtlijn.

Hieruit blijkt dat er geen aftrekbare belasting kan zijn zonder dat er een verschuldigde belasting is. Evenwel kunnen wettelijke beperkingen en uitsluitingen van het recht op aftrek tot gevolg hebben dat een verschuldigde belasting niet aftrekbaar is.

Immers in art. 17, 6e en 7e lid van de Zesde BTW-Richtlijn is bepaald dat het recht op aftrek is uitgesloten voor uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning en representatie, of dat onder bepaalde voorwaarden sommige goederen geheel of gedeeltelijk van de aftrekregeling kunnen worden uitgesloten.

Eiseres houdt voor dat de door verweerder verworpen uitgaven geen weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning en representatie betreffen zoals voorzien in art. 17, 6e lid van de Zesde BTW-Richtlijn en dat art. 45, § 3, 4° W.BTW dan ook manifest strijdig is met deze richtlijn.

De rechtbank stelt vast dat de bepaling van art. 45, § 3, 4° W.BTW reeds bestond vóór de inwerkingtreding van de Zesde BTW-Richtlijn.

Een nationale regeling inzake BTW, die reeds bestond bij de inwerkingtreding van de Zesde BTW-Richtlijn is niet strijdig met art. 17, 2e lid van voornoemde richtlijn aangezien art. 17, 6e lid, al. 2 van voornoemde richtlijn de lidstaten toestaat, tot de inwerkingtreding van de door de Raad vast te stellen voorschriften, elke uitsluiting van het recht van aftrek te handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn in voorzag (zie H.v.J. nr. C-43/96, 18 juni 1998, Commissie/Frankrijk, Jur. H.v.J., 1998, I, 3903, concl. JACOBS, F.)

Het feit dat de Raad nog moet bepalen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de BTW bestaat kan niet aan verweerder toegewezen worden als zijnde "een behoorlijk staaltje van onbehoorlijk bestuur" (sic).

De rechtbank stelt dan ook geen schending vast door art. 45, § 3, 4° W.BTW van de Zesde BTW-Richtlijn.

b) Aangaande de rechtspraak van het Hof van Beroep van 15.03.1999

De analyse van de feiten zoals door eiseres weergegeven van het arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 15.03.1999 stemmen niet overeen met de concrete voorliggende casus.

c) Aangaande de tegenstrijdige houding van verweerder

Eiseres houdt voor dat verweerder m.b.t. de invulling van het begrip "kosten van onthaal" zeer tegenstrijdig is en naar eigen goeddunken de door de administratie weerhouden definitie al dan niet toepast. Een dergelijke houding strookt volgens eiseres niet met de beginselen van behoorlijk overheidsbestuur.

Tot staving van haar stelling haalt eiseres verschillende voorbeelden aan waar de administratie bepaalde kosten al dan niet als onthaalkosten beschouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de invulling van het begrip "kosten van onthaal" dient te gebeuren aan de hand van de concrete feitelijkheden en rekening houdend met de bijzondere omstandigheden eigen aan het dossier. De veelvuldige verwijzingen in besluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank van 10.09.2002, naar administratieve beslissingen dienaangaande, levert geen bewijs in concreto op van een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.

d) Aangaande de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur

Eiseres houdt voor dat verweerder als overheidsinstantie gehouden is tot de beginselen van behoorlijk bestuur, hetgeen impliceert dat iedere belastingplichtige op voet van gelijkheid dient behandeld te worden.

Uit geen enkel objectief element blijkt evenwel dat verweerder de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.

De rechtbank is, na onderzoek van de voorgelegde stukken, van oordeel dat de administratie terecht de aftrek van BTW heeft verworpen in toepassing van art. 45, § 3, 4° W.BTW.

Kosten van onthaal zijn alle dusdanige kosten op het stuk van externe relaties (o.a. verblijfkosten, dranken, versnaperingen, bloemen, geschenken, maaltijden, ... ) die een onderneming maakt voor het onthaal, de ontvangst, het vermaak of de ontspanning van personen die vreemd zijn aan de onderneming (zie aanschrijving nr. 103 van 31.12.1970, § 15). Vreemd aan de onderneming zijn alle personen die niet in de onderneming werken als directie- of personeelslid, zoals leveranciers, werkelijke of potentiële klanten, zakenrelaties, bezoekers, genodigden, vennoten, ...

Eiseres erkent dat de kosten werden gemaakt om in het bedrijfspand zowel producenten van wijnen als importeurs van wijnen te ontvangen met het oog op het afsluiten van bestellingen (zie p. 9 besluiten eiseres, neergelegd ter griffie op 10.09.2002).

De omstandigheid dat bepaalde kosten een publicitair karakter hebben sluit niet uit dat het toch om kosten van onthaal gaat en zodoende is er dus geen reden om de aftrek van de BTW toe te staan.

De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten en begroot de kosten als volgt :

In hoofde van verweerder op :

- 344,66 euro zijnde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 15 JANUARl2003 alwaar aanwezig waren :

De Heer E. S., rechter, waarnemend voorzitter;

Mevrouw L. K. en Mevrouw A. C., rechters;

De Heer R. J., adjunct-griffier.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig vonnis, waarover Mevr. C., rechter in deze rechtbank, mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 Ger. W., wordt deze magistraat wettig verhinderd zijnde, vervangen door Mevr. L. K." rechter in deze rechtbank, hiertoe aangewezen overeenkomstig artikel 779 Ger. W., bij beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 14.01.03.

R. J. A. C. L. K. E. S.

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2003/AR/544

CVBA W. V., HR te Leuven nr. …, met zetel te …, …;

appelIante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 15 januari 2003;

vertegenwoordigd door Meester M. T. loco Meester J. v. C., advocaat te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst (voorheen Ministerie van Financiën) Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de heer e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te Sint-Truiden II, Abdijstraat 6;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester P. B. loco Meester P. v. d. S., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 15 januari 2003, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 24/2/2003, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

Appellante is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … ingevolge de door haar uitgevoerde activiteit van tussenpersoon in wijnen en is uit hoofde van deze beroepswerkzaamheid onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

De activiteit van appellante bestaat in de "agentuur" m.b.t. wijn : de activiteit van appellante bestaat naar eigen zeggen in "het samenbrengen van: wijnboer en wijnimporteur, het bemiddelen tussen beiden teneinde verkoop van de wijnboer aan de wijnimporteur te bewerkstelligen, zodat het commissieloon ... (van appellante) ... opeisbaar wordt. Zonder bemiddeling, geen commissieloon." (stuk 2 appellante)

Hiertoe beschikt appellante over een onroerend goed waar mogelijke contractspartijen met elkaar in contact worden gebracht : door de potentiële leveranciers ter beschikking gestelde wijnen worden geproefd, desgevallend gepaard gaande met eetmalen (welke laatsten door appellante worden georganiseerd zonder dat er hiervoor kosten worden aangerekend: de enige inkomsten van appellante zijn zoals hoger gezegd de commissies die zij krijgt als er door haar bemiddeling daadwerkelijke verkopen van wijn worden gesloten).

1.2. Na een voorafgaande verwittiging heeft de administratie van de BTW, registratie en domeinen bij appellante op 31/1/2001 en 8/2/2001 een BTW-controle verricht over de periode 1/1/1997 tot 31/12/2000.

Naar aanleiding van deze controle werden er een aantal overtredingen vastgesteld die werden opgenomen in een correctieopgave van 19/2/2001, te weten :

- inbreuk op art. 45 par. 1 W.BTW : 48.047 BEF (1.191,05 EUR)

- inbreuk op art. 45 par. 2 W.BTW : 8.327 BEF (206,42 EUR)

- inbreuk op art. 3 KB nr. 3 : 11.104 BEF (275,26 EUR)

- inbreuk op art. 47 W.BTW : 3.931 BEF (97,45 EUR)

- inbreuk op art. 45 par. 3 W.BTW : 1.625.624 BEF(40.298,17 EUR)

- inbreuk op art. 19 par. 1 W.BTW : 82.226 BEF (2.038,33 EUR)

(stuk 1 geïntimeerde)

1.3. Namens appellante verklaarde haar raadsman zich bij brief van 7 maart 2001 akkoord met de in de correctieopgave weerhouden bedragen ingevolge volgende inbreuken :

- inbreuk op art. 45 par. 2 W.BTW : 8.327 BEF (206,42 EUR)

- inbreuk op art. 3 KB nr. 3 : 11.104 BEF (275,26 EUR)

- inbreuk op art. 47 W.BTW : 3.931 BEF (97,45 EUR)

- inbreuk op art. 19 par. 1 W.BTW : 82.226 BEF (2.038,33 EUR)

De overige door geïntimeerde weerhouden inbreuken werden door appellante betwist (stuk 2 appellante);

Bij brief van 14 mei 2001 bevestigde appellante nogmaals het door haar ingenomen standpunt (stuk 3 appellante);

Op 23 oktober 2001 werd er voor de niet-betwiste posten een correctieopgave ondertekend (stuk 3 geïntimeerde);

De tijdens de controle vastgestelde overtredingen, met uitsluiting van deze die door appellante werden erkend in de correctieopgave van 23 oktober 2001 en met uitsluiting van de inbreuk op art. 19, par. 1 W.BTW, werden opgenomen in een proces-verbaal van 29 oktober 2001 in toepassing van art. 59, par. 1 W.BTW (stuk 5 geïntimeerde), waarin gesteld werd dat appelante de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- 1.673.671 BEF (41.489,22 EUR) BTW;

- 167.000 BEF (4.139,82 EUR) verminderde geldboete in toepassing van art. 70, par. 1 W.BTW en art. 1 van het KB nr. 41 van 30/1/1987, tabel H;

- wettelijke intresten aan 0,8% per maand vanaf 2 111/2001 over de som van 1.673.000 BEF (41.472,59 EUR)

Bij brief van 8 oktober 2001 deelde appellante mee dat zij bij haar standpunt bleef en dat zij het bedrag van 23.362 BEF (579,13 EUR) zonder enig voorbehoud zou betalen en het bedrag van 1.755.897 BEF (43.527,55 EUR) zou betalen onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis (stuk 5 appellante);

Op 10 oktober 2001 ging appellante over tot betaling (stuk 6 appellante);

Op 27 november 2001 werd tegen appellante een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 29 oktober 2001. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van de BTW-controle te Sint-Truiden II aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, Registratie en domeinen te Hasselt op 29 november 2001 en bij aangetekend schrijven van 4 december 2001 ter kennis gebracht aan appellante (zie stukken 9 en 10 van geïntimeerde);

Bij exploot van rechtsingang, betekend door plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder P. C. loco A. V., gerechtsdeurwaarder te …, op 28 november 2001 werd de Belgische Staat in hoofde van de heer Minister van Financiën gedagvaard en bij exploot van rechtsingang, betekend door gerechtsdeurwaarder B. H. te … op 30 november 2001 werd de Belgische Staat in hoofde van de heer hoofdcontroleur van. het BTW-controlekantoor Sint-Truiden II gedagvaard in teruggave van een bedrag van 1.755.897 BEF (43.527,55 EUR);

1.4. De betwisting voor de eerste rechter betreft :

- de weigering van aftrek van BTW voor goederen die bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van een economische activiteit op grond van art. 45, par. 1 W.BTW en art. 1, par. 2 KB nr. 3 van 10 december 1969, gewijzigd bij KB van 29 december 1992, voor een bedrag van 48.047 BEF (1.191,05 EUR);

- de weigering van aftrek van kosten van onthaal op grond van artikel 45, par. 3, 4° W.BTW voor een bedrag van 1.625.624 BEF (40.298,17 EUR);

1.5. De eerste rechter verklaarde vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond;

2. Bespreking

2.1. artikel 45, par. 1 W.BTW en art. 1, par. 2 KB nr. 3

2.1.1. Het betreft de aftrek van BTW op de aankopen/dienstprestaties betreffende kledij, droogkuis, aankoop van wijn en werken in onroerende staat welke het voorwerp uitmaken van Punt I van het proces-verbaal van 29 oktober 2001 (stuk 5 geïntimeerde);

Deze zouden volgens de administratie voor privé-doeleinden zijn aangegaan zodat de aftrek van BTW omtrent deze aankopen/dienstprestaties wordt geweigerd;

Wat de werken in onroerende staat betreft (ten bedrage van 1.934 BEF) laat appellante ter terechtzitting acteren dat zij hieromtrent niet verder aandringt.

Wat de kledij en droogkuiskosten betreft stelt appellante dat het haar onmogelijk is om haar beroepsactiviteiten te ontplooien zonder dat haar aangestelde kledij zouden dragen.

De kledij betreft evenwel niet enige specifieke kledij vereist voor. de beroepswerkzaamheid, maar kledij in het algemeen.

Geïntimeerde heeft de aftrek van BTW hieromtrent dan ook terecht geweigerd;

De eerste rechter stelt dan ook terecht dat er geen voldoende band met de beroepswerkzaamheid bestaat en dat deze kledij en droogkuiskosten een wezenlijk privé-gebruik vertonen.

Wat aankopen van de exclusieve Italiaanse wijnen CASTELLO DEI RAMPELLA betreft door appellante, kan inderdaad wel zeer ernstig getwijfeld worden over de werkelijke bestemming van deze wijnen. Vermits appellante geen wijnen aan- of verkoopt en zij als agent slechts potentiële contractspartijen samenbreng, kan toch in alle redelijkheid verondersteld worden dat de potentiële leverancier hun eigen wijn zelf ter beschikking stellen zonder dat de agent hiervoor dient te betalen (dit blijkt overigens ook in het algemeen het geval te zijn). Terecht stelt geïntimeerde dan ook dat deze wijn werd gekocht voor privé-aangelegenheden van de aandeelhouders/bestuurders van appellante.

Op dit punt dient het vonnis van de eerste rechter te worden. bevestigd.

2.2. artikel 45, par. 3 W.BTW

2.2.1. Het tweede element van de betwisting betreft punt II van het proces-verbaal van 29 oktober 2001. Het betreft de aftrek van BTW die werd geweigerd voor onder meer de aankoop van maaltijden, eetwaren, dranken, relatiegeschenken, bloemen, restaurantkosten, kosten van werken in onroerende staat, aankoop van materialen, meubelen en elektrische apparaten.

De belastingadministratie, hierin gevolgd door de eerste rechter, was van oordeel dat de BTW op voormelde aangekochte goederen en dienstverrichtingen ten onrechte door de belastingplichtige werd afgetrokken aangezien het kosten betrof op het vlak van public relations gedaan voor het onthaal, de ontvangst en het vermaak of ontspanning van aan het bedrijf vreemde bezoekers zoals leveranciers en klanten of m.a.w. te beschouwen zijn als "kosten van onthaal", zijnde relatiegeschenken, aankoop eetwaren en maaltijden, verbouwingen aan de woning, aankoop van meubelen, aankoop van elektrische toestellen voor de ontvangst van aan het bedrijf vreemde bezoekers.

Appellante stelt dat de litigieuze uitgaven met reclamedoeleinden worden gemaakt en een professioneel karakter hebben, zodat zij dienen te worden uitgesloten van de "kosten van onthaal".

Het betreft een totaal verworpen aftrek van 1.625.624 BEF (40.298,17 EUR);

2.2.2. Artikel 45, par. 1 van het BTW-wetboek bevat het principe dat elke belastingplichtige de belasting die geheven werd op aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek mag brengen op de belasting die hij verschuldigd is. Artikel 45, par. 3, 4°, dat de aftrek verbiedt van de BTW terzake van kosten van onthaal houdt hierop een uitzondering in.

Als kosten van onthaal komen in aanmerking de kosten gedaan voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning, van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid klanten en leveranciers, met het oog op het bestendigen of verstevigen van zakelijke relaties; Evenwel wanneer de betrokken activiteit hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de eindkoper in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen, is zij een reclame waarvan de kosten niet van aftrek uitgesloten zijn. (Cass., 8 april 2005, inzake AR. Nr. C.02.0419.N, www.cass.be dat volgend arrest bevestigt : Antwerpen, 15 maart 1999, TFR, 1999, p. 658 e.v., met noot T. VANHALLE en S. REYNDERS, "Het onderscheid tussen de begrippen kosten van onthaal en publiciteitskosten in de BTW-administratie: de nieuwe toren van Babel ?")

Ook de fiscus past deze interpretatie toe, zoals blijkt uit :

- de administratieve beslissing d.d. 7 en 10 juli·1989 nr. E.T. 63.540, waarbij niet als kosten van onthaal worden aangemerkt maar als publiciteitskosten, de door ondernemingen gedane uitgaven met betrekking tot het gebruik van business-seats en loges voor zover deze ondernemingen door middel van business-seats en loges onder één of andere vorm publiciteit voeren (BTW revue nr. 88/11/89, 433);

- het antwoord van de Minister van Financiën op parlementaire vraag nr. 269 van de heer D. d.d. 20/6/1997, waaruit blijkt dat de Minister als voorwaarde, opdat een uitgave als publiciteitsverrichting zou worden beschouwd in plaats van als kost van onthaal, stelt dat de verrichting het overbrengen van een boodschap impliceert waarin de kwaliteiten van een product of een dienst uitdrukkelijk worden aangeprezen (Vr. en Antw., Senaat, 9 september 1977, (nr. 1-53), blz. 2700-2701).

2.2.3. Uit de elementen van het dossier blijkt niet dat de litigieuze door appellante georganiseerde activiteiten in het daartoe door haar speciaal ingerichte onroerend goed (of elders) hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel hebben de eindkoper in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen;

Appellante richt zich ook niet tot de eindconsument maar tot de wijnimporteurs;

Evenmin blijkt dat door de evenementen van appellante haar eigen dienstverlening een publieke aandacht krijgt dat ruimer is dan van de door haar genodigden;

Hetzelfde kan trouwens gezegd worden van de ter beschikking gestelde wijnen;

Er bestaat dan ook geen vergelijkbaarheid met de casus bedoeld in het voormelde arrest van het Hof te Antwerpen d.d. 15 maart 1999, zoals de eerste rechter terecht opmerkt;

Er kan dan ook worden besloten dat de activiteiten van appellante er eerder enkel op gericht zijn om mogelijke contractspartijen met elkaar in contact te brengen in een aangename sfeer, elkaar te leren kennen alsmede de wijnen van de wijnboeren, doch zonder dat er van een brede publicitaire impact sprake is.

De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering van appellante afgewezen;

Louter volledigheidshalve kan daarbij nog aangehaald worden dat de eerste rechter zeer terecht geen strijdigheid heeft onderkend tussen art. 45, par. 3, 4° W.BTW en de Zesde BTW-Richtlijn, vermits de Belgische bepaling van het W.BTW reeds bestond voor de inwerkingtreding van de-Zesde BTW-Richtlijn; Een nationale regeling inzake BTW, die reeds bestond bij de inwerkingtreding van de Zesde BTW-Richtlijn is niet strijdig met art. 17, 2de lid van voornoemde richtlijn aangezien art. 17, 6de lid, al. 2 van voornoemde Richtlijn de lidstaten toestaat, tot de inwerkingtreding van de door de Raad vast te stellen voorschriften, elke uitsluiting van het recht van aftrek te handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn in voorzag (H.v.J., nr. C-43/96, 18 juni 1998, Commissie/Frankrijk, Jur. H.v.J., 1998, I, 3903, concl. JACOBS, F.).

Ook heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat in casu er geen schending is van de beginselen van behoorlijk bestuur: in casu heeft de administratie het artikel 45, par. 3, 4° W.BTW correct toegepast.

2.3. Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook te worden bevestigd.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot op aan de zijde van geïntimeerden op 475,96, na indexatie, volgens opgave in conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZENDENVIJF,

waar aanwezig waren :

R. T., Voorzitter;

D. W. en M. V. d. B., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover Raadsheer S. B., mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778~van het Gerechtelijk Wetboek, wordt deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door Raadsheer D. W. hiertoe aangewezen, overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij beschikking van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van 25 oktober 2005.

A. V. L. M. V. D. W. R. T.

Aangehaalde teksten

4

Vergelijkbare beslissingen

8