Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 08.04.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak: 05/501/A Rep. Nr. 2009/4802
mevrouw P. A.-M., boekhoudster (BTW-nr. …), wonende te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester F. V., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD-FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :
1. de Gewestelijk Directeur van het Controlecentrum van de AOIF, te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
2. mevrouw de e.a. inspecteur-diensthoofd van de FOD-FINANCIËN, Invordering, Sector BTW, BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
3. de heer e.a. inspecteur-diensthoofd van het 4e BTW-controlekantoor Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie is opgetreden Meester F. N. (balie …) loco Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 17 februari 2005.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 11 maart 2009.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-identificatienummer BE … voor de economische activiteit van boekhouder. Zij is derhalve onderworpen van de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 22 juni 2004 werd door een ambtenaar van de administratie van de belastingen over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld aan de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum te Brugge, een toezicht aangevat inzake de toepassing door eiseres van de BTW-wetgeving en reglementering over de periode van 1 januari 2001 tot 31 maart 2002.
Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.
Door de met controle belaste ambtenaar werd op 6 december 2004 ter vaststelling van de kwestieuze belasting proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Wegens niet-betaling werd op 10 december 2004 een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20 december 2004 door de waarnemend gewestelijk directeur te Brugge. Het dwangbevel werd op 23 december 2004 bij aangetekende brief ter kennisgeving aan eiseres betekend.
Bij brief de dato 30 december 2004 stelde eiseres de inhoud van het proces-verbaal en het dwangbevel integraal te betwisten en meldde dat onder uitdrukkelijk voorbehoud van het recht op terugvordering tegen 20 januari 2005 het bedrag van … EUR betaald zal worden.
Op 17 februari 2005 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift neer.
2.2. Eiseres vraagt dat : het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat dienvolgens het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk en ongegrond wordt verklaard en dat gezegd wordt voor recht dat de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mag hebben en dat de terugbetaling bevolen wordt van de betaalde bedragen meer de gerechtelijke rente en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gerechtskosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van … EUR.
2.3. Verweerder vraagt dat : het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres veroordeeld wordt tot de geding kosten begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. nopens de motivering van het dwangbevel
a. Het dwangbevel inzake BTW vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgelegd en waardoor de Belgische Staat in de regel tot dadelijke uitwinning kan overgaan.
Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid, die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten en verplichtingen schept, en éénzijdig verbindend en uitvoerbaar is. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991.
De wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurders, uitdrukkelijk te motiveren.
Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; zij moet afdoende zijn". Uitdrukkelijk motiveren betekent het opgeven van de redenen van de rechtshandeling, zodat de (bestaande) materiële met een formele motiveringsplicht werd aangevuld.
Daaruit vloeit voort wat onder de opgelegde motivering moet worden verstaan : 'de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen', die ook nog 'afdoende' moeten zijn. De drieledige inhoud van de materiële motiveringsplicht behoort dus integraal tot de formele motiveringsplicht : de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld.
In het wetsvoorstel dat tot de Wet van 29 juli 1991 heeft geleid, werd dit onder woorden gebracht met het "duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen'. De tekstwijziging, en vooral het gebruik van het woord 'afdoende', was bedoeld om het 'evenredigheidsbeginsel' onder woorden te brengen. De wetgever was immers van mening dat de omvang van de motivering aangepast moest zijn aan het belang van de beslissing. Uiteindelijk stelde hij echter - terecht - vast dat met het begrip 'afdoende' ook het 'draagkracht-vereiste' tot uitdrukking werd gebracht : de ingeroepen redenen moeten pertinent zijn en de beslissing verantwoorden. Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg is uit den boze, en er werd dan ook gewaarschuwd voor gelijke of gestandaardiseerde motiveringen.
De motivering moet dus opgevat worden als een resultaats- en niet als een inspanningsverbintenis van het bestuur. Zij moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen. Indien daartoe achteraf een bijkomend element moet worden aangevoerd, dat niet in de motivering is opgenomen, is een substantiële vormvereiste geschonden en de beslissing onwettig. En daarbij moeten zowel de juridische als de feitelijke overwegingen worden vermeld (Van Orshoven, P., "Uitdrukkelijke motivering van "fiscale bestuurshandelingen", De Fiscale Koerier, 91/506).
b. Eiseres verhuurde samen met haar echtgenoot L. V. bij huurovereenkomst de dato 23 december 1996 aan de NV I. G. een gedeelte van een onroerend goed gelegen te …, ….
De NV I. G. heeft vervolgens de kwestieuze door haar gehuurde ruimten ter beschikking gesteld van de BVBA E. met wie L. V., voormeld, op 15 september 1997 een overeenkomst tot samenwerking had ondertekend, inhoudende dat de BVBA E. de materiële verwerking van de dossiergegevens van de klanten van L. V. verzorgt.
De BTW-administratie is evenwel van oordeel dat, gelet op het feit dat eiseres in dezelfde lokalen als deze die verhuurd werden aan de NV I. G. haar eigen economische activiteit uitoefende, er noch sprake kan zijn van de toekenning van een exclusief genot op de verhuurde delen van het onroerend goed noch van enige huurovereenkomst.
In casu verwijst het dwangbevel van 10 december 2004 naar het proces-verbaal van 6 december 2004. In voormeld proces-verbaal wordt gesteld dat de overeenkomst de dato 23 december 1996 een overeenkomst houdende het verlenen van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, 6° W.BTW betreft die de verschuldigdheid van de BTW met zich meebrengt.
c. Volgens eiseres steunt de administratie voor het eerst in de procedure gevoerd voor deze rechtbank, op het argument van verboden simulatie zoals beslist bij arrest van het Hof van Beroep te Gent de dato 17 januari 2001, waarin onder meer gestatueerd werd dat het contract van 28 april 1983 een verboden simulatie inhoudt, wat een nieuwe rechtsgrond uitmaakt waaruit de gebrekkige motivering van het dwangbevel volgt.
d. De verwijzing door verweerder in zijn conclusies naar voormeld arrest van het Hof van Beroep te Gent, in het licht waarvan de administratie tot het besluit komt dat het voorwerp van het contract niet als onroerende verhuur van deze ruimten kan beschouwd worden maar dient beschouwd te worden als een dienst beoogd bij artikel 18 W.BTW, kan niet aanzien worden als een nieuw rechtsmiddel opgeworpen door verweerder, daar verweerder, steunende op voormelde rechtspraak, tot het besluit komt dat voormeld contract niet als een onroerende verhuur van de kwestieuze ruimten kan beschouwd worden, maar als een dienst beoogd bij artikel 18, § 1, tweede lid, 6° W.BTW.
Dezelfde juridische argumenten, nl. de toepassing in casu van artikel 18, § 1, tweede lid, 6° W.BTW vormen de motivering van het proces-verbaal de dato 6 december 2004 waarna het dwangbevel verwijst.
Het middel is niet gegrond.
3.2.2. nopens het artikel 44, § 3, 2° W.BTW
a. Artikel 44, W.BTW bepaalt : "§ 3. Van de belasting zijn nog vrijgesteld : 2° de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1, met uitzondering van :
a) de volgende diensten :
- de terbeschikkingstelling van stallingen van rijtuigen;
- de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen;
- het verschaffen van gemeubelde logies in hotels, motels en inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend;
- de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen;
b) de onroerende financieringshuur (...);
c) de verhuur van safeloketten; "
De vrijstelling van onroerende verhuur moet strikt worden uitgelegd omdat ze een afwijking vormt op de algemene regel, die bepaalt dat BTW wordt geheven over allen diensten die door een belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.
Volgens het Hof van Justitie moeten de bewoordingen van artikel 13 van de Zesde Richtlijn strikt worden uitgelegd aangezien de in deze bepaling vermelde vrijstellingen afwijken van het algemeen beginsel dat de BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht.
De afbakening van de vrijstelling wordt echter bemoeilijkt door het feit dat het begrip (onroerende) verhuur niet gedefinieerd is in de Zesde Richtlijn. De Belgische BTW-wetgeving bevat evenmin een definitie van wat onder verhuur dient te worden verstaan. Bij gebrek aan zowel een communautaire als een nationale definitie dient het begrip "onroerende verhuur" uitgelegd te worden in de zin die er in het burgerlijk recht wordt aangegeven. Burgerrechtelijk is de verhuur van een onroerend goed een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om aan een andere partij gedurende een zekere tijd en tegen een bepaalde prijs het genot van een onroerend goed te verlenen (artikel 1709 B.W.).
Eén van de essentiële kenmerken van een onroerende verhuur bestaat in de verplichting in hoofde van de verhuurder om de huurder het rustige genot van het goed voor de duur van het contract te waarborgen (artikel 1719, 3° B.W.).
Om de onroerende verhuur te onderscheiden van de in artikel 18, § 1, 6° W.BTW bedoelde diensten, dient te worden nagegaan wat het essentiële voorwerp is van de overeenkomst.
Indien dit het verlenen van het exclusief gebruik en genot van een onroerend goed is, dan dient de overeenkomst te worden gekwalificeerd als een onroerende verhuur. Wanneer de overeenkomst tot doel heeft een recht te verlenen om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, betekent dit dat de gebruiker het recht heeft een bepaalde activiteit uit te oefenen in het onroerend goed, zonder dat hij een genotsrecht op het onroerend goed zelf verkrijgt.
Volgens het Hof van Justitie moet het begrip "verhuur van onroerende goederen" beperkt worden tot de situatie waarin de eigenaar of een rechthebbende van het onroerend goed aan een huurder tegen betaling van een huur voor een overeengekomen periode het recht verleent om zijn goed te gebruiken en andere personen daarvan uitsluit (Henri Vandebergh, BTW-Handboek, ed. Larcier 2003, n° 685 e.v.).
b. Eiseres stelt dat de kwestieuze overeenkomst de dato 23 december 1996 aan bovenvermelde voorwaarden voldoet daar het essentiële voorwerp der overeenkomst het genot van het onroerend goed is en niet het recht om een handelsinrichting of een andere inrichting te exploiteren, zodat de kwestieuze huurovereenkomst een vrijgestelde huurovereenkomst is.
c. In casu stelt de rechtbank vast dat :
- beide contractanten op hetzelfde adres gevestigd zijn, nauwe banden hebben met elkaar en tegelijkertijd gebruik maken van dezelfde lokalen om hun beroepswerkzaamheid uit te oefenen;
- beide contractanten bereikbaar zijn op eenzelfde telefoon- en faxnummer (stukken 1, 7 en 8 - verweerder);
- tengevolge van het samenwerkingscontract gesloten tussen NV I. G. en BVBA E., waardoor de aan haar toevertrouwde opdrachten uitgevoerd worden door eiseres en haar echtgenoot, hebben meerdere partijen (de eigenaar BVBA E. en NV I. G.) doorlopend en onbeperkte toegang tot de kwestieuze lokalen.
Dit wordt gevestigd door het feit dat de aanwezigheid van de eigenaar in de kwestieuze lokalen gevraagd wordt door de BVBA E. die instaat voor de materiële input van de dossiers.
Er kan enkel sprake zijn van een onroerende verhuur wanneer een overeenkomst wordt afgesloten die de gebruiker van een onroerend goed de rechten verleent die het gemeen recht aan een huurder toekent.
Omdat de verhuurder aan de huurder het rustig genot moet garanderen op het ter beschikking gestelde onroerend goed, is er slechts sprake van een huurcontract wanneer de huurder op het verhuurde pand exclusieve genotsrechten bezit.
Wanneer een verhuurder of derde op hetzelfde onroerend goed gelijktijdig permanente gebruiksrechten bezit, zal er geen sprake zijn van een onroerende verhuur, maar daarentegen van een overeenkomst die het recht verleent een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (Gent 8 november 2000, A.J.T. 2001, 664).
In casu blijkt uit de voormelde feitelijkheden dat het doorslaggevend element van de overeenkomst niet bestaat uit het verlenen van het recht op rustig genot van een uit zijn aard onroerend goed, maar hoofdzakelijk tot doel heeft de NV I. G. in staat te stellen haar beroepswerkzaamheden uit te oefenen en deze terbeschikkingstelling moet aangemerkt worden als een dienst beoogd bij artikel 18, § 1, tweede lid, 6° W.BTW.
Het middel is niet gegrond.
Subsidiair stelt eiseres dat de overdracht of het verlenen van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen betrekking heeft op de overeenkomst waarbij iemand tegen betaling van een vergoeding aan een ander het recht overdraagt of rechten verleent op het recht om een handelsinrichting of een andere inrichting te exploiteren, wat een inmenging vanwege de eigenaar in de handelsinrichting van de andere contractspartij impliceert. Deze stelling kan niet gevolgd worden.
De uitoefening van een beroepswerkzaamheid in de zin van artikel 18, § 1, 6° W.BTW dient ruim geïnterpreteerd te worden. Aldus kan op basis van de BTW-wetgeving niet gesteld worden dat de kwalificatie van het verlenen van een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen de exploitatie, de verkoop of de uitbating van een handelszaak veronderstelt. Deze vereiste stellen komt neer op het toevoegen van een voorwaarde die niet in de wet is voorzien (Henri Vandebergh, BTW-Handboek, op.uit. n° 693).
Het middel is niet gegrond.
3.3. nopens de boete
Eiseres stelt dat de betwisting tussen haarzelf en de administratie een puur theoretische betwisting is en verzoekt om kwijtschelding van de boete.
Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW wordt voor iedere overtreding aan de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete werd in toepassing van artikel 84, derde lid W.BTW en de tabel G, V, van de schaal in bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, bepaald op 20 %, afgerond naar de lagere … EUR, van de verschuldigde belasting.
Boetes van 10 % en 20 % op het BTW-bedrag en voor een bedrag van in totaal … EUR hebben een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de Rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen.
Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, Arrest nr. 22/99).
Dit kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbanken (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich mee dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Nu de betwisting wordt gevoerd op principiële gronden, welke niet van meet af aan als ongegrond konden worden aanzien, is er een grond om boetes op te leggen.
3.3. nopens de kosten
Eiseres wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet overeenkomstig artikel 1017, 1e lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
Verweerder begroot de gerechtskosten op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.
Verklaart het verzoekschrift ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder opgelegde boete van … EUR ongegrond is.
Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 17 februari 2005 tot op de datum van volledige betaling.
Wijst eiseres voor het overige af.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten in haar hoofde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag acht april tweeduizend en negen.
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
T. A., gedelegeerd griffier.
A. T. A. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.