Werken in onroerende staat, Verlaagd btw-tarief, Privéwoningen voor gehandicapten · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 15 maart 2022

Zoeken

Werken in onroerende staat, Verlaagd btw-tarief, Privéwoningen voor gehandicapten

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-verlaagd-hof-van-beroep-gent-2022-03-15-3943

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
15 maart 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

331 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 15.03.2022

WF 710-15-19/022991

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Werken in onroerende staat – Verlaagd btw-tarief – Privéwoningen voor gehandicapten – Instellingen voor gehandicapten – Nieuw gebouw

Wettelijke bepalingen

Rubriek XXXII van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970;

Rubriek X van tabel B van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970;

Beslissing btw nr. E.T.124.535 van 17 oktober 2013.

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige bouwt aangepaste woningen voor personen met een beperking, zodat deze zelfstandig kunnen wonen. In dit kader verbouwde zij een hoevewoning tot studio’s en een zorgloket en werden er eveneens nieuwe woonentiteiten bijgebouwd. De gerealiseerde woningen werden verkocht in de jaren 2014, 2015 en 2016. Voor de verkopen in 2014 paste tegenpartij het verlaagde btw-tarief van 12 procent toe. Voor de verkopen in de jaren 2015 en 2016 werd het verlaagde btw-tarief van 6% toegepast.

De discussie gaat over de toepassing van verlaagde btw-tarieven bij de verbouwing van de hoevewoning. De administratie was na een controle van mening dat tegenpartij ten onrechte de verlaagde btw-tarieven had toegepast. Aangezien hierover geen akkoord kon worden bereikt werd er een proces-verbaal opgesteld door de administratie. Op basis hiervan werd een dwangbevel opgesteld, geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Hiertegen legde de belastingplichtige een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. De eerste rechter oordeelde dat de vordering van de tegenpartij ontvankelijk maar ongegrond is. Tegen dit vonnis ging de belastingplichtige in hoger beroep.

2) Het arrest van het Hof van beroep

* Verkopen in het jaar 2015

Hoewel de belastingplichtige over zijn verkopen in het jaar 2015 het verlaagde btw-tarief van 6% aanrekende, voert zij aan dat deze verkopen alsnog zouden zijn vrijgesteld op grond van artikel 44, §3, 1°, a) WBTW. Dit aangezien de gebouwen al veel vroeger dan het jaar 2013 in gebruik zouden zijn genomen.

Het hof stelt echter vast dat dit in strijd is met de eerder door tegenpartij afgelegde officiële verklaringen. Zo verklaarde ze onder meer in een notariële akte dat zij een optionele btw-belastingplichtige was en dat het verlaagde btw-tarief van 6% van toepassing was bij de verkoop. Ook bij de administratie werd een verklaring door tegenpartij ingediend zoals vermeld in artikel 8 WBTW en KB nr. 14.

Omtrent de beweringen over de ingebruikname stelt het hof vast dat het hier gaat om een nieuw gebouw. Het gebouw onderging door de verbouwing namelijk ingrijpende wijzigingen in zijn aard, structuur en bestemming en de omgevingsvergunning voor de verbouwing werd pas in 2012 afgeleverd. Verder legt tegenpartij ook geen objectieve en concrete gegevens voor omtrent de werkelijke eerste ingebruikname van de gebouwen. Het vermeende gebruik waarop tegenpartij zich beroept heeft dan ook niet de verkochte woningen als voorwerp volgens het hof.

* Het toegepaste btw-tarief van 6%

Hoewel tegenpartij over haar verkopen in het jaar 2014 het btw-tarief van 12% hanteerde, stelt zij in haar besluiten dat over haar verkopen tijdens de jaren 2014, 2015 en 2016 het btw-tarief van 6% toepassing is en dit op basis van rubriek XXXII van tabel A als bijlage bij het KB nr. 20.

Het zou hier namelijk volgens haar gaan om privéwoningen voor gehandicapten.

Vooreerst stelt het hof samen met de administratie vast dat de belastingplichtige, zijnde de bouwheer, geen erkenning heeft verkregen als zorginstelling van de Vlaamse overheid. Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarde van rubriek XXXII, §1, 3° van tabel A als bijlage bij het KB nr. 20.

Verder stelt het hof vast dat de woningen niet geleverd werden aan een instelling opgesomd in rubriek XXXII, § 3 van tabel A van KB nr. 20

Tenslotte toont de belastingplichtige ook niet aan dat zij, voor wat betreft het door haar opgeworpen gelijkheidsbeginsel, tot een categorie behoort die voldoende vergelijkbaar is met de categorie van belastingplichtigen die wel aan het tarief van 6 procent onderworpen zijn, dit in het licht van de doelstelling en de aard van de gunstmaatregel, die deze verlaagd-tariefregel uitmaakt. De wetgever heeft duidelijk de categorieën die in aanmerking komen voor het betreffende verlaagd tarief afgebakend en moet geacht worden dat te hebben gedaan om op een objectieve wijze te kunnen verzekeren dat de doelstelling van de gunst gerespecteerd wordt.

* Het toegepaste btw-tarief van 12%

In ondergeschikte orde werpt tegenpartij op dat voor de verkochte woningen in het jaar 2014 het btw-tarief van 12% dan toch van toepassing zou zijn aangezien het zou gaan om een groep van assistentiewoningen bestemd voor de huisvesting van bejaarden.

Ook in dit geval stelt het hof samen met de administratie vast dat de belastingplichtige van de Vlaamse overheid geen erkenning heeft verkregen als zorginstelling.

Verder toont de belastingplichtige niet aan dat zij over een erkenning beschikt voor de zorgvorm “groep van assistentiewoningen” door het Agentschap Zorg en Gezondheid. Evenmin toont zij aan dat ze voldoet aan de voorwaarden van de beslissing btw nr. E.T.124.535 van 17 oktober 2013.

Daarnaast ontkent, noch ontkracht de belastingplichtige de stelling van de administratie dat de onroerende goederen in kwestie privéwoningen zijn voor gehandicapten en geen verblijfsinrichting voor bejaarden.

Het hof verklaart het hoger beroep van de belastingplichtige dan ook ontvankelijk maar ongegrond.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Gent, vijfde kamer

Datum van uitspraak 15 maart 2022

Rolnummer: 2021/AR/234

In de zaak van:

MVE. C.V.B.A., ON 084...75, met maatschappelijke zetel te ..., appellante, van een vonnis van de rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 6° kamer dd. 8.10.2020 hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...

tegen

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159, Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, BELGIË, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering - Ontvanger Team Invordering Gent 1, met burelen te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 101, BELGIË, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...,

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 20 april 2021 waarin het enkel oordeelde over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en als volgt uitspraak deed:

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk;

• de zaak wordt voor de behandeling ten gronde overeenkomstig artikel 747 §2 Ger. W. vastgesteld op de zitting van de vijfde kamer van dinsdag 15 februari 2022 om elf uur (15/02/2022 - 11:00 u);

• het hof bepaalt overeenkomstig artikel 747 52 Ger. W. een conc/usiekalender waarbij de partijen hun conclusie ter griffie van het hof moeten neerleggen:

- door de geïntimeerde: uiterlijk op 9 juli 2021;

- door de geïntimeerde: uiterlijk op 8 oktober 2021 (syntheseconclusie) en

- door de geïntimeerde: uiterlijk op 10 januari 2022 (syntheseconclusie).

• het hof houdt de uitspraak over de gerechtskosten aan.

De zaak werd ten gronde behandeld in de openbare terechtzitting van 15 februari 2022, waarna het debat opnieuw werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is een vennootschap die sedert 1 april 2012 geregistreerd is als btw¬belastingplichtige voor de activiteit van 'algemene bouw van residentiële gebouwen'.

Zij bouwt aangepaste woningen voor zorgbehoevenden, met name personen met een beperking, zodat deze zelfstandig kunnen wonen. Binnen dat kader was zij de bouwheer van een hoevewoning in Merelbeke die werd verbouwd tot studio's en zorgloket en heeft zij elf nieuwe woonentiteiten bijgebouwd. De appellante diende hiervoor op 29 juni 2012 een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in bij het gemeentebestuur van Merelbeke, waarna op 18 oktober 2012 een stedenbouwkundige vergunning volgde.

De gerealiseerde woningen werd verkocht in 2014, 2015 en 2016. De appellante heeft voor de 4 verkopen van een woning in 2014 het btw-tarief van 12 procent toegepast. Voor de verkopen in 2015 en 2016 was het btw-tarief van 6 procent toegepast.

De controleagenten van de geïntimeerde hebben van 2 mei 2017 een controle gestart, eerst voor de jaren 2014 en 2015, maar later uitgebreid naar 2016.

Tijdens de controle werd een bezoek gebracht aan de site waar de bouwwerken waren uitgevoerd.

Naar aanleiding van die controle stelde de geïntimeerde op 2 augustus 2018 een proces-verbaal op waarin werd geoordeeld dat de verlaagde btw-tarieven van 6% en 12% door de appellante onterecht werden toegepast.

Daarin werden de volgende bedragen verschuldigd verklaard:

- 309.842,79 euro btw;

- 30.980,00 euro proportionele geldboete;

- de wettelijke interest op de btw te rekenen vanaf 21 januari 2017.

Bij gebrek aan betaling werd op 23 november 2018 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 2 augustus 2018, vermeerderd met de moratoire interest op de verschuldigd verklaarde BTW en de geldboete. Het dwangbevel werd op 30 november 2018 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 11 januari 2019 werd het dwangbevel samen met het proces-verbaal middels een gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betaling betekend.

Met een verzoekschrift van 8 april 2019 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

In het vonnis van 8 oktober 2020 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg

Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beslist om:

- de vordering van de eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;

- eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel

4 §2 en 5 991 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Huidig verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren en erop recht doende:

Dienvolgens het vonnis a quo van de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen,

afdeling Gent d.d. 8 oktober 2020 te hervormen;

Te zeggen voor recht:

- M.b.t. de verkopen in 2015:

In hoofdorde dat deze verkopen zijn vrijgesteld van BTW op grond van art. 44 §3 1° a) W.BTW;

- M.b.t. de verkopen in 2014 & 2016

In hoofdorde dat deze verkopen voldoen aan de voorwaarden voorzien in het KB nr. 20, tabel A, rubriek XXXII §3 voor de toepassing van het 6% BTW tarief

In ondergeschikte orde dat deze verkopen, voor zover ze niet in aanmerking zouden komen voor het 6% BTW tarief, voldoen aan de voorwaarden voorzien in het KB nr. 20, tabel B, rubriek X voor de toepassing van het 12% BTW tarief

In die zin dan ook het bestreden dwangbevel d.d. 23 november 2018, gebaseerd op het proces-verbaal van 2 augustus 2018 van nul en generlei waarde te verklaren, minstens gedeeltelijk te vernietigen;

Concluante te ontslaan van de in dit dwangbevel met aangehecht proces-verbaal van haar gevorderde sommen en de teruggave te bevelen van de reeds betaalde sommen, te verhogen met moratoriuminteresten;

Gedaagde in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de betaalde rolrechten en de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, later nog te begroten.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van de appellante geheel ongegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis d.d. 8 oktober 2020 gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie burgerlijke rechtbank {6de kamer) in de zaak met rolnummer A.R. 19/1165/A te bevestigen;

De appellante te veroordelen tot alle kosten van het geding, inclusief de geïndexeerde rechtsplegingvergoeding in hoger beroep (€ 9.100,00).

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. Over de verkopen uit 2015: al dan niet vrijgesteld.van.btw

De appellante stelt dat ze, naderhand, tot de vaststelling is gekomen dat de verkoop van een aantal woningen in de rechtervleugel van de MVE.-site ten onrechte met btw werden verkocht. Volgens haar gaat het niet om nieuwbouw aangezien de eerste ingebruikname van de woning al dateerde van (ver) vóór 2013. Bovendien zou het om erfgoed gaan, wat zou beletten dat het om nieuwbouw gaat.

Het betreft de volgende verkopen, per factuurnummer:

128 25/06/2015 Leon Notte €229.699,46

130 25/06/2015 Valerie Notte €51.747,88

131 25/06/2015 Julie Notte €51.747,88

132 25/06/2015 Denis Notte €51.747,88

136 25/06/2015 Denis Notte €239.525,01

137 25/06/2015 Denis Notte €98.582,99

138 25/06/2015 Denis Notte €98.582,99

De appellante beroept zich ook op de vermelding in het proces-verbaal van 2 augustus 2018 dat aan het betwiste dwangbevel werd gehecht, waar op pagina 6 het volgende staat:

In dit opzicht werd in de ...straat te ... een hoevewoning verbouwd tot studio's en zorgloket en werden elf nieuwe woonentiteiten bijgebouwd.

De overdracht van die onroerende goederen is volgens de appellante op grond van artikel 44 §3 WBTW vrijgesteld van btw omdat dergelijke overdrachten van onroerende goederen enkel uitgesloten worden van die vrijstelling indien ze plaatsvinden vóór 31 december van het tweede jaar dat volgt op de eerste ingebruikname en de eerste ingebruikname van het rechterdeel van de hoeve daadwerkelijk dateert van tientallen jaren geleden.

De appellante stelt dat het dwangbevel wat dat betreft onterecht is met betrekking tot een bedrag aan btw van 123.245,11 euro.

De geïntimeerde wijst erop dat de appellante zich pas in de gerechtelijke fase erop heeft beroepen dat op de betreffende verkopen van 2015 geen btw toepasselijk zou zijn.

Het bedrag van 123.245,11 euro dat door de appellante wordt betwist, is weliswaar het bedrag aan btw dat in het dwangbevel vervat zit met betrekking tot de verkopen van onroerend goed in 2015, maar is slechts het verschil tussen het door de appellante aangerekende 6 procent en het volgens de geïntimeerde verschuldigde 21%. Hoewel de appellante inhoudelijk met dit argument aanvoert geen enkele euro aan btw over die verkopen te moeten betalen, betwist ze slechts 15 procent van het volgens de geïntimeerde verschuldigde bedrag.

Beoordeling

Deze stelling van de appellante gaat uit van de aanname dat de verkopen uit 2015 niet aan de btw onderworpen zijn (maar aan het registratierecht) want vrijgesteld omdat het om de overdracht van onroerende goederen gaat waarvoor artikel 44 §3 WBTW vrijstelling

voorziet.

Het gaat om verkopen van gebouwen aan particulieren.

Van de vrijstelling zijn in dat geval evenwel uitgesloten, de overdrachten van gebouwen wanneer hun vervreemding wordt verricht ten laatste op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming (art. 44, §3, 1°, a), 2°° lid WBTW). Met andere woorden: er geldt geen vrijstelling en de overdracht van de gebouwen is onderworpen aan de btw indien hij gebeurt vóór het verstrijken van de termijn van twee jaar (twee kalenderjaren) die begint te lopen vanaf 1 januari van het jaar waarin het gebouw voor het eerst in gebruik werd genomen. Gelet op het feit dat de verkopen in 2015 plaatsvonden, gaat de stelling van de appellante ervan uit dat de eerste ingebruikneming dateert van vóór 1 januari 2013. Voor elk gebouw dat in 2013 in gebruik zou zijn genomen, was het immers voor de toepassing van artikel 44 §53, 1° WBTW als 'nieuw' te beschouwen indien het nog ten laatste op 31 december 2015 werd verkocht, terwijl voor elk gebouw dat al in 2012 in gebruik zou zijn genomen, het voor de toepassing van artikel 44 §3, 1° WBTW als 'nieuw' te beschouwen was indien het nog ten laatste op 31 december 2014 werd verkocht.

De appellante roept concreet in dat de gebouwen al vele ('tientallen') jaren in gebruik werden genomen, zonder een precieze datum te vermelden.

Zoals de geïntimeerde stelt, is die stelling van de appellante in strijd met haar eigen eerder afgelegde officiële verklaringen.

In de notariële akte van 25 juni 2015 (Rep. 298/2015) (stuk 5 geïnt.) werd op pagina 20 en 21 onder de rubriek verklaringen pro fisco) in dat verband precies het omgekeerde verklaard. Er staat immers dat zij optionele Btw-plichtige in de zin van het Btw-Wetboek was en verder ook dat de facturatie van de constructies ter gelegenheid van deze akte aan het btw-tarief van zes procent (6 %) gebeurt, en hiervoor een erkenning in aanvraag overeenkomstig beslissing BTW E.T. 125.365 de dato 11 april 2014 bestaat. Partijen komen overeen dat elke verhoging van het btw-tarief inzake facturatie van voormelde constructies uitsluitend ten Jaste van de genoemde vennootschap Zorgsite MVE. zal vallen.

De geïntimeerde wijst er ook met reden op dat de gevolmachtigde boekhouder van de appellante de stelling dat de btw toepasselijk was omdat het om 'nieuwbouwgelegenheden' ging, uitdrukkelijk herhaald heeft tijdens de controlewerkzaamheden (zie diens brief van 26 oktober 2017 - stuk 3 geïnt.) door te schrijven: Er werden 20 woongelegenheden verkocht met 6% Btw in toepassing van KB art. 20 verkoop van nieuwbouwwoongelegenheden, en toepassing van beslissing BTW ET 125.365 dd. 11.04.2014.

In dezelfde lijn daarvan heeft de appellante op het btw-kantoor een verklaring ingediend, zoals vermeld in artikel 8 WBTW en KB nr. 14 (ook al werd de btw naderhand opgenomen in de gewone, periodieke btw-aangiften).

De appellante heeft die stelling ook bevestigd door de verkopen te factureren met aanrekening van btw en dus niet te laten onderwerpen aan het registratierecht (dat wel zou verschuldigd zijn geweest mocht het om de verkoop van onroerende goederen gaan die niet 'nieuw' in de zin van artikel 44 §3 WBTW te beschouwen zijn).

Concrete, objectieve gegevens met betrekking tot de werkelijke eerste ingebruikneming van de betreffende gebouwen liggen niet voor.

Tegen de geschetste achtergrond is de verklaring van de appellante dat de verkochte gebouwen al in gebruik genomen waren (vele jaren) vóór 1 januari 2013, niets meer dan een eenzijdige bewering.

Waar de appellante er zich op beroept dat de geïntimeerde in zijn proces-verbaal zelf vermeldt dat de woongelegenheden zich bevinden in een hoeve die werd gerenoveerd en verbouwd, geldt dat voor de toepassing van artikel 44, §3, 1° WBTW geen rekening kan worden gehouden met een gebruik dat dateert van vóór de tijd dat het onroerend goed voor zijn bestemming bedoeld werd waarvoor het werd verbouwd. Zo gaat het ontegensprekelijk om een nieuw gebouw wanneer wegens de in het oude gebouw uitgevoerde werken dit een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen van zijn structuur heeft ondergaan, namelijk in zijn aard, zijn structuur en, in voorkomend geval, zijn bestemming (aanschrijving nr. 16/1973, van 28.06.1973, nr. 10, 3°). Zoals de geïntimeerde met reden laat gelden, gaat het hier kennelijk om een hoevegebouw die een nieuwe bestemming en aard gekregen heeft na de renovatiewerken. Waar een hoevegebouw alvast meer dan alleen voor bewoning kan bestemd zijn - terwijl de appellante met niets aangeeft, laat staan bewijst dat het betreffende gedeelde van de U-vormige hoeve een woning uitmaakte - werd het omgevormd tot meerdere eenheden die uitsluitend voor bewoning bestemd zijn.

De omgevingsvergunning (toen nog stedenbouwkundige vergunning) werd pas in 2012 afgeleverd.

Het is duidelijk dat het gebruik waarop de appellante zich kennelijk beroept (dat moet dateren van vóór 2013) niet de verkochte woningen als voorwerp kan hebben gehad:

De grief is ongegrond.

4.2. Over de toepassing van het tarief van 6 procent

De appellante stelt dat zij woongelegenheden voor mensen met een lichamelijke beperking gebouwd en een hoeve gerenoveerd heeft om er woonentiteiten voor mensen met een handicap en een zorgloket in onder te brengen en ze vervolgens verkocht heeft aan particulieren.

Die particulieren, zo stelt de appellante, verhuren op hun beurt deze woningen met een lange termijn huurcontract aan VZW Zorgdorpen (= de wooncomponent), waarna VZW Zorgdorpen op haar beurt die woningen verhuurt aan personen met een lichamelijke beperking. De dagelijkse reguliere zorg in die woongelegenheden zou worden verstrekt door een dienst voor thuiszorg en thuisverpleging naar keuze van de bewoner en voor de gespecialiseerde, specifieke zorg ingevolge de lichamelijke beperking zou de zorg verstrekt worden door VZW De Heide, een erkende instelling (zgn. 'vergunde voorziening').

De appellante stelt dat zij, VZW Zorgdorpen en VZW De Heide voor de toepassing van de RSZ deel uitmaken van één technische bedrijfseenheid.

Zij zouden een pioniersrol in Vlaanderen vervullen wat betreft scheiding van wonen, leven en zorg, waarvoor zij gehonoreerd zouden worden door de Provincie Oost-Vlaanderen (cfr. het project "Wonen voor specifieke doelgroepen" van de Provincie Oost-Vlaanderen).

De verkoop van dergelijke nieuwe woningen zou slechts aan het tarief van 6 procent (mogen) onderworpen zijn met toepassing van KB nr. 20, tabel A, rubriek XXXII, § 1,3° of van KB nr. 20, tabel A, rubriek XXXIII,§ 1, 3°.

Beoordeling

Het hof stelt vast dat de appellante dit middel enerzijds ontwikkeld 'm.b.t. de verkopen in 2014 en 2016', maar evenzeer stelt dat het tarief van 6 procent toepasselijk is op de verkopen van zowel 2014, 2015 als 2016.

De vraag om het tarief van 6 procent toe te passen op de verkopen van 2014 is op zich al in strijd met haar eigen facturatie, nu ze toen het tarief van 12 procent heeft toegepast. Ook hier geldt dat dit middel inhoudelijk zou doen besluiten dat ze slechts 6 procent verschuldigd is, maar dat in het dwangbevel niet (21 - 6 =) 15 procent aan btw is opgenomen, maar slechts (21-12 =) 9 procent. Er is hoe dan ook de vaststelling dat de appellante destijds zelf niet van oordeel was dat ze recht had op een verlaagd tarief van 6 procent.

De vraag om het tarief van 6 procent te kunnen genieten voor de verkoop van de betreffende woningen steunt in eerste orde op de toepassing van de bijlage van KB nr. 20, tabel A, rubriek XXXII, § 1 en §3 ,waarvan de tekst als volgt luidt:

Privé-woningen voor gehandicapten

§ 1. Mits voldaan is aan de hierna gestelde voorwaarden, is het verlaagd tarief van toepassing op de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Wetboek, met uitsluiting van het reinigen, en op de andere instellingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°.

1 ° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan hetzij:

a) een gewestelijke huisvestingsmaatschappij of een door haar erkende maatschappij voor sociale huisvesting;

b) een provincie, een intercommunale, een gemeente, een intercommunaal openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;

c) een vereniging zonder winstoogmerk of een vennootschap met sociaal oogmerk die in het kader van het huisvestingsbeleid van personen met een handicap worden erkend door de bevoegde overheid of door een door haar opgericht agentschap of fonds voor personen met een handicap;

2° de handelingen moeten worden verricht aan een woning die, in ieder geval na de uitvoering ervan, specifiek aangepast is om door een gehandicapte als privé-woning te worden gebruikt;

3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning die bestemd is om te worden verhuurd, door een onder 1 ° bedoelde instelling, maatschappij, vereniging zonder winstoogmerk of vennootschap met sociaal oogmerk aan een persoon met een handicap die een tegemoetkoming geniet van een fonds of een agentschap voor personen met een handicap dat door de bevoegde overheid is erkend;

4° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen: behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

[ ... ]

93. Het verlaagd tarief is eveneens van toepassing op de leveringen van goederen bedoeld in

artikel 1, § 9, van het Wetboek alsook op de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, 9 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, wanneer die goederen:

- specifiek zijn aangepast om door een gehandicapte als privé-woning te worden gebruikt;

- worden geleverd en gefactureerd aan de instellingen of maatschappijen bedoeld _in paragraaf 1, 1 °;

- en bestemd zijn om te worden verhuurd door deze instellingen of maatschappijen aan gehandicapten bedoeld in paragraaf 1, 3°.

Volgens de beschikbare informatie, namelijk de hoger al vermelde notariële akte, heeft de appellante verklaard om optionele btw-belastingplichtige te zijn in de zin van artikel 8 WBTW, terwijl werd vastgesteld dat de appellante op het btw-kantoor een verklaring heeft ingediend zoals vermeld in artikel 8 WBTW en KB nr. 14 (dossiernummer 710/277/2014). Er werd echter vastgesteld dat de btw werd opgenomen in de gewone, periodieke btw¬aangiften.

In de notariële akte van 25 juni 2015, op pagina 21 (stuk 5 geïnt.) werd het volgende vermeld: De genoemde vennootschap Zorgsite MVE. vertegenwoordigd als gezegd, verklaart en erkent dat de facturatie van de constructies ter gelegenheid van deze akte aan het btw-tarief van zes procent (6%) gebeurt, en hiervoor een erkenning in aanvraag overeenkomstig beslissing BTW nummer ET 125.365 de dato 11 april 2014 bestaat. Partijen komen overeen dat elke verhoging van het btw-tarief inzake de facturatie van voormelde constructies uitsluitend ten laste van de genoemde vennootschap Zorgsite MVE. zal vallen.

De geïntimeerde laat evenwel terecht gelden dat de appellante, zijnde de bouwheer, geen erkenning als zorgstelling heeft gekregen van de Vlaamse overheid.

In elk geval bewijst de appellante niet te voldoen aan de voorwaarde voorzien in het KB nr. 20, tabel A, rubriek XXXII, § 1, 3° omdat de appellante geen vennootschap is met sociaal oogmerk die in het kader van het huisvestingsbeleid van personen met een handicap erkend werd door de bevoegde overheid of door een door haar opgericht agentschap of fonds voor personen met een handicap (en al evenmin een gewestelijke huisvestingsmaatschappij of een door haar erkende maatschappij voor sociale huisvesting, noch een provincie, een intercommunale, een gemeente, een intercommunaal openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn), zijnde een instantie zoals bedoeld in §1, 1 ° van diezelfde rubriek.

Evenmin is voldaan aan de voorwaarde dat de woningen moeten geleverd zijn aan een instelling opgesomd in het KB nr. 20, tabel A, rubriek XXXII, S 3, waar immers (ook) gerefereerd wordt aan de instantie bedoeld in §1, 1° van diezelfde rubriek. Uit de controle is gebleken dat de woningen werden verkocht aan privépersonen die op hun beurt een notarieel huurcontract van 27 jaar hebben afgesloten met de VZW Zorgdorpen. De VZW Zorgdorpen sluit op haar beurt huurcontracten af met de bewoners.

De VZW Heide staat in voor de dagelijkse zorg van de bewoners. De VZW Heide is een door de Vlaamse overheid erkende vereniging. De VZW Heide is evenwel geen eigenaar van de gebouwen en aan haar werden de onroerende goederen niet verkocht, noch gefactureerd.

Dit middel werd door de eerste rechter terecht afgewezen.

De appellante beroept zich ook nog op rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20, meer bepaald de paragrafen 1 en 3 die de volgende tekst bevatten:

Instellingen voor gehandicapten

§ 1. Mits voldaan is aan de hierna gestelde voorwaarden, is het verlaagd tarief van toepassing op de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, s 2, tweede lid, van het Wetboek, met uitsluiting van het reinigen, en op de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°:

1 ° de handelingen moeten worden verricht aan woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor huisvesting van gehandicapten;

2° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die een instelling beheert die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf personen met een handicap huisvest en die om deze reden een tegemoetkoming geniet van een fonds of een agentschap voor personen met een handicap dat door de bevoegde overheid is erkend;

3° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief

[ ... ]

§3. Het verlaagd tarief is eveneens van toepassing op de leveringen van goederen bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek alsook op de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1 °, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, wanneer die gebouwen bestemd zijn om als woningcomplex te worden gebruikt voor de huisvesting van gehandicapten en ze worden geleverd en gefactureerd aan een in paragraaf 1, 2° bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon.

Het hof kan slechts vaststellen dat de appellante niet aantoont dat het gaat over handelingen die werden 'verstrekt en gefactureerd aan een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die een instelling beheert die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf personen met een handicap huisvest en die om deze reden een tegemoetkoming geniet van een fonds of een agentschap voor personen met een handicap dat door de bevoegde overheid is erkend'.

In zoverre de appellante refereert aan het gelijkheidsbeginsel, toont ze niet aan dat ze tot een categorie behoort die voldoende vergelijkbaar is met de categorie van belastingplichtigen die wel aan het tarief van 6 procent onderworpen zijn, dit in het licht van de doelstelling en de aard van de gunstmaatregel die deze verlaagd-tariefregel uitmaakt.

De wetgever heeft duidelijk de categorieën die in aanmerking komen voor het betreffende verlaagd tarief afgebakend en moet geacht worden dat te hebben gedaan om op een objectieve wijze te kunnen verzekeren dat de doelstelling van de gunst gerespecteerd wordt.

De grief is ongegrond.

4.3. Over de toepassing van het tarief van.12 procent

De appellante stelt (subsidiair) dat de groep van woongelegenheden waarop de navordering van de btw betrekking heeft, intussen werd erkend als groep van assistentiewoningen (voor onbepaalde duur toegekend onder erkenningsnummer PE3375, met dossiernummer 438.208 bij het Agentschap Zorg en Gezondheid). De appellante zou recht hebben op de toepassing van het btw-tarief van 12 procent overeenkomstig KB nr. 20, tabel B, rubriek X.

De eerste rechter oordeelde volgens de appellante ten onrechte dat de voorlopige erkenning niet volstond om het btw-tarief van 12 procent toe te passen ten aanzien van de appellante omdat zij niet de aanvrager van de erkenning was. De appellante stelt dat de erkenning de groep van assistentiewoningen zelf betreft en niet wordt toegekend ten aanzien van de aanvrager. De erkenning zou dus enkel inhouden dat de desbetreffende groep van assistentiewoningen zelf voldoet aan de erkenningsvoorwaarden; de aanvrager zou niet van belang zijn.

De appellante stelt dat de Vlaamse Overheid wegens een wijziging in het beleid met betrekking tot verblijfsinrichtingen voor bejaarden, kansen wilde bieden aan particulieren die willen investeren in seniorenhuisvesting (ze verwijst naar Beslissing BTW, nr. E.T. 124.535 van 17 oktober 2013, www.fisconetplus.be). Dat zou met zich hebben gebracht dat het aandeel van de particuliere beleggers in de sector van de erkende groepen van assistentiewoningen toenam onder de vorm van de individuele aankoop van een nieuwe bejaardenflat door die beleggers. Daarom zou de Minister van Financiën beslist hebben dat de toepassing van het verlaagde tarief van 12% moest worden afgestemd op dat gewijzigde beleid door het verlaagd tarief van 12% ook van toepassing te maken op de verkoop van een afzonderlijk geleverde bejaardenflat aan een particulier, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

- de bejaardenflat is een assistentiewoning die deel uitmaakt van een erkende groep van assistentiewoningen in die zin dat de flat blijvend deel uitmaakt van de capaciteit van de erkende groep van assistentiewoningen;

- de koper van de assistentiewoning is verplicht die woning ter beschikking te stellen van de beheersinstantie van de erkende groep van assistentiewoningen onder de vorm van een verhuur of onder de vorm van de vestiging van een zakelijk recht;

- het blijvend karakter van de aanwending van de bejaardenflat gedurende een periode van minstens vijftien jaar als deel van de erkende groep van assistentiewoningen en, ipso facto, van de aanwending van het gebouw als erkende groep van assistentiewoningen moet afdoend blijken uit of worden aangetoond aan de hand van een geheel van eensluidende bewijsstukken.

Dat wijst er volgens de appellante op dat ook de overdracht van een groep van assistentiewoningen (met inbegrip van bewoners zoals bejaarden) aan een particulier, die op zijn beurt de assistentiewoning ter beschikking stelt aan de beheersinstantie van de erkende groep van assistentiewoningen, onderworpen is aan het verlaagd btw-tarief van 12 procent. Concreet zou de beheerinstantie conform de erkenning, de VZW Zorgdorpen zijn. Het beheer van de groep van de erkende assistentiewoningen zou dus effectief waargenomen worden door de appellante zelf. Aan elk van de voorwaarden zou dan ook voldaan zijn.

Beoordeling

De bepalingen waarop de appellante zich steunt, namelijk uit KB nr. 20, tabel B, rubriek X, §1, luiden als volgt:

Huisvesting in het kader van het sociaal beleid

§1. Het verlaagd tarief van 12 pct. is van toepassing op:

A. de leveringen van nagenoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1", van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, wanneer die goederen bestemd zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid:

[ ... ]

d) woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, leerlingen en studenten, minderjarigen, thuislozen, personen in moeilijkheden, personen met een psychische stoornis, mentaal gehandicapten en psychiatrische patiënten, en die worden geleverd en gefactureerd aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die beheren:

Het hof stelt vast dat de appellante de toepassing van het tarief van 12 procent zelf enkel heeft toegepast op de aankopen van 2014.

Ze was toen kennelijk van oordeel dat het ging om ' een groep van assistentiewoningen' en dus een 'woningcomplex bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden'.

In het Vlaamse woonzorgdecreet van 13 maart 2009 wordt de zorgvorm "groep van assistentiewoningen" in artikel 33 als volgt gedefinieerd:

Een groep van assistentiewoningen is een voorziening die bestaat uit een of meerdere gebouwen die functioneel een geheel vormen en waar, onder welke benaming ook, aan gebruikers van 65 jaar of ouder die er zelfstandig verblijven in individuele aangepaste wooneenheden, huisvesting wordt gegeven en ouderenzorg waarop zij facultatief een beroep kunnen doen.

De appellante zelf, zijnde de bouwheer, heeft geen erkenning vanwege de Vlaamse overheid als zorginstelling.

Voor de verkopen in 2014 (zoals al vermeld, de enige waarvoor de appellante het tarief van 12% heeft ingeroepen) werd in de notariële akte van 10 oktober 2014 op pagina 18 (stuk 6 geïnt.) het volgende vermeld:

de facturatie van de constructies ter gelegenheid van deze akte aan twaalf procent gebeurt op basis van een erkenning in aanvraag als 'groep van assistentiewoningen' (beslissing btw nummer ET 124.535 de dato 17 oktober 2013); mocht deze erkenning niet bekomen worden, zal er een nieuwe facturatie gebeuren aan het juiste btw-tarief

Met andere woorden: de appellante heeft zelf verduidelijkt dat ze een erkenning nodig had om van het betreffende tarief van 12 procent te kunnen genieten en dat ze toen nog maar een aanvraag had ingediend voor het bouwen van een 'groep van assistentiewoningen'.

Waar de appellante stelt dat de groep van woongelegenheden waarop de navordering van de btw betrekking heeft, intussen immers werden erkend als groep van assistentiewoningen en dat aan elk van de voorwaarden opgenomen in de Beslissing BTW nr. E. T. 124.535 dd. 17 oktober 2013 is voldaan, laat de geïntimeerde met reden gelden dat geen andere erkenning voorligt dan deze vanwege de Vlaamse overheid van 3 december 2018 en dat dit slechts een voorlopige erkenning is (zoals expliciet aangegeven in de titel en artikel 1 van het besluit - stuk 7 geïnt.) die bovendien niet aan de appellante zelf maar aan de vzw Dender Services werd uitgereikt. Het betreft trouwens een erkenning die werd afgeleverd door het Agentschap Zorg en Gezondheid 'zonder inspectie'.

De stelling van de appellante steunt trouwens op de aanname dat de verkochte woningen (ook deze in het jaar 2016 (het middel wordt in ingeroepen voor de verkopen in het jaar 2015) 'assistentiewoningen' zijn en dus dat de betreffende woningen gebruikt worden door bejaarden (zie de hoger vermelde definitie: 'gebruikers van 65 jaar of ouder). Dat is ook het beperkte toepassingsgebied waarop de door de appellante ingeroepen beslissing BTW nr. E.T. 124.535 betrekking heeft: namelijk de toepassing van de bepalingen van voormelde rubriek X van bijlage B van KB nr. 20 met betrekking tot het btw-tarief van 12 procent in de sector van de 'verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg'.

De appellante ontkent, noch ontkracht de stelling van de geïntimeerde dat de Residentie MVE. waarin de betreffende onroerende goederen zich situeren privéwoningen zijn voor gehandicapten en geen verblijfsinrichtingen voor bejaarden.

Ook deze grief.

4.4. Over de proportionele geldboeten

Zowel uit haar tweede als uit haar derde middel leidt de appellante af dat de in het dwangbevel opgenomen proportionele geldboetes onterecht werden aangerekend.

Nu deze middelen ongegrond zijn gebleken, zijn de vorderingen om (ook) de proportionele geldboetes als onverschuldigd te beschouwen, ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

5.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

Hof van beroep Gent - 2021/AR/234 - p. 15

5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding .betreft

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 250.000,01 tot 500.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 9.100,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 9.100,00 euro.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist, na zijn tussenarrest van 20 april 2021, als volgt over de grond van het hoger beroep:

• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

• het bestreden vonnis wordt bevestigd.

• het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 9.100,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 15 maart 2022.

Aanwezig:

Ondertekeningen

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent

Vonnis van 8 oktober 2020

Rolnummer: 19/1165/A

IN DE ZAAK VAN:

MVE cvba, met ondernemingsnummer 084...75 en maatschappelijke zetel te ... thans volgens KBO met ondernemingsnummer 084...75 en maatschappelijke zetel te ..., eisende partij; vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat met kantoor te ...,

TEGEN:

BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert Il-laan 33/971, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit: TEAM INVORDERING RECHTSPERSONEN GENT 1, met kantoren te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 101, verwerende partij, voor wie optreedt Z, attaché bij een fiscaal bestuur;

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 10 september 2020. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 8 april 2019, het dwangbevel inzake BTW {RCIV nummer 500/.../...52} en de conclusie van verweerster.

ll. DE VORDERING

Eiseres vordert in verzoekschrift de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

"In hoofdorde, het dwangbevel uitgevaardigd lastens CVBA MVE op 23 november 2018 en uitvoerbaar verklaard door de heer Jacques Verstraete, adviseur, op 30 november 2018 te vernietigen, minstens ongegrond te verklaren

Ondergeschikt, het dwangbevel uitgevaardigd lastens CVBA MVE op 23 november 2018 en uitvoerbaar verklaard door de heer Jacques Verstraete, adviseur, op 30 november 2018, gedeeltelijk ongegrond te verklaren, namelijk in de mate dat betrekking heeft op een bedrag aan btw dat het tarief van 12% overstijgt en de daarop betrekking hebbende boete en interesten.

De Belgische Staat te veroordelen tot de teruggave van alle ten onrechte geïnde sommen, meer de interesten aan 0,80% per maand;

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, begroot op € 8.400 (basisbedrag voor een vordering tussen € 250.000,01 en € 500.000,00).

Verweerster vordert in 'tweede conclusie' de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de gedingkosten.

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1. Eiseres is sedert 1 april 2012 voor BTW-doeleinden geregistreerd onder het nummer BE084...75 voor de activiteit van "algemene bouw van residentiële gebouwen". Eiseres is gehouden tot het indienen van periodieke aangiften en zij is geregistreerd te 9820 Merelbeke, Poelstraat 102. De maatschappelijke zetel is gevestigd op hetzelfde adres thans volgens KBO met maatschappelijke zetel te 9820 Merelbeke, Burg. Van Gansberghelaan 83.

2. De vennootschap bouwt aangepaste woningen voor zorgbehoevenden, met name voor personen met een beperking, zodat deze zelfstandig kunnen wonen.

Met dit doel voor ogen werd in de Poelstraat 102 te 9820 Merelbeke een hoevewoning verbouwd tot studio's en zorgloket en werden elf nieuwe woonentiteiten bijgebouwd. De CVBA MVE diende hiervoor op 29 juni 2012 een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in bij het gemeentebestuur van Merelbeke. Het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Merelbeke gaf in zitting van 18 oktober 2012 gunstig advies voor deze aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning.

3. Op 2 mei 2017 werd door dhr. X, adviseur bij de FOD Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit en verbonden aan KMO Centrum Gent Controle 11 een e-mailbericht verstuurd aan de gevolmachtigde boekhouder, dhr. G.S., met het verzoek om op 8 juni 2017 een fiscale controle uit te voeren van eiseres inzake inkomstenjaren 2014 en 2015.

4. Op 8 juni 2017 werd dhr. X, samen met collega, mevr. Y, adviseur bij de FOD Financiën, ontvangen door dhr. G.S., gevolmachtigde boekhouder op het adres ... waar een lokaal voorzien was waar de controle kon plaatsvinden. Tijdens de controle werd een bezoek gebracht aan de site gelegen ...straat te ....

5. Op 26 oktober 2017 werd door dhr. G.S. een e-mail gezonden aan KMO Centrum Gent Controle 11 met daarin zijn argumentatie waarom afgeweken werd van het algemeen tarief van 21% bij de verkoop van de wooneenheden.

6. Aangezien dezelfde problematiek zich voordeed in het jaar 2016 werd de controleperiode destijds uitgebreid. De controleperiode liep dus vanaf 1 januari 2014 tot 31 december 2016.

7. Naar aanleiding van deze BTW-controle, stelde dhr. X, adviseur bij de FOD Financiën op 2 augustus 2018 een proces-verbaal op, waarin werd geoordeeld dat de verlaagde BTW-tarieven van 6% en 12% door eiseres onterecht werden toegepast.

8. Op 11 januari 2019 werd door de gerechtsdeurwaarder C.V. een dwangbevel met bevel tot betaling betekend, met daaraan gehecht het dwangbevel uitgevaardigd jegens eiseres op 23 november 2018 en uitvoerbaar verklaard door dhr. Jacques Verstraete, adviseur bij de FOD Financiën, op 30 november 2018 en het voormelde proces-verbaal opgesteld door dhr. X, adviseur bij de FOD Financiën op 2 augustus 2018.

9. Eiseres verzette zich tegen het hierboven dwangbevel en legde daarom op 8 april 2019 een verzoekschrift neer ter griffie van deze rechtbank.

IV. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

2. Ten gronde

Inzake het BTW-tarief

2.1.

Eiseres stelt dat zij voor 7 verkopen van woongelegenheden uit 2015 ten onrechte btw heeft aangerekend. Deze verkopen hebben betrekking op onroerende goederen waarvan de eerste ingebruikname dateert van vóór 2013 en deze zijn vrijgesteld van btw op grond van artikel 44 53 W. BTW.

Ondergeschikt vraagt eiseres de toepassing van het btw-tarief van 6% wegens gehandicaptenwoningen.

In uiterst ondergeschikte orde vraagt eiseres de toepassing van het btw-tarief van 12% wegens een groep van assistentiewoningen.

2.2.

KB nr. 20, Tabel A. XXXII. Privé-woningen voor gehandicapten bepaalt:

§ 1. Mits voldaan is aan de hierna gestelde voorwaarden, is het verlaagd tarief van toepassing op de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Wetboek, met uitsluiting van het reinigen, en op de andere handelingen opgesomd In rubriek XXXI § 3, 3° tot 6°:

1° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan hetzij

a) een gewestelijke huisvestingsmaatschappij of een door haar erkende maatschappij voor sociale huisvesting;

b) een provincie, een intercommunale, een gemeente, een intercommunaal openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;

c) een vereniging zonder winstoogmerk of een vennootschap met sociaal oogmerk die in het kader van het huisvestingsbeleid van personen met een handicap worden erkend door de bevoegde overheid of door een door haar opgericht agentschap of fonds voor personen met een handicap;

2° de handelingen moeten worden verricht aan een woning die, in ieder geval na de uitvoering ervan, specifiek aangepast is om door een gehandicapte als privé-woning te worden gebruikt;

3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning die bestemd is om te worden verhuurd, door een onder 1° bedoelde instelling, maatschappij, vereniging zonder winstoogmerk of vennootschap met sociaal oogmerk aan een persoon met een handicap die een tegemoetkoming geniet van een fonds of een agentschap voor personen met een handicap dat door de bevoegde overheid is erkend;

4° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

§ 2. Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op:

1° werk in onroerende staat en de andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;

2° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midget-golfbanen, tennisterreinen en dergelijke Installaties.

§ 3. Het verlaagd tarief is eveneens van toepassing op de leveringen van goederen bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek alsook op de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, wanneer die goederen :

- specifiek zijn aangepast om door een gehandicapte als privé-woning te worden gebruikt;

- worden geleverd en gefactureerd aan de Instellingen of maatschappijen bedoeld in paragraaf 1, 1°;

- en bestemd zijn om te worden verhuurd door deze instellingen of maatschappijen aan gehandicapten bedoeld in paragraaf 1,3°.

§ 4. Het verlaagd tarief is eveneens van toepassing op de onroerende financieringshuur of onroerende leasing bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek en op de onroerende verhuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2° d), van het Wetboek, die betrekking hebben op gebouwen die specifiek aangepast zijn om door een gehandicapte als privéwoning te worden gebruikt, wanneer de afnemer een in s 1, 1° genoemde maatschappij of instelling is die deze gebouwen verhuurt aan de in § 1, 3°, genoemde gehandicapten.

KB nr. 201 Tabel B. X. Huisvesting in het kader van het sociaal beleid bepaalt:

§ 1. Het verlaagd tarief van 12 pct., is van toepassing op:

A) de leveringen van nagenoemde goederen bedoeld in artikel 1, 5 9, van het Wetboek alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1 °, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, wanneer die goederen bestemd zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid:

a) privé-woningen die worden geleverd en gefactureerd aan de provincies, de intercommunales, de gemeenten, de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de gemengde holdingmaatschappijen waarin de overheid een meerderheid heeft, en die door deze instellingen of maatschappijen worden bestemd om [ ... ] te worden verhuurd;

b) privé-woningen die worden geleverd en gefactureerd aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en die door deze centra worden bestemd om [ ... ] te worden verkocht;

c) privé-woningen die [ ... ] worden geleverd en gefactureerd door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

d) woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, leerlingen en studenten, minderjarigen, thuislozen, personen in moeilijkheden, personen met een psychische stoornis, mentaal gehandicapten en psychiatrische patiënten en die worden geleverd en gefactureerd aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die beheren:

1 ° verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend In het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg;

2° internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen;

3° jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, minderjarigen huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid in het kader van de wetgeving op de jeugdbescherming of de bijzondere jeugdbijstand;

4° opvangtehuizen die in dag- en nachtverblijf thuislozen en personen in moeilijkheden huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid;

5° psychiatrische verzorgingstehuizen die op een duurzame wijze in dag- en nachtverblijf personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis of mentaal gehandicapten huisvesten en die door de bevoegde overheid erkend zijn;

6° gebouwen waar, ten titel van een initiatief van beschut wonen erkend door de bevoegde overheid, het op een duurzame wijze huisvesten in dag- en nachtverblijf en het begeleiden van psychiatrische patiënten plaatsheeft;

B) werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Wetboek, met uitsluiting van het reinigen, en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A met betrekking tot de onder A genoemde privé-woningen en woningcomplexen mits die worden verstrekt en gefactureerd [ ... ] aan de onder A genoemde publiekrechtelijke en privaatrechtelijke personen;

C) de onroerende financieringshuur of onroerende leasing bedoeld in artikel 44, 5 3, 2°, b), van het Wetboek en de onroerende verhuur, bedoeld in artikel 44, 5 3, 2°, d), van het Wetboek, die betrekking hebben op de onder A bedoelde privéwoningen en woningcomplexen wanneer de afnemer een onder A genoemde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon is.

§ 2. Het verlaagd tarief van 12 pct. is in geen geval van toepassing op:

1 ° werk in onroerende staat en de andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;

2° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midget-golfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.

2.3.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in de notariële akte van 25 juni 2015, verleden voor notaris Jacques Hulsbosch te De Pinte, (op pagina 20 en 21 onder de rubriek "verklaringen pro fisco") inzake de hoger genoemde verkopen heeft verklaard dat "hij optionele Btw-plichtige in de zin van het Btw-Wetboek was". Eiseres verklaarde verder in diezelfde akte dat "de facturatie van de constructies ter gelegenheid van deze akte aan het btw-tarief van zes procent (6 %) gebeurt, en hiervoor een erkenning in aanvraag overeenkomstig beslissing BTW E. T.125.365 de dato 11 april 2014 bestaat. Partijen komen overeen dat elke verhoging van voormelde constructies uitsluitend ten Jaste van de genoemde vennootschap MVE zal vallen".

Verder stelt de rechtbank vast dat door de accountant van CVBA Molenhoeve, dhr. G.S. in een schrijven van 26 oktober 2017, gericht aan de KMO Controle Team 11, uitdrukkelijk onder de feiten heeft vermeld dat het in casu de verkoop van nieuwbouwwoongelegenheden betreft. "Er werden 20 woongelegenheden verkocht met 6% Btw in toepassing van KB art. 20 verkoop van nieuwbouwwoongelegenheden, en toepassing van beslissing BTW ET 125.365 dd. 11.04.2014."

In het proces-verbaal van 2 augustus 2018 inzake deze verkopen is opgenomen dat eiseres een verklaring heeft ingediend zoals vermeld in artikel 8 van het W. BTW en de uitvoeringsbesluiten opgenomen in het Koninklijk Besluit nr. 14. Tevens werd de btw, door eiseres, opgenomen in de periodieke btw-aangiften.

2.4.

De rechtbank is van oordeel, op basis van de notariële akte en de desbetreffende facturaties van deze verkopen, dat eiseres als optionele belastingplichtige heeft geopteerd om de verkopen te onderwerpen aan een tarief van 6%. Dit betekent dan ook dat hij destijds heeft aangegeven dat het een nieuw gebouw betreft. Des te meer daar eiseres deze verkopen niet aan de registratierechten heeft onderworpen en zij in de notariële akte zelf heeft aangegeven dat er geen ingebruikneming/inbezitneming van het onroerend goed was.

De grief van eiseres is ongegrond.

2.5.

Inzake de argumentatie van eiseres betreffende het btw-tarief van 6% stelt de rechtbank vast dat eiseres in 2015 volgens het opmetingsplan, bijgevoegd bij de notariële akte van 25 juni 2015, negen wooneenheden en een zorgloket verkocht heeft verkocht met toepassing van 6% btw. Al deze constructies werden verkocht aan de familie Natte. Ook voor deze verkoop heeft eiseres op het btw-kantoor een verklaring ingediend zoals vermeld in artikel 8 van het btw-wetboek en de uitvoeringsbesluiten opgenomen in het Koninklijk Besluit nr. 14 (dossiernummer 710/277 /2014}. De btw werd opgenomen in de periodieke btw-aangiften.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aan de voorwaarde voorzien in het Koninklijk Besluit nr. 20, tabel A, rubriek XXXII, § 1, 3° heeft voldaan. Eiseres is geen vennootschap met sociaal oogmerk die in het kader van het huisvestingsbeleid van personen met een handicap erkend werd door de bevoegde overheid of door een door haar opgericht agentschap of fonds voor personen met een handicap.

Bovendien werden de woningen niet geleverd aan een instelling opgesomd in het Koninklijk Besluit nr. 20, tabel A, rubriek XXXII, § 3. De woningen werden verkocht aan privé-personen die op hun beurt een notarieel huurcontract van 27 jaar hebben afgesloten met de VZW Zorgdorpen. De VZW Zorgdorpen sluit op haar beurt huurcontracten af met de bewoners.

De VZW Heide staat in voor de dagelijkse zorg van de bewoners. De VZW Heide is een door de Vlaamse overheid erkende vereniging. De VZW Heide is evenwel geen eigenaar van de gebouwen.

De grief van eiseres is ongegrond.

2.7.

Inzake de argumentatie van eiseres betreffende het btw-tarief van 12% voor een groep assistentiewoningen stelt de rechtbank vast dat eiseres in 2014 vier nieuwe woonentiteiten (enkel de constructie) heeft verkocht met toepassing van 12% btw. Er werden drie entiteiten verkocht aan particulieren en één entiteit aan een vennootschap.

2.8.

In het woonzorgdecreet van 13 maart 2009 wordt de zorgvorm "groep van assistentiewoningen" in artikel 33 als volgt gedefinieerd: "Een groep van assistentiewoningen is een voorziening die bestaat uit een of meerdere gebouwen die functioneel een geheel vormen en waar, onder welke benaming ook, aan gebruikers van 65 jaar of ouder die er zelfstandig verblijven in individuele aangepaste wooneenheden, huisvesting wordt gegeven en ouderenzorg waarop zij facultatief een beroep kunnen doen."

De bouwheer, eiseres, heeft geen erkenning vanwege de Vlaamse overheid als zorginstelling. De door eiseres opgeworpen erkenning vanwege de Vlaamse overheid van 3 december 2018 is slechts een voorlopige erkenning. Bovendien werd deze erkenning aan een andere persoon dan eiseres verleend, met name aan de vzw Dender Services. Deze erkenning werd zonder inspectie afgeleverd door het Agentschap Zorg en Gezondheid.

2.9.

De beslissing BTW nr. E.T. 124.535 betreft trouwens de toepassing van de bepalingen van de hierboven genoemde rubriek X inzake het BTW-tarief van 12 % in de sector van de verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg. De Residentie Molenhoeve betreft evenwel privé-woningen voor gehandicapten en geen verblijfsinrichtingen voor bejaarden.

De rechtbank is van oordeel dat de grief van eiseres dan ook ongegrond is. Besluit

2.10.

Alle meeromvattende en strijdige argumenten in het verzoekschrift worden verworpen als niet ter zake dienend.

Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres ongegrond zodat het BTW-dwangbevel met RCIV-nr. 500/.../...52 d.d. 23 november 2018 wordt bevestigd.

V. GERECHTSKOSTEN

1. De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2. Aangezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij ook geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook overbodig tot begroting ervan over te gaan.

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK beslist, recht doende OP TEGENSPRAAK,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;

de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;

eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op donderdag acht oktober tweeduizend twintig, waar aanwezig waren:

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 447 voorkomens
WBTW art. 85 voorkomens
WBTW art. 12 voorkomens
WBTW art. 191 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8