Werken in onroerende staat, Medecontractant, werk in onroerende staat · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 26 april 2000

Zoeken

Werken in onroerende staat, Medecontractant, werk in onroerende staatWerken in onroerende staat,Medecontractant

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-medecontractant-hof-van-beroep-gent-2000-04-26-fe78

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
26 april 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

84 paragrafen

Tekst van de beslissing

ARREST G 00/12

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 26.04.2000

Werken in onroerende staat - Medecontractant

Een aannemer had werk in onroerende staat uitgevoerd, nl. werken aan een siertuin. Hiervoor werden facturen uitgereikt zonder aanrekening van B.T.W., maar met de vermelding "BTW te voldoen door de medecontractant - K.B. nr. 1 art. 17bis " (nu artikel 20, K.B. nr. 1). Deze facturen werden door de medecontractant echter niet opgenomen in de boekhouding en de verschuldigde B.T.W. werd bijgevolg nooit afgedragen aan de Schatkist, wat aanleiding gaf tot vordering van de verschuldigde B.T.W., verhoogd met boetes en interest. Het Hof is van oordeel dat de medecontractant inderdaad, zolang hij B.T.W.-belastingplichtige was, de facturen in zijn kwartaalaangifte diende op te nemen. Wanneer hij van oordeel was dat de facturen geen betrekking hadden op zijn bedrijfsactiviteit, diende hij de aannemer hiervan op de hoogte te brengen. A fortiori diende hij dat ook te doen wanneer hij geen B.T.W.- belastingplichtige meer was, waardoor de toepassing van de verleggingsregeling voor werk in onroerende staat helemaal geen toepassing meer kon vinden. Het Hof is dan ook van oordeel dat de medecontractant om deze redenen foutief heeft gehandeld. De eventuele goede trouw van de medecontractant neemt echter de verschuldigdheid van de belasting niet weg.

13° Kamer

Alleenrechtsprekend Kamervoorzitter: Dhr. L. Gallet

Griffier: Dhr. C. Sonneville

Partij: V•• S•••••••••• H••••• t. De Belgische Staat

Rolnr.: 1994/AR/1995

Bij akte van gerechtsdeurwaarder, betekend op 18 juli 1994 en ter griffie van het Hof neergelegd op 1 augustus 1994, heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 8 maart 1994 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dertiende kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De feiten

Tijdens een controle bij een aannemer van tuinwerken (Laverze) werd vastgesteld dat deze aan de appellant meerdere facturen had uitgereikt met betrekking tot het onderhoud van zijn siertuin. Op deze facturen werd geen BTW verrekend maar werd de vermelding aangebracht "BTW te voldoen door de medecontractant - K.B. 1 art. 17 bis ".

Na een controle bij de appellant bleek dat deze die facturen niet had opgenomen in zijn boekhouding en in zijn BTW-aangiften en dat de BTW nooit werd afgedragen aan de Belgische Staat.

Daar de appellant niet akkoord ging om de verschuldigde BTW te betalen, werd op 5 november 1984 een proces-verbaal opgesteld waarbij werd bepaald dat 110.879 fr. BTW verschuldigd was, een wettelijke boete van 221.758 fr. en interesten aan 1% per maand vanaf 21 januari 1984 en aan 0,8% vanaf 1 oktober 1986, op de verschuldigde BTW.

Daar de appellant - ondanks aanmaningen - bleef weigeren de verschuldigde bedragen vrijwillig te betalen, werd op 2 december 1986 een dwangbevel uitgevaardigd dat, behoorlijk geviseerd en uitvoerbaar verklaard (op 4 december 1984) werd betekend op 12 december 1986.

Op 28 november 1991 werd overgegaan tot herhaald bevel met beslag op roerend goed.

De vordering

Bij dagvaarding dd. 9 januari 1992 tekende de appellant bij de beslagrechter verzet aan tegen het dwangbevel dd. 2 december 1986. De vordering strekte ertoe te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel alsook het medebetekend proces-verbaal dd. 5 november 1984 en alle andere handelingen van vervolging en/of tenuitvoerlegging, nietig zouden verklaard worden en dat de Belgische Staat zou veroordeeld worden tot de kosten.

Daar de dagvaarding niet alleen een verzet inhield tegen het beslag, maar ook tegen het dwangbevel en de vordering ten gronde, heeft de beslagrechter - met toepassing van art. 88 § 2 Ger. W. - de zaak onderworpen aan de Voorzitter van de rechtbank. Deze besliste de zaak toe te wijzen aan een gewone kamer.

Het bestreden vonnis

De eerste rechter overwoog:

- dat de betwisting betrekking had op de toepassing van het K.B. nr. 1 dd. 23 juli 1969, art. 17 bis, zoals het van gelding was voor 1 januari 1993;

- dat dit artikel toeliet dat, onder bepaalde voorwaarden, de BTW werd voldaan door de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter;

- dat de appellant zijn dienstverrichter Laverze facturen liet opmaken met toepassing van het reeds vermelde art. 17 bis, niettegenstaande niet was voldaan aan de gestelde voorwaarden omdat de onroerende werken geen betrekking hadden op zijn beroepswerkzaamheden en omdat de appellant zelfs niet meer als belastingplichtige geregistreerd was na 31 december 1980;

- dat de appellant derhalve ten onrechte gebruik had gemaakt van de verleggingsregeling;

- dat de appellant niet kon gevolgd worden waar hij voorhield dat hij te goeder trouw was, omdat hij aan zijn leverancier diende te laten weten dat het art. 17 bis geen toepassing kon vinden;

- dat de appellant ten onrechte de verjaring inriep daar de verjaring slechts wordt bereikt na verloop van 5 jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de schuld is ontstaan; dat de overtreding werd vastgesteld tijdens de controle dd. 19 oktober 1984 en dat de verjaring geldig werd gestuit overeenkomstig de art. 60 BTW-wetboek en de 2244 en volgende B.W. door dagvaarding, bevel tot betaling of beslag;

- dat de bewering dat het proces-verbaal en het dwangbevel waren aangetast van een absolute nietigheid, omdat het afschrift van het proces-verbaal niet de originele handtekening droeg van de ambtenaar die het had opgesteld, niet gegrond was; dat het dwangbevel immers niet aan vormvereisten onderworpen was en dat het volstond dat het voorwerp en de oorzaak van de vordering op een voldoende wijze werd omschreven om aan de belastingplichtige toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen; dat uit de stukken bleek dat het origineel wel ondertekend was en dat een afschrift van een origineel verschilt doordat de kopie geen originele handtekening draagt; dat de ondertekening van het afschrift van het exploot door een gerechtsdeurwaarder is voorgeschreven op straffe van nietigheid, maar dat zulks niet geldt voor een afschrift van een proces-verbaal, zodat de exceptie van nietigheid ongegrond was;

- dat ook de grief inzake de beweerde schending van de rechten van verdediging en het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, ongegrond was omdat nazicht van de stukken aantoonde dat de appellant zelf door loze beloften en vragen om uitstel zelf de vertraging had bewerkstelligd.

De eerste rechter heeft het verzet derhalve ongegrond verklaard.

Het hoger beroep

In de beroepsakte stelt de appellant:

- dat de eerste rechter verkeerdelijk spreekt over 7 facturen daar het in werkelijkheid gaat om 13 facturen;

- dat het niet bewezen is dat hij zich facturen heeft 'laten' afleveren met toepassing van het art. 17 bis , m.a.w. dat niet bewezen is dat Laverze daarbij handelde met zijn instemming;

- dat ten onrechte werd geoordeeld dat hij ten onrechte gebruik had gemaakt van de verleggingsregeling en dat hij aan Laverze had moeten laten weten dat deze regeling niet kon toegepast worden;

- dat de eerste rechter niet heeft geantwoord op de argumenten in verband met de vorm van het proces-verbaal;

- dat in het vonnis ook niet werd geantwoord op de argumenten inzake de vorm van het dwangbevel, dat een buitengerechtelijke akte is welke dient voor de invordering van staatspenningen, inzonderheid wat betreft de essentiële kenmerken van een uitvoerbare titel, het feit dat het dwangbevel een belastingschuld doet ontstaan en het feit dat het belangrijkste inhoudelijk element ervan (te weten het proces-verbaal waarnaar verwezen wordt) ter kennis werd gebracht door middel van een niet ondertekend afschrift, en het feit dat dit aanleiding geeft tot belangenschade;

- dat het vonnis niet (voldoende) antwoordt op de grief met betrekking tot de schending van de rechten van verdediging door het verloop van een lange tijd tussen de feiten, het proces-verbaal en de betekening van het afschrift ervan.

In een eerste conclusie stelde de geïntimeerde:

- dat het gaat over zes facturen, maar dat dit argument niet ter zake doet;

- dat de appellant duidelijk op de hoogte was van de overtreding, welke werd begaan door zijn medecontractant en dat hij, overeenkomstig art. 53 BTW-wetboek, hoofdelijk aansprakelijk is voor de voldoening van de BTW;

- dat er derhalve een onrechtmatig gebruik was van de verleggingsregeling;

- dat Laverze wettelijk verplicht was facturen uit te reiken, ook aan particulieren;

- dat alle vormvereisten voor het dwangbevel en het proces-verbaal werden nageleefd;

- dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de rechten van verdediging niet geschonden werden.

In conclusie heeft de appellant zijn tarieven duidelijker omschreven. Hij stelt:

1. inzake de verjaring: dat de vordering tot voldoening van de BTW, de interesten en de administratieve geldboeten, verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop de schuld is ontstaan; hij betwist niet het materiële bestaan van de stuitingsdaden, maar houdt voor dat het proces-verbaal onregelmatig was (omdat het hem toegestuurde afschrift niet ondertekend was), zodat het dwangbevel dat er op steunt eveneens onregelmatig is; en daar de eerste stuiting onregelmatig is, zijn de andere (daaropvolgende) stuitingsdaden, volgens hem, niet meer dienend en was de vordering verjaard op 28 november 1989;

2. inzake de bewijskracht van het proces-verbaal: dat dit enkel bewijskrachtig is voor hetgeen de ambtenaar zelf heeft vastgesteld, maar niet voor hetgeen hij afleidt; hij beweert dat de vermelding dat hij de facturen heeft aanvaard en dat hij daardoor zijn dienstverrichter Laverze in de waan heeft gelaten dat art. 17 bis kon toegepast worden, geen vaststelling is, maar een interpretatie van de ambtenaar, en dat Laverze diende te weten dat tuinonderhoud niets te maken had met zijn activiteit als uitbater van een koffiehuis;

3. inzake de redelijke termijn: dat de administratie haar beslissing binnen een redelijke termijn moet mededelen, dat meer dan 25 maanden werd gewacht alvorens het proces-verbaal dd. 5 november 1984 over te maken, zodat dit daardoor nietig is en dat ook de rechtszaak moet behandeld worden binnen een redelijke termijn (toepassing van art. 6 E.V.R.M.);

4. inzake de gegrondheid van de heffing: dat hij te goeder trouw was, dat de fout werd begaan door Laverze en dat hij deze niet diende te wijzen op de fout.

In een laatste conclusie stelde de geïntimeerde:

1. inzake de verjaring:

- dat de betwiste BTW betrekking heeft op facturen opgemaakt tussen 31 oktober 1979 en 29 december 1983;

- dat, daar de appellant tot 31 december 1980 BTW-plichtig was en onderworpen aan de kwartaalregeling, hij om de drie maanden, tegen de 20e van de maand volgend op ieder kwartaal, een aangifte moest indienen en dat van dan af de belasting eisbaar werd;

- dat de factuur voor het vierde kwartaal (d.i. de eerste betwiste factuur) diende vermeld te worden op de kwartaalstaat in te dienen voor 20 januari 1980;

- dat de oorspronkelijke verjaringstermijn derhalve liep tot 21 januari 1985;

- dat de appellant op 28 november 1984 een akte van verzaking heeft ondertekend, waarin hij, enerzijds de administratie verzocht de ingestelde vordering te willen opschorten totdat het lopende geschil een oplossing zou hebben gekregen en, anderzijds, hij met het oog daarop, overeenkomstig art. 83 van het BTW-wetboek en art. 2244 B.W., vrijwillig en uitdrukkelijk verzaakte aan de verlopen termijn van de verjaring; dat derhalve een nieuwe termijn liep tot 28 november 1989;

- dat op 2 december 1986 een dwangbevel werd uitgevaardigd dat op 12 december 1986 aan de appellant werd betekend, zodat een nieuwe verjaringstermijn begon te lopen tot 12 december 1991;

- dat op 28 november 1991 een herhaald bevel tot betaling werd betekend, met uitvoerend beslag op roerende goederen, zodat een nieuwe verjaringstermijn begon te lopen tot 28 november 1996;

- dat de appellant op 9 januari 1992 verzet heeft aangetekend tegen het dwangbevel en het herhaald bevel, waardoor een verjaringstermijn van 30 jaar begon te lopen overeenkomstig art. 2262 B.W.;

- dat geen enkele wettelijke bepaling voorschrijft dat het door de gerechtsdeurwaarder aan de belastingplichtige overhandigde afschrift van het betekende dwangbevel en het aangehecht proces-verbaal, de handtekeningen moet bevatten van de ambtenaar die deze stukken heeft opgesteld;

- dat er dan ook geen sprake kan zijn van verjaring;

2. inzake de redelijke termijn: dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat het lange aanslepen moet toegeschreven worden aan de vertragingsmaneuvers van de appellant zelf;

3. inzake de regelmatigheid van de heffing:

- dat, wanneer de dienstverrichter toepassing maakte van het bovenvermelde art. 17 bis , de appellant hetzij deze factuur diende op te nemen in zijn kwartaalaangifte (zolang hij nog BTW-plichtig was), hetzij de dienstverrichter er diende op te wijzen dat dit artikel geen toepassing kon vinden en dat het niet verwittigen duidelijk aantoonde dat de appellant de bedoeling had de verschuldigde BTW te ontduiken;

- dat de appellant hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de BTW (art. 53 BTW-wetboek).

Beoordeling

1. De uitvoerige beschrijving van de diverse stuitingsdaden, door de geïntimeerde gegeven in haar laatste conclusie (en hierboven kort herhaald) toont duidelijk aan dat de diverse stuitingsdaden tijdig werden gesteld.

2. De geïntimeerde - daarin gevolgd door de eerste rechter - beweert terecht dat het betekend afschrift van het proces-verbaal geen handtekening dient te dragen van de ambtenaar die het heeft opgesteld en dat bewezen is dat het origineel wel werd ondertekend.

De appellant meent dan ook ten onrechte dat dit stuk geen geldige stuitingsdaad is.

3. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering niet verjaard is.

4. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat het verstrijken van de lange termijn uitsluitend moet toegeschreven worden aan de gedraging van de appellant zelf.

5. Er kan niet betwist worden dat het voor de dienstverrichter onmogelijk was toepassing te maken van het artikel 17 bis , zonder de instemming van de appellant: zolang hij BTW-plichtig was diende hij de facturen op te nemen in zijn kwartaalaangifte, zodat - wanneer hij meende dat de facturen niets te maken hadden met zijn bedrijfsactiviteit - hij zulks aan zijn medecontractant diende ter kennis te brengen. En wanneer hij geen BTW-plichtige meer was, diende hij zeker zijn medecontractant te wijzen op de onmogelijkheid dit artikel te zien toepassen.

Het staat derhalve vast dat de appellant foutief heeft gehandeld.

Of hij daarbij al dan niet te goeder trouw heeft gehandeld, doet niet af aan deze vaststelling, noch aan de verschuldigdheid van de belasting. Daar de dienstverrichter het BTW-nummer van de appellant kende, moet overigens worden aangenomen dat deze zijn nummer had medegedeeld met het oog op het opmaken van de factuur en dat hij aan de overtreding heeft medegewerkt.

6. Overeenkomstig art. 53 BTW-wetboek is de appellant hoofdelijk gehouden tot de voldoening van de belasting.

7. Uit al wat voorafgaat blijkt dat het hoger beroep ongegrond is.

Beschikkend gedeelte

Op deze gronden,

het Hof,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond en bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellant tot de kosten van de aanleg in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde van de geïntimeerde begroot op 16.400 fr. rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave.

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 533 voorkomens
KB nr. 1 art. 201 voorkomen
WBTW art. 601 voorkomen
WBTW art. 831 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8