Recht op aftrek, Paarden, Verlegging van de heffing · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 18 januari 2022

Zoeken

Recht op aftrek, Paarden, Verlegging van de heffing

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-paarden-verlegging-heffing-hof-van-beroep-antwerpen-2022-01-18-cf20

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
18 januari 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

209 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 18.01.2022

WF 707-15-19/007343

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Paarden – Verlegging van de heffing – Werk in onroerende staat

Wettelijke bepalingen

Art. 4, 45, §1 en 51, §4 WBTW

Art. 20 van Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde

Art. 1 van Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

Art. 9, §1, 1e lid van de Richtlijn 2006/112/EG

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige levert managementprestaties aan een andere vennootschap. Daarnaast beweert de belastingplichtige dat zij ook actief is als paardenfokker.

Enerzijds gaat het geschil over de economische activiteit van de belastingplichtige. Meer bepaald of de belastingplichtige gedurende de gecontroleerde periode de economische activiteit van paardenfokker uitoefende of de intentie had om deze uit te oefenen.

Anderzijds heeft het geschil ook betrekking op het niet opnemen van de verschuldigde btw in rooster 56 van de btw-aangifte door de belastingplichtige voor werken in onroerende staat, zoals voorzien in artikel 20 van KB nr. 1.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen bevestigde het standpunt van de administratie over de beide discussiepunten. Tegen dit vonnis ging de belastingplichtige in hoger beroep.

2) Het arrest van het hof van beroep

* Recht op aftrek

De belastingplichtige startte in 2013 met de bouw van paardenstallen en een conciërgewoning. Na 6 jaar stelde de administratie vast dat deze investeringen nog steeds niet gebruikt werden voor het stellen van belastbare handelingen. De gecontroleerde periode heeft betrekking op de jaren 2014 tot en met 2016. De in aftrek genomen btw over deze investeringen werd dan ook verworpen door de administratie. De belastingplichtige is echter van mening dat zij wel degelijk een activiteit heeft als paardenfokker.

Er werd echter vastgesteld dat de belastingplichtige tijdens de gecontroleerde periode geen paarden bezat waarmee kon worden gefokt of die konden worden verkocht. Pas eind 2019 nam de belastingplichtige voor het eerst paarden op in haar voorraad. Verder werden er geen exploitatiekosten, zoals paardenvoeder of dierenartskosten, gemaakt door de belastingplichtige tijdens de gecontroleerde periode. Alle facturen die zij hieromtrent bijbrengt dateren van ruimschoots na de gecontroleerde periode.

De enkele uitgaande facturen voor de fok van paarden tijdens de gecontroleerde periode vermeldden als geadresseerde ‘diverse klanten’. De hiervoor verschuldigde bedragen werden verrekend via de R/C van de zaakvoerder. Het hof is dan ook van mening dat de echtheid van deze prestaties niet kan worden nagegaan.

Verder werd er ook pas vijf jaar na de oprichting van de belastingplichtige een milieuvergunning aangevraagd voor het fokken van paarden. Voor dit tijdsverloop kan de belastingplichtige geen redelijke verklaring geven. Ook brengt zij enkel de aanvraag voor de milieuvergunning bij. Uit niets blijkt dat er ook effectief een milieuvergunning werd afgeleverd. Tenslotte blijkt ook de voorgelegde land- en tuinbouwpolis niet te zijn afgesloten op naam van de belastingplichtige.

Het hof komt dan ook tot het besluit dat hoewel het opstarten van een paardenfokkerij niet onmiddellijk inkomsten genereert en ondanks dat men jaren moet investeren alvorens men paarden kan verkopen, dit geenszins het tijdsverloop verantwoordt in dit dossier. Bovendien blijkt dat ook er na de gecontroleerde periode hoofdzakelijk gefactureerd wordt aan ‘diverse klanten’ en aan familieleden. Ook de nodige vergunningen voor de exploitatie van een paardenfokkerij kunnen niet voorgelegd worden, noch blijkt er sprake te zijn van enige publiciteit of naambekendheid in het milieu.

De belastingplichtige slaagt er volgens het hof dan ook niet in om aan te tonen dat de paardenstallen en de conciërgewoning tijdens de gecontroleerde periode gebruikt werden voor het stellen van belastbare handelingen. De btw hierover is dan ook niet aftrekbaar.

* Verlegging van de heffing

De belastingplichtige ontving een factuur voor werken in onroerende staat waarover de verlegging van de heffing op basis van artikel 20 van KB nr. 1 niet werd toegepast. Ten onrechte betaalde de belastingplichtige de haar aangerekende btw en nam deze btw in aftrek aangezien zij van mening was dat zij toch recht op aftrek had van de btw.

Het hof is van oordeel dat de belastingplichtige een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiftes. Daarnaast bevestigt het hof dat het stelsel van de verlegging van de heffing voor de belastingplichtige geen loutere keuzemogelijkheid is, maar een wettelijke verplichting van zodra de wettelijke toepassingsvoorwaarden hiervoor zijn vervuld. De belastingplichtige heeft dan ook niet aan een materiële voorwaarde van de verleggingsregeling voldaan, zijnde de storting van de btw aan de administratie door de belastingplichtige die de aftrek vraagt. De administratie maakte dan ook terecht toepassing van artikel 20 van KB nr. 1.

Tenslotte bevestigt het hof dat aangezien de door de belastingplichtige aan haar dienstverrichter betaalde btw onverschuldigd was en zij bijgevolg ook geen aanspraak kan maken op recht op aftrek voor deze btw.

Opmerking

Het arrest is in kracht van gewijsde.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Antwerpen, Kamer B6M, burgerlijke zaken

Arrest van 18 januari 2022

Rol: 2020/AR/1503

JH. BV, ON 050...52, met maatschappelijke zetel te ..., Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ... tegen het vonnis van de AFil kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 februari 2020, gekend onder rolnummer 19/420/A

tegen

DE BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159 in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR TE KMO CENTRUM ANTWERPEN, met diensten te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw X, fiscaal ambtenaar

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 februari 2020, volgens partijen betekend op 20 augustus 2020 doch waarvan geen akte van tekening werd voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 16 september 2020, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

Het geschil heeft betrekking op verzet tegen het dwangbevel RCIV nr. 500/.../.../28, uitgevaardigd op 26/11/2018 (aangehecht proces-verbaal van 22/11/2018) en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 04/12/2018.

1.2. Aanslag en bezwaar.

Eiseres in hoger beroep is geregistreerd onder het BTW-identificatienummer BE050...52.

In augustus 2017 werd het dossier van eiseres in hoger beroep geselecteerd voor een fiscale controle met betrekking tot de periode 2014, 2015 en 2016.

Door de belastingadministratie werden er inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen die de belastingplichtige niet gebruikt voor het verrichten van in artikel 45§1 WBTW bedoelde handelingen (paardenstallen en conciërgewoning) en inbreuken ten aanzien van het niet opnemen van de verschuldigde BTW in de BTW-aangiften voor werken in onroerende staat waarvoor de verlegging van heffing, voorzien in artikel 20 KB nr.1 van toepassing is (verschuldigde belasting niet voldaan door opname in rooster 56 van de BTW-aangifte beoogd door art. 53 §1, eerste lid, 2° WBTW).

Op 11 oktober 2018 werd een correctieopgave opgesteld. Eiseres in hoger beroep deelde bij schrijven van 12/11/2018 mee niet akkoord te gaan met de vooropgestelde regularisatie. Op 22 november 2018 werd een proces-verbaal opgesteld, op basis waarvan een dwangbevel werd uitgevaardigd op 26/11/2018, dat op 04/12/2018 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Voormeld dwangbevel werd bij aangetekend schrijven d.d. 06/12/2018 ter kennis gebracht van eiseres in hoger beroep.

Middels het bestreden dwangbevel worden van eiseres in hoger beroep volgende bedragen gevorderd:

- 102.909,27 euro aan BTW

- 13.040 euro totale bedrag proportionele geldboete meer interesten en kosten.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 28/01/2019 tekende eiseres in hoger beroep verzet aan tegen voormeld dwangbevel.

Eiseres in hoger beroep vorderde:

- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens het dwangbevel d.d. 6 december 2018 (lees als uitgevaardigd op 26/11/2018) met aangehecht proces-verbaal d.d. 22 november 2018 van nul en generlei waarde te verklaren, eiseres in hoger beroep te ontslaan van de in dit dwangbevel met aangehecht proces-verbaal van haar gevorderde sommen en de teruggave te bevelen van de reeds betaalde sommen;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de wettelijk verschuldigde rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen, in hoofde van eiseres in hoger beroep begroot op 6.000 euro.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate. Het bestreden dwangbevel van 06/12/2018 (bedoeld wordt het bestreden dwangbevel uitgevaardigd op 26/11/2018, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 04/12/2018 en ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven d.d. 06/12/2018) gebaseerd op het proces-verbaal van 22/11/2018 werd gedeeltelijk nietig verklaard, louter en alleen in de mate dat daarin een geldboete werd opgelegd voor een bedrag hoger dan 10.290 euro, waarbij de overige gevorderde sommen zoals opgenomen in het bestreden dwangbevel verschuldigd zijn, meer bepaald een bedrag van 102.909,27 euro aan BTW, een boete voor een bedrag van 10.290 euro en interesten te berekenen vanaf 21/01/2018. Het meer en anders gevorderde werd afgewezen. Eiseres in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep niet begroot en door de rechtbank vereffend op O euro.

Wat betreft het recht op aftrek oordeelde de eerste rechter dat geenszins kon vastgesteld worden dat eiseres in hoger beroep werkelijk een economische activiteit had verricht bestaande uit het fokken van paarden en dat evenmin een intentie kon vastgesteld worden om een economische activiteit uit te oefenen die zou blijken uit door eiseres in hoger beroep gestelde voorbereidende handelingen.

De rechtbank oordeelde inzake artikel 20 §1 KB nr.1 dat de belastingadministratie terecht aanvoerde dat eiseres in hoger beroep uitgaande facturen had uitgeschreven vanaf het 4de kwartaal van 2015 aan M.O.&Zn BVBA, op basis waarvan zij BTW-aangiften diende in te dienen zodat de administratie terecht toepassing had gemaakt van artikel 20 §1 KB nr. 1.

Tenslotte stelde de rechtbank vast dat de belastingadministratie akkoord ging met de toepassing van tabel G, 1e afdeling, rubriek IV van het KB nummer 41 en dat de herleide proportionele boete allerminst onevenredig was met de vastgestelde inbreuken.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 16/09/2020 , hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Eiseres in hoger beroep vordert:

- de huidige vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren.

- dienvolgens het vonnis a quo van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen d.d. 14/02/2020 te hervormen;

- te zeggen voor recht dat het gedeeltelijk nietig bestreden dwangbevel d.d. 06/12/2018 gebaseerd op het proces-verbaal van 22/11/2018 van nul en generlei waarde is;

- eiseres in hoger beroep te ontslaan van de in dit dwangbevel met aangehecht proces-verbaal van haar gevorderde sommen en de teruggave te bevelen van de reeds betaalde sommen;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de betaalde rolrechten en de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding begroot op 6.000 euro voor de procedure in eerste aanleg en 6.000 euro voor de procedure in hoger beroep.

Ter zitting van 21/12/2021 preciseert de raadsman van eiseres in hoger beroep dat er geen rolrecht gevorderd wordt van de Belgische Staat maar wel gevorderd wordt de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds ten laste van de Belgische Staat te leggen.

De Belgische Staat besluit tot de ontvankelijk maar ongegrond van het hoger beroep en vordert bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en aldus voor recht te zeggen dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen verschuldigd zijn met uitzondering van het bedrag van de boete in zover dit het bedrag van 10.290 euro overstijgt, zodat definitief verschuldigd zijn:

BTW: 102.909,27 euro

10.290 euro aan boete

interesten op grond van art. 91 §1 van het BTW-wetboek te berekenen vanaf 21/01/2018

Tenslotte vordert de Belgische Staat eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van deze procedure en in de niet te weerhouden hypothese dat het hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren, de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 6.500 euro voor de procedure in eerste aanleg en 6.000 euro voor de procedure in hoger beroep.

Ter zitting van 21/12/2021 zijn partijen akkoord met de begroting van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op 6.000 euro en op 6.500 euro in hoger beroep.

2. Bespreking

2.1. Aftrek BTW (paardenstallen en conciërqewoninq).

De belastingadministratie stelt dat, niettegenstaande er sinds de aanvang van de bouwwerken in 2013 reeds 6 jaar waren verstreken, geen enkele gemaakte kost met betrekking tot de bouw van de paardenstallen en de concîërgewoning aangewend werd voor de in artikel 45 §1 bedoelde handelingen. Het rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de gemaakte kosten en enige belastbare handeling wordt volgens de belastingadministratie niet aangetoond.

Art. 45 §1 WBTW bepaalt: "Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4 ° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4 ° bedoelde handelingen."

Artikel 1 KB nr. 3 voegt voor de toepassing van artikel 45, § 1 WBTW, een belangrijke precisering toe door te bepalen dat de belastingplichtige de btw in aftrek brengt die werd geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, 1°-5° WBTW bedoelde handelingen.

Overeenkomstig artikel 2 van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna de Richtlijn) zijn onder meer de volgende handelingen aan de BTW onderworpen: de leveringen van goederen en diensten, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.

Overeenkomstig artikel 9, §1, eerste lid van de Richtlijn wordt als "belastingplichtige" beschouwd "eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit".

Als "economische activiteit" wordt volgens artikel 9, §1, tweede lid van de Richtlijn beschouwd "alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitvoering van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen".

Artikel 2, eerste lid W.BTW bepaalt dat de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting zijn onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.

Artikel 4, §1 W.BTW bepaalt wat moet worden verstaan onder het begrip "belastingplichtige": "Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend".

Ten eerste moet erop gewezen worden dat volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie uit de definities van de begrippen "belastingplichtige" en "economische activiteit" blijkt dat het begrip "economische activiteit" een ruime werkingssfeer heeft, alsook dat het een objectief karakter heeft, in die zin dat de activiteit op zichzelf wordt beschouwd, ongeacht het oogmerk of het resultaat van de activiteit (H.v.J., 26 juni 2007, C.284/04, (T-Mobile Austria), punt 35; H.v.J., 26 juni 2007, C-369/04, (Hutchison), punt 27; H.v.J., 20 juni 2013, C-219/12, (Finanzamt Freistact Rohrbach Urfahr), punt 17). Dat het oogmerk of het resultaat van de activiteit in principe irrelevant zijn blijkt verder rechtstreeks uit artikel 9, §1, eerste lid van de Richtlijn en artikel 4, §1 W.BTW.

Bovendien moet erop gewezen worden dat het begrip 'opbrengst' uit de zinsnede 'om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen' van artikel 9, §1, tweede lid van de Richtlijn volgens het Hof van Justitie moet worden verstaan in de zin van een vergoeding als tegenprestatie voor de verrichte activiteit (H.v.J., 20 juni 2013, C-219/12, (Finanzamt Freistact Rohrbach Urfahr), punt 23). De zinsnede mag dus niet begrepen worden in de zin dat het moet gaan om een winstgevende of rendabele activiteit of dat het maken van winst zou worden beoogd.

Een nieuw opgerichte vennootschap geniet recht op aftrek van voorbelasting van zodra het waarschijnlijk voorkomt dat er belastbare handelingen zullen worden gesteld. Het uiteindelijke oogmerk of resultaat van die handelingen is van ondergeschikt belang indien er een werkelijke en oprechte bedoeling is btw-activiteiten te ontwikkelen. De omstandigheid dat de economische activiteit van een vennootschap niet daadwerkelijk onmiddellijk effectief wordt uitgeoefend, is zonder belang.

De belastingadministratie aanvaardt in hoofde van eiseres in hoger beroep het bestaan van een economische activiteit met betrekking tot prestaties geleverd door de zaakvoerder Jozef Ooms die eiseres in hoger beroep aan de BV M.O.&Zn aanrekende. Sinds het vierde kwartaal 2015 werden er facturen uitgereikt aan Ooms Marcel & Zonen BV met als omschrijving "geleverde prestaties J.O.". Volgens de accountant van eiseres in hoger beroep werden de prestaties van de heer Ooms als volgt omschreven:

"De prestaties die J.O. in opdracht van de BVBA JH. voor de BVBA M.O.&Zn levert zijn zeer verscheiden en zijn hoofdzakelijk en niet beperkend:

de volledige planning, voorbereiding en opvolging van diverse werven van M.O.&Zn BVBA (+/-150u/jr}

Het onderhoud van de terreinen en gebouwen alsook de groenzones van M.O.&Zn BVBA, alsmede de inrichting van de gebouwen (+/-80 u/jr)

Het onderhoud van de machines en rollend materieel en de aankoop van wisselstukken (+/-90 u/j},

De aankoop van alle materialen nodig op de werven van de BVBA M.O.&Zn; het bureelwerk en het financiële beheer van M.O.&Zn (+/-160 u/jr)

Het volledige personeelbeleid van Marcel & Ooms BVBA;

De volledige reorganisatie van het magazijn van de BVBA M.O.&Zn i.v.m. de geleidelijk verkoop van het rollend materiaal en de machines ter verwezenlijking van de geleidelijke stopzetting van de activiteiten van de BVBA Ooms & ZN (+/-140 u/jr in 2017}

De overblijvende activiteiten van de BVBA M.O.&Zn zullen vóór 31/12/2018 door de BVBA JH. worden verder gezet."

De belastingadministratie stelt dat eiseres in hoger beroep echter niet aantoont dat de gemaakte kosten met betrekking tot de bouw van de paardenstallen en de conciërgewoning aangewend werden voor een in artikel 45 §1 WBTW bedoelde handeling.

De belastingplichtige stelt dat zij de BTW betaald voor de bouw van de paardenstallen en de conciërgewoning terecht in aftrek heeft gebracht omdat zij wel degelijk een activiteit heeft als paardenfokkerij.

Het hof is van oordeel dat eiseres in hoger beroep faalt in de op haar berustende bewijslast dat in de gecontroleerde periode aan de voorwaarden van artikel 45 §1 WBTW voldaan is voor wat betreft de in aftrek gebrachte BTW met betrekking tot de bouw van de paardenstallen en conciërgewoning. Zij toont niet aan dat de conciërgewoning en paardenstallen in de gecontroleerde periode gebruikt werden voor een in artikel 45 §1 WBTW bedoelde handeling zodat zij de BTW ten onrechte in aftrek heeft gebracht. Eiseres in hoger beroep toont evenmin aan dat zij in de gecontroleerde periode de kwestieuze goederen had bestemd voor het verrichten van een in artikel 45, §1, 1°-5° WBTW bedoelde handeling.

Te dezen is de vennootschap sinds 01/01/2013 bij de BTW wel geregistreerd voor de activiteit van "fokken van paarden en andere paardachtigen" doch uit de concrete gegevens van onderhavig dossier blijkt dat op het ogenblik van de controle ter plaatse (op 19/01/2018) er amper paarden stonden. In de gecontroleerde periode (2014, 2015 en 2016) bezat eiseres in hoger beroep zelf geen paarden die zouden kunnen worden gefokt of verkocht. Volgens de verklaring van de heer Ooms stonden er enkel paarden op de manage die toebehoorden aan privépersonen.

In de gecontroleerde periode zijn er door eiseres in hoger beroep geen kosten voor paardenvoeder, noch dierenartskosten. De inkomende facturen voor paardenvoeder, mest voor paardenweide, afrastering paardenweide en dierenarts, die thans aan het hof voorgelegd worden onder haar stukken 11, 12 en 13 dateren van 2020, zijnde allemaal van ruim na de gecontroleerde periode. Feit blijft dat er tijdens de gecontroleerde periode geen exploitatiekosten waren. Er waren voornamelijk uitgaande facturen gericht aan M.O.&Zn BV. Deze facturen hadden geen betrekking op "paardenfokkerij", maar op de hoger vermelde prestaties die J.O. in opdracht van de BV JH. voor de BV M.O.&Zn leverde. De enkele in de gecontroleerde periode (2014, 2015 en 2016) uitgaande facturen voor de fok van paarden, vermeldden als geadresseerde "diverse klanten". Deze verschuldigde bedragen werden via R/C van de zaakvoeder verrekend. Het blijkt niet om welke precieze prestaties het gaat en het is onmogelijk om de echtheid ervan na te gaan. Het blijkt niet dat eiseres in hoger beroep deze verrichtingen op een georganiseerde, systematische en regelmatige basis deed. Het blijkt niet dat het in de gecontroleerde periode {2014, 2015 en 2016) ging om een exploitatie om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen.

Ook het gegeven dat door eiseres in hoger beroep op 27/11/2013 een stedenbouwkundige vergunning werd aangevraagd voor het verbouwen van een zonevreemde woning en deze stedenbouwkundige vergunning op 10/03/2014 afgeleverd werd toont niet aan dat eiseres in hoger beroep in de gecontroleerde periode een paardenfokkerij uitbaatte noch de intentie had een paardenfokkerij uit te baten.

Eiseres in hoger beroep heeft pas eind 2017 (zijnde 5 jaar na haar oprichting) een milieuvergunning klasse 2 aangevraagd. Zij kan voor dit tijdsverloop geen redelijke verantwoording geven. De eerste besprekingen in het kader van de milieuvergunningsaanvraag zouden met SBB (accountants en bedrijfsadviseurs) gevoerd zijn eind 2015 doch van deze besprekingen zelf kunnen geen onderliggende stukken worden voorgelegd. De bijgebrachte verklaring desbetreffend van SBB (accountants en bedrijfsadviseurs) werd bovendien pas opgesteld op 24/09/2019, zijnde na de start van de fiscale controle. Er wordt niet verduidelijkt waarom de milieuvergunning niet vroeger kon worden aangevraagd. Bovendien wordt enkel de aanvraag voorgelegd. Er worden geen verdere stukken voorgelegd betreffende het verdere verloop van de procedure waarbij de milieuvergunning werd aangevraagd. Het blijkt zelfs niet dat er effectief een milieuvergunning werd afgeleverd. De belastingadministratie houdt voor -zonder dat dit wordt tegengesproken door eiseres in hoger beroep- dat de milieuvergunning zou geweigerd zijn en dat er tot op heden geen nieuwe zou aangevraagd zijn door eiseres in hoger beroep.

Pas op 30/09/2019 werden onder de voorraad van eiseres in hoger beroep paarden opgenomen.

Louter op basis hiervan blijkt geenszins dat op het ogenblik dat de aftrek werd uitgeoefend in hoofde van eiseres in hoger beroep reeds de intentie bestond om effectief handelingen als paardenfokker te stellen. Hetzelfde geldt voor de aankoopfacturen voor het dekken van merries die pas dateren van 2021. Op 2 van deze 4 facturen wordt zelfs totaal geen melding gemaakt van eiseres in hoger beroep maar is wel de naam van Werner Ooms terug te vinden. Het is op basis van de voorgelegde stukken onduidelijk wie de werkelijke eigenaar is van de paarden.

De voorgelegde land- en tuinbouwpolis is blijkbaar niet afgesloten op naam van eiseres in hoger beroep. Uit stuk 15 van eiseres in hoger beroep blijkt dat de heer OOMS Jozef de "cliënt" is en aan wie de premie voor de nieuwe polis wordt aangerekend.

Dat het opstarten van een paardenfokkerij niet onmiddellijk inkomsten genereert en dat men jaren moet investeren alvorens men paarden kan verkopen verantwoordt geenszins het tijdsverloop in onderhavig dossier. Bovendien blijkt dat ook na de gecontroleerde periode er hoofdzakelijk gefactureerd wordt aan 'diverse klanten' en aan familieleden. De nodige vergunningen voor de exploitatie van een paardenfokkerij kunnen niet voorgelegd worden aan het hof, noch blijkt er sprake te zijn van enige publiciteit, naambekendheid in het milieu enz.

Op basis van voormelde stukken blijkt niet dat er in de gecontroleerde periode (2014, 2015 en 2016) sprake was van de exploitatie van een BTW-activiteit (paardenfokkerij) om er duurzame opbrengsten uit te verkrijgen, noch dat eiseres in hoger beroep de kwestieuze goederen bestemd had tot het verrichten van een dergelijke BTW-activiteit.

Het hof besluit uit dit alles dat onvoldoende bewezen is dat de paardenstallen en conciërgewoning daadwerkelijk werden gebruikt/bestemd voor het verrichten van belastbare handelingen en bijgevolg dat de BTW op de kosten van de bouw van de paardenstallen en conciërgewoning niet aftrekbaar zijn op grond van artikel 45, § 1 WBTW.

2.2. Verlegging van heffing

Bij toepassing van artikel 51 §4 WBTW bepaalt artikel 20 §1 van het KB nr.1 van 29/12/1992 dat in afwijking van art. 51 §1, 1° WBTW, de medecontractant van de in België gevestigde belastingplichtige die een van de in §2 aangeduide handelingen verricht, de belasting die over die handeling verschuldigd is, moet voldoen, wanneer hij zelf een in België gevestigde belastingplichtige is en gehouden tot het indienen van een in artikel 53 §1, eerste lid, 2° WBTW, bedoelde aangifte of een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordigde heeft laten erkennen overeenkomstig art. 55 §1 of § 2 van het WBTW.

Ingevolge art. 20 §4 KB nr.1 moet de in §1 bedoelde medecontractant de ter zake van die handelingen verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd wordt.

Eiseres in hoger beroep ontving op 30/09/2016 een factuur van M.O.&Zn BV voor de geleverde werken in onroerende staat.

Voor werk in onroerende staat dat overeenkomstig artikel 21, § 3, 1°, van het Btw-wetboek plaatsvindt in België, voorziet de wetgeving in een verlegging van heffing wanneer de klant een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften of wanneer de klant een niet in België gevestigde belastingplichtige is die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen.

Eiseres in hoger beroep is een in België gevestigde belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften. De belastingadministratie aanvaardt immers in hoofde van eiseres in hoger beroep het bestaan van een economische activiteit met betrekking tot de prestaties geleverd door de zaakvoerder Jozef Ooms en die eiseres in hoger beroep aan de BV M.O.&Zn aanrekende. De rechtbank oordeelde terecht inzake artikel 20 §1 KB nr.1 dat eiseres in hoger beroep uitgaande facturen had uitgeschreven vanaf het 4de kwartaal van 2015 aan M.O.&Zn BV, op basis waarvan zij BTW-aangiften diende in te dienen zodat de administratie terecht toepassing had gemaakt van artikel 20 §1 KB nr. 1.

Eiseres in hoger beroep betwist niet dat zij in strijd met artikel 20 §1 KB/WBTW de BTW verschuldigd over deze werken niet heeft opgenomen in haar BTW-aangiften. Zij stelt echter niets verschuldigd te zijn aan de Belgische Staat omdat zij aanspraak maakt op BTW-aftrek.

Krachtens de verleggingsregeling wordt geen belasting over de toegevoegde waarde betaald tussen de verrichter en de ontvanger van diensten. Laatstgenoemde is voor de verrichte handelingen tot voldoening van de voorbelasting gehouden, waarbij hij die belasting in principe kan aftrekken, zodat hij de belastingdienst niets verschuldigd is.

Het stelsel van de verlegging van heffing voor de belastingplichtige is geen loutere keuzemogelijkheid, maar een wettelijke verplichting van zodra de wettelijke toepassingsvoorwaarden van dit btw-regime zijn vervuld.

In onderhavige zaak wordt niet betwist dat de kwestieuze factuur niet de krachtens de btw­ wet verplichte vermeldingen bevatte, en dat eiseres in hoger beroep het btw-bedrag dat onterecht op de factuur stond vermeld, ten onrechte heeft gestort aan de opsteller ervan, terwijl zij op grond van de verleggingsregeling als dienstontvanger rechtstreeks de btw had moeten afdragen aan de belastingdienst. Er werd te dezen niet voldaan aan een materiële voorwaarde van die verleggingsregeling, namelijk de storting van de btw aan de belastingdienst door de belastingplichtige die de aftrek vraagt.

Hierdoor is er een gevaar voor verlies aan belastinginkomsten. Bovendien is de BTW die eiseres in hoger beroep heeft betaald aan de opsteller van de factuur -niet verschuldigd, terwijl er alleen recht op aftrek bestaat voor belasting die verschuldigd is -dat wil zeggen die verband houdt met een aan BTW onderworpen handeling- of die is voldaan voor zover zij verschuldigd was. Aangezien een materiële voorwaarde van de verleggingsregeling niet werd nageleefd en de door haar aan de dienstverrichter betaalde btw onverschuldigd was, kan eiseres in hoger beroep geen aanspraak maken op een recht op aftrek van de betreffende BTW.

De bepalingen van richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010, alsook de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid moeten volgens het Hof van Justitie aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat in een situatie als in het hoofdgeding aan de koper van een goed het recht wordt ontzegd om de belasting over de toegevoegde waarde af te trekken die hij onterecht aan de verkoper heeft betaald op basis van een factuur die is opgemaakt volgens de gewone regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde, terwijl de relevante handeling onder de verleggingsregeling viel, wanneer de verkoper die belasting aan de schatkist heeft betaald. Voor zover de terugbetaling door de verkoper aan de koper van de onterecht gefactureerde belasting over de toegevoegde waarde onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, met name in geval van insolvabiliteit van de verkoper, vereisen die beginselen echter dat de koper zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de belastingdienst kan richten (zie HvJ (4e k.) nr. C-564/15, 26 april 2017 (Tibor Farkas / Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-alföldi Regionális Adó Foigazgatósága)). Te dezen blijkt echter niet dat er door eiseres in hoger beroep terugbetaling werd gevorderd aan de verkoper noch dat de terugbetaling onmogelijk of uiterst moeilijk zou zijn.

Deze grief van eiseres in hoger beroep is derhalve ongegrond.

2.3. De geldboete

Het hof stelt vast dat voor wat betreft de inbreuk op de verleggingsregeling de eerste rechter het bestreden dwangbevel reeds van nul en generlei waarde verklaarde (nietig verklaarde) in de mate de hiervoor opgelegde boete de 10% overschreed. Hiertegen werd er geen incidenteel beroep ingesteld.

Het hof dient zich nog enkel uit te spreken over de door de eerste rechter herleide boete van 10% voor wat betreft de inbreuk gepleegd door eiseres in hoger beroep op de verleggingsregeling.

Voor wat betreft de inbreuk op de aftrekregeling werd eveneens een geldboete opgelegd van 10%.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van de BTW-wetgeving te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

De opgelegde boetes van 10% zijn voldoende gemotiveerd, wettelijk en evenredig met de aard en de ernst van de feiten. Het hof is van oordeel dat er geen redenen zijn om deze boetes kwijt te schelden of te verminderen noch om uitstel toe te staan indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

2.4. De kosten van het geding.

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op

6.000 euro in eerste aanleg en 6.500 euro in hoger beroep, met dien verstande dat de Belgische Staat niet vertegenwoordigd is door een advocaat.

Eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, binnen de perken van het hoger beroep.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het beperkt hoger beroep van eiseres in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het beroepen vonnis, binnen de perken van het hoger beroep, in al zijn beschikkingen, met de verduidelijking dat met "het bestreden dwangbevel van 6 december 2018" bedoeld wordt het bestreden dwangbevel uitgevaardigd op 26/11/2018, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 04/12/2018 en ter kennis gebracht aan eiseres in hoger beroep bij aangetekend schrijven d.d. 06/12/2018.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de gedingkosten in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het hof laat de bijzondere bijdrage aan het begrotingsfonds betaald in hoger beroep ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 18 januari 2022 door ...

Ondertekeningen

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFil

Vonnis van 14 februari 2020

Rol: 19/420/A

Inzake:

JH.BVBA met zetel te ..., KBO: 050...52 eiseres - vertegenwoordigd ter zitting door meester ...,

TEGEN:

BELGISCHE STAAT, Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering - Ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Antwerpen 5, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4, KBO: 0308.357.159 verweerder - vertegenwoordigd ter zitting door de heer Y, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 28 januari 2019, ingeschreven op 28 januari 2019,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 1 maart 2019,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 3 januari 2020.

Vordering van eiseres – ontvankeliikheid

De vordering van eiseres strekt ertoe het dwangbevel van 6 december 2018 gebaseerd op het proces verbaal van 22 november 2018, van nul en generlei waarde te verklaren en eiseres te ontslaan van de in dit dwangbevel met aangehecht proces verbaal van haar gevorderde sommen, en de teruggave te bevelen van de reeds betaalde sommen. Eiseres vordert eveneens om de Belgische staat te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 euro.

De Belgische staat vordert dat akte zou worden genomen van het feit dat wordt erkend dat het proces verbaal en het daarop gebaseerde dwangbevel het correcte bedrag van de daarin vermelde boete niet 13.040,00 euro bedraagt, doch slechts 10.290,00 euro, zodat de Belgische staat zich niet verzet tegen de gedeeltelijke nietigverklaring van het dwangbevel voor een bedrag van 2.750,00 euro met betrekking tot de administratieve boete.

De Belgische staat vordert voor het overige dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond zou worden verklaard zodat de overige gevorderde sommen zoals opger10men in het bestreden dwangbevel verschuldigd zijn, meer bepaald een bedrag van 102 909,27 euro aan btw, een boete voor een bedrag van 10 290,00 euro en intresten te berekenen vanaf 21 januari 2018.

Louter defensief begroot de Belgische staat de rechtsplegingsvergoeding op een bedrag van 6.000,00 euro. De Belgische staat vordert om eiseres te veroordelen tot de .kosten van het geding, in hoofde van de Belgische staat niet begroot.

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder aldus niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

Voorgaanden

Eiseres is geregistreerd voor btw doeleinden sinds 1 januari 2013, waarbij op het formulier 604 als hoofdactiviteit "Fokken van paarden een andere paardachtigen" werd vermeld en "Activiteiten van paardensportclubs" als bijkomende activiteit.

Van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2014 werden kwartaal aangiftes ingediend, vervolgens van 1 juni 2014 tot en met 30 september 2015 werd overgeschakeld op het belastingregime van de vrijstellingsregeling overeenkomstig artikel 56 bis van het btw-wetboek. Vanaf 1 oktober 2015 schakelde eiseres opnieuw over naar het indienen van kwartaal aangiftes.

In een periode die in grote lijnen loopt van augustus 2017 tot september 2018, werden door de administratie gegevens gevraagd met betrekking tot aankopen en investeringen voor de jaren 2014, 2015 en 2016 en de verkoopfacturen voor 2015 en 2016.

Op 11 oktober 2018 werd een correctieopgave opgesteld (stuk 1 van de administratie), waarover eiseres op 13 november 2013 meedeelde niet akkoord te gaan met de vooropgestelde regularisatie (stuk 2 van de administratie). Op 22 november 2018 werd een proces verbaal opgesteld, op basis waarvan een dwangbevel werd uitgeschreven (stukken 3 en 4 van de administratie).

Ten gronde

Artikel 45,§1 btw-wetboek- recht op aftrek

De betwisting tussen partijen heeft in de eerste plaats betrekking op het uitoefenen van recht op btw-aftrek met betrekking tot de facturen die betrekking hebben op de bouw van paardenstallen en bijhorende conciërgewoning.

Artikel 45, §1 van het btw-wetboek bepaalt dat elke belastingplichtige recht heeft op btw­ aftrek betreffende onder meer de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van (onder meer) belaste handelingen.

Eiseres voert aan dat zij actief is als "manege/paardenfokkerij". Daar wordt specifiek aan toegevoegd dat het fokken van paarden een belastbare handeling is in de zin van artikel 45,

§1, 1° btw-wetboek. Het beperkt aantal uitgaande facturen betekent volgens eiseres niet dat er geen sprake is van een economische activiteit of van belaste handelingen waarop de gemaakte kosten betrekking hebben. Eiseres verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie, in het bijzonder het arrest Rompelman van 14 februari 1985 (C-268/83). Eiseres voert aan dat een persoon die investeringshandelingen verricht bedoeld om een onderneming te kunnen exploiteren, reeds moet worden beschouwd als een belastingplichtige met recht op aftrek van betaalde voorbelasting, waarbij de intentie in hoofde van de belastingplichtige dient te worden beoordeeld op het ogenblik van de aanvang van de activiteiten.

Eiseres voert aan dat er reeds sprake was van een economische activiteit vanaf de aanvang van de werken in 2014, waarbij de intentie van eiseres om een economische activiteit uit te oefenen zou blijken uit de door haar gestelde voorbereidende handelingen.

De belastingadministratie voert aan dat eiseres weliswaar aanvoert dat zij actief is als paardenfokkerij maar dit niet aantoont door het stellen van ondubbelzinnige daden. De belastingadministratie verwijst naar de vaststelling dat eiseres geen eigen paarden heeft om mee te fokken, dat op de manege enkel paarden van naaste familie (van de zaakvoerder) aanwezig zijn en· dat er met betrekking tot paarden enkel facturen worden opgesteld gericht aan "diverse klanten", waarna deze worden verrekend met de rekening-courant van de zaakvoerder van eiseres. Vanaf het 4e kwartaal van 2015 worden facturen uitgereikt aan M.O.&Zn bvba met als omschrijving "geleverde prestaties J.O.". Voor wat betreft de prestaties waarop deze facturatie betrekking heeft, werd door de accountant van eiseres op 20 juni 2018 een omschrijving gegeven waaruit blijkt dat deze activiteit betrekking heeft op de planning en opvolging van bouwwerven, onderhoud van onroerend goed van M.O.&Zn bvba, personeelsbeleid, bureauwerk en financieel beheer van M.O.&Zn bvba.

De belastingadministratie verwijst eveneens naar het ontbreken van kosten zoals kosten voor voeder voor paarden en dierenartskosten.

De belastingadministratie voert aan dat eiseres niet aantoont dat zij een economische activiteit heeft bestaande uit het fokken van eigen paarden of paarden van derden om hieruit omzet te realiseren.

Eiseres voert in algemene termen aan dat "zij reeds het nodige heeft gedaan om de nodige vergunningen te bekomen, maar dat deze tot op heden nog niet werden goedgekeurd". Over de vaststelling dat de aanvraag voor een milieuvergunning pas werd ingediend op 21 december 2017, vermeldt eiseres dat dergelijke aanvraag zeer veel voorbereidend werk zou vereisen, waarbij uit de omvang van deze aanvraag zou blijken dat dergelijk dossier geenszins op korte termijn kan worden opgesteld en ingediend.

De rechtbank stelt vast voor wat betreft de uitgaande facturatie van eiseres dat het grootste deel facturen betreft uitgereikt aan M.O.&Zn bvba. Deze hebben geen betrekking op paardenfokkerij. Voor het overige werden met betrekking tot paarden slechts enkele facturen opgesteld, gericht aan "diverse klanten", met betaling van de verschuldigde bedragen via rekening-courant van de zaakvoerder. De rechtbank oordeelt dat op basis van deze facturatie louter kan worden vastgesteld dat de concreet uitgeoefende activiteiten van eiseres met betrekking tot paarden en de periode waarop het verwerpen van het recht op btw-aftrek betrekking heeft, beperkt blijven tot stalling en verzorging van paarden van de zaakvoerder en mogelijks enkele van zijn familieleden. De rechtbank kan geenszins vaststellen dat eiseres werkelijk een economische activiteit heeft verricht bestaande uit het opfokken van paarden.

De rechtbank kan evenmin de intentie van eiseres vaststellen om een economische activiteit uit te oefenen die zou blijken uit door haar gestelde voorbereidende handelingen. Er zijn geen objectieve elementen waaruit blijkt dat eiseres werkelijk de intentie had tijdens de periode waarop de verwerping van het recht op btw-aftrek betrekking heeft, om een economische activiteit van paardenfokkerij uit te oefenen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres heeft gewacht tot eind 2017 om een milieuvergunning aan te vragen. Het door eiseres bijgebrachte attest uitgaande van SBB bedrijfsdiensten vermeldt louter dat de opmaak van een vergunningsaanvraag "wel enige tijd" vergt, maar verantwoordt geenszins waarom gewacht is tot eind 2017 om effectief een milieuvergunning aan te vragen.

Louter volledigheidshalve stelt de rechtbank vast dat de loodsen waarop de milieuvergunning betrekking heeft, en die volgens de bijgevoegde plannen een stuk groter zijn dan het gebouw aangeduid als "paardenstal 1", blijkbaar nog moeten worden gebouwd. Eiseres verduidelijkt geenszins waarom de milieuvergunning niet vroeger kon worden aangevraagd, aangezien blijkbaar niet wordt gewacht voor het aanvragen van de milieuvergunning tot de gebouwen effectief waren opgericht. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen stukken bijbrengt over het verdere verloop van de procedure waarbij een milieuvergunning is aangevraagd.

Eiseres brengt nog een factuur bij van 2 september 2019 betreffende de aankoop van een hengstveulen (stuk 5 van eiseres), en twee facturen met dezelfde factuurdatum (stukken 6 en 7 van eiseres), 16 september 2019 en hetzelfde factuurnummer met dezelfde omschrijving van diergeneeskundige prestaties, die één keer opgesteld is op naam van de zaakvoerder van eiseres en één keer op naam van eiseres (zonder vermelding van haar btw-nummer). De rechtbank niet vaststellen dat een kredietnota zou zijn opgesteld voor een van beide facturen, zodat niet duidelijk is welke van beide dient worden beschouwd als de correcte factuur.

Deze twee inkomende facturen zijn geenszins van aard om het bestaan van een economische activteit in hoofde van eiseres aan te tonen bestaande in paardenfokkerij, en dateren bovendien van na de periode waarop de btw-controle betrekking had. Voor wat betreft de stukken 6 en 7 van eiseres voert de belastingadministratie bovendien ook nog terecht aan dat zelfs niet blijkt wie de eigenaar is van het paard vermeld op de factuur (wat geldt voor beide varianten van de factuur).

De rechtbank oordeelt dan ook dat eiseres niet aantoont dat zij een recht op btw-aftrek had betreffende de facturen waarvoor het recht werd verworpen door de belastingadministratie.

Inzake artikel 20, § 1 KB nummer 1

Eiseres voert in ondergeschikte orde aan dat de belastingadministratie ten onrechte toepassing heeft gemaakt van artikel 20 van KB nummer 1 betreffende een factuur van 30 september 2016 van M.O.&Zn bvba.

Eiseres voert aan dat indien zij geen belastbaar handelingen stelde, zij niet gehouden is tot het indienen van de btw-aangiften overeenkomstig artikel 53, §1 btw-wetboek zodat artikel 20 van KB nummer 1 niet kon worden toegepast.

De rechtbank oordeelt dat de belastingadministratie terecht aanvoert dat eiseres uitgaande facturen heeft uitgeschreven vanaf het 4e kwartaal van 2015 aan M.O.&Zn bvba, op basis waarvan zij btw-aangiften diende in te dienen. De administratie heeft dan ook terecht toepassing gemaakt van artikel 20, §1 van KB nummer 1.

Inzake de proportionele boete.

De rechtbank stelt vast dat de belastingadministratie in huidige procedure akkoord gaat met de toepassing van tabel G, 1e afdeling, rubriek IV van het KB nummer 41.

De rechtbank oordeelt dat de aldus herleide proportionele boete allerminst onevenredig is met de vastgestelde inbreuken.

OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate.

Verklaart het bestreden dwangbevel van 6 december 2018 gebaseerd op het proces verbaal van 22 november 2018, gedeeltelijk nietig, louter en alleen in de mate dat daarin een geldboete wordt opgelegd voor een bedrag hoger dan 10.290,00 euro, waarbij de overige gevorderde sommen zoals opgenomen in het bestreden dwangbevel verschuldigd zijn, meer bepaald een bedrag van 102.909,27 euro aan btw, een boete voor een bedrag van 10.290;00 euro en intresten te berekenen vanaf 21 januari 2018

Wijst het meer-en anders gevorderde af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op veertien februari tweeduizend twintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

14

Vergelijkbare beslissingen

8