Wedersamenstelling van de omzet, Bewijs door vermoedens · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 14 november 2024

Zoeken
Tekst in het Frans

Wedersamenstelling van de omzet, Bewijs door vermoedens

https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzet-bewijs-vermoedens-recht-rechtbank-brussel-2024-11-14-4fae

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
14 november 2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

140 paragrafen

Tekst van de beslissing

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel d.d. 14.11.2024

WF 702-15-19/065559 – FINALITI 54774986

[ Gunstig vonnis voor de Belgische staat ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Wedersamenstelling van de omzet – Bewijs door vermoedens – Recht op aftrek – Vrijgestelde activiteit

Belasting over de toegevoegde waarde – Verminderde proportionele geldboeten – Lage geldboete – Geen strafrechtelijk karakter

Samenvatting van het vonnis / het arrest

Het geschil betreft de vernietiging van de invorderingsopdracht die werd opgesteld ingevolge een fiscale controle voor de jaren 2016, 2017 en 2018, waarbij de aangegeven omzet inzake btw werd gecorrigeerd, de aftrek van de btw op gemaakte kosten werd afgewezen en er een proportionele geldboete werd opgelegd overeenkomstig KB nr. 41. Verzoekster heeft een administratief bezwaar ingediend, dat werd afgewezen.

De overtreding met betrekking tot de niet-aangegeven omzet betreft uitsluitend de exploitatie van een bar in het 1e kwartaal van 2016, waarvoor de verzoekster een nihil btw-aangifte heeft ingediend. De controlerende ambtenaar baseerde zich op een factuur voor 24 ledigingen van glascontainers met een capaciteit van 240 liter, voor een kwartaal, gericht aan verzoekster, om de omzet te reconstrueren. Bij zijn berekening hield de controlerende ambtenaar rekening met de mogelijkheid dat de containers niet altijd volledig gevuld zijn (beperkt tot 50%), het aantal mogelijke glazen (4) voor een fles van 1 liter, de prijs van een glas volgens de kaart van de bar die tijdens de controle werd verkregen, waarbij de laagste prijs werd gebruikt voor de berekening.

Verzoekster betwist deze berekening, die zij als onjuist en onnauwkeurig beschouwt, omdat men niet weet hoe vol de containers zijn, hoeveel glazen per fles worden verkocht, noch de prijs van elk verkocht glas; zij merkt op dat de bar in januari was gesloten vanwege problemen met het gebouw en dat de periode van het 1e kwartaal precair was voor de gehele HORECA-sector gezien de aanslagen in Frankrijk van november 2015 en die van Brussel van maart 2016.

De rechtbank stelt dat de controlerende ambtenaar genoodzaakt was om de omzet te recon-strueren ingevolge de eigen nalatigheden van verzoekster: het indienen van een nihil btw-aangifte, gebrek aan een dagboek van ontvangsten en het ontbreken van bewijsstukken om haar boekhouding te controleren.

Artikel 59, §1 WBTW laat de fiscale administratie toe om, indien er geen objectieve elementen zijn om de aangiften van de belastingplichtige te controleren, zich te baseren op vermoedens die uitgaan van een bekend feit. De wedersamenstelling van de omzet werd gedaan op basis van een factuur uit de boekhouding van verzoekster en werd door haar niet betwist, het betreft dus een bekend feit.

Vertrekkende vanuit dit bekende feit kon de controlerende ambtenaar redelijk en objectief een gemiddelde omzet schatten met inachtneming van een foutmarge:

• vermindering van de capaciteit van de containers met 50%;

• toepassing van de laagste prijs vermeld op de kaart van de bar;

• geen rekening houden met het volume van de gewone afvalcontainers of PMD, noch met het leeggoed dat werd terugbezorgd aan de leveranciers.

Bovendien is de gereconstrueerde omzet sterk gelijkend aan die welke door verzoekster is aangegeven voor het 2e kwartaal van 2016, dat ook de economische gevolgen van de aanslagen van 22 maart 2016 heeft ondervonden.

De berekening van de wedersamengestelde omzet werd voldoende verantwoord en de belastingheffing kan niet als willekeurig worden beschouwd.

Inzake de verwerping van het recht op aftrek van btw op de gemaakte kosten, blijkt uit het administratieve bezwaar van verzoekster dat zij sinds de sluiting van de bar op 21 juli 2016 ingevolge een gerechtelijke beslissing de exploitatie van de bar heeft stopgezet en dat zij vanaf juli 2017 een activiteit van zaalverhuur is begonnen, welke geen recht op aftrek doet ontstaan.

Daarom heeft de controlerende ambtenaar terecht de toegepaste btw-aftrekken vanaf het 3e kwartaal van 2017 verworpen.

Wat betreft de opgelegde proportionele geldboeten, verminderd door toepassing van KB nr. 41, oordeelt de rechtbank dat de proportionele geldboeten van 20% en 5% resulterend in een totaal van 1.600 EUR geen repressief en afschrikkend karakter hebben en dus geen strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 van het EVRM. Bijgevolg heeft de rechtbank niet de bevoegdheid om de geldboeten te verminderen.

Opmerkingen

Wat betreft de opgelegde en reeds verminderde proportionele geldboeten, aanvaardt de rechtbank, in casu, het strafrechtelijk karakter van de geldboeten niet gelet op de bescheiden bedragen van de opgelegde geldboeten.

In verschillende andere rechterlijke beslissingen is reeds geoordeeld dat de btw-boetes die in verhouding tot de betwiste bedragen in een geschil eerder laag zijn, een schadeloosstellend karakter hebben. Zij zijn vergelijkbaar met de sancties die van toepassing zijn in het burgerlijk en handelsrecht. Ze hebben dus geen repressief of afschrikkend karakter in de zin van artikel 6 EVRM (zie in het bijzonder Burg. Brussel, 1 maart 2012, RG 2003/2657; Rb. Brussel, 3 oktober 2012, GS 2007/9036/A, gepubliceerd op Fisconetplus; zie ook Rb. Brussel, 25 februari 2009, GS 2003/15621 en 2006/986/A; Rb. Brussel, 25 februari 2009, GS 2006/1553 en 6176/A; Rb. Brussel, 12 september 2012, GS 2009/708/A; Rb. Brussel, 8 mei 2013, GS 2011/7615/A; Bergen 18 juni 2014, 2013/RG/260; Rb. Brussel, 26 april 2014, GS 2009/8553/A, Rb. Brussel, 10 april 2020, oktober 18/5244/A, Fisconetplus; Rb. Brussel, 7 oktober 2021, RG 19/7663/A, Fisconetplus; Rb. Brussel, 8 juni 2022, RG/2020/5265/A, Fisconetplus).

Volledige tekst (en FR)

EN CAUSE DE :

M.S., inscrite à la B.C.E. sous le n°08…35, dont le siège social est établi à 1000 Bruxelles, …

partie demanderesse,

ne comparaissant pas, ni représentée,

CONTRE :

L'Etat belge, représenté par le ministre des Finances, rue de la Loi, 12, 1000 Bruxelles, poursuites et diligences du Conseiller général, Directeur du Centre PME Bruxelles 1 — KMO Centrum Brussel 1, dont les bureaux sont établis à 1000 Bruxelles, …,

partie défenderesse,

comparaissant en personne à l'intervention de S.B., attachée,

En cette cause, tenue en délibéré le 24 octobre 2024, le tribunal prononce le jugement suivant.

Vu les pièces de la procédure, et notamment :

 la requête contradictoire déposée au greffe du tribunal de céans le 10 novembre 2022 ;

 l'ordonnance rendue le 12 janvier 2023 en application de l'article 747 § 1er du Code judiciaire ;

 les conclusions déposées par la partie demanderesse le 02 octobre 2023 ;

 les conclusions de synthèse déposées par la partie défenderesse le 14 février 2024 ;

Entendu la partie défenderesse en ses dires et moyens à l'audience publique du 24 octobre 2024, à laquelle la partie demanderesse n'a comparu ni en personne ni par avocat. Dès lors qu'elle a été régulièrement convoquée sur le fondement de l'article 747§2 du Code judiciaire, le présent jugement est toutefois prononcé contradictoirement à son égard.

Objet du litige

1.-

Le litige a trait à l'ordre de recouvrement CTRI 500220553926, mis à charge de la partie demanderesse, rendu exécutoire le 18 décembre 2019, reprenant une dette TVA de 8.126,66€ majorée de 1.600€ d'amendes résultant du procès-verbal de régularisation rédigé le 25 novembre 2019.

2.-

La partie demanderesse postule à la mise à néant de l'ordre de recouvrement litigieux, à la remise des amendes en totalité ou à leur réduction au plus strict minimum, à la condamnation de l'État belge au remboursement de toutes sommes indûment perçues, majorées des intérêts et à l'indemnité de procédure liquidée à 1.350€.

3.-

La partie défenderesse conclut à la recevabilité, mais au non-fondement des demandes.

Recevabilité

4.-

La demande, introduite dans les formes et le délai prévus par la loi, sera déclarée recevable.

Ill. Faits

5.-

Un contrôle fiscal portant sur les années 2016, 2017 et 2018 a été effectué le 15 octobre 2019 par l'Administration fiscale à l'issue duquel plusieurs infractions à la législation TVA ont été soulevées à l'encontre de la partie demanderesse :

- rectification du chiffre d'affaires déclaré à la TVA (7.997,22€);

- rejet de la déduction de la TVA sur des frais supportés (165,22€);

- application d'une amende proportionnelle de 1.600€.

Aucun accord n'ayant été trouvé, un ordre de recouvrement a été pris pour les montants repris dans le procès-verbal de régularisation du 25 novembre 2019.

La partie demanderesse a introduit une réclamation administrative le 5 décembre 2019 qui a été rejetée par la décision directoriale du 29 septembre 2021.

IV. Discussion

Quant à la rectification du chiffre d'affaires non déclaré

6.-

L'infraction concernant le chiffre d'affaires non déclaré porte uniquement sur l'activité d'exploitation du bar « Le Phénix» durant le 1er trimestre 2016 pour laquelle la partie demanderesse a déposé une déclaration de TVA néant.

7.-

L'agent contrôleur s'est basé sur une facture établie par PRO.BRUSSELS (agence régionale pour la propreté) facturant à la partie demanderesse 24 vidanges de conteneurs à verre de 240 litres pour un trimestre afin de reconstituer le chiffre d'affaires.

Pour cela, l'agent contrôleur a procédé de la manière suivante :

- 24 vidanges x 240 litres = 5.760 litres ;

- diminution de 50 % afin de prendre en compte la possibilité que les conteneurs ne sont

pas toujours entièrement remplis = 2.880 litres ;

- une bouteille ayant généralement une capacité de 1 litre, elle peut fournir 4 verres de

25 centilitres ;

- le prix d'un verre variant de 4 à 9€ TVAC sur la carte du bar récupérée lors du contrôle,

- le prix le plus bas est retenu pour le calcul ;

- 2.880 litres x 4 verres x 4€ = 46.080€ TVAC ;

- 46.080,00 / 1,21 = 38.082€ HTVA.

8.-

La partie demanderesse conteste ce calcul sur base des éléments suivants :

- le calcul est erroné, inexacte et imprécis car on ne connait ni le niveau de remplissage des conteneurs, ni la quantité de verres vendus par bouteille, ni le prix de chaque verre vendu ;

- l'établissement avait été fermé en janvier pour cause de problèmes du bâtiment ;

- la période était précaire pour l'ensemble du secteur de l'HORECA vu les attentats en France du 13 novembre 2015 et ceux de Bruxelles le 22 mars 2016.

9.-

Le Tribunal relève que c'est dû aux propres négligences de la partie demanderesse que l'agent

contrôleur s'est vu obligé de reconstituer le chiffre d'affaires : le dépôt d'une déclaration TVA

néant, une absence de journal de recettes et le défaut de pièce justificative permettant de vérifier sa comptabilité.

L'article 59, 1er du Code de la TVA1 permet à l'Administration fiscale, lorsqu'elle ne dispose pas d'élément objectif permettant de vérifier les déclarations de l'assujetti, de se reposer sur des présomptions en partant d'un fait connu.

10.-

La reconstitution du chiffre d'affaires ayant été faite sur base d'une facture provenant de la comptabilité de la partie demanderesse et n'étant pas contestée par cette dernière, il s'agit d'un fait connu.

A partir de ce fait connu, l'agent contrôleur a pu raisonnablement et objectivement estimer un chiffre d'affaires moyen en retenant une marge d'erreur :

- diminution de la capacité des conteneurs de 50%;

- application du prix le plus bas repris sur la carte du bar ;

- pas de prise en compte des volumes des poubelles tout venant ou PMC ni des

éventuelles vidanges retournées aux fournisseurs.

11.-

De plus, le chiffre d'affaires reconstitué est fort semblable à celui déclaré par la partie demanderesse au 2ème trimestre 2016 (39.024,00 euros), trimestre qui a également subi les répercussions des attentats du 22 mars 2016.

Le calcul du chiffre d'affaires reconstitué est suffisamment justifié et la taxation ne peut être jugée comme étant arbitraire.

Quant au rejet de la déduction de la TVA sur les frais supportés

12.-

Il ressort de la réclamation administrative de la partie demanderesse qu'elle n'a plus exercé son activité d'exploitation de bar depuis la fermeture par voie judiciaire de ce dernier le 21 juillet 2016 et qu'elle a commencé une activité de location de salle à partir du ter juillet 2017, activité ne permettant pas le droit à déduction.2

De ce fait, c'est de bon droit que l'agent contrôleur a rejeté toutes les déductions de TVA opérées à tort à partir du 3ème trimestre 2017.

Quant aux amendes appliquées

13.-

En l'espèce, la première infraction a fait l'objet d'une amende proportionnelle réduite à 20% en vertu de l'article 70, §1er CTVA et du tableau G, section 1ère, V de l'annexe de l'arrêté royal n° 41.

La deuxième infraction a fait l'objet d'une amende proportionnelle réduite à 5% en vertu de l'article 70, §1er bis CTVA et du tableau H de l'annexe de l'arrêté royal n° 41.

Le montant des amendes a été réduit de 16.325,32€ à 1.600€.

14.-

Par une jurisprudence constante, la Cour de cassation3 a dit pour droit que le pouvoir du juge de réduire l'amende administrative découle de l'article 6 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales dès lors que les amendes administratives ont un caractère pénal au sens de cette disposition.

Pour décider si une sanction administrative en matière fiscale peut constituer une sanction pénale au sens de l'article 6 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, il y a lieu de vérifier si :

- elle concerne sans distinction tous les contribuables et non uniquement un groupe déterminé doté d'un statut particulier ;

- elle prescrit un comportement déterminé et prévoit une sanction en vue de son respect ;

- elle ne concerne pas seulement une réparation pécuniaire d'un préjudice mais tend essentiellement à sanctionner afin d'éviter la réitération d'agissements similaires ;

- elle se fonde sur une norme à caractère général dont le but est à la fois préventif et répressif ;

- - elle est très sévère eu égard à son montant.

15.-

En l'espèce, des amendes proportionnelles au taux de 20% et 5% aboutissant au total de 1.600€ ne présentent pas un caractère répressif et dissuasif et ne sont donc pas de nature pénale au sens de l'article 6 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.

Par conséquent, le Tribunal n'a pas le pouvoir de réduire les amendes.

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS,

LE TRIBUNAL,

Statuant contradictoirement,

Vu la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire,

Dit la demande recevable, mais non fondée.

En conséquence, en déboute la partie demanderesse.

Condamne aux dépens de l'instance la partie demanderesse, mais constate l'absence de dépens dans le chef de la partie défenderesse ; délaisse à la partie demanderesse la charge de la contribution au fonds budgétaire pour l'aide juridique de deuxième ligne de 24,00 €.

Ainsi jugé et prononcé à l'audience publique de la 34ème chambre du tribunal de première

instance francophone de Bruxelles, le 14 NOV. 2024

Où étaient présents et siégeaient :

Mme C. G., juge,

Mme L. D., greffière,

1 Article 59, §1er CTVA :

« L'administration est autorisée à prouver selon les règles et par tous les moyens de droit commun, témoins et

présomptions compris, à l'exception du serment, et, en outre, par les procès-verbaux des agents du Service public

fédéral Finances, toute infraction ou toute pratique abusive aux dispositions du présent Code ou prises pour son

exécution, de même que tout fait quelconque qui établit ou qui concourt à établir l'exigibilité de la taxe ou d'une

amende. »

2 Article 44 CTVA :

"(...) § 3. Sont encore exemptés de la taxe : (...)

2° l'affermage et la location de biens immeubles par nature »

3 Par exemple, Cass., 2 mars 2023, TF.R., 2023/15, pp. 802-803.

Nota van de FOD Financiën

Opmerkingen of Commentaar

Wetgeving

Artikelen 59 §1, 70 §§1 & 1bis, WBTW

Artikel 8.29, Boek 8 « Bewijs », BW (nieuw)

Koninklijk Besluit nr. 41

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 593 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 11 voorkomen
WBTW art. 441 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8