Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 04.06.2009 (F.08.0088.F)
Vrijstellingen – Uitvoer - Invoer - Intracommunautaire leveringen en verwervingen - internationaal vervoer - Goederen, verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap - Bewijs
Wettelijke bepalingen
Art. 39bis, eerste lid, 1°, W.BTW
Art. 1022, Gerechtelijk Wetboek
Samenvatting
Het arrest dat beslist dat het inschrijvingsbewijs dat de verkoopfactuur en de stukken betreffende de identiteit van de koper van het voertuig vervolledigt, samen met die stukken een geheel van met elkaar overeenstemmende documenten vormt waaruit ontegensprekelijk blijkt dat het litigieuze voertuig buiten België is vervoerd naar een land van de Gemeenschap, verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de belastingplichtige het bewijs levert dat bij artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 52 van 29 december 1992 vereist is opdat hij in aanmerking zou kunnen komen voor de vrijstelling, bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, BTW.-wetboek
Het arrest dat beslist dat de verweerster de eiser terecht verwijt dat hij niet op loyale wijze heeft meegewerkt aan de bewijsvoering en dat hij voor het hof van beroep volhardt in een houding die reeds door de eerste rechter was gelaakt, verantwoordt naar recht de beslissing waarbij de eiser tot de maximale rechtsplegingsvergoeding wordt veroordeeld.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 04.06.2009
(F.08.0088.F)
BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,
tegen
D.D.A., naamloze vennootschap,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 juni 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert twee middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 39bis, inzonderheid eerste lid, 1°, van het Wetboek van de belastingen over de toegevoegde waarde;
- de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 betreffende de vrijstellingen betreffende intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.
Aangevochten beslissing
Het arrest stelt de volgende feiten vast:
"1. (De verweerster) heeft op 5 maart 2001 een voertuig van het merk Dodge, type Durango, bouwjaar 2000, chassisnr 1B4HS28Z8YF141156 verkocht aan de nvba Dicar, een vennootschap naar Luxemburgs recht. De overeengekomen prijs bedroeg 1.220.000 frank of 30.243,01 euro.
De vennootschap naar Luxemburgs recht, waarvan de statuten in het Duits door (de verweerster) zijn overgelegd, heeft het voertuig ingeschreven op 7 maart 2001. Ook het bewijs van inschrijving in het Groothertogdom wordt door (de verweerster) overgelegd. Uit dat stuk blijkt dat het voertuig voordien in een ‘ander land' ingeschreven was.
2.De boekhouding van (de verweerster) werd op 7 en 8 april 2003 gecontroleerd in het administratiekantoor dat de boekhouding deed. Op 15 oktober 2003 werd een proces-verbaal van regularisatie opgemaakt.
De administratie meldt daarin kennis te hebben genomen van:
de verkoopfactuur betreffende het litigieuze voertuig die geen melding maakt van het identificatienummer van de Luxemburgse belastingplichtige ‘aan wie de goederen werden geleverd' (sic);
een kopie, in het Duits, van de statuten van de nvba Dicar;
‘het bewijs van de geldigheid van het btw-nummer van de nvba Dicar'; zij voegt hieraan evenwel toe dat ‘dienaangaande tevens moet worden opgemerkt dat de factuur niet het op het overgelegde stuk voorkomende btw-nummer vermeldt maar wel een nummer dat met de hand is doorgehaald', wat niet wordt betwist;
‘een kopie van de Luxemburgse inschrijvingskaart voor dat voertuig'. Daaraan voegt ze evenwel onmiddellijk toe dat dit stuk weliswaar in aanmerking kan worden genomen, ‘maar op zich alleen niet het geheel van met elkaar overeenstemmende stukken oplevert waaruit het bestaan van een intracommunautair vervoer blijkt'".
Het arrest vernietigt ten dele het door de eiser op 24 oktober 2003 tegen de verweerster uitgevaardigde dwangbevel op grond dat de verweerster de vrijstelling, bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, genoot voor de wagen van het merk Dodge Durango die zij, blijkens de factuur van 5 maart 2001, verkocht heeft aan Dicar, een vennootschap naar Luxemburgs recht.
De motivering van het arrest luidt als volgt:
"3. Om de vrijstelling te verwerpen baseert (de eiser) zich op een bijzonder strikte toepassing van artikel 39bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en van het koninklijk uitvoeringsbesluit nr. 52 van 29 december 1992. Hij voert immers aan dat (de verweerster) het bewijs niet heeft geleverd dat het voertuig buiten België is verzonden of vervoerd, aangezien zij niet ‘een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende handelspapieren' overlegt.
4. Zoals de eerste rechter op oordeelkundige wijze heeft opgemerkt betwist (de eiser) niet dat het litigieuze voertuig reeds op woensdag 7 maart 2001 (en niet op maandag 7 maart 2002) in het Groothertogdom Luxemburg is ingeschreven op naam van de koper, de nvba naar Luxemburgs recht Dicar.
Dat inschrijvingsbewijs dat de verkoopfactuur en de stukken betreffende de identiteit van de koper van het litigieuze voertuig vervolledigt (statuten van de Luxemburgse vennootschap en haar btw-nummer in het Groothertogdom Luxemburg) vormt samen met deze een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken waaruit ontegensprekelijk blijkt dat genoemd voertuig buiten België is vervoerd naar een land van de Gemeenschap.
Bijgevolg heeft de eerste rechter terecht het verzet tegen het litigieuze dwangbevel op dat punt gegrond verklaard".
Het arrest beslist aldus in substantie dat de door de verweerster overgelegde stukken, namelijk het bewijs van inschrijving van het litigieuze voertuig, de verkoopfactuur voor dat voertuig alsook de statuten en het nummer waaronder Dicar (de kopende vennootschap) ingeschreven is bij de belasting over de toegevoegde waarde in het Groothertogdom Luxemburg, een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken vormen waaruit ontegensprekelijk blijkt dat dit voertuig buiten België is vervoerd naar een land van de Gemeenschap".
Aldus beslist het arrest dat de verweerster haar bewijsplicht is nagekomen overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992.
Grieven
1. Artikel 131 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt: "De in de hoofdstukken 2 tot en met 9 geregelde vrijstellingen zijn van toepassing onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen".
Artikel 138, punt I, van dezelfde richtlijn (voordien artikel 28 quater, titel A, punt a) van de zesde richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag), dat omgezet is in artikel 39bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt: "De lidstaten verlenen vrijstelling voor de levering van goederen, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied, maar binnen de Gemeenschap welke wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreedt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen".
Volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zijn de vrijstellingen, bedoeld in de zesde richtlijn 1977/388/EG (thans vervangen door richtlijn 2006/112/EG), zelfstandige begrippen van het gemeenschapsrecht en dienen ze derhalve te worden teruggeplaatst in de algemene context van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde dat door de zesde richtlijn is ingevoerd (zie onder meer de arresten van 26 maart 1987, Commissie/Nederland 235/85, Rec., p. 1471, punt 18; van 5 juni 1997, S.D.C., C-2/95/, Rec., p. 3017, punt 21; van 10 september 2002, Kügler, C-141/00, Rec., p. 6833, punt 25 en van 16 september 2004, Cimber Air, voornoemd, punt 23).
Dat stelsel berust met name op het beginsel volgens hetwelk de belasting over de toegevoegde waarde geheven wordt op elke dienstverrichting en op elke levering van goederen, die onder bezwarende titel door een belastingplichtige worden verricht.
Aldus kent de zesde richtlijn 77/388/EG, zoals zij werd gewijzigd door de richtlijn 95/7 de btw een zeer ruime werkingssfeer toe die alle economische activiteiten van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter omvat (zie onder meer de arresten van 15 juni 1989, Stichting Uitvoering Financiële Acties, 348/87, punt 10; van 6 juli 2006, Kittel en Recolta Recycling, C-439/04, en C-440/04 punt 40, en van 14 december 2006, V.D.P. Dental Laboratory N.V., C-401/05, punt 22).
Aangezien die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat btw wordt geheven op elke levering van een goed of dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, dienen de vrijstellingen van de zesde richtlijn strikt te worden uitgelegd (zie, in die zin, de arresten van 16 september 2004, Cimber Air, C-382/02, punt 25; van 1 december 2005, Ygeia, C-394/04 en C-395/04, punt 15; van 9 februari 2006, Stichting Kinderopvang Enschede, C-415/04, punt 13; van 8 juni 2006, L.u.P., C-106/05, punt 24; van 14 september 2006, elmeka, C-181-04 tot C 183-04, punt 20, en van 14 december 2006, V.D.P. Dental Laboratory N.V., C-401/05, punt 23).
2. Het intracommunautair stelsel is ingevoerd na de opheffing van de grenzen tussen de lidstaten van de Gemeenschap en was bedoeld om het goederenverkeer tussen de lidstaten te vergemakkelijken. Vanuit zuiver fiscaal oogpunt was het nodig de bewegingen van de goederen te kunnen volgen opdat iedere lidstaat te allen tijde zou weten welke goederen zich op zijn grondgebied bevinden en die staat aldus, zo nodig, belasting zou kunnen heffen op de verrichtingen van de als zodanig optredende belastingplichtigen.
Artikel 39bis van het Wetboek van de belastingen over de toegevoegde waarde, dat artikel 138, punt I, van richtlijn 2006/112/EG omzet in nationaal recht, onderwerpt de vrijstelling van de belasting aan twee voorwaarden:
- de goederen moeten verzonden of vervoerd zijn buiten de lidstaat van vertrek en bestemd zijn voor een andere lidstaat;
- de levering moet worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreedt in een andere lidstaat dan die van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen.
De voorwaarde dat er voor het bewijs van het vervoer of de verzending naar een andere lidstaat een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken nodig is volgt uit de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992, dat genomen is ter uitvoering van de artikelen 39bis en 40, § 1°, b),van het BTW-wetboek.
De artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 voegen geen enkele bijkomende voorwaarde toe aan artikel 39bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, terwijl artikel 3 van dat koninklijk besluit slechts een regelmatige maatregel is ter uitvoering van de wet (Brussel, 6e kamer, 29 juni 2006, in zake Ets Hermand tegen de Belgische Staat).
Het staat derhalve aan de belastingplichtige die zich op de vrijstelling van artikel 39bis van het BTW-wetboek beroept, te bewijzen dat de voorwaarden voor de toepassing van voormeld artikel 39bis en van de artikelen 1 en 3 van het bovenvermelde koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 strikt vervuld zijn.
3. Artikel 39bis, I, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt: "van de belastingen zijn vrijgesteld 1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4".
Artikel 39bis onderwerpt aldus het voordeel van de vrijstelling van de belasting aan twee voorwaarden:
- de goederen moeten verzonden of vervoerd worden buiten de lidstaat van vertrek en bestemd zijn voor een andere lidstaat;
- de levering moet worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreden in een andere lidstaat dan de lidstaat van waaruit de goederen worden verzonden of vervoerd.
Wat betreft de eerste van die twee voorwaarden, namelijk de verzending of het vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap, moet het bewijs van de echtheid van de verzending of van het vervoer buiten België door de leverancier van de goederen geleverd worden aan de hand van een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende handelspapieren, zoals bestelbons, facturen van de vervoerder, vervoerdocumenten, betalingsstukken, contracten, ontvangsten van betaling etc., waaruit blijkt dat die voorwaarde is vervuld.
Geen enkel stuk, apart beschouwd, is onontbeerlijk of voldoende (perscommuniqué van de minister van Financiën, Belgisch Staatsblad, 20 februari 1993, p. 3952; Antwerpen, 13 december 1999, Cour. Fisc., 14 maart 2000, nr. 5, p. 185; burg. Bergen, 1 oktober 2003, F.J.F., 2004, p. 171).
De voorwaarde dat er voor het bewijs van het vervoer of de verzending naar een andere lidstaat een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken nodig is volgt uit de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992.
Artikel 3 van dat koninklijk besluit bepaalt dat de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen moet blijken uit een geheel van stukken die aan de met de controle belaste ambtenaren worden voorgelegd.
De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van de nodige bewijsstukken en ze kunnen voorleggen aan de met de controle belaste ambtenaar (Cass., 4 november 2005, C.04.0367.F).
Die overgangsregeling, die afwijkt van de algemene regeling inzake belastingheffing, houdt reële risico's op fraude in.
De voorwaarden voor de vrijstelling van de belasting, bedoeld in artikel 39bis van het Wetboek en in de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit nr 52 van 29 december 1992 moeten dus strikt vervuld zijn, want zij zijn juist bedoeld om fraude te voorkomen (artikel 138, punt I, van richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, voordien artikel 28quater, titel A, punt a), van de zesde richtlijn), zodat de belastingambtenaar een zekere gestrengheid aan de dag mag leggen bij de beoordeling van de bijeen te brengen bewijzen (Antwerpen, 13 december 1999, voormeld).
4. De inschrijving van een voertuig in een andere lidstaat levert niet het onweerlegbare bewijs op dat het voertuig verzonden of vervoerd is buiten België (vgl. burg. Hasselt, 23 oktober 2002, Le Fiscologue, 6 december 2002, nr. 870, p. 10; Brussel, 6e kamer, 29 juni 2006, Ets Hermand t/ Belgische Staat).
Het bewijs van inschrijving in een andere lidstaat, te dezen het Groothertogdom Luxemburg, vormt ten hoogste het bewijs van het feit dat het litigieuze voertuig op het grondgebied van de lidstaat van inschrijving is geweest en niet dat de lidstaat van inschrijving wel degelijk de lidstaat van bestemming is (vgl. burg. Brussel, 34e k., 3 november 2006, nv Car One t/ Belgische Staat).
Niet alleen omwille van de enkele noodzaak om artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 na te leven maar ook omwille van het feit dat de inschrijving geen onweerlegbaar bewijs vormt, moeten met elkaar overeenstemmende stukken worden overgelegd ten bewijze dat het goed verzonden of vervoerd is naar een andere lidstaat.
5.Benevens de kopie van het Luxemburgse bewijs van inschrijving van het litigieuze voertuig heeft de verweerster, blijkens de vaststellingen van het arrest, tot staving van haar verzoek een kopie overgelegd van de verkoopfactuur van dat voertuig, een kopie in het Duits van de statuten van de nvba Dicar (de vennootschap die het voertuig heeft gekocht) en het bewijs van het btw-nummer van die vennootschap.
De factuur bewijst geenszins dat het voertuig buiten België vervoerd is. De factuur is een stuk dat door de verkoper wordt opgemaakt, dat is in casu de persoon die het bewijs moet leveren dat het voertuig buiten België, maar binnen de Gemeenschap is verzonden of vervoerd.
Voor het overige vermeldt de door de verweerster opgemaakte factuur het btw-nummer niet van de Luxemburgse belastingplichtige aan wie de goederen zijn geleverd, wat het arrest vaststelt.
De kopie van de statuten bevat al evenmin het bewijs dat het voertuig buiten België maar binnen de Gemeenschap is verzonden of vervoerd.
Opdat een intracommunautaire levering van belasting zou kunnen worden vrijgesteld vermeldt artikel 39bis van het Wetboek onder meer dat het moet gaan om een verrichting die wel degelijk aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen is. De levering moet bijgevolg worden verricht voor een belastingplichtige die als zodanig optreedt.
De Belgische verkoper kan van het feit dat de koper "als zodanig optreedt" enkel op de hoogte zijn als die koper hem het btw-nummer meedeelt waaronder hij bij de belasting over de toegevoegde waarde ingeschreven is in een andere lidstaat dan België.
De overlegging van het bewijs van het btw-nummer van de nvba Dicar heeft aldus betrekking op de voorwaarde betreffende de hoedanigheid van de koper en derhalve niet op de voorwaarde dat het goed buiten België maar binnen de Gemeenschap moet verzonden of vervoerd zijn.
6. Voor de toepassing van artikel 39bis van het Wetboek is het onontbeerlijk dat de verzending of het vervoer geschiedt naar de koper uit een andere lidstaat.
Hierbij telt de plaats van de uiteindelijke bestemming van het voertuig, namelijk de plaats waarnaar de koper het goed overbrengt met het oog op het gebruik ervan voor zijn economische activiteiten. Die plaats hoeft niet noodzakelijk samen te vallen met de Staat waar hij gevestigd is of als belastingplichtige ingeschreven is.
Wanneer de belastingplichtige zich op de vrijstelling van artikel 39bis van het Wetboek beroept, dient hij bijgevolg te bewijzen dat het goed daadwerkelijk de grens heeft overschreden en zijn bestemming in de andere lidstaat heeft bereikt (burg. Brugge, 5 februari 2002, Fisconet).
Dat bewijs blijkt niet uit de stukken die de verweerster heeft overgelegd.
Het arrest verantwoordt dus niet naar recht zijn beslissing dat de verweerster het bewijs, bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992, levert om de vrijstelling, waarvan sprake is in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, te kunnen genieten.
Tweede middel
Geschonden wetsbepaling
- artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek
Aangevochten beslissingen
Het arrest vernietigt ten dele het dwangbevel dat de eiser op 24 oktober 2003 tegen de verweerster had uitgevaardigd, op grond dat de verweerster de vrijstelling, bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, genoot voor de wagen van het merk Dodge Durango die zij, blijkens de factuur van 5 maart 2001, verkocht had aan Dicar, een vennootschap naar Luxemburgs recht.
Het arrest beslist in substantie dat de door de verweerster overgelegde stukken, namelijk het inschrijvingsbewijs van het litigieuze voertuig, de verkoopfactuur voor dat voertuig alsook de statuten en het btw-nummer van de nvba Dicar (de vennootschap die het voertuig gekocht had) in het Groothertogdom Luxemburg, een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken vormen waaruit ontegensprekelijk blijkt dat genoemd voertuig buiten België is vervoerd naar een land van de Gemeenschap".
Aldus beslist het arrest dat de verweerster haar bewijsplicht is nagekomen overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992.
En het arrest veroordeelt de eiser om aan de verweerster de maximale rechtsplegingsvergoeding te betalen om de volgende redenen:
"Als vergoeding voor de kosten vordert (de verweerster) in een nota die zij had neergelegd op de pleitzitting, de toepassing van het maximumbedrag van 2000 euro als rechtsplegingsvergoeding en zij baseert zich hiervoor op artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Uit het antwoord op een vraag van het hof (van beroep) is gebleken dat de Belgische administratie geen stappen ondernomen heeft om van de administratie van het Groothertogdom Luxemburg informatie los te krijgen over de vraag of het litigieuze voertuig al dan niet ingeschreven was in het Groothertogdom Luxemburg en of de Luxemburgse belasting over de toegevoegde waarde al dan niet betaald was.
(De verweerster) verwijt (de eiser) bijgevolg terecht een deloyaal gebrek aan medewerking bij de bewijsvoering alsook het feit dat hij voor het hof (van beroep) volhard heeft in een houding die reeds door de eerste rechter was gelaakt, aangezien (de eiser) het - nochtans aan de BTW eigen - neutrale karakter heeft miskend daar hij, naar eigen zeggen, bij de betrokken Luxemburgse administraties met wie hij samenwerkte, geen navraag had gedaan naar de echtheid van de inschrijving en van de betaling van de belasting in het Groothertogdom Luxemburg.
Gelet hierop is de vordering van (de verweerster) die ertoe strekt (de eiser) te veroordelen tot de maximale vergoeding van 2000 euro gegrond".
Grieven
In zijn arrest van 27 september 2007 in zake Twoh International BV tegen Staatssecretaris van Financiën (zaak C 184/05, punt 38, vermeld op de webstek van het HvJ), heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen klaar en duidelijk vermeld dat op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat artikel 28quater, A, sub a), eerste lid, van de zesde richtlijn, in samenhang met de richtlijn inzake wederzijdse bijstand en de verordening inzake administratieve samenwerking, aldus moet worden uitgelegd dat de belastingautoriteiten van de lidstaat van waaruit goederen in het kader van een intracommunautaire levering worden verzonden of vervoerd, niet verplicht zijn de autoriteiten van de lidstaat waarvoor deze goederen volgens de leverancier bestemd zijn, om inlichtingen te verzoeken.
In een identieke zaak: het bewijs van de uitvoer van goederen, heeft het Hof van Beroep te Brussel eraan herinnerd dat niets de administratie ertoe verplicht een intracommunautair onderzoek te verrichten (Brussel, 6e f.k., 31 mei 2007, bvba Yesimtex t/ Belgische Staat, p. 5).
Aan de eiser kan niet worden verweten dat hij in casu geen rekening heeft gehouden met de neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde. De naleving van strikte vereisten inzake intracommunautaire levering met de bedoeling de juiste belastingheffing te verzekeren en fraude te voorkomen is toelaatbaar en geenszins in strijd met het neutraliteitsbeginsel.
Het kennelijk onredelijk karakter van de situatie (artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek) dat in voorkomend geval de maximale vergoeding kan rechtvaardigen, kan dus hier niet in aanmerking genomen worden: de eiser heeft geen misbruik gemaakt van de rechtspleging.
Voor het overige strekken de kosten geenszins tot schadevergoeding. De betaling van de in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat die handelt als lasthebber.
Het arrest verantwoordt dus niet naar recht de beslissing waarbij de eiser wordt veroordeeld tot betaling van de maximale rechtsplegingsvergoeding.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Naar luid van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde zijn van belasting vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden, in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, ingesteld bij artikel 58, § 4.
Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992, genomen ter uitvoering van de artikelen 39bis en 40, § 1°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt met betrekking tot de vrijstellingen betreffende intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, dat de in artikel 39bis bedoelde vrijstellingen afhankelijk zijn van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap. Artikel 3 van dat besluit bepaalt dat de verkoper te allen tijde in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt, dat hij ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren moet overleggen, en dat die stukken onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken zijn.
Laatstgenoemde bepaling geeft geen limitatieve opsomming van de noodzakelijke bewijsstukken en sluit niet uit dat de verkoper de echtheid van de verzending of het vervoer bewijst aan de hand van andere dan de erin vermelde stukken.
Het arrest stelt vast dat de verweerster op 5 maart 2001 een auto heeft verkocht aan een vennootschap naar Luxemburgs recht die deze op 7 maart 2001 op haar naam heeft doen inschrijven en dat zij "het inschrijvingsbewijs van het Groothertogdom Luxemburg" overlegt "waaruit blijkt dat het voertuig voordien ‘in een ander land' ingeschreven was'".
Het arrest wijst erop dat de verweerster, benevens dat bewijs, ook de verkoopfactuur betreffende het litigieuze voertuig, een kopie van de statuten van de buitenlandse vennootschap die het voertuig had aangekocht en het bewijs van de geldigheid van het btw-nummer van die vennootschap aan de bevoegde ambtenaar heeft voorgelegd.
Het arrest dat beslist dat "het inschrijvingsbewijs dat de verkoopfactuur en de stukken betreffende de identiteit van de koper van voertuig vervolledigt (...) samen met die stukken een geheel van met elkaar overeenstemmende documenten vormt waaruit ontegensprekelijk blijkt dat het voertuig buiten België is vervoerd naar een land van de Gemeenschap", verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de verweerster het bewijs levert dat bij artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 52 van 29 december 1992 vereist is opdat zij in aanmerking zou kunnen komen voor de vrijstelling, bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel
Krachtens artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter op verzoek van een van de partijen en bij een met bijzondere redenen omklede beslissing de rechtsplegingsvergoeding verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximumbedragen te overschrijden en houdt hij bij zijn beoordeling rekening met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
Het arrest dat beslist dat de verweerster "(de eiser) (...) terecht verwijt dat hij niet op loyale wijze heeft meegewerkt aan de bewijsvoering en dat hij voor het hof (van beroep) volhardt in een houding die reeds door de eerste rechter was gelaakt", verantwoordt naar recht zijn beslissing waarbij de eiser tot de maximale rechtsplegingsvergoeding wordt veroordeeld.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten; zegt dat er geen redenen zijn om de in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingsvergoeding op te nemen in die kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter …
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer …
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
14Rechtspraak
7België
7Hof van beroep te Gent2024/AR/145217.02.2026
Verlengde verjaringstermijn, Vermoeden belastingontduiking, Intracommunautaire levering, Recht op aftrek
Hof van beroep te Antwerpen23.10.2018
Administratie van de bijzondere belastinginspectie
Hof van beroep te Antwerpen05.04.2011