Intracommunautaire handeling, intracommunautaire levering, bewijs van de intracommunautaire levering · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie 25 september 2009

Zoeken

Intracommunautaire handeling, intracommunautaire levering, bewijs van de intracommunautaire leveringintracommunautaire handeling - intracommunautaire levering - bewijs van de intracommunautaire levering

https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-handeling-levering-bewijs-cassatie-brussel-2009-09-25-6b60

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Datum
25 september 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

177 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 25.09.2009, Zaak F.08.0009.F

Intracommunautaire handeling

Intracommunautaire levering

Bewijs van de intracommunautaire levering

Samenvatting

Het bestreden arrest is niet naar recht verantwoord, wanneer het weigert om een belastingplichtige vrij te stellen van de belasting over de toegevoegde waarde, op grond dat de administratie, op het tijdstip van de controle die aanleiding gaf tot het proces-verbaal en tot de litigieuze dwangsom, niet in het bezit was van een geheel van stukken waaruit bleek dat de belastingplichtige kon worden vrijgesteld van belasting op de litigieuze verkopen, aangezien hij pas heel wat later het initiatief heeft genomen om die bewijzen te verzamelen en deze aan de administratie te overhandigen (1).

(1) Zie concl. O.M. in Pas., 2009, nr. ...

Wanneer de prejudiciële vraag die aan het Hof opgeworpen wordt reeds richting werd gegeven in een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is het Hof niet gehouden deze vraag te stellen (aan laatstgenoemd Hof).

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. F.08.0009.F

OFF ROAD, naamloze vennootschap,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 april 2007 gewezen door het

hof van beroep te Luik.

Afdelingsvoorzitter Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan, waarvan het derde gesteld is als volgt.

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 22, §8, en 28quater, A, b), van de zesde richtlijn 77/388/EEG van 17 mei

1977 van de Europese Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-

Staten inzake omzetbelasting (zoals die bepalingen van kracht waren vóór de

wijziging ervan bij de richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 van de Raad

betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde

waarde).

Aangevochten beslissing

Het arrest doet de in het eerste middel herhaalde vaststellingen en verwerpt vervolgens,

met wijziging van de beslissing van de eerste rechter, het verzet van de eiseres tegen het

dwangbevel.

Het arrest grondt die beslissing in substantie op de volgende redenen:

Krachtens het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de

vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee

gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van

goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, zijn de in artikel

39bis van het BTW-Wetboek bepaalde vrijstellingen afhankelijk van het bewijs dat de

goederen zijn verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap (art. 1)

; de verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van

de verzending of het vervoer van de goederen blijkt ; hij moet die op ieder verzoek van de

met de controle van de BTW belaste ambtenaren overleggen en die stukken zijn onder

meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken (artikel

3). Hoewel die bepalingen de vereiste bewijskrachtige stukken slechts bij wijze van

voorbeeld opsommen en niet uitsluiten dat de verkoper de echtheid van de verzending of

het vervoer van de goederen aantoont aan de hand van andere stukken dan die welke

daarin worden vermeld, is het niettemin vereist dat die stukken op elk ogenblik in het

bezit van de verkoper zijn en aan de bevoegde ambtenaar kunnen worden overgelegd.

Op het ogenblik van de controle van 24 november 2003, die geleid heeft tot het procesverbaal

en het litigieuze dwangbevel, was de administratie echter niet in het bezit van een

geheel van stukken waaruit bleek dat de eiseres kon worden vrijgesteld van belasting op

de litigieuze verkopen, aangezien zij pas heel wat later het initiatief heeft genomen om die

bewijzen te verzamelen en deze aan de administratie te overhandigen.

Hoewel de Luxemburgse firma's die stukken rechtmatig in hun bezit zouden hebben,

belette te dezen niets de eiseres om ervoor te zorgen dat haar meteen een kopie van die

stukken werd toegezonden, teneinde die stukken, tijdens een belastingcontrole, als bewijs

te kunnen overleggen.

De wet legt strenge bewijsregels op wegens het hoge risico op fraude en de noodzaak om

de taak van de administratie te verlichten.

Grieven

Volgens artikel 28quater, A, b), van de zesde richtlijn inzake BTW, verlenen de Lidstaten,

onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die zij

vaststellen, om een juiste en eenvoudige toepassing van de hierna genoemde

vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen,

vrijstelling voor leveringen van nieuwe vervoermiddelen, door de verkoper, door de

afnemer of voor hun rekening naar de afnemer verzonden of vervoerd, buiten het in

artikel 3 bedoelde grondgebied, maar binnen de Gemeenschap.

Die bepaling, samen gelezen met artikel 22, §8, van die richtlijn, geeft de Lidstaten van

de Europese Unie de toestemming om de toepassingsvoorwaarden van de daarin

vermelde vrijstellingen te bepalen, onder meer om fraude of misbruik te voorkomen, mits

de Staten daarbij het evenredigheidsbeginsel naleven, krachtens hetwelk de maatregelen

die de Lidstaten kunnen treffen om de juiste inning van de belasting te verzekeren en

fraude te voorkomen, niet verder mogen reiken dat wat vereist is om die doelstellingen te

bereiken.

Artikel 39bis van het BTW-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 52 zetten de voormelde

bepaling van de zesde richtlijn in het Belgisch recht om.

Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52 bepaalt wat volgt : "De verkoper moet te allen

tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het

vervoer van de goederen blijkt, en die hij op ieder verzoek van de met de controle van de

belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren moet overleggen, en dat die

stukken onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de

betalingsstukken zijn".

Indien die bepaling zo moet worden uitgelegd dat zij een voorwaarde stelt op de

vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de intracommunautaire

leveringen, dan miskent zij het evenredigheidsbeginsel en mag zij bijgevolg niet worden

toegepast.

Een nationale maatregel die het recht op vrijstelling van een intracommunautaire

levering afhankelijk maakt van de naleving van formele verplichtingen, zonder rekening

te houden met het feit dat de materiële voorwaarden voor de vrijstelling zijn vervuld, reikt

verder dan wat vereist is om de juiste inning van de belasting te verzekeren.

Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52, in de uitlegging volgens welke de laattijdige

overlegging van bewijsstukken tot de belasting van de intracommunautaire levering leidt,

ook al is aangetoond dat de materiële voorwaarden voor de vrijstelling zijn vervuld, is

strijdig met voormeld artikel 28quater, A, b, van de zesde richtlijn.

Het arrest, dat toepassing maakt van het aldus uitgelegde artikel 3 van het koninklijk

besluit nr. 52, schendt artikel 28quater, A, b) en artikel 22, § 8, van de zesde richtlijn.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Derde middel

Luidens artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde, zijn van de belasting vrijgesteld, de leveringen van goederen

door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald

in artikel 56, §2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd

buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere

belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als

zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun

intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen,

voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere

regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, §4.

Het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de

vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de

ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire

verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde

waarde, dat genomen is ter uitvoering van de artikelen 39bis en 40, §1, 1°, b, van

het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt, in artikel 1,

dat de in artikel 39bis van het Wetboek bedoelde vrijstellingen afhankelijk zijn

van het bewijs dat de goederen zijn verzonden of vervoerd buiten België maar

binnen de Gemeenschap, en, in artikel 3, dat de verkoper te allen tijde in het bezit

moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer

van de goederen blijkt, en die hij op ieder verzoek van de met de controle van de

belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren moet overleggen, en dat

die stukken onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de

betalingsstukken zijn Voormeld artikel 39bis is de omzetting, in het interne recht, van artikel 28quater,

A, b), van de zesde richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977 van de Raad

betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake

omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde

waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd door de richtlijn 91/680/EEG van 16

december 1991 van de Raad.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft, in het arrest C146/

05 van 27 september 2007, in de considerans nr. 31, erop gewezen dat "nu uit

de verwijzingsbeslissing blijkt dat onmiskenbaar een intracommunautaire levering

is verricht, het beginsel van fiscale neutraliteit bijgevolg vereist (…) dat wanneer

aan de materiële voorwaarden is voldaan, de BTW-vrijstelling wordt verleend,

zelfs wanneer de belastingplichtigen niet voldoen aan bepaalde formele vereisten.

Dit zou slechts anders zijn wanneer de schending van dergelijke formele vereisten

het leveren van het zekere bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan,

zou hebben verhinderd".

Datzelfde arrest zegt voor recht dat "artikel 28quater, A, sub a), eerste alinea, van

de (voormelde) zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de

weg staat dat de belastingdienst van een lidstaat weigert om een

intracommunautaire levering die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden vrij te

stellen van belasting over de toegevoegde waarde, alleen omdat het bewijs van

een dergelijke levering niet tijdig is geleverd".

Aangezien de in dat arrest opgeloste vraag overeenkomt met de vraag die te dezen

opgeworpen wordt, is het Hof niet gehouden om een prejudiciële vraag te stellen

aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Het bestreden arrest weigert te dezen om de eiseres vrij te stellen van de belasting,

hoewel zij zulks vorderde, op grond dat "op het ogenblik van de controle van 24

november 2003, die geleid heeft tot het proces-verbaal en het litigieuze

dwangbevel, de administratie echter niet in het bezit was van een geheel van

stukken waaruit bleek dat de eiseres kon worden vrijgesteld van belasting op de

litigieuze verkopen, aangezien zij pas heel wat later het initiatief heeft genomen

om die bewijzen te verzamelen en deze aan de administratie te overhandigen".

Het arrest verantwoordt, om die redenen, zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

(…)

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep

ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het

gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door

afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Albert Fettweis, Sylviane Velu,

Benoît Dejemeppe en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 25

september 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in

aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier

Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Ivan Verougstraete en

overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De voorzitter,

Aangehaalde teksten

4

Rechtspraak

2

België

2

Rechtbank van eerste aanleg te Bergen23/1522/A10.07.2025

Overbrenging van goederen naar entrepots

Bekijk de 2 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8