Administratie van de bijzondere belastinginspectie · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 23 oktober 2018

Zoeken

Administratie van de bijzondere belastinginspectie

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bbi-administratie-bijzondere-belastinginspectie-hof-van-beroep-antwerpen-2018-10-23-c71c

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
23 oktober 2018

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

112 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 23.10.2018

2015/AR/1170

Samenvatting

Samenvatting niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Arrest

kamer B6 burgerlijke zaken

Mr. D. D. M., advocaat, met kantoor te .., in zijn hoedanigheid van curator over de faling van D. I. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, ondernemingsnummer …, in faling verklaard bij vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel d.d. 19 december 2017

eiseres in hoger beroep

vertegenwoordigd door mr. A. A., advocaat te …

tegen het vonnis van kamer AFiS van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 20 februari 2015, aldaar gekend onder rolnummer 14/2209/A

tegen

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, in de persoon van de rekenplichtige van het Team Invordering RP Lier 1, met kantoren te 2500 LIER, Kruisbogenhofstraat 24

verweerder in hoger beroep

vertegenwoordigd door mevrouw I. V., adviseur, 5de Directie BBI Antwerpen te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 5 (kenmerk: BE0466.870.304)

1.Voorafgaanden

Voor een uiteenzetting van de feiten en de procedurele voorgaanden wordt verwezen naar het tussenarrest van de zesde kamer van het hof van beroep te Antwerpen van 7 maart 2017.

Zoals reeds uiteengezet, betreft de betwisting de toepassing van de BTW voor de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2011 en meer bepaald de vraag of de belastingplichtige al dan niet terecht aanspraak maakte op vrijstelling van de BTW voor uitvoer en wegens intracommunautaire levering (artikel 39bis W.BTW).

In voormeld tussenarrest van 7 maart 2017 oordeelde het hof dat het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 24 november 2016, dat onder meer een aantal zaakvoerders van BVBA D. I. betreft desgevallend relevant zou kunnen zijn in onderhavig geding, doch dat de Belgische Staat nog niet in de gelegenheid was geweest om standpunt in te nemen over het belang dat dit vonnis mogelijkerwijze heeft voor de oplossing van onderhavig fiscaal geschil.

Teneinde met volledige kennis van zaken te kunnen oordelen en teneinde de rechten van verdediging van alle partijen in deze te respecteren, oordeelde het hof dan ook dat de conclusies van de belastingplichtige van 24 januari 2017 en het op die datum neergelegde stuk in de debatten konden worden behouden doch dat aan de Belgische Staat de mogelijkheid geboden moest worden om hierover bij conclusies standpunt in te nemen.

Het hof heeft dan ook met het oog hierop de heropening van de debatten bevolen.

Op 30 juni 2017 heeft de Belgische Staat conclusies neergelegd, ter aanvulling van de syntheseconclusies van 8 november 2016.

Ter zitting van 23 januari 2018 werd door de raadsman van eiseres in hoger beroep meegedeeld dat BVBA D. I. op 19 december 2017 failliet werd verklaard, met aanstelling van Mr. D. D. M. als curator. De zaak werd uitgesteld naar de terechtzitting van 24 september 2018.

2.Vorderingen in beroep

BVBA D. I. L., thans in faling vordert om haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en om dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen. De vennootschap vordert:

-Vooreerst te zeggen voor recht dat de zaakvoerders van BVBA D. I. door de correctionele rechtbank van Antwerpen werden vrijgesproken, zodat het hoger beroep van BVBA D. I. ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

-In hoofdorde te zeggen voor recht dat het dwangbevel niet regelmatig is en nietig moet worden verklaard.

-In ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat de voorwaarden om de BTW te heffen zoals vermeld in het dwangbevel niet vervuld zijn en dat de door de vennootschap toegepaste vrijstelling in België diende te worden gehandhaafd;

-Meest ondergeschikt, te zeggen voor recht dat de voorwaarden voor het opleggen van de boete niet vervuld zijn en dat deze derhalve niet verschuldigd is door de vennootschap;

-In elk geval om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg van 11.000,00 rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 12.000,00 EUR.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om de vennootschap ervan af te wijzen, het bestreden vonnis te bevestigen en de vennootschap te veroordelen tot de kosten van het geding.

In ondergeschikte orde vraagt de Belgische Staat om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het basisbedrag van 12.000,00 EUR voor de eerste aanleg en hoger beroep samen.

3.Bespreking

3.1. Nietigheid van het dwangbevel

Het dwangbevel, betekend op 10 december 2013 is nietig volgens de belastingplichtige omdat niet het bewijs werd geleverd dat de bevoegdheid om dit dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren gedelegeerd werd aan P. B. De aanstelling van deze ambtenaar is ook niet regelmatig omdat er geen nominatieve delegatie is van de minister.

Overeenkomstig artikel 85, §1 W.BTW wordt een dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de adviseur-generaal van de administratie, belast met de BTW (voorheen gewestelijke directeur genoemd) of door de door hem aangewezen ambtenaar.

Als stuk 15 legt de administratie de nodige stukken voor waaruit blijkt dat de heer B. door de minister van financiën werd aangesteld in de functie van gewestelijke directeur. Het dwangbevel werd dus door een daartoe bevoegd persoon geviseerd en uitvoerbaar verklaard, zodat er geen sprake is van nietigheid.

3.2. De Intracommunautaire levering

3.2.1. Argumenten van partijen

De belastingplichtige argumenteert in conclusies enkel over de voorwaarden voor de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen en stelt dat aan die voorwaarden is voldaan. Dat de BTW voor het overige terecht werd gevorderd, wordt derhalve niet langer betwist.

De koper van de goederen is volgens de belastingplichtige identificeerbaar. Het betreft rechtspersonen, waarvan de identiteit op de factuur werd vermeld. De bestellingen gebeurden telefonisch, de goederen werden klaargelegd en de klant kwam dan met eigen vervoermiddelen de goederen ophalen, na betaling ervan. De betaling gebeurde op verschillende wijzen: elektronisch, per cheque of contant. Alle facturen konden worden voorgelegd en de vennootschap verrichtte de nodige opzoekingen aangaande de geldigheid van de BTW-nummers van de klanten. Het feit dat de buitenlandse klanten fiscaal in gebreke zijn gebleven, impliceert volgens de belastingplichtige niet dat hun BTW-nummers ongeldig waren.

Voor wat het vervoer van de goederen betreft, stelt de vennootschap dat de afspraken daaromtrent mondeling gebeurden. De identiteitsgegevens van de chauffeurs moesten niet worden nagegaan. De administratie had zelf de nodige opzoekingen kunnen doen. De vennootschap heeft trouwens geen uitstaan met de vervoersfirma's van haar klanten.

De belastingplichtige stelt dat ze te goeder trouw was. Ze bestaat sinds jaren, heeft een goede reputatie en heeft belangrijke Investeringen gedaan.

De belastingplichtige wijst op het feit dat twee van haar zaakvoerders werden vrijgesproken van het misdrijf van het opstellen van valse facturen, het opmaken van een onjuiste boekhouding en indienen van een onjuiste BTW-aangifte.

De Belgische Staat van haar kant argumenteert dat het correctioneel vonnis niet tegenstelbaar is aan de fiscus, die geen partij was in het geding. Bovendien berust de bewijslast in de strafzaak bij het openbaar ministerie, daar waar de bewijslast voor de fiscale vrijstelling bij de belastingplichtige ligt.

Voor wat de intracommunautaire leveringen betreft, stelt de administratie dat een factuur op zich geen bewijs vormt van vervoer. Bovendien werd de hoedanigheid van de kopers als belastingplichtigen uit een andere lidstaat niet geleverd. De betalingen gebeurden zogezegd contant maar er is geen kasboek.

Dat de belastingplichtige in deze te goeder trouw zou zijn geweest blijkt volgens de administratie uit geen enkel gegeven.

3.2.2. Beoordeling

3.2.2.1.Artikel 39bis W.BTW en K.B. nr. 52 van 29 december 1992: algemeen

Artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, §2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België, maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet - belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, §4.

Artikel 39bis, tweede lid W.BTW bepaalt dat de Koning de beperkingen en voorwaarden vaststelt voor de toepassing van deze vrijstelling.

Artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992 (met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde), bepaalt dat de in artikel 39bis van het wetboek bedoelde vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn bulten België maar binnen de Gemeenschap.

Artikel 2 van dit besluit bepaalt dat de in artikel 39bis, eerste lid, 1° van het wetboek bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk Is van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet - belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Krachtens artikel 3 van dit besluit moet de verkoper te allen tijde In het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt en moet hij ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren kunnen overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

Laatstgenoemde bepaling geeft geen limitatieve opsomming van de noodzakelijke bewijsstukken en sluit niet uit dat de verkoper de echtheid van de verzending en het vervoer bewijst aan de hand van andere dan de erin vermelde stukken (Cass., (1e k.), AR F.08.0088.F, 4 Juni 2009, Arr.Cass., 2009, afl. 6-7-8, 1554, JLM, 2010, afl. 4, 158).

Artikel 39bis W.BTW onderwerpt het voordeel van de vrijstelling van de belasting dus aan twee voorwaarden:

-de goederen moeten verzonden worden buiten de lidstaat van vertrek en bestemd zijn voor een andere lidstaat;

-de levering moet worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet - belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreedt in een andere lidstaat dan de lidstaat van waaruit de goederen worden verzonden of vervoerd.

Wat de eerste voorwaarde betreft, namelijk de verzending of het vervoer van de goederen bulten België maar binnen de Gemeenschap dient, gelet op de term 'verzonden' aangenomen te worden dat de intracommunautaire levering van een goed pas plaatsvindt en de intracommunautaire levering eerst wordt vrijgesteld, wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over het goed op de afnemer is overgegaan en de leverancier aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en het grondgebied van de lidstaat ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten (vgl. H.v.J., 27 september 2007, nr. C-409/04, Teleos e.a.).

Aldus moet het bewijs van de echtheid van de verzending of van het vervoer buiten België geleverd worden door de leverancier van de goederen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende handelspapieren, zoals bestelbons, facturen van de vervoerder, vervoerdocumenten, betalingsstukken, contracten, ontvangsten van betaling, enz.

Geen enkel stuk, apart beschouwd, is onontbeerlijk of voldoende (perscommuniqué van de minister van Financiën, B.S., 20 februari 1993, p. 3952). Dat er voor het bewijs van het vervoer of de verzending naar een andere lidstaat een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken nodig is, volgt uit de artikel 1 en 3 van het K.B. nr. 52 van 29 december 1992.

Voor wat de tweede voorwaarde betreft kan van de leverancier worden verwacht dat hij alles doet wat redelijkerwijze van hem kan worden verlangd, om het BTW-nummer van de afnemer te achterhalen. Wanneer hij daartoe het nodige heeft gedaan en desondanks het BTW-nummer niet kan opgeven en dus te goeder trouw is, kan hem niets verweten worden op voorwaarde dat hij andere gegevens heeft verstrekt waaruit op afdoende wijze kan blijken dat de afnemer een belastingplichtige is die bij de betrokken handeling als zodanig heeft gehandeld (zie Hof van Justitie, 27 september 2012, C-587/10 inzake GmbH Rodewisch).

3.2.2.2.Het bewijs van het voldoen aan de voorwaarden: concreet

•De voorgelegde stukken

De beweerde leveringen In onderhavig geval betreffen een groot aantal facturen, in de betrokken jaren gericht aan diverse afnemers en opgesomd in het proces;.;verbaal van 26 november 2013 (stuk 1 Belgische Staat, p.14 en 15).

Het hof stelt vast dat de belastingplichtige enkel exemplaren van vrachtdocumenten kon voorleggen. Verder werd verklaard dat alle afspraken mondeling gebeurden en konden geen verdere gegevens verstrekt worden over de transporteurs, over de contactpersonen of de chauffeurs. De belastingplichtige verklaarde geen zakelijke relatie met de transportfirma's te hebben en dat onregelmatigheden, door deze firma's begaan de vennootschap niet kunnen worden toegerekend.

Uit nazicht van de voorgelegde CMR-documenten {stukken 5, 6 en 7 Belgische Staat) bleek dat deze grote onregelmatigheden en diverse hiaten vertonen. Zo werd op geen van de CMR's de datum van de zogenaamde ontvangst van de goederen ingevuld en uit de handtekeningen/parafen van de zogenaamde ontvangers kan niet worden afgeleid wie deze heeft geplaatst. Zo ook werden op een aantal CMR's nummers van voertuigen vermeld die niet waren ingeschreven op naam van de vermeende Belgische vervoerder en diende te worden vastgesteld dat door deze vervoerder geen diensten werden verricht voor belastingplichtigen uit andere lidstaten. zodat hieruit evenmin kan worden afgeleid dat de goederen naar afnemers in een andere lidstaten werden vervoerd.

Verder kan het als zeer vreemd bevonden worden dat de vennootschap niet wist aan welke personen de betrokken goederen concreet voor levering zouden zijn meegegeven. Het is zeer onwaarschijnlijk dat men ettelijke ladingen goederen zonder meer meegeeft aan een persoon waarvan men zelfs de identiteit niet kent.

Ten onrechte wordt de administratie in deze verweten niet zelf de nodige opzoekingen te hebben verricht, nu de bewijslast van een effectief vervoer naar een andere lidstaat rust op de belastingplichtige.

In tegenstelling tot hetgeen in conclusies wordt gesteld, worden geen stukken voorgelegd, waaruit zou moeten blijken dat de belastingplichtige opzoekingen deed om na te gaan of de kopers beschikten over een geldig BTW-nummer, de stukken 2 tot en met 6 waarnaar in conclusies wordt verwezen, werden niet neergelegd en er is geen inventaris van de stukken. Er gebeurde geen consultatie van de elektronische database "VIES'' of van het nationale· centrale verbindingsbureau (CLO). Met uitzondering van twee facturen, werd op de facturen in verband met de Italiaanse klanten geen BTW-nummer vermeld dat voorafgegaan werd door de officiële landencode IT.

Uit eigen onderzoek van de fiscale administratie bleek dat zes van de elf Franse en Italiaanse klanten op het moment van de levering niet beschikten over een geldig BTW-nummer.

•De strafzaak

De belastingplichtige hecht veel belang aan het correctioneel vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 24 november 2016 houdende de vrijspraak van (onder meer) twee zaakvoerders van BVBA D. I. (stuk belastingplichtige). Zij werden beschuldigd van het gebruik van valse stukken, met name het laten opstellen en laten opnemen in de boekhouding van BVBA D. I. van valse facturen, met de bedoeling om de BTW te ontduiken en geen of onjuiste BTW-aangiften op te stellen, met de bedoeling op frauduleuze wijze vrijstelling van BTW te genieten op intracommunautaire leveringen.

De correctionele rechtbank sprak de betrokken zaakvoerders vrij. Hierbij dient te worden opgemerkt dat eerste en tweede beklaagden zaakvoerders zijn van een andere vennootschap, die met onderhavig geding niets te zien hebben. Enkel derde en vierde beklaagde zijn zaakvoerders van D. I. BVBA. De rechtbank kwam tot haar besluit op grond van de volgende overwegingen:

"Het openbaar ministerie draagt de bewijslast met betrekking tot de misdrijven waar het voor vervolgt. De beklaagden dienen geenszins hun onschuld te bewijzen.

Naar oordeel van het openbaar ministerie zouden de intracommunautaire leveringen geveinsd zijn omdat geen aangifte werd gedaan door de bestemmelingen van een intracommunautaire verwerving, vrachtbrieven zouden zijn geantidateerd en ongeldige BTW-nummers zijn gebruikt.

-Uit de stukken die door eerste en tweede beklaagde worden voorgelegd, blijkt dat de hoedanigheid van handelaar van de afnemers ten tijden van de leveringen werd gecontroleerd.

-Bovendien brengen eerste en tweede beklaagde, inzake M. (de andere vennootschap), ingebrekestellingen naar voor waarbij de afnemers die hun intracommunautaire verwervingen niet hadden aangegeven, worden aangemaand dit recht te zetten.

-Tevens verwijzen eerste en tweede beklaagde naar de betalingen corresponderend met de intracommunautaire leveringen van M., met voeging van kopieën van de rekeninguittreksels.

-En ten slotte voegt derde beklaagde verklaringen van afnemers van D., die bevestigen dat zij intracommunautair goederen hebben gekocht van D. in de door de dagvaarding geviseerde periode.

Op grond van deze stukken maken beklaagden aannemelijk dat de intracommunautaire leveringen wel degelijk hebben plaatsgevonden. Dat de facturen desbetreffend vals zouden zijn, wordt niet ten genoege van recht bewezen enkel door te verwijzen naar eventuele onvolkomenheden In de vrachtbrieven of fiscale tekortkomingen van de afnemers in het buitenland, nu zulks niet door beklaagden kan worden gecontroleerd en hieraan door hen niet kan worden geremedieerd.

Bijkomend onderzoek naar de transporteurs en afnemers, minstens naar de natuurlijke personen die het transport verzorgd hebben, vond niet plaats.

Beklaagden worden dan ook vrijgesproken voor de hen ten laste gelegde feiten van gemeenrechtelijke en fiscale valsheid in geschriften en BTW-fraude."

Een vonnis of arrest in strafzaken heeft geen werking erga omnes. Het gezag van gewijsde in strafzaken, zoals dit besloten ligt in artikel 4 VT.Sv. staat er niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden (Cass., 15 februari 1991, Arr.Cass., 1990-91, nr.322; Cass., 2 oktober 1997, Arr.Cass., 1997, 889; Cass., 24 juni 2002, NJW, 2002, 353; Cass., 24 april 2006, NJW, 2007, 176; Cass., 19 juni 2014, F.13.0070.N).

Er dient bovendien te worden opgemerkt dat voormelde strafzaak geen betrekking had op BVBA Delta International, doch enkel op twee van haar zaakvoerders.

Verder wordt in voormeld vonnis zelf opgemerkt dat het openbaar ministerie de bewijslast draagt met betrekking tot de betrokken misdrijven. Helemaal anders is het inzake de toepassing van artikel 39bis W.BTW, waar de bewijslast wel degelijk op de schouders rust van de belastingplichtige,

Het voorwerp van het bewijs is eveneens verschillend. Daar waar het openbaar ministerie het bestaan van misdrijven moet bewijzen (valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en fiscale fraude), dient de belastingplichtige te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden voor de vrijstelling van artikel 39bis W.BTW.

Verder dient ook opgemerkt te worden dat de eerste drie puntjes, opgesomd door de strafrechter, enkel betrekking hebben op de andere twee beklaagden in de strafzaak, die met BVBA Delta International geen uitstaan hebben.

Het hof oordeelt dan ook dat voorgaande uitspraak geen afbreuk doet aan de vaststelling dat BVBA Delta International niet voldaan heeft aan het van haar vereiste bewijs.

•Evenredigheidsbeginsel

Het evenredigheidsbeginsel werd bij dit alles niet geschonden.

Het Europees Hof van Justitie heeft inderdaad geoordeeld dat van de leverancier kan geëist worden dat hij te goeder trouw handelt en alles doet wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt om ervoor te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken raakt bij belastingfraude,

Wanneer de leverancier aan zijn verplichtingen inzake het bewijs van een intracommunautaire levering heeft voldaan, terwijl de afnemer zijn contractuele verplichting tot verzending of vervoer van de goederen buiten de lidstaat van levering niet is nagekomen, dient de BTW in de lidstaat van de afnemer door deze laatste te worden betaald (H.v.J., 16 december 2010, C-430/09, Euro-Tyre).

In onderhavig geval blijkt uit bovenstaande gegevens evenwel dat de belastingplichtige niet al het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de vrijstelling terecht werd toegepast:

-Zoals gezegd blijkt niet dat hij voor de levering de BTW-nummers van de respectieve afnemers is nagegaan.

-Degene die de goederen zouden hebben meegenomen werden niet geïdentificeerd, laat staan dat zou zijn nagegaan of zij gemachtigd waren om op te treden namens de afnemer.

De voorwaarden voor de vrijstelling van de belasting, bedoeld in artikel 39bis W.BTW en in de artikelen 1 tot 3 van het K.B. nr. 52 van 29 december 1992 moeten strikt vervuld zijn, want zij zijn bedoeld om fraude te voorkomen (artikel 138, punt 1, van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, voordien artikel 28quater, titel A, punt a), van de Zesde Richtlijn), zodat de belastingambtenaar een zekere gestrengheid aan de dag mag leggen bij de beoordeling van de bij te brengen bewijzen. Er kan geen sprake zijn van een schending van de Zesde Richtlijn door artikel 39bis W.BTW en door het K.B. nr. 52, nu deze supranationale regel België als lidstaat precies toelaat om de voorwaarden vast te stellen om een juiste en eenvoudige toepassing te verzekeren van de vrijstellingen inzake de intracommunautaire leveringen. De vereisten die krachtens artikel 39bis W.BTW zijn uitgewerkt in het K.B, nr. 52 zijn geenszins te strikt in verhouding tot het belang van de vrijstelling. De voorwaarden die opgelegd worden zijn essentiële controlevereisten. De opgelegde bewijsvoering is zeker niet onmogelijk.

De belastingplichtige kan zich niet beroepen op zijn goede trouw, nu de vennootschap niet aantoont het nodige te hebben gedaan om, alvorens te factureren met vrijstelling van BTW, na te gaan of de medecontractant een BTW belastingplichtige was, gevestigd in een andere lidstaat en of het verkochte goed effectief naar die andere lidstaat werd vervoerd.

3.3. Rechtsplegingsvergoeding

Het hof stelt vast dat de Belgische Staat, die In deze in het gelijk werd gesteld, niet werd vertegenwoordigd of zich niet liet bijstaan door een advocaat, zodat ze terecht geen aanspraak maakt op de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding.

Beschikkend gedeelte

4.Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof herneemt de zaak voor de anders samengestelde zetel van de 86 kamer. Het hof doet verder recht na het tussenarrest van 7 maart 2017.

Het hof verklaart het hoger beroep van BVBA D. I., in faling toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof verwijst BVBA D. I., in faling, in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op 0,00 EUR.

Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, kamer BG, samengesteld uit:

Mevrouw M. G., Raadsheer, d.d. Voorzitter

Mevrouw C. P., Raadsheer

Mevrouw H. C., Raadsheer

en de openbare zitting van 23 oktober 2018 uitgesproken, door mevrouw M. G., Raadsheer, dd. Voorzitter, met bijstand van mevrouw I. B., griffier.

Aangehaalde teksten

8

Vergelijkbare beslissingen

8