Vrijgestelde intracommunautaire leveringen, Bewijs, Vrijstelling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 26 november 2015

Zoeken

Vrijgestelde intracommunautaire leveringen, Bewijs, Vrijstelling

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijgestelde-intracommunautaire-leveringen-bewijs-vrijstelling-rechtbank-hasselt-2015-11-26-876e

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
26 november 2015

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

104 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt dd. 26.11.2015 (AR 14/1563/A)

WF 711-15-14/036654

Belasting over de toegevoegde waarde - Vrijgestelde intracommunautaire leveringen - Bewijs - Vrijstelling

Wettelijke bepalingen

Art. 39bis, 1° WBTW

Koninklijk Besluit 52 met betrekking tot vrijstellingen betreffende intracommunautaire leveringen van goederen en verwervingen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

Samenvatting

De belastingplichtige is voor de btw geregistreerd geweest onder meer als detailhandel en groothandel van motorfietsen. Bij controle, inlichtingen bekomen van de Nederlandse belastingadministratie en onderzoek door middel van VATDATA en VIES werd voor de periode januari 2010 tot en met juli 2011 vastgesteld dat ten onrechte facturen werden uitgereikt met toepassing van de vrijstelling art. 39bis WBTW.

De belastingplichtige bleek volgens de administratie niet het bewijs te kunnen leveren dat de vrijgestelde verkopen, effectief werden verricht voor andere belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die als zodanig optreden in de andere lidstaat, en die daar gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen aan de belasting te onderwerpen. Ook bleek zij volgens de administratie niet in staat het vervoer naar de andere lidstaat te bewijzen.

De rechter in eerste aanleg acht deze voorwaarden in zijn vonnis wél voldoende bewezen:

- De documenten die door belastingplichtige voorgelegd worden zijn voldoende om de vrijstelling art. 39bis WBTW te kunnen toepassen;

- De belastingplichtige heeft via databanken van oorspronkelijke chassisnummers inderdaad kunnen bewijzen dat de voertuigen daadwerkelijk in Nederland zijn ingeschreven;

- De Nederlandse ontvangers van de goederen hadden op het tijdstip van de levering telkens een geldig btw identificatienummer.

De rechter stelt in dit vonnis ook dat de fraude door dat de Nederlandse handelaars, de zogenaamde “ploffers” niet vermoed, maar dient bewezen te worden. De vordering van de administratie is ongegrond.

(Ongunstig voor administratie)

Standpunt administratie

Geen voorziening in hoger beroep

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt

dd. 26.11.2015

(AR 14/1563/A)

INZAKE

E. S., zonder beroep, voorheen handelaarster, wonende te …, …, destijds handelend onder het ondernemingsnummer …. Eiseres. Ter zitting vertegenwoordigd door mr. L. P., advocaat te … (…)

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT, SECTOR BTW, in de persoon van de Adviseur -Eerstaanwezend inspecteur, optredend als Ontvanger van het Ontvangkantoor BTW Hasselt 2, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 47. Verweerder – Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigden de heren E. O., adviseur eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Ondernemings-en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Tongeren-Genk, en V. P., adviseur-eerstaanwezend inspecteur, eveneens verbonden aan het Controlecentrum Tongeren-Genk.

VOLGT HET VONNIS:

Gelet op:

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 07.07.2014, met aangehecht een afschrift van het dwangbevel van 13.12.2013 m.b.t. BTW-vordering gekend onder ref. … zoals ter kennis gesteld bij aangetekende brief van 16.12.2013 en bij betekening van het bevel van 25.06.2014;

- de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 04.09.2014;

- de eerste besluiten, synthesebesluiten, tweede synthesebesluiten en stukken van verweerder;

- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van eiseres.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN:

1. Eiseres is van 01.06.2006 tot 01.07.2011 als BTW-belastingplichtige geregistreerd geweest onder het BTW-identificatienummer BE … wegens de volgende door haar meegedeelde werkzaamheden:

- detailhandel in en onderhoud en reparatie van motorfietsen en delen en toebehoren van motorfietsen;

- groothandel;

- groothandel in kleding, met uitzondering van werk- en onderkleding;

- groothandel in andere consumentenartikelen, n.e.g.;

- handelsbemiddeling in auto's en lichte bestelwagens (= 3,5 ton);

- detailhandel in auto's en lichte bestelwagens (= 3,5 ton). en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Vanaf 0.07.2011 werd de handelsuitbating van eiseres verder gezet door de BVBA GSG Import-Export, met BTW-nr. …, waarvan de maatschappelijke zetel eveneens is gevestigd te …, …, en waarvan blijkens de akte van oprichting de heer G. D. en zijn echtgenote, eiseres, de zaakvoerders waren.

2. De heer P. V., adviseur-eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur bij de FOD Financiën, Algemene Administratie van Fiscaliteit, Ondernemings-en Inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Tongeren-Genk, heeft een BTW-controle doorgevoerd over de periode van 01.01.2010 tot en met 01.07.2011.

De controle behelsde onder meer de uitgaande handelingen van eiseres, meer bepaald de verkopen aan Nederlandse afnemers. Eiseres paste op deze verkopen de vrijstelling van de Belgische BTW wegens intracommunautaire leveringen toe (art. 39bis WBTW).

Op 06.06.2013 heeft de heer P. V. zich, vergezeld van zijn collega L. V., adviseur-directeur a.i. bij een fiscaal bestuur bij de FOD Financiën, Algemene Administratie van Fiscaliteit, Ondernemings-en Inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Tongeren-Genk aangekondigd aangeboden bij eiseres op het adres gelegen te …, … met het oog op het verrichten van een BTW-controle.

Op 30.10.2013 hebben zij zich na voorafgaandelijke afspraak met de boekhouder terug aangeboden bij eiseres, alwaar zij de resultaten van het onderzoek besproken hebben met eiseres, haar echtgenoot en haar boekhouder. Tijdens dit gesprek werden er bijkomende vragen gesteld.

Op 15.04.2013 heeft de heer P. V. de beschikbare BTW-gegevens van de belastingplichtige met betrekking tot de gecontroleerde periode 01.01.2010 tot 01.07.2011 geraadpleegd via de BTW-applicatie "VATDATA".

Op 11.12.2013 heeft de heer De heer P. V., adviseur-eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur bij de FOD Financiën een proces-verbaal opgesteld naar aanleiding van al deze controles.

De administratie was van oordeel dat eiseres ten onrechte facturen uitreikte met toepassing van de vrijstelling van art. 39bis WBTW aan Nederlandse afnemers.

Aan de hand van het onderzoek van de dossiergegevens, van de door eiseres voorgelegde boeken en stukken, van de resultaten van de VATDATA en VIES-raadpleging en van de inlichtingen bekomen van de Nederlandse belastingadministratie hebben de controle ambtenaren vastgesteld dat eiseres niet in staat bleek het bewijs te leveren van:

a) dat de door haar van BTW vrijgestelde verkopen, met uitzondering van de verkopen aan Scootershop Remunj te Roermond, het Nederlands bedrijf van haar echtgenoot, effectief betrekking hadden op leveringen van goederen die werden verricht voor andere belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwevingen van goederen aan de BTW te onderwerpen voor zover ze niet zijn onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4 WBTW;

b) dat de goederen met betrekking tot de onder a) vermelde leveringen door verzoekster, door de afnemer of voor hun rekening vanuit …, …, effectief werden vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap

In het proces-verbaal van 11.12.2013 werd gesteld dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is:

- … euro aan BTW;

- … euro aan geldboete in toepassing van art. 70 § 1 WBTW wegens niet betaling van de belasting, tweemaal het bedrag van de verschuldigde BTW;

- wettelijke intresten aan 0,8 %per maand vanaf 21.10.2011 in toepassing van art. 91 § 1 WBTW.

Lastens eiseres werd op 13.12.2013 een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 11.12.2013. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer E. J., op 16.12.2013.

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van artikel 91 § 4 WBTW alsmede de vervolgingskosten.

3. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 07.07.2014, werd door eiseres bij deze rechtbank een vordering in rechte ingeleid.

BEOORDELING

- Ontvankelijkheid.

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

- Ten gronde.

2.1. Art. 39bis WBTW

In toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° WBTW draagt eiseres de bewijslast dat hij de voorwaarden vervulde om de geleverde goederen aan afnemers gevestigd in Nederland, te factureren met vrijstelling van Belgische BTW in het kader van intracommunautaire leveringen.

Artikel 39bis, eerste lid 1° WBTW stelt immers dat van de belasting zijn vrijgesteld:

"de leveringen van goederen door de verkoper andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56 § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, ( ...)”

Artikel 39bis, tweede lid WBTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen hij deed bij KB nr. 52 van 29.12.1992.

Overeenkomstig voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 10 WBTW afhankelijk van de volgende voorwaarden:

- de goederen moeten geleverd worden door de verkoper;

- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn, buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1), en de verkoper, in casu eiseres, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt (artikel 3);

- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat (artikel 2)

Eiseres, die zich beroept op de vrijstelling, dient derhalve een dubbel bewijs te leveren, enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van de beweerde intracommunautaire levering (ingevolge verkoop), het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, en anderzijds dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

- Verzending of vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap

Eiseres levert het bewijs hiervan; zij overlegt hiertoe ondertekende afhaalverklaringen die werden ondertekend door de kopers van de personenauto's of scooters, en verscheidende bewijzen van inschrijving van de voertuigen/scooters in Nederland (zie o.a. stuk 5, bundel -eiseres).

Het feit dat de afhaalverklaringen niet steeds de naam vermelden van de persoon aan wie geleverd werd doch enkel wie de goederen heeft afgehaald, doet geen afbreuk aan het bewijs van vervoer of verzending. Immers de persoon die de afhaalverklaring ondertekende, is de persoon is die door de op de factuur vermelde belastingplichtige gemachtigd of beopdracht werd om de voertuigen in België te komen afhalen. Ter zake werden ten andere ook volmachten voorgelegd. Deze opmerking van verweerder doet ten andere niets af aan het feit dat de voertuigen wel degelijk werden afgehaald in België.

Zo stelt het arrest van het Hof van Justitie van 9 oktober 2014 (C-492/13, www.monkey.be):

"De artikelen 138, lid 1, en 139, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/88/EU van de Raad van 7 december 2010, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich in omstandigheden als in het hoofdgeding ertegen verzetten dat de belastingdienst van een lidstaat het recht op vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor een intracommunautaire levering weigert op grond dat de afnemer niet in een andere lidstaat voor doeleinden ter zake en de leverancier niet heeft aangetoond dat de handtekening op de documenten die zij overgelegd tot staving van zijn aangifte van de volgens hem vrijgestelde levering authentiek is en evenmin dat de persoon die deze documenten namens de afnemer heeft ondertekend, vertegenwoordigingsbevoegd was, hoewel de bewijsstukken ter verkrijgen van het recht op vrijstelling die de leverancier heeft overgelegd tot staving van zijn aangifte, in overeenstemming waren met de in het nationale recht vastgestelde lijst van aan deze dienst te overhandigen documenten en door deze dienst aanvankelijk als bewijsstukken werden aanvaard, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan."

In tegenstelling tot wat verweerder meldt in zijn besluiten, is voor het ophalen van de in België aangekochte voertuigen voor het vervoer naar Nederland helemaal geen tijdelijke inschrijving in België nodig of nog een vervoer per vrachtwagen.

De documenten die door eiseres worden voorgelegd en die per factuur waarbij toepassing werd gemaakt van artikel 39bis BTW Wb., werden bijgehouden volstaan als bewijs dat het wel degelijk gaat om een intracommunautaire levering waarbij de goederen naar in casu Nederland werden gevoerd.

Bovendien heeft eiseres aangezien zij in het bezit was van de oorspronkelijke chassisnummers van de verkochte voertuigen, via de databank van de fabrikanten die voor haar toegankelijk is, het kenteken kunnen achterhalen dat in Nederland blijvend aan een voertuig verbonden is en zo aangetoond dat het voertuig wel degelijk in Nederland werd ingeschreven door een gebruiker. Door deze inschrijving in Nederland blijkt dat de betrokken voertuigen wel degelijk terug naar Nederland werden vervoerd na de verkoop door eiseres (zie stukken 4 en 5, bundel eiseres).

- Levering voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lidstaat

Het feit dat de afnemers in Nederland, telkens met een geldig BTW-nummer op het ogenblik van de verkoop, later in Nederland hun administratieve verplichtingen niet hebben voldaan, kan niet aan eiseres worden verweten(zie Hof van Justitie 27 september 2007, Fisc. nr. 1085, p.8).

Verweerder beroept zich op fraude in hoofde van de afnemers om de geldigheid van vrijstelling te betwisten. Zij stelt dat deze "ploffers" bleken te zijn; een in Nederland gebruikte term om frauduleuze handelaren aan te duiden.

Fraude wordt evenwel niet vermoed maar dient bewezen te worden.

Eiseres houdt voor dat zij volledig te goeder trouw is geweest. Het feit dat er nadien eventueel in Nederland fraude heeft plaatsgevonden, bewijs niet dat eiseres hiervan op de hoogte was en meer nog dat eiseres hieraan heeft meegewerkt.

Uit geen enkel element in dossier blijkt enige betrokkenheid van eiseres.

De vordering van eiseres is derhalve gegrond.

De overige argumenten van eiseres aangehaald dienen verder niet onderzocht te worden aangezien de vordering van eiseres om hoger vermelde redenen gegrond dient te worden verklaard.

2.2. Aangaande de geldboete:

Gelet op de gegrondheid van de vordering van eiseres, dient eveneens de opgelegde geldboete van 200% te worden kwijtgescholden.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN:

De rechtbank,

rechtdoende op tegenspraak:

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Vernietigt het dwangbevel van 13.12.2013, gebaseerd op het proces-verbaal van 11.12.2013 en verklaart de vordering inzake BTW ten belope van … euro in hoofdsom meer de wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 WBTW en … euro als fiscale geldboete, zoals vermeld in het proces-verbaal van 11.12.2013, nietig:

Beveelt de terugbetaling van alle ten onrechte betaalde, dan wel ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijk verschuldigde moratoriumintresten.

Veroordeelt verweerder tot de kosten, vereffent in hoofde van eiseres op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11C kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 26.11.2015, alwaar zetelden: Mevrouw M. C., rechter, enige rechter, en De heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Aangehaalde teksten

8

Vergelijkbare beslissingen

8