Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, voldoening van de belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 8 juni 2001

Zoeken

Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, voldoening van de belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-turnhout-2001-06-08-58b6

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
8 juni 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

97 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Turnhout d.d. 08.06.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S uitgesproken in het gerechtsgebouw "Het kasteel" te Turnhout op vrijdag acht juni tweeduizend en één in de openbare zitting van de tiende kamer van de Rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Turnhout, alwaar zetelden :

AR 96-40-A van : 08.06.2001 Rep. 03-4323

G. R., enig rechter

J. V. R., griffier.

Inzake van :

…, thans zonder beroep, wonende te …, … voorheen, thans te …, …

eiser,

alhier ter zitting vertegenwoordigd door Mr J. V. S. loco Mr F. M., advocaat te …, ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout, met kantoor te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22;

verweerster,

alhier ter zitting vertegenwoordigd door Mr T. R. loco Mr J. V. R., advocaat te …, ….

Gezien de inleidende dagvaarding, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder P. E., met standplaats te …, …, de dato 27 december 1995, ertoe strekkende het verzet tegen het dwangbevel d.d. 05 december 1995, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 08 december 1995, nietig en van generlei waarde te horen verklaren;

de Belgische Staat te horen veroordelen tot vrijgave van alle geblokkeerde gelden ingevolge de vermeende vordering vanwege de Administratie;

de Belgische Staat te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde sommen, te verhogen met moratoriumintresten;

de Belgische Staat te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met uitvoerbaarverklaring van het te vellen vonnis.

Gezien de vaststelling der zaak bij toepassing van artikel 750 Gerechtelijk Wetboek, bij vaststellingsbericht d.d. 07.12.2000, ter zitting van 04 mei 2001.

Gehoord partijen in hun middelen en besluiten, bij monde van hun respectieve raadslieden, ter zitting van 04 mei 2001, alwaar de zaak in voortzetting werd gesteld ter zitting van 11 mei 2001 voor neerlegging bijkomende stukken door eiser.

Feitelijke voorgaanden

was werkzaam als autohandelaar, ingeschreven als BTW-belastingplichtige sedert

Bij proces-verbaal d.d. 22.5.1995 werd door de ambtenaren van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, n.a.v. een controle over het jaar 1992 en de drie eerste kwartalen 1993 vooropgesteld dat :

- m.b.t. de voorgelegde aankoopfacturen voor het jaar 1993 diverse facturen niet de vermeldingen bevatten, vereist volgens art. 5 van het KB nr. 1 d.d. 29.12.1992,

- m.b.t. de voorgelegde verkoopfacturen in het jaar 1993 intracommunautaire leveringen zouden zijn geschied, waarvoor geen BTW werd aangerekend, welke leveringen volgens de controlerende ambtenaar niet verantwoord worden door bewijsstukken.

Op 1 1.12.1995 wordt d:iaropvolgend aan … een dwangbevel d.d. 5.12.1995 betekend, uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk Directeur van de Administratie van de BTW; registratie en domeinen te Hasselt, tot invordering van :

- 3.467.750 fr. BTW,

- 6.935.000 fr. boete.

… tekent hiertegen verzet aan bij deurwaardersexploot d.d. 21.12.1995.

In rechte

Het verzet komt ontvankelijk voor. Partijen voeren daarover terecht geen betwisting.

Recht op aftrek

Aanlegger houdt voor te voldoen aan de voorwaarde tot uitoefening van het recht op aftrek.

Overeenkomstig art. 3, § 1, 1° van het KB nr. 3 van 10.12.1969 kan het recht op aftrek slechts uitgeoefend worden voor zover de belastingplichtige houder is van een factuur, die, vanaf 1.1.1993, voldoet aan de vereisten van art. 5 van het KB nr. 1 d.d. 29.12.1992.

De vaststellingen, door de bevoegde ambtenaren, opgenomen in het proces-verbaal, gelden tot bewijs van het tegendeel.

Partijen zijn het daarover eens.

Terecht wordt door aanlegger gesteld dat de vaststellingen, om bewijskrachtig te zijn, nauwkeurig dienen omschreven te zijn en door de belastingplichtige moeten kunnen gecontroleerd worden.

In het proces-verbaal doen de verbalisanten opgave, onder vermelding naar de omschreven facturen van de vermeldingen die ontbreken, hoewel vereist door art. 5 van het KB nr. 1 d.d. 29.12.1992.

Het is duidelijk dat zulks bevindingen betreft uit eigen visuele vaststelling, welke nauwkeurig zijn aangeduid en voor de belastingplichtige perfect controleerbaar zijn.

De inhoud van het proces-verbaal omtrent de voorgelegde inkoopfacturen voldoet dan ook aan de bijzondere bewijskracht, voorzien in art. 59, § 1 Wb. BTW.

Het staat dan ook vast,·- en het tegenbewijs wordt niet geleverd,·- dat de in het Proces-Verbaal opgesomde inkoopfacturen niet voldoen aan de vereisten van het voornoemde KB nr. 1, meer bepaald ontbreken telkens de datum van levering en ofwel de motorsterkte ofwel de datum van inverkeerstelling.

Overeenkomstig de EEG-Richtlijn 77/388 nr. 6 d.d. 17.5.1977 (Zesde Richtlijn), is het de lidstaten toegelaten de criteria vast te stellen volgens welke een document kan worden geacht dienst te doen als factuur.

Het is alzo toegelaten om het recht op aftrek afhankelijk te stellen van het bezit van een factuur met een aantal verplichte vermeldingen die nodig zijn om de inning van de BTW en de controle ervan door de belastingadministratie te verzekeren. (Europees Hof Justitie 14.7.1988, Jurisprudentie 1938, 4517)

De leveringsdatum alsmede de motorsterkte en de datum van eerste inverkeerstelling zijn essentieel om een controle door de Administratie te verzekeren omtrent de daadwerkelijke uitvoering van de handeling enerzijds en omtrent de maatstaf van heffing anderzijds.

Alleszins is het niet aannemelijk dat deze verplichte vermeldingen de uitoefening van het recht op aftrek onmogelijk of overdreven moeilijk zouden maken.

(cfr. Hof Brussel, 5.3.1998, in zake NV Van Pee/B. Staat-BTW")

Waar aanlegger zich erop beroept reeds diverse keren, voor de controle die aanleiding gaf tot het proces-verbaal d.d. 22.5.1995, het voorwerp te zijn geweest van controle, waarbij, uit de houding van de Administratie dient te worden afgeleid dat het recht op aftrek werd aanvaard ondanks het gebruik van onregelmatige facturen, behoort het hem het bewijs daarvan te leveren.

Uit de door verweerster voorgelegde stukken, blijkt dat er slechts één voorgaande controle werd uitgevoerd, waarbij in de correctieopgave, waartoe deze aanleiding gaf, een opmerking vanwege de Administratie werd opgenomen omtrent ontbrekende vermeldingen in de voorgelegde facturen.

Het gedrag van de Administratie was niet van die aard dat zij, in hoofde van de belastingplichtige het vertrouwen gewekt had, dat zij, voor de toekomst, vormelijk onregelmatige facturen zou aanvaarden ter rechtvaardiging van het recht op aftrek.

Waar de Administratie het recht op aftrek - terecht - verwierp op grond van de onregelmatigheid van de facturen, dient de argumentatie, door aanlegger ontwikkeld omtrent de toepasselijkheid van art. 51bis Wb. BTW, niet onderzocht te worden.

Het verzet betreffende dit onderdeel wordt ongegrond verklaard.

Vrijstelling van BTW

De algemene regel in zake BTW houdt in dat, bij levering van goederen in België, BTW dient aangerekend te worden.

Plaats van levering is deze waar de verzending of het vervoer aanvangt.

Aanlegger beroept zich echter, m.b.t. bepaalde leveringen, op art. 39bis Wb. BTW, volgens welk zijn vrijgesteld van belasting, de leveringen door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een ander belastingplichtige.

Diegene die zich op de vrijstelling van belasting beroept, dient het bewijs te leveren dat aan deze uitzonderingsvoorwaarden voldaan is.

De omstandigheid dat aanlegger daarbij geconfronteerd werd met een wijziging van de reglementering vanaf 1.1.1993, verandert niets aan dit principe.

Bovendien blijken de betwiste verkopen zich te situeren maanden na het in voege treden van het KB nr. 52 van 29.12.1992, zodat er van moeilijkheden bij de overgang naar deze regeling nog bezwaarlijk sprake kan zijn geweest.

Door de verbalisanten werd vastgesteld dat, ten bewijze van de verzending buiten België maar binnen de Gemeenschap door aanlegger alleen de door hem uitgeschreven facturen werden voorgelegd.

Zulks bewijst echter niet de daadwerkelijke uitvoering van de verzending:. Het behoort aanlegger dit te staven door de bijkomende documenten.

De omstandigheid dat de voertuigen niet zouden zijn ingeschreven in België kan bezwaarlijk als afdoende bewijs worden aangevoerd, nu omtrent de bestemming van de goederen niets bekend is.

Aanlegger voldoet niet aan de hem opgelegde bewijsplicht. Het verzet wordt in dit onderdeel ongegrond verklaard.

Geldboete

Aanlegger roept de toepasselijkheid in van het KB nr. 41 van 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Voormeld KB bepaalt in fine van art. 1 dat de in het KB voorziene vermindering van geldboeten niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Uit de hogervermelde feitelijkheden blijkt enerzijds dat de onvolkomenheden in de inkomende facturen alsmede het gebrek aan enig stavingsstuk m.b.t. de intracommunautaire leveringen, ontegensprekelijk de ontduiking van de BTW mogelijk maken terwijl anderzijds aanlegger, gezien zijn ervaring in de sector, wel degelijk vertrouwd was met de toepasselijke BTW-reglementering en zich dan ook bewust diende te zijn van de gevolgen van een dergelijke handelwijze.

Verweerster maakte dan ook terecht geen toepassing van de proportionele vermindering van geldboeten, voorzien in KB nr. 41.

Echter, de fiscale sanctie, zoals voorzien in art. 70 van het BTW wetboek, heeft een strafrechtelijk karakter.

(cfr. M. Maus, Kritische bemerkingen bij de arresten van het Hof van Cassatie van 5.2.1999 inzake fiscaal-administratieve sancties, AJT 1998-99, p. 981 e.v.)

Ter bepaling van het karakter van de sanctie, dient vooral de aard van de overtreden norm te worden beschouwd evenals de aard en ernst van de op te leggen straf.

Het staat buiten kijf dat de verplichting in zake BTW zich richt tot alle rechtsonderhorigen, wijl de sanctie, bij overtreding van de geldende bepalingen, zowel een preventieve als een repressieve werking heeft :

de boete is dermate hoog, dat zij een afschrikwekkend effect heeft, en, waar zij duidelijk geen verband houdt met de eventuele schade, door de overheid geleden, er tevens op gericht is een zeker leed aan de betrokkene te berokkenen.

(cfr. in die zin, M. Maus, op.cit.)

(cfr. Cass. 5.2.1999, TFR 1999, p. 375)

(cfr. Hof Antwerpen, 10.2.2000 in zake B. Staat/NV -onuitgeg.)

(cfr. Hof Antwerpen, 10.2.2000 in zake B. Staat/ NV - onuitgeg.)

De bestraffing van fiscale inbreuken is aan de Administratie toegelaten doch het behoort aan de Rechtbanken na te gaan of de sanctionering niet ingaat tegen algemene rechtsbeginselen en of zij in overeenstemming zijn met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur.

Bij het opleggen van een sanctie dient, ook door de overheid, het redelijkheid- en evenredigheidsbeginsel te worden gehanteerd.

Het komt de Rechtbank dan ook toe de overheidsbeslissing aan deze criteria te toetsen.

(cfr. K. Morbee, BTIV-boeten : rechterlijke bevoegdheid eindelijk erkend, AFT 1999/3, p. 81-93)

De toepassing van een boete, gelijk aan 200 % van het ontdoken recht, hetzij 6.935.000 fr. komt onredelijk hoog voor.

De Rechtbank herleidt deze in billijkheid tot 693.550 fr.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

en de rechtspleging geschied zijnde in het Nederlands naar eis van artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 der wet van 15 juni 1935.

de RECHTBANK, vonnissend op tegenspraak in eerste aanleg,

verklaart het verzet tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door de Belgische Staat, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, d.d. 5.12.1995, uitvoerbaar verklaard op 8.12.1995, ontvankelijk en deels gegrond als volgt,

zegt voor recht dat aanlegster de in de bestreden dwangbevel gevorderde BTW boete slechts verschuldigd is voor een bedrag van 693.550 fr.,

vernietigt dienvolgens het dwangbevel voor zover de betaling van een geldboete wordt opgelegd, welke het bedrag van 693.550 fr. overtreft,

verklaart het verzet voor al het overige ongegrond,

veroordeelt aanlegster op verzet tot de kosten van het geding, begroot op in hoofde van

aanlegster op verzet : 6.469 fr.

dagv. en rolst. : 12.900 fr

rplv. :

verweerster op verzet :

rplv. : 12.900 fr.

J. V. R. G. R.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 1 art. 53 voorkomens
KB nr. 3 art. 31 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8