Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 17.02.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 17-02-2009
BELASTINGEN
Nr. 2006/AR/129
in de zaak van :
1. R. J., garagist, wonende te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …
2. A. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
appellanten,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. W. M. loco mr. S. T., advocaat te …, …
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Controle kantoor Aalst 3, wiens kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Parklaan, 31 A,
2. DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd. door de e.a. Inspecteur van het BTW-Controle kantoor Aalst 1, wiens kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Keizersplein 14,
3. DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e. a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Aalst., wiens kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Graanmarkt 1,
geïntimeerden,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. G., loco mr. V. A. E., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 18 januari 2006 werd door J. R. en de BVBA A. hoger beroep aangetekend tegen het vonnis uitgesproken door de negende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde op 1 juli 2005, waarbij nadat de zaken gekend onder het rolnummer … en … werden samengevoegd de eerste rechter oordeelde dat de rechtbank onbevoegd was om kennis te nemen van de vorderingen in de mate dat zij ertoe strekken de teruggave te bevelen van de ingehouden BTW-tegoeden, terwijl de vorderingen voor het overige ontvankelijk werden verklaard doch ten gronde werden afgewezen. De appellanten werden tevens verwezen in de gerechtskosten.
Het hoger beroep strekt er toe dit ontvankelijk te verklaren en opnieuw recht doende het bestreden vonnis gedeeltelijk te niet te doen en dienvolgens de oorspronkelijke vordering van de appellanten ontvankelijk te verklaren en :
- wat de vordering van J. R. aangaat deze tevens gegrond te verklaren wat betreft de vraag tot solidaire veroordeling van de geïntimeerden om een bedrag te voldoen van … EUR, meer de wettelijke intrest aan 0,8 % per maand vanaf 1 oktober 1995 tot de datum van de algehele betaling, minstens de moratoire intresten voorzien bij artikel 91, § 4 W.BTW vanaf 23 oktober 1997, datum der dagvaarding t.e.m. de datum der algehele betaling en de geïntimeerden tevens te veroordelen tot betaling van onterecht opgelegde geldboeten t.b.v. … EUR, meer de moratoire intresten zoals bedoeld bij artikel 91, § 4 W.BTW vanaf 23.10.1997, datum der dagvaarding t.e.m. de algehele betaling;
- wat de vordering van de BVBA A. aangaat deze gegrond te verklaren wat betreft de vraag tot solidaire veroordeling van de geïntimeerden om een bedrag te voldoen van … EUR, meer de wettelijke intrest aan 0,8 % per maand conform artikel 91, § 3 W.BTW vanaf 1 juli 1995 tot de datum van de algehele, betaling en hen tevens te veroordelen om … EUR te betalen hoofdens onterecht opgelegde boeten, meer de wettelijke intrest aan 0,8 % per maand conform artikel 91, § 3 W.BTW vanaf 1 juli 1995 tot de datum van de algehele betaling.
En tenslotte de geïntimeerden te veroordelen in de kosten van het geding.
Ondergeschikt in toepassing van art. 877 Ger.W. aan de geïntimeerden te bevelen de stukken voor te leggen waaruit zal blijken of al dan niet de BTW werd gekweten over de voertuigen VW-Golf Cabrio met chassisnummer : … en … welke respectievelijk op 7.10.1993 en 11.06.1993 in de Belgische DIV werden ingeschreven. In voorkomend geval de DIV te bevelen de "vraag tot inschrijving" van deze twee voormelde voertuigen voor te leggen waaruit zal blijken of al dan niet de BTW werd gekweten.
De geïntimeerden vorderen het appellanten af te wijzen en hoger beroep van de beide het bestreden vonnis te bevestigen, ondergeschikt minstens het hoger beroep van J. R. af te wijzen m.b.t. de wagens met chassisnummers …, … en … en te zeggen voorrecht dat de eerste appellant … EUR in hoofdsom verschuldigd is, meer de boete van 10 % verhoogd met 50 % ingevolge de betekening van het dwangbevel op 22 juli 1995 en de intrest vanaf 21.01.1994. Tenslotte de appellanten te veroordelen tot de kosten van het geding.
De partij en werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
Feitelijke gegevens
R. J., eerste appellant, is wegens zijn activiteit van garagehouder en handel in nieuwe en tweedehandse voertuigen onderworpen aan de bepalingen van het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementeringen.
Op 14/5 en 27/5/93 werden door eerste appellant facturen uitgereikt met vrijstelling van de BTW (verkoop van 16 wagens VW Golf) bij toepassing van artikel 39bis van het BTW-wetboek. Deze facturen vermelden als afnemer de firma NDL L., gevestigd te …, …, in Nederland.
Naar aanleiding van het bestaan van een belastingtegoed in hoofde van eerste appellant op het einde van de maand juni 1993 werd door het 3de BTW-controlekantoor van Aalst een summiere controle uitgevoerd. Bij deze controle werd de toepassing van de vrijstelling prima facie aanvaard.
Op 9 mei 1995 werd door de heer V. F., verificateur, verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Aalst III, een grondige controle uitgevoerd van de boekhouding van eerste appellant, waarbij werd vastgesteld dat de vrijstelling bedoeld in artikel 39bis van het BTW-wetboek ten onrechte was toegepast. De verschuldigde BTW van … BEF (… EUR), vermeerderd met de boete van … BEF (… EUR) meer de intresten aan 0,8 % per maand te rekenen vanaf 21 januari 1994, werden opgenomen in een proces-verbaal. Op 22 juli 1995 werd aan eerste appellant een dwangbevel ter kennis gebracht.
Op grond van dit proces-verbaal werd in hoofde van eerste appellant een inhouding verricht van een totaal bedrag van … BEF (… EUR).Op 25 juni 1997 werd door de eerste appellant het nagevorderde bedrag van … F (… EUR) onder voorbehoud betaald.
De BVBA A., tweede appellant, is wegens haar activiteit van garagehouder en handel in nieuwe en tweedehandse voertuigen als BTW-belastingplichtige eveneens onderworpen aan de bepalingen van het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementeringen.
Ook in hoofde van de BVBA A. werd door de heer V., op 25 januari 1995 een controle van de boekhouding uitgevoerd, waarbij dezelfde vaststellingen werden verricht, nl. dat op 15 mei 1993 een factuur (verkoop van 2 wagens VW-Golf) aan de Nederlandse firma NDL L. werd uitgereikt met vrijstelling van de BTW en dat de vrijstelling bedoeld in artikel 39bis van het BTW-Wetboek ten onrechte werd toegepast.
Hiervan werd een minnelijke inregelstelling opgemaakt met als verschuldigde bedragen … BEF (… EUR) aan BTW, vermeerderd met een boete van 10 % (… EUR) , te verhogen tot … euro na betekening van dwangbevel en 0,8 % aan interesten per maand te rekenen vanaf 21 januari 1994.
Op grond van deze minnelijke inregelstelling werd in hoofde van tweede appellant een inhouding verricht van een totaal bedrag van … BEF (… EUR), op het belastingkrediet blijkend uit de rekening-courant op 30 april 1995. Tegen deze inhouding werd door tweede appellant verzet aangetekend voor de Beslagrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde.
Op 23 oktober 1997 werd de Belgische Staat door de appellanten gedagvaard om te verschijnen voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde.
In het bestreden vonnis d.d. 1 juli 2005 oordeelde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde dat hij onbevoegd was om kennis te nemen van de vorderingen in de mate dat zij ertoe strekken de teruggave te bevelen van de ingehouden BTW-tegoeden, terwijl de vorderingen voor het overige werden afgewezen omdat de voorwaarden van artikel 39bis BTW-wetboek niet vervuld waren en er evenmin strijdigheid was van artikel 3 van het KB nr. 52 met het Europees recht.
In hun beroepsakte zetten de appellanten uiteen dat de bestelbon van 13 mei 1993 voor 10 VW GOLF Cabrio's met de vermelding "zonder BTW-export" en met de handtekening van de klant en de handgeschreven vermelding "Voor NDL L.", gevolgd door de handtekening voldoende bewijs van het bestaan der bestelling oplevert.
De appellanten menen te hebben aangetoond dat 16 van de door hen in het totaal 18 intracommunautair verkochte voertuigen via Nederland in Duitsland zijn opgedoken zodat zij wel degelijk konden aanspraak maken op artikel 39bis BTW-wetboek. Voor de twee andere voertuigen moeten de appellanten toegeven dat niet het sluitend bewijs werd aangebracht dat deze beide voertuigen in Nederland werden geleverd.
Wat de boete betreft kan het slechts gaan om twee voertuigen waarvan vooralsnog geen bewijs van intracommunautair transport kon worden aangebracht.
Beoordeling
Artikel 39bis, eerste lid, § 1 BTW-wetboek vereist onder meer voor de vrijstelling dat het zou gaan om "leveringen van goederen door de verkoper, ... , door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige ... , die als zodanig optreden in een andere Lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen".
Krachtens artikel 1 van het KB nr. 52 van 29.12.1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde zijn de in artikel 39bis van het BTW-wetboek bedoelde vrijstellingen afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Europese Gemeenschap.
Krachtens artikel 2 van zelfde KB nr. 52 is de in artikel 39bis, eerste lid, 10 BTW-wetboek bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lidstaat.
Krachtens artikel 3 van zelfde KB nr. 52 moet de verkoper te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt, en moet hij ze op ieder verzoek van de met controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Hetzelfde artikel bepaalt dat die stukken onder meer zijn de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.
Uit deze wettelijke bepalingen volgt dat de bewijslast uitsluitend op de appellanten rust dit omwille van het feit dat zij als verkopers een vrijstellingsregime inroepen.
De appellanten moeten dus bewijzen dat :
a. de goederen vervoerd zijn van België naar een ander land van de Europese Unie door de verkoper, de koper of voor rekening van een van beiden.
b. de levering geschied is voor een belastingplichtige die in de andere Lidstaat gehouden is zijn intracommunautaire verwerving aan te geven, hetgeen impliceert dat hij aldaar over een geldig BTW-nummer beschikt.
Art. 3 van voormeld KB nr. 52 stelt verder dat de echtheid van het vervoer kan bewezen worden door onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.
Wat betreft het bewijs van het vervoer of van de verzending buiten België
Te dezen deden de appellanten zelf het transport niet. Dit transport zou zijn gedaan door de BVBA J. voor rekening van en op kosten van de koper (zie besluiten van de appellanten 29 september 2008 blz. 9). De appellanten moeten toegeven dat zij niet over vervoerdocumenten noch over vervoerdocumenten beschikken. Alhoewel volgens de tekst van artikel 3 het recht op vrijstelling moet worden bewezen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende documenten kan met de eerste rechter worden aanvaard dat de tekst van artikel 3 van het KB nr. 52 een niet beperkende opsomming van bewijselementen betreft. In die optiek zijn een CMR-document voor het vervoer, een bestelbon van het vervoer uitgaande van de koper, een ontvangstbewijs van de gekochte goederen door de koper alle nuttige gebruikelijke en overeenstemmende stukken.
In de historiek van de feitelijke gegevens kunnen de handelstransacties als volgt worden beschreven :
- verkoop op 14 mei 1993 en 27 mei 1993 (door eerste appellant) en op 15 mei 1993 (door de tweede appellant) van respectievelijk 8, 8, en 2 voertuigen Golf Cabrio aan N.D.L. L., …, Nederland;
- deze voertuigen werden betaald op 14.05.1993 (… BEF), op 18 mei 1993 (… BEF), op 19 mei 1993 (… BEF en op 9 juni 1993 (… BEF);
- N.D.L. L. verkocht deze wagens door op 27 mei 1993 aan W. A. GmbH;
- dat uiteindelijk de voertuigen met volgende chassisnummers ingeschreven werden ,bij de Duitse DIV op 3 juni 1993 en 2 november 1993, …, …, …, …, …, …, …, …, …, …, …en dat m.b.t. de voertuigen … en … is vastgesteld dat deze wagens werden ingeschreven op 7 oktober 1993 en 11 juni 1993 en de Belgische DIV;
- dat de voertuigen met chassisnummer … en … verkocht door tweede appellante ingeschreven weden in de Duitse DIV;
- dat tenslotte met betrekking tot twee voertuigen met chassisnummer : …, … en … geen verdere gegevens beschikbaar zijn;
Uit deze feitelijke gegevens blijkt onomstotelijk dat 16 van de in totaal 18 intracommunautaire verkochte voertuigen (via Nederland) in Duitsland zijn opgedoken.
De geïntimeerden stellen daar tegenover dat voormelde vaststellingen niet aantonen dat de appellanten een levering deden aan de Nederlandse firma NDL L.. De omstandigheid dat de wagens later opduiken in om het even welk ander EG-land doet daaraan geen afbreuk. De geïntimeerden wijzen erop dat veel vraagtekens onbeantwoord zijn gebleven. Er is geen bewijs van bestelling noch van betaling vanuit Nederland. Er ligt geen enkel stuk voor waaruit blijkt dat de bestelling van de auto' s uitgaat van een Nederlandse vennootschap. De betalingen blijken van een Belgische vennootschap afkomstig te zijn. De verkopen aan de NDL L. werden niet geboekt, noch bij NDL L., noch bij de Duitse vennootschap.
Het feit dat de Duitse vennootschap 16 auto's heeft gekocht blijkt ook niet uit controleerbare stukken nu de brief van de Duitse vennootschap er slechts is gekomen op vraag van de appellanten. M.a.w. een factuur uitgaande van de Nederlandse leasingmaatschappij aan de Duitse vennootschap ontbreekt. De verklaring van de Duitse vennootschap levert geen bewijs op van het vervoer van deposito's in de relatie tussen de appellanten en de Nederlandse vennootschap.
Daar moet nog worden aan toegevoegd dat, de beide vennootschappen die beweerdelijk instonden voor het vervoer sedert 22 december 1993 (BVBA J.,) respectievelijk 21 maart 1994 (NV J.) in staat van faillissement werden verklaard. In het kader daarvan werd ook door de geïntimeerden een vordering gesteld van … EUR o.m. ook wegens niet bewezen uitvoer van auto's.
Er moet dus vastgesteld worden dat de appellanten geen enkel bewijs aanbrengen dat er tussen hen en de Nederlandse firma een levering heeft plaatsgevonden in die zin dat de auto's geleverd werden in Nederland. Evenmin is er aanleiding om de DIV te doen tussenkomen met het oog op de overlegging van stukken nu deze voertuigen in de Belgische DIV zijn ingeschreven en derhalve niet in aanmerking komen voor het vrijstellingsregime van art. 39bis BTW-Wetboek.
Nopens de geldigheid van het BTW-nummmer
Er kan worden aanvaard dat de koper nl. de firma NDL L. Nederland een inschrijving had in de BTW als BTW-belastingplichtige.
Nopens de belastbare grondslag
Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41, van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt de schaal voor de "vermindering van de proportionele fiscale geldboeten met verwijzing ,naar de als bijlage aan het besluit gevoegde tabellen A tot G.”
Artikel 2 van dit koninklijk besluit bepaalt dat, in geval van kennisgeving of betekening van een dwangbevel bedoeld in artikel 85 BTW-wetboek, de in de tabellen A tot F van de bijlagen van het koninklijk besluit opgenomen geldboeten, worden verhoogd met 50 % zonder dat het gevorderde bedrag kleiner mag worden dan 5 % van de verschuldigde belasting.
De rechter moet kunnen oordelen of de sanctie beantwoordt aan de wettelijke voorschriften met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; dat het koninklijk besluit in die zin moet worden begrepen.
Eenieder heeft in beginsel recht om een geding door de rechter te laten beslissen, in de grenzen en volgens de vormen door de wet bepaald; dat dit recht de openbare orde aanbelangt; dat de uitoefening van dit recht niet mag gehinderd worden door een regel waarbij de loutere uitoefening van dit recht gesanctioneerd wordt met een boete; dat dit recht wel mag worden beperkt, inzonderheid om vormen van misbruik te bestrijden.
Artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 januari 1987 moet dan ook in die zin worden uitgelegd dat de erin vermelde verhoging van de geldboete ertoe strekt, in het algemeen belang, procedures te vermijden vanwege belastingplichtigen die geen voldoende redenen hebben om niet vrijwillig de belastingschuld te betalen (zie Cass., 25.04.2002, www.cass.be ). Uit de stukken blijkt niet dat een dwangbevel werd betekend. Er is dan ook geen verhoging van 50 %.
Nopens de opgelegde belastingverhoging
Tot slot stelt het Hof vast dat de opgelegde geldboete in toepassing van artikel 70 BTW-wetboek reeds werd verminderd overeenkomstig het KB nr. 41 van 30 januari 1987. Er is dan ook geen reden nogmaals tot vermindering of kwijtschelding over te gaan. Ze is in overeenstemming met de begane inbreuk.
Nopens de rechtsplegingsvergoeding
Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.
Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 EUR bevindt, is het basisbedrag van … EUR toepasselijk.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat het werd bestreden.
Veroordeelt de appellanten in de kosten van hoger beroep en begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de appellanten :
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
- aan de zijde van de geïntimeerden :
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ZEVENTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en. D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.