Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 18.11.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent - 5de kamer
Nr. : 2001/AR/609
in de zaak van :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Hoofdcontroleur van het BTW controlekantoor te Izegem, wiens kantoren gevestigd zijn te 8870 Izegem, Kasteelstraat 19,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. C., advocaat te …, …
tegen :
A. S. N.V.,
met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4.9.1997 dagvaardde de geïntimeerde de appellant voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk teneinde de terugbetaling lastens de appellant te horen bevelen van het bedrag van … BEF (thans … EUR) en … BEF (thans … EUR) of samen … BEF (thans … EUR) vermeerderd met de wettelijke intresten sedert de datum van dagvaarding en de kosten van het geding.
Deze bedragen werden volgens de geïntimeerde ten onrechte door de appellant ingehouden ter betaling van een BTW-schuld meer accessoria die volgens de geïntimeerde niet verschuldigd is.
Bij vonnis dd. 18.12.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer, werd de vordering van de geïntimeerde toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond verklaard, en werd de appellant veroordeeld tot terugbetaling aan de geïntimeerde van de som van … BEF (thans … EUR), meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 4 september 1997 tot de dag van de betaling. Zelfde vonnis veroordeelt de appellant tot de kosten van het geding.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 13.3.2001 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen vermeld vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De appellant vordert dat het bestreden vonnis teniet zou worden gedaan en de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde onontvankelijk minstens ongegrond zou worden verklaard.
Waar de appellant geen gronden van onontvankelijkheid aanreikt en het Hof geen gronden van die aard ontwaart, kan niet tot onontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde worden besloten.
De geïntimeerde van haar kant vordert dat deze vordering van de appellant ongegrond zou worden verklaard.
2. Het geschil heeft betrekking op facturen van de geïntimeerde over de periode 1.1.1993 tot 31.12.1994 waarbij voertuigen werden verkocht en geen BTW werd aangerekend om reden dat volgens de geïntimeerde de vrijstelling voorzien bij artikel 39, § 1, 2° BTW-wetboek van toepassing was, gegeven dat door de appellant wordt betwist.
De geïntimeerde die zich beroept op de vrijstelling, dient aan te tonen dat de voorwaarden daartoe vervuld zijn, en te dezen meer bepaald dat de verkochte voertuigen “werden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap (te dezen Polen) (artikel 39, § 1, 2°, BTW-wetboek).
Artikel 3 van het KB nr. 18 van 29.12.1992 voorziet : "De verkoper van de goederen moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met controle belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn, onder meer, de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken, alsmede de aangifte ten uitvoer bedoeld in artikel 2.”
Door te eisen dat de echtheid van de uitvoer zou blijken voegt artikel 3 van het KB nr. 18 van 29 12.1992 geen bijkomende voorwaarde toe aan artikel 39, § 1, 2° BTW-wetboek (en artikel 15 tweede lid, cijfer 2 van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17.5.1977). De woorden "werden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap” kunnen niet anders geïnterpreteerd worden dan in de zin dat de goederen effectief moeten worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten het BTW-gebied van de Gemeenschap, d.i. dat er een daadwerkelijke overbrenging van de goederen naar een niet EG-land is. Het volstaat derhalve niet, zoals de geïntimeerde ten onrechte voorhoudt, dat er intentie zou zijn om de goederen te verzenden of te vervoeren naar een plaats buiten de gemeenschap.
Verder bepaalt artikel 3 van het KB nr. 18 van 29.12.1992 enkel dat alle stukken waaruit de echtheid blijkt in het bezit moeten zijn van de verkoper, zonder eisen te stellen qua hoeveelheid en aard van de stukken. Zo verder in deze bepaling bepaalde stukken worden opgesomd, dan is dit enkel bij wijze van voorbeeld, en niet limitatief (zie in dit verband het gebruik van de woorden "onder meer"), en verhindert dit de bewijslevering volgens de regelen en middelen van het gemene recht, uitgezonderd de eed (vergelijk met artikel 59, § 1 BTW-wetboek) niet.
De geïntimeerde betoogt verder dat het KB nr. 18 het intern recht en het gemeenschapsrecht schendt.
In dit verband bepaalt art. 15 van de Zesde richtlijn dat de Lidstaten de voorwaarden mogen vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstelling te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen. Volgens de geïntimeerde zouden de in het KB nr. 18 opgelegde voorwaarden de toepassing van de wijstelling onmogelijk maken.
Zoals hoger aangehaald heeft de geïntimeerde de mogelijkheid alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, aan te wenden. Dit houdt meteen in dat, anders dan door de geïntimeerde voorgehouden, zij ruime bewijsmogelijkheden heeft met het oog op toepassing van de vrijstelling en het KB nr. 18 in dit verband geenszins het interne recht of het gemeenschapsrecht schendt.
Bovendien moet worden opgemerkt dat de appellant terecht laat gelden dat de verkoper zich tegen de mogelijke koper te kwader trouw kan wapenen door bvb. de BTW op de transactie te laten borgen, door de BTW aan te rekenen en pas terug te betalen door overschrijving op de bankrekening van de buitenlandse koper indien deze hem het behoorlijk geviseerde uitvoerdocument terugstuurt. De verkoper zou ook een bankwaarborg kunnen eisen. De stelling van de geïntimeerde dat hij als verkoper te goeder trouw afhankelijk zou zijn van wat de koper doet en de hieruit afgeleide schending van de beginselen van behoorlijk bestuur of van een redelijke toepassing van het gemeenschapsrecht, kunnen derhalve evenmin gevolgd worden.
Gelet op de fraudegevoeligheid van dergelijke transacties, en gezien de fraudebestrijding overigens één van de doelstellingen uitmaakt van de zesde Richtlijn, is het eisen van een bewijs van uitvoer ook geenszins buiten verhouding tot het beoogde doel. Het evenredigheidsbeginsel werd niet geschonden.
3. Oorspronkelijk wou de geïntimeerde de uitvoer bewijzen aan de hand van de zogenaamde aangiften ten uitvoer (artikel 2 van het KB nr. 18 van 29.12.1992) voor elk voertuig waarover de huidige betwisting gaat. Waar geen betwisting bestaat over het gegeven dat de bedoelde aangiften ten uitvoer werden uitgereikt door het douanekantoor van uitvoer (in België). is echter gebleken dat de stempels aangebracht op deze documenten als zijnde van het douanekantoor van uitgang en waaruit dan normaal precies de werkelijke uitvoer blijkt, vals waren.
Deze valsheid blijkt afdoende uit het onderzoek gevoerd door het Duitse Zollkriminalamt (stukken 6 van de appellant), waarbij een doorgedreven vergelijking werd gemaakt tussen de stempelafdrukken op de aangiften ten uitvoer en de echte stempelafdrukken. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de waarde van dit onderzoek.
Zo het vermeld onderzoek niet tegensprekelijk gebeurde, houdt dit echter niet in dat de rechten van verdediging van de geïntimeerde geschonden zijn. De geïntimeerde heeft immers de mogelijkheid de bewijswaarde van het onderzoek te ontkrachten door zelf een expertise te laten uitvoeren of zelfs er een uit te lokken in het kader van een procedure (huidige of andere), wat niet gebeurd is.
In deze omstandigheden leveren de met valse uitgangsstempel beklede aangiften ten uitvoer op zich niet het bewijs van de daadwerkelijke uitvoer van de voertuigen.
Er dient wel aangenomen te worden dat het voor de geïntimeerde niet mogelijk was de valsheid van de stempels vast te stellen, zonder gespecialiseerd onderzoek. Te dezen wordt dit trouwens niet betwist door de appellant die de goede trouw van de geïntimeerde niet in vraag stelt. Het is trouwens zo dat de appellant zelf beroep heeft moeten doen op de deskundigheid ter zake van het Duitse Zollkriminalamt.
Zulks is echter niet van aard te doen aannemen dat de aangiften ten uitvoer wel het bewijs van de daadwerkelijke uitvoer leveren.
Ook de bewering dat de appellant zou tekort geschoten zijn aan zijn informatieplicht, zoals de geïntimeerde stelt, is zonder invloed. Te dezen gaat het om transacties gesloten in 1993 en 1994, zodat de informatie die de appellant volgens de eerste rechter opdeed in 1995 en 1996 en aan de geïntimeerde diende te worden meegedeeld hoe dan ook te laat zou zijn meegedeeld. Van zodra de geïntimeerde aan onbekenden uit Polen, die weliswaar contant betaalden, voertuigen en documenten meegeeft (zie de conclusie door de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 4.12.2001, p. 2) zonder in enige waarborg te voorzien (zie hoger), neemt zij het risico op zich dat de vrijstelling niet zal kunnen ingeroepen worden omdat de kopers niet uitvoeren, of omdat zij het bewijs van uitvoer niet opsturen, of zoals te dezen documenten vervalsen, e.d. meer .... Hierbij neemt de geïntimeerde meteen ook het risico op zich dat het voertuig niet meer kan teruggevonden worden, wat haar bewijsmogelijkheden omtrent de uitvoer zeer beperkt.
4. Van de voertuigen waarvan door de geïntimeerde wordt aangetoond dat zij in Polen werden teruggevonden (hetzij op grond van attesten van diverse Poolse overheidsdiensten) en waarvoor een aangifte ten uitvoer wordt voorgelegd, moet in redelijkheid worden aangenomen dat het bewijs wordt geleverd dat zij “werden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap" zoals vereist bij artikel 39, § 1, 2° BTW-wetboek.
Het gebruik van valse stempels toont weliswaar aan dat de invoer in Polen op illegale wijze moet gebeurd zijn, wellicht om hoge Poolse invoerrechten te vermijden, doch de aanwezigheid van de voertuigen in Polen bevestigt de daadwerkelijke uitvoer. De vermelde illegale werkwijze is geen beletsel voor toepassing van de vrijstelling voorzien bij artikel 39, § 1, 2° BTW-wetboek (vergelijk met HvJ, 2.8.1993, C-111/92, Wilfried Lange t/ Finanzamt Fuerstenfeldbruck, www.curia.eu.int).
Dat de voertuigen zouden gedemonteerd ingevoerd zijn, of niet rechtstreeks, of er een latere export zou zijn door de volgende koper/verkoper, zijn louter veronderstellingen die op geen enkele wijze waarschijnlijk worden gemaakt, en waarvoor niet de minste aanwijzing bestaat.
Voor de bedoelde voertuigen is noch in het BTW-wetboek noch in het KB nr. 18 enige termijn voorzien binnen welke zij moeten worden uitgevoerd, en evenmin dat zij “onmiddellijk" moeten worden uitgevoerd. Integendeel werd vóór de wijziging van artikel 5 van het KB nr. 18 bij KB van 29.12.1992 wel in een termijn voorzien, om bij de wijziging dergelijke termijn dan af te schaffen.
Van de voertuigen waarvan niet aangetoond wordt dat zij in Polen konden teruggevonden worden, is de uitvoer niet bewezen.
Volgende voertuigen, voorwerp van in betwisting zijnde facturen, blijken teruggevonden te zijn in Polen, zoals blijkt uit de door de appellant voorgelegde stukken afkomstig van diverse overheidsinstanties in Polen :
1993
- Volkswagen Passat, chassisnummer …, bouwjaar 14.4.1989 (Factuur nr. 151)
- Suzuki Swift, chassisnummer …, bouwjaar 8.5.1992 (Factuur nr. 173)
- Opel Kadett, chassisnummer …, bouwjaar 6.11.1991 (Factuur nr. 228)
- Opel Vectra. chassisnummer …, bouwjaar 1990 (Factuur nr. 239)
- Renault R19, chassisnummer …, bouwjaar 1990 (Factuur nr.251)
- Mercedes 190, chassisnummer …, bouwjaar 23.7.1992 (Factuur nr. 255)
- Volkswagen Golf, chassisnummer …, bouwjaar 1990 (Factuur nr. 258)
- Opel Kadett, chassisnummer …, bouwjaar 1990 (Factuur nr. 264)
- Toyota Starlet, chassisnummer …, bouwjaar 1993 (Factuur nr. 374)
1994
- Peugeot J 5 diesel, chassisnummer …, bouwjaar 1993 (Factuur nr. 6)
- Seat Ibiza, chassisnummer …, bouwjaar 25.4.1990 (Factuur nr. 319)
- Volkswagen Golf, chassisnummer …, bouwjaar 1991 (Factuur nr. 247)
- Nissan 100 NX. chassisnummer …, bouwjaar 27.8.1991 (Factuur nr. 237)
- Renault. R19, chassisnummer …, bouwjaar 1993 (Factuur nr. 329)
Dienen derhalve te worden vrijgesteld van BTW in toepassing van artikel 39, § 1, 2° BTW-wetboek:
1993
Factuur nr. 151 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 173 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 228 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 239 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 251 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 255 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 258 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 264 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 374 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Totaal : … BEF (thans … EUR)
1994
Factuur nr. 6 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 319 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 247 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 237 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Factuur nr. 329 ten bedrage van … BEF (thans … EUR)
Totaal : … BEF (thans … EUR).
In acht genomen hetgeen voorafgaat is slechts BTW verschuldigd als volgt :
1993
* oorspronkelijk weerhouden : … BEF (thans … EUR)
* teveel : - … BEF (thans … EUR)
_____
* verschil : … BEF (thans … EUR)
* BTW : … BEF (thans … EUR) x 19,5 % = … BEF (thans … EUR)
1994
* oorspronkelijk weerhouden : … BEF (thans … EUR)
* teveel : - … BEF (thans … EUR)
_____
* verschil : … BEF (thans … EUR)
* BTW : … BEF (thans … EUR) x 20,5 % = … BEF (thans … EUR)
Er mocht derhalve slechts ingehouden worden door de appellant :
- BTW 1993 : … BEF
- BTW 1994 : … BEF
- Boete (afgerond) 10 % :… BEF
- Intresten
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het deels gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de vordering van de geïntimeerde toelaatbaar en ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende,
Verklaart de vordering van de geïntimeerde deels gegrond.
Stelt vast dat de appellant slechts de hoger onder punt 4 aangegeven bedragen en intresten mocht inhouden en de appellant teveel heeft ingehouden.
Beveelt dat rekening houdend met wat voorafgaat de appellant een afrekening zal opstellen. en beveelt de terugbetaling van het teveel geïnde meer de gerechtelijke intrest vanaf de datum van dagvaarding, hetzij 4.9.1997.
Veroordeelt de appellant tot 4/5 en de geïntimeerde tot 1/5 van de kosten van beide aanleggen, en begroot deze laatste kosten in hun totaal als volgt :
• aan de zijde van de appellant op : … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. hetzij in totaal … EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde op : … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in burgerlijke zaken., op ACHTTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN DRIE.
Aanwezig de heren :
G. T., Raadsheer, Waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,
M. V., griffier.
M. V. G. T.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.