De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 15.03.2017
WF 701-15-12/064994
[Gedeeltelijk gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Vordering tot voldoening van de belasting – Verjaring – Stuitingsdaden
Wetgeving
Btw-wetboek: artikelen 81 (oud), 83 en 85
Ger. Wetboek: artikel 780bis
Burg. Wetboek: artikel 2248
Samenvatting
I. Voorafgaandelijke feiten en procedure
1.Het geschil betreft twee dwangbevelen (A en B) uitgevaardigd op basis van bijzondere rekeningen.
Dwangbevel A heeft betrekking op een bijzondere rekening geopend op 19 december 1995 betreffende de periode van 31 juli tot 31 oktober 1995. Het dwangbevel werd op 29 november 1999 betekend doormiddel van een deurwaardersexploot met bevel tot betaling. Het werd opnieuw verzonden per post verstuurd aangetekend schrijven op 24 september 2004 en 15 januari 2009.
Dwangbevel B heeft betrekking op het saldo van een bijzondere rekening geopend op 16 september 1997 betreffende de periode van 30 april tot 31 juli 1997. Het werd per post aangetekend schrijven verzonden op 5 juli 2005 en nogmaals op 15 januari 2009. Vooraleer dit dwangbevel werd opgesteld heeft eiser tussen 16 september 2001 en 21 januari 2002, vijf vrijwillige betalingen uitgevoerd .
De rechtsvordering tegen de twee dwangbevelen werd ingesteld op 5 november 2012.
2.Eiser betwist de schulden die opgenomen zijn in de twee dwangbevelen door middel van de verjaring. Volgens hem, is het recht op invordering voor het dwangbevel A uitgedoofd op 20 december 2000 en voor het dwangbevel B op 17 september 2002.
3.Volgens de Belgische Staat, zou de vordering met betrekking tot dwangbevel A onontvankelijk zijn krachtens verjaringstermijn van 10 jaar van gemeen recht, omdat ze betrekking heeft op een dwangbevel dat is opgesteld meer dan 10 jaar geleden voor de indiening van het verzoekschrift voor de rechtbank van eerste aanleg.
De Belgische Staat verzoekt bovendien om de vordering af te wijzen voor het dwangbevel B en heeft op grond van artikel 780bis van het gerechtelijk wetboek een tegenvordering ingesteld wegens tergend en roekeloos geding.
II. Het vonnis
1.Het verzoek om een titel verjaard te verklaren kan op zich niet verjaren. Het is enkel de schuldvordering door de Staat die moet onderzocht worden vanuit het oogpunt van de verjaring.
2.In onderhavig geval is de verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing gezien de schulden ontstaan zijn uit in 1995 en 1997 in de boekhouding opgenomen handelingen (wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, art. 98, 7de alinea).
Het vertrekpunt van de verjaringstermijn van vijf jaar was de dag dat de verplichting om de belasting te voldoen ontstond, namelijk, de dag waarop de aangifte had moeten worden ingediend, zijnde de 20ste van de maand die volgt op het einde van de periode waarop de aangifte betrekking heeft.
3.Ook al zou het dwangbevel binnen de termijn betekend zijn, gezien de administratie een kopie voorlegt van het deurwaardersexploot, is het niet mogelijk om na te gaan of het betekende exploot betekend voldoet aan alle wettelijke voorwaarden om uitwerking te kunnen hebben.
Eiser toont evenwel evenmin aan dat de betalingen uitgevoerd werden nadat de verjaring is ingetreden en haar vordering tot teruggaaf onvolledig is. De rechter beslist dus dat de vordering tot teruggaaf ongegrond is.
4.Dwangbevel B, betreffende handelingen van 30 april tot 31 juli 1997, werd betekend op 5 juli 2005. De verjaring is in werking getreden in 2002. Dit wordt niet betwist door de administratie.
Evenwel beroept de administratie zich op artikel 2248 van het Burgerlijk wetboek en maakt melding van vijf betalingen , waarvan de laatste op 21 januari 2002, waardoor de verjaringstermijn uitgesteld wordt tot 21 januari 2007, termijn waarin het dwangbevel op reguliere wijze werd betekend. Eiser toont niet aan dat deze betalingen onder voorbehoud zouden zijn gebeurd. De rechter oordeelt dat deze gedeeltelijke betalingen een stilzwijgende schulderkenning zijn en wijst eiser af.
5.Betreffende de tegenvordering van de Belgische Staat, is de rechter van oordeel dat een gedeeltelijke gegronde procedure geen vexatoir karakter (geen tergend en roekeloos karakter) heeft.
Opmerkingen
1.Zoals de rechter te Brussel opmerkt, blijven de artikelen 81 en 82 W.BTW, alvorens ze gewijzigd werden door de artikelen 52 en 54 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, van toepassing op de vorderingen tot voldoening van de belasting en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting die ontstaan zijn voor 1 januari 1999 (wet van 15 maart 1999, art. 97, 7de lid, BS van 27 maart 1999, p. 9882).
2.Inzake btw, mag de schuldenaar van de belasting het geschil aan de rechter voorleggen op gelijk welk moment tijdens de administratieve procedure of op gelijk welk ogenblik van de vervolgingen. Dit heeft als gevolg dat er geen specifieke termijn is opgelegd binnen dewelke een schuldenaar van de belasting zijn vordering moet indienen.
Er wordt hier verwezen naar het arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 september 2014, 2012/AR/604 (fisconetplus), dat de stelling volgens dewelke het verzet tegen het dwangbevel zou onderworpen zijn aan de verjaringstermijn van tien jaar verwerpt.
Zoals uit het huidig vonnis blijkt, zijn in de praktijk, enkel de termijnen van de verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting en deze voor de vordering tot teruggaaf van belang. (W.BTW, art. 81 tot 83).
3.Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
Tekst van het vonnis
Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Tribunal de première instance francophone de Bruxelles (32ème chambre civile), du 15 mars 2017
Rôle : 12/13637/A
EN CAUSE DE:
Monsieur P. B., …, …, partie demanderesse, défenderesse sur reconvention, comparaissant en personne.
CONTRE:
L'ETAT BELGE, SPF Finances, Centre PME de Bruxelles 2, dont les bureaux sont situés bld. du Jardin Botanique, 50 / 3408 à 1000 Bruxelles, partie défenderesse, demanderesse sur reconvention, ayant comparu en personne, à l’intervention de M. A. B., Attaché
Cause prise en délibéré le 8 mars 2017,
Vu les pièces de la procédure, et notamment :
•la requête contradictoire et annexes déposées au greffe le 5 novembre 2012
•l'ordonnance rendue sur pied de l'article 747 CJ;
•les ultimes conclusions déposées les 21 janvier 2014 (pour la partie demanderesse) et 31 octobre 2016 (pour la partie défenderesse).
Entendu les parties comparaissant à l'audience publique du 8 mars 2017.
La Procédure.
1- Le demandeur a exercé le commerce en gros de vêtements, et était à cette fin immatriculé à la TVA sous le numéro ….
Le litige a trait à deux contraintes décernées sur base de comptes spéciaux.
A/- la contrainte CTRI …, relative à un compte·spécial ouvert le 19 décembre 1995 concernant la période allant du 31 juillet au 31 octobre 1995.
Cette première contrainte a été décernée le 12 octobre 1999, rendue exécutoire le 14 octobre 1999 et signifiée par huissier le 29 novembre 1999 ; elle fut ensuite notifiée par recommandé du 24 septembre 2004 sur la base de l'article 85 CTva, puis à nouveau le 15 janvier 2009, la présente procédure étant ensuite mue le 5 novembre 2012.
B/- la contrainte CTRI …, relative au solde d'un compte spécial ouvert le 16 septembre 1997 concernant la période allant du 30 avril au 31 juillet 1997.
Avant l'établissement de la contrainte, le demandeur avait effectué 5 paiements volontaires entre le 16 septembre 2001 et le 21 janvier 2002 ; après interruption des paiements, la contrainte a été décernée le 30 septembre 2004, rendue exécutoire le 30 septembre 2004 et notifiée par recommandé le 5 juillet 2005, sur la base de l'article 85 CTva, puis à nouveau le 15 janvier 2009, la présente procédure étant ensuite mue le 5 novembre 2012.
2- Les contestations du demandeur portent exclusivement sur le fait que les dettes y correspondant seraient prescrites ; sa demande, telle que formulée en conclusions, est la suivante :
« - constater que le droit au recouvrement de la contrainte n° CTRI … s'est éteint par prescription en date du 20 décembre 2000 ;
- constater que le droit au recouvrement de la contrainte n° CTRI …. s'est éteint par prescription en date du 17 septembre 2002 ;
- Condamner l'Etat belge à rembourser toute somme qui aurait été retenue du chef des contraintes litigieuses après ces dates, augmentée, le cas échéant, des intérêts de retards;
- Condamner l'Etat belge aux dépends de l'instance en ce compris l'indemnité de procédure - … € «
3- L’État soulève l'irrecevabilité de la demande portant sur la première contrainte (CTRI ….) ; sollicite le débouté concernant la deuxième contrainte ; et forme une demande reconventionnelle tendant à voir la partie demanderesse condamnée au paiement de …- € pour action téméraire et vexatoire par application de l'article 780bis CJ1.
Discussion quant à la recevabilité des demandes.
Selon l'État, par application de la prescription décennale de droit commun, l'action serait irrecevable, en ce qu'elle est dirigée contre une contrainte (la contrainte CTRI 195, ...) décernée plus de dix ans (à savoir le 12 octobre 1999) avant le dépôt de la requête introductive.
Cette thèse n'a guère de sens : la demande visant à voir déclarer un titre prescrit est en soi imprescriptible, puisque la prescription acquise au fil du temps, le demeure ad vitam aeternam et que, par ailleurs, l'action déclaratoire n'est pas irrecevable (ce que ne plaide d'ailleurs pas l'Etat) dès qu'une partie détient un titre exécutoire susceptible de faire l'objet d'exécution forcée, sauf pour son titulaire à avoir expressément admis sa prescription, ce qui n'est pas le cas en l'espèce -au contraire.
Ce n'est pas une telle action, mais la créance de l'État elle-même qui doit être examinée au regard de moyens tirés d'une éventuelle prescription, et l'argumentaire de l'État tient tout entier dans la contestation de l'existence d'une prescription, et porte ainsi, non sur la prescription de l'action mais sur l'affumation d'un défaut de fondement des demandes.
Art. 780Bis CJ - La partie qui utilise la procédure à des fins manifestement dilatoires ou abusives peut être condamnée à une amende de … euros à … euros sans préjudice des dommages-intérêts qui seraient réclamés.
En ce cas, il y sera statué par la même décision dans la mesure où il est fait droit à une demande de dommages et intérêts pour procès téméraire et vexatoire. Si tel n'est pas le cas, les parties seront invitées à s'expliquer conformément à l'article 775.
< l'article 775 instituant la réouverture des débats>
<...>
Discussion quant aux demandes de la partie demanderesse.
1. La TVA est due de plein droit sur les opérations qui la suscitent.
Le délai de prescription actuel est de 3 ans sur la base des articles· 81 et 81 bis CTva tels que modifiés par loi du 15 mars 1999, l'article 83 du même code instituant les causes d'interruption et la suspension des prescriptions en cas de procédure judiciaire.2
Il était de 5 ans originairement 3, ce délai originaire devant s'appliquer aux dettes antérieures à la modification légale de 1999 4, ce qui est le cas d'espèce, pour des dettes nées d'opérations comptabilisées en 1995 et 1997.
2 Art. 81. [L. 15 mars 1999, art. 52 (vig. 6 avril 1999). -L'action en recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales commence à se prescrire dès le jour où cette action naît.]
Art. 81bis. [L. 15 mars 1999, art. 53 (vig. 6 avril 1999). - §1er.La prescription de l'action en recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales est acquise à l'expiration de la troisième année civile qui suit celle durant laquelle la cause d'exigibilité de ces taxe, intérêts et amendes fiscales est intervenue.
Art.. 83. § 1er. Les prescriptions, tant pour le recouvrement que pour la restitution de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales, sont interrompues de la manière et dans les conditions prévues par les articles 2244 et suivants du Code civil. En ce cas, une nouvelle prescription, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise [cinq ans] après le dernier acte interruptif de la précédente prescription, s'il n'y a instance en justice.
[Toute instance en justice relative à l'application ou au recouvrement de la taxe, qui est introduite par l'Etat belge, par le redevable de cette taxe ou par toute autre personne tenue au paiement de la dette en vertu du présent Code, des arrêtés pris pour son exécution ou du droit commun, suspend le cours de la prescription.
La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée enforce de chose jugée.]
[Ainsi ajouté par L. 15 mars 1999, art. 56, 3°, applicable aux taxes, intérêts et amendes.fiscales lorsque leur cause d'exigibilité est intervenue au plus tôt le 1er janvier 1999.J
Art. 2244 CC. - Une citation en justice, un commandement ou une saisie, signifiés à celui qu'on veut empêcher de prescrire, forment l'interruption civile.
Art 2248 CC. - La prescription est interrompue par la reconnaissance que le débiteur ou le possesseur fuit du droit de celui contre lequel il prescrivait.
3. Art 81. L'action en recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales se prescrit par 5 ans à compter du jour où elle est née.
''Les articles 81 et 82 tels qu'ils existaient avant d'être modifiés par les articles 52 et 54 de la loi du 15 mars 1999 restent applicables aux actions en recouvrement et aux actions en restitution de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales qui sont nées avant le 1er janvier 1999.» (L. 15 mars 1999, art. 97, al. 7)
En effet, le point de départ du délai de 5 ans était le jour de naissance de l'obligation, à savoir celui pour lequel la déclaration doit être rentrée, çàd. le terme de la période prise en compte (mois ou trimestre), reporté au 20 du mois suivant par l'AR n° 15.
Il n'y a nulle prescription à constater à la date d'établissement de la première des contraintes (signifiée le 29 novembre 1999).
La partie demanderesse dénonce cependant le fait que le dossier administratif ne comporte pas une copie de cette signification, mais uniquement une copie de la lettre de l'huissier D. V., datée du 30 novembre 1999, et indiquant sous référence comportant le numéro de la contrainte, que le commandement avait été réalisé le 29 novembre 1999.
Selon la demanderesse, le « caractère interruptif de la prescription de ce dernier < ledit commandement> ne peut dès lors être établi », dès lors qu'une copie de l'exploit lui-même n'est pas produite.
De fait, seule une copie permet de vérifier que l'exploit signifié remplit toutes les conditions légales pour sortir ses effets - ce que ne conteste pas l'État.
L'État indique dans ses conclusions dernières (p. 6) avoir pris contact avec l'étude d'huissier et annonce la présentation de la pièce utile pour l'audience; à l'audience, l'État admet ne pas pouvoir produire cette ancienne pièce.
La demande est fondée quant à ce premier commandement, à tout le moins quant à la constatation actuelle de la prescription ; le demandeur ne démontre pas que des paiements auraient été faits après prescription, ni qu'ils seraient nuls pour autant, et sa demande, imprécise, de remboursement n'est pas fondée.
4. La seconde contrainte fut notifiée le 5 juillet 2005, pour des opérations relevant de la période allant du 30 avril au 31 juillet 1997.
5. Art 18 AR n°1 - § 1er. La personne tenue au dépôt de la déclaration visée à l'article 53, alinéa 1er, 3°, ou à l'article 53ter, 1°, du Code, doit la remettre [au service indiqué par le ministre des Finances, au plus tard le vingtième jour qui suit la période à laquelle elle se rapporte.
L'État admet que la prescription est ainsi acquise, a priori, dès 2002, mais invoque sur la base de l'article 2248 CC (auquel renvoie l’article 81bis §1 CTva) 5 paiements partiels, dont le dernier, le 21 janvier 2002, reporte le terme de la prescription quinquennale au 21 janvier 2007, soit un délai durant lequel la notification de la contrainte est intervenue régulièrement.
Le demandeur se borne à contester que ses paiements volontaires représentent une reconnaissance de dette, affirmant que ces paiements auraient été faits sous réserve ; cette allégation n'est établie en aucune manière et ces paiements partiels représentent une reconnaissance tacite de dettes (cf De Page, Traité, tome VII, n° 1194).
Le tribunal n'aperçoit pas en quoi une procédure patiellement fondée serait vexatoire ; la demande reconventionnelle de l'État n'est pas fondée.
Beschikkend gedeelte
PAR CES MOTIFS,
LE TRIBUNAL,
Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire;
Statuant contradictoirement et écartant toutes conclusions contraires,
Déclare la demande recevable et partiellement fondée : constate que le droit au recouvrement de la contrainte n° CTRI … s'est éteint par prescription ; déboute le demandeur du surplus de ses demandes;
Déclare la demande reconventionnelle recevable, mais non fondée;
Ainsi jugé et prononcé à l'audience publique de la 32ème chambre du Tribunal de première instance Francophone de Bruxelles, le 15 mars 2017 où étaient présents et siégeaient :
M. C. B., juge,
Mme A. P., greffier délégué,
Signatures
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.