Voorlegging documenten, Niet-proportionele geldboete, Uitstel, Nietigheid directoriale beslissing · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 15/165/A 25 november 2015

Zoeken

Voorlegging documenten, Niet-proportionele geldboete, Uitstel, Nietigheid directoriale beslissingVoorlegging documenten – Niet-proportionele geldboete – Uitstel – Nietigheid directoriale beslissing

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voorlegging-documenten-proportionele-geldboete-uitstel-rechtbank-antwerpen-2015-11-25-2c7c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Rolnummer
15/165/A
Datum
25 november 2015

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

58 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 25.11.2015 (15/165/A)

WF 713-15-15/006780

Belasting over de toegevoegde waarde – voorlegging documenten – niet-proportionele geldboete – uitstel – nietigheid directoriale beslissing

Wettelijke bepalingen

art. 61 §§ 1 en 2, WBTW, art. 70 § 4, eerste lid WBTW

Koninklijk Besluit nr. 44 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboete

Samenvatting

De belastingplichtige werd bij brief verwittigd dat een btw-controle zou plaatsvinden op haar adres. Op de dag van de aangekondigde controle was echter niemand aanwezig. De belastingplichtige stelt dat het om een misverstand ging, gezien zij in de overtuiging was dat de controle zou doorgaan bij de accountant.

De rechter oordeelt dat een misverstand tussen belastingplichtige en accountant niet kan worden tegengeworpen aan de administratie. De belastingplichtige heeft de vrije keuze van accountant en moet dan ook de gevolgen dragen van deze keuze en van de mogelijke fouten en nalatigheden van haar accountant.

Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de administratie om, vooraleer de boete op te leggen, eerst te achterhalen waarom de belastingplichtige haar verplichting van art. 61 § 1 WBTW niet heeft nageleefd.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de boete voldoende gemotiveerd is, in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten en er geen reden bestaat om uitstel toe te kennen aan eisende partij indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

Tot slot dient opgemerkt dat de opgelegde boete aan het oordeel van de rechtbank wordt onderworpen, en niet de directoriale beslissing waarbij het verzoek tot kwijtschelding van boete werd afgewezen, zodat de eventuele nietigheid van deze directoriale beslissing geen invloed heeft op de rechtsgeldigheid van de opgelegde boete.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen

dd. 25.11.2015

(15/165/A)

Inzake:

D.D. BVBA,

in vereffening, met maatschappelijke zetel te…, met ondernemingsnummer … eisende partij. - vertegenwoordigd door haar vereffenaar de heer J.V.D.P., geboren te … op…, wonende te …

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Sector BTW, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12; de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Turnhout te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22; de Gewestelijk Directeur van de BTW-directie te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40. verwerende partij.

- vertegenwoordigd ter zitting door de heer R. V., in hoedanigheid van adviseur-eerstaanwezend inspecteur.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 12 januari 2013,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 13 februari 2015,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.

Gelet op de verordening van de Raad van de ministers nummer 974/98 d.d. 3 mei 1998 en nummer 1103/97 d.d. 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 28 oktober 2015.


De vordering strekt ertoe het proces-verbaal van 26 september 2014 en het betaalbericht van 14 oktober 2014, artikelnummer…, inzake een boete van 1.000,00 EUR te vernietigen en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Beoordeling

Bij brief van 13 augustus 2014 heeft de administratie aan eisende partij bericht dat in het kader van het toezicht op de correcte toepassing van de BTW-wetgeving op 26 september 2014 omstreeks 10u op haar adres een controle van haar boekhouding zou plaatsvinden en werd haar dan ook verzocht die dag de boeken en stukken, die zij volgens de BTW-wetgeving moet houden, opmaken of ontvangen, alsook de handelsboeken, boekingsstukken, bestelbons en dergelijke betreffende de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 mei 2013 op grond van artikel 61§1 W. BTW ter beschikking te houden.

Eisende partij betwist geenszins voornoemde brief van 13 augustus 2014 te hebben ontvangen en erkent dat op 26 september 2014 omstreeks 10u op haar adres niemand aanwezig was.

Bijgevolg heeft de controleambtenaar, die zich op 26 september 2014 omstreeks 10u heeft aangeboden op het adres van eisende partij, alsdan geen inzage kunnen bekomen van voornoemde boeken en stukken.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat artikel 61§1 W. BTW bepaalt dat voornoemde boeken en stukken "zonder verplaatsing" dienen voorgelegd te worden zodat de controleambtenaar dan ook terecht heeft aangekondigd dat de controle van de boekhouding zou plaatsvinden op het adres van eisende partij.

Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de administratie om eisende partij erop te wijzen dat zij vrijwillig kan instemmen om voornoemde boeken en stukken, in afwijking van artikel 61§1 W. BTW, toch "met verplaatsing" voor te leggen op een andere plaats (bijvoorbeeld controlekantoor of adres van de accountant); de administratie was dan ook niet verplicht om eisende partij de keuze te bieden om voornoemde boeken en stukken "zonder verplaatsing" op haar adres voor te leggen of "met verplaatsing" op een andere plaats met haar instemming.

Niettegenstaande eisende partij bij voornoemde brief van 13 augustus 2014 uitdrukkelijk werd verzocht om, indien de controle voor haar niet kon doorgaan op 26 september 2014 omstreeks 10u, dan zo vlug mogelijk contact op te nemen met de administratie om een nieuwe afspraak te maken, blijkt uit geen enkelobjectief element dat zij de administratie vooraf had verwittigd dat de controle op 26 september 2014 omstreeks 10u niet kon doorgaan op haar adres.

Eisende partij stelt dat het een puur misverstand betreft gezien zij in de overtuiging was dat de controle zou doorgaan op het adres van haar accountant en haar accountant op 26 september 2014 heeft zitten wachten op de controleambtenaar, doch deze bewering is weinig geloofwaardig nu

- in voornoemde brief van 13 augustus 2014 duidelijk werd aangekondigd dat de controle op het adres van eisende partij zou plaatsvinden;

- de administratie noch door eisende partij noch door haar accountant werd gecontacteerd met de vraag om de controle te laten doorgaan op het kantoor van de accountant;

- uit geen enkelobjectief element blijkt dat de accountant op 26 september 2014 contact heeft genomen met de controleambtenaar om na te gaan waarom deze laatste niet was komen opdagen, hetgeen van hem toch mocht verwacht worden ingeval hij alsdan daadwerkelijk op de controleambtenaar heeft zitten wachten.

Er kan geen sprake zijn van een misverstand tussen eisende partij en de controleambtenaar omtrent de duidelijk gemaakte afspraak op haar adres op 26 september 2014 omstreeks 10u en er kan hoogstens sprake zijn van een misverstand tussen eisende partij en haar accountant wie van beiden aan de administratie zou verzoeken om de controle te laten doorgaan op het adres van de accountant in plaats van op het adres van eisende partij, hetgeen echter door geen van beiden is gebeurd.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat een misverstand tussen eisende partij en haar accountant vanzelfsprekend niet kan worden tegengeworpen aan de administratie; eisende partij heeft de vrije keuze van accountant en moet dan ook de gevolgen dragen van deze keuze en van de mogelijke fouten en nalatigheden van haar accountant.

Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de administratie om, vooraleer de boete op te leggen, eerst te achterhalen waarom eisende partij haar verplichting van artikel 61§1 W.BTW op 26 september 2014 niet heeft nageleefd.

Aangezien eisende partij, die op grond van artikel 61§1 W.BTW ertoe gehouden is op ieder verzoek van de BTW-ambtenaren voornoemde boeken, facturen en andere stukken voor te leggen, deze verplichting op 26 september 2014 niet heeft nageleefd, is de boete van 1.000,00 EUR dan ook wettelijk overeenkomstig artikel 70§4,lid 1 W.BTW en de bijlage bij KB nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, afdeling 4, rubriek IV; verder is de rechtbank van oordeel dat deze boete voldoende gemotiveerd is, in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten en er geen reden bestaat om uitstel toe te kennen aan eisende partij indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

Het louter niet-naleven op 26 september 2014 van deze verplichting van artikel 61§1 W.BTW volstaat opdat de administratie een boete kan opleggen en er dienen dan ook geen andere inbreuken te worden vastgesteld;. de administratie dient evenmin aan te tonen dat eisende partij "moedwillig" de verplichting van artikel 61§1 W.BTW niet heeft nageleefd en / of geweigerd heeft om voornoemde boeken en stukken voor te leggen.

Er is dan ook geen sprake van dat de boete nietig en / of willekeurig is.

Tot slot dient te worden opgemerkt dat de opgelegde geldboete aan het oordeel van de rechtbank wordt onderworpen en niet de directorale beslissing van 13 november 2014, waarbij het verzoek tot kwijtschelding van deze geldboete werd afgewezen, zodat de eventuele nietigheid van deze directorale beslissing dan ook geen invloed heeft op de rechtsgeldigheid van de opgelegde boete.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

rechtdoende op tegenspraak,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder niet begroot en derhalve door de rechtbank niet vereffend.

Dit vonnis werd uitgesproken op vijfentwintig november tweeduizend vijftien in openbare

zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:

P. W., ondervoorzitter

N. D., griffier

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 613 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8