Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 27 januari 2011

Zoeken

Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-hasselt-2011-01-27-b64a

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
27 januari 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

72 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 27.01.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 09/2290/A

L. P. NV, met maatschappelijke zetel te …, ….

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van de BTW-controle te Lanaken, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3620 Lanaken, Stationsstraat 66 bus 4.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.09.2009;

- de conclusies, aanvullende en syntheseconclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies, nieuwe conclusies en nota van eiseres.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

De NV L. P. is ingevolge de door haar uitgeoefende economische activiteit van ontwikkeling van residentiële bouwprojecten geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Eiseres diende de periodieke BTW-aangifte m.b.t. de handelingen van de maand maart 2008 niet in binnen de door art. 252 van de richtlijn 2006/112/EG voorgeschreven termijn zoals omgezet in art. 18, § 1 van het KB nr. 1.

Eiseres diende de desbetreffende BTW-aangifte slechts in op 15.06.2009 met een in vak 71 ingeschreven bedrag van 218.901,09 euro aan verschuldigde BTW. Dit bedrag werd niet binnen de in art. 53, § 1, 3° W.BTW bepaalde termijn betaald, zodat er een bijzondere rekening werd geopend voor de periode van 31.08.2008 tot 30.11.2008.

Deze gegevens werden opgenomen in een proces-verbaal van 16.06.2009 waarbij de hierna volgende bedragen werden gevorderd :

- 218.901,09 euro aan BTW;

- 21.890,00 euro geldboeten;

- de wettelijke intresten over de rechten vanaf 21.04.2008 overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW.

Vervolgens werd op 30.06.2009 tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 16.06.2009. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van de BTW-controle te Lanaken op 02.07.2009.

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van artikel 91, § 4 Wetboek BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij aangetekend schrijven van 07.07.2009 werd het dwangbevel betekend aan eiseres.

Bij brief van 08.07.2009 diende eiseres een verzoek tot kwijtschelding van boeten en intresten bij de gewestelijke directie van de BTW te Hasselt.

Bij beslissing van 07.08.2009 werd het verzoek afgewezen.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.09.2009 stelde eiseres een vordering in rechte in.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

1. Eiseres betwist niet de desbetreffende BTW-schuld.

2. Eiseres streeft enkel de kwijtschelding van de opgelegde geldboete na.

3. Eiseres houdt vooreerst dat zij de geldboete niet kan betalen wegens financiële problemen en is van oordeel dat men niet iemand kan beboeten omdat hij niet "kan" betalen. Derhalve vraagt eiseres de rechtbank om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, te weten : "Schendt artikel 70 W.BTW het evenredigheidsbeginsel -dat deel uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel- door te voorzien dat de in deze bepaling vermelde boetes van toepassing zijn ongeacht de omstandigheden of de overtreden een fout beging of niet, en zelfs indien de overtreder wegens omstandigheden en zelfs in geval van overmacht aan zijn verplichtingen niet kan voldoen".

Eiseres bewijst evenwel geenszins dat zij de geldboete niet kan betalen. Zij overlegt hiertoe geen enkel stuk aan de rechtbank. De rechtbank bemerkt dan ook geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

4. Verweerder wijst erop dat de in art. 70 W.BTW opgelegde administratieve boeten van rechtswege worden opgelopen door het loutere feit van de overtreding, ongeacht of er goede of kwade trouw aanwezig was.

Eiseres stelt ten onrechte het feit, dat zij de boete zou begaan hebben omdat zij niet kon betalen wegens overmacht, gelijk met de afwezigheid van schuld in hare hoofde. Zij bewijst geenszins dat zijn ingevolge overmacht niet kon betalen.

In zijn arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de interpretatie van de voorheen geldende wettelijke bepalingen, als zou de burgerlijke rechter geen volheid van rechtsmacht hebben om over de administratieve geldboetes te oordelen, ongrondwettelijk is. Het Hof oordeelde het onverenigbaar met de G.W. dat een burgerlijke rechter die een repressieve fiscale boete moet beoordelen, geen rekening zou kunnen houden met bepaalde omstandigheden, terwijl een strafrechter wel verzachtende omstandigheden in rekening kan brengen. Deze rechtspraak impliceert dat de belastingplichtigen de mogelijkheid moeten hebben om door een rechter te laten beoordelen of de repressieve fiscale boete in rechte en in feite verantwoord is, en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen, die de administratie in acht moet nemen, werden geëerbiedigd. Eén van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel.

Verder impliceert deze rechtspraak eveneens dat indien de administratie de mogelijkheid heeft de sanctie te moduleren (in de zin van een gedeeltelijke vermindering of kwijtschelding), niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, A.A. 1999, 257; BS 30 april 1999; Fiscoloog 1999, afl. 697, 5; F.J.F. 1999, 489; J.L.M.B. 1999, 532; J.T. 1999, 45; T.F.R. 1999, 385, met noot B. COOPMAN en G. STESSENS, "Mensenrechtelijke waarborgen toepasselijk op de administratieve fiscale boete : reflecties bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Arbitragehof').

In drie arresten van 24 januari 2002 oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechtbanken en hoven de wettelijkheid van de administratieve boetes mogen onderzoeken en mogen nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sancties, en of die sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder de evenredigheid met de inbreuk (zie Cass. 24 januari 2002, T.F.R. 2002, 765, met noot B. COOPMAN en K. LAMMENS).

Het Hof van Cassatie aanvaardt alleen een evenredigheidstoetsing, waarbij de rechtbanken en hoven inzonderheid acht mogen slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Binnen het kader van deze evenredigheidstoetsing neemt het Hof van Cassatie wel aan dat de rechtbanken en hoven de administratieve boetes kunnen verminderen tot onder het wettelijk bepaald minimum in geval van vastgestelde onevenredigheid (zie VANDENBERGHE, L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten : een stand van zaken", Fisc. Act. 2003, nr. 14, 10 april 2003, nrs. 3 en 4, p. 10).

Daarentegen meent het Hof van Cassatie dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat zij om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke voorschriften in de opgelegde boetes kunnen verminderen of kwijtschelden (zie VANDENBERGHE, L.. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten een stand van zaken", o.c. 9 e.v.).

Op 4 maart 2004 werd voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 kritisch benaderd door het E.H.R.M., dat oordeelde dat het Hof van Cassatie op te algemene wijze had beslist dat motieven van billijkheid en opportuniteit niet mogen meespelen in de rechterlijke beoordeling (zie COOPMAN, B. "Rechterlijke toetsing van fiscale boetes : cassatie teruggefloten door Straatsburg", noot onder E.H.R.M. 4 maart 2004, T.F.R. 2004, 642).

Toch bleef het Hof van Cassatie bij zijn weigering om de rechterlijke opportuniteitscontrole toe te laten naar analogie met het Regentsbesluit van 18 maart 1831, het zg. Organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat deze op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kunnen verminderen of kwijtschelden (zie Cass. 21 januari 2005, Fiscoloog nr. 969, p. 7; Cass. 30 november 2006, R.G.C.F. 2007, 363, met noot M. MORIS, "Le pouvoir d'appréciation du juge en matière d'amendes fiscales"; Cass. 16 februari 2007 (4 arresten), T.F.R. 2007, 934, met noot G. GOOSSENS, "Redelijkheid, evenredigheid en proportionaliteit. Het standpunt van het Hof van Cassatie inzake de rechterlijke toetsing van fiscale geldboetes". Zie ook : B. COOPMAN, "Hof van Cassatie vindt verzachtende omstandigheden te "subjectief"', Fisc. Act. 2005, nr. 7, 24 februari 2005, 5).

Op 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof evenwel dat, wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van art. 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboetes moet kunnen kwijtschelden of verminderen (zie Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, T.F.R. 2008, 1027, met noot B. COOPMAN, "Rechtsmacht over fiscale boetes reikt volgens Grondwettelijk Hof zo ver als Regentsbesluit").

Het Hof van Cassatie heeft zich in de arresten van 12 december 2008 en 13 februari 2009 opnieuw uitgesproken over de draagwijdte van de rechterlijke beoordeling van fiscale administratieve sancties (zie Cass., 12 december 2008 en vier arresten van 13 februari 2009, www.cass.be ). Drie van de vijf arresten bevestigen de eerdere rechtspraak. In twee andere arresten verfijnt het Hof zijn interpretatie van evenredigheidstoetsing. Het Hof bevestigt dat een evenredigheidstoetsing is toegestaan, ook al beschikt de administratie over een gebonden bevoegdheid bij het opleggen van de sanctie. In het laatste arrest van 13 februari 2009 wordt voor het eerst erkend dat de feitenrechter, mits voldoende motivering, een proportionele BTW-boete kan verminderen. De feitenrechter mag binnen het kader van de evenredigheidstoetsing rekening houden met bepaalde omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige.

Bij arrest van 15 oktober 2010 bevestigde het Hof van Cassatie dat de rechter "aan wie gevraagd wordt de wettelijkheid van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete te toetsen, de volle rechtsmacht heeft om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle beginselen naleeft die het bestuur in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel" (zie Cass., 10 oktober 2010, Fisc., 1226, p. 15)

De rechtbank stelt vast dat ingevolge de wettelijke bepalingen (meer bepaald tabel G, Rubriek 1, 2, A) van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30.01.1987 de verschuldigde boete 10 % bedroeg, zijnde 21.890,00 euro.

De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan evenwel niet tot gevolg hebben dat deze boete niet kan worden verminderd.

In casu dient te worden nagegaan of de opgelegde boete van 21.890,00 euro in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

Het staat vast dat de gevorderde administratieve boete verschuldigd is door het niet tijdig betalen van de verschuldigde BTW, hetgeen door eiseres niet betwist wordt, en dit ongeacht de goede trouw die eiseres inroept.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een vergaande onvoorzichtigheid van eiseres, sluit in de gegeven omstandigheden het opleggen van een geldboete van 10 % aan bij de feiten.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiseres buiten de loutere bewering dat zij de geldboete niet kan betalen en buiten de bewering dat een vroegere eigenaar-bestuurder van eiseres lang ziek is geweest en inmiddels is overleden, geen concrete elementen aanhaalt die de rechtbank toe laten na te gaan of de geldboete niet onevenredig is met de inbreuk.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS, 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt gevorderd een geldboete ten bedrage van 21.890,00 euro kwijt te schelden.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 27.01.2011, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Aangehaalde teksten

3

Vergelijkbare beslissingen

8