Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 09.05.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op negen mei tweeduizend en elf in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, waar zetelden :
L. B., rechter,
N. V., griffier,
Inzake AR nr. 10/3105/A
NV M., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester F. V. M. loco meester B. I., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
de BELGISHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout, met burelen gevestigd te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22.
verwerende partij,
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier van de rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. H. te … op 5 mei 2010,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek op 28 mei 2010,
- de conclusies van partijen,
- de stukken van verwerende partij.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van Ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 april 2011.
Een ter zake douane bevoegd ambtenaar verrichtte op 20 maart 2006 een 'opneming' in een douane-entrepot type B te Antwerpen.
Hij stelde vast dat goederen van eiseres - invoerder - ontbraken, m.a.w. waren weggenomen zonder welke aangifte dan ook.
Bij heropname werd inventarisatie verricht.
Een ter zake BTW bevoegd ambtenaar stelde naderhand proces-verbaal op aan de hand van de vermelde reeds in processen-verbaal van de douane geacteerde vaststellingen.
Hij formuleerde navordering van BTW, een tot 10 % (1/20) herleide boete, verder intrest vanaf 21 juli 2005 op de rechten.
Eiseres ging hierop niet in.
Ontvanger BTW vaardigde dan op 19 februari 2010 dwangbevel uit.
Daaraan is afschrift van het proces-verbaal inzake BTW gehecht.
Het vordert het bovenstaande, plus intrest op de boete vanaf dwangbevel en vervolgingskosten.
Het werd op 22 februari 2010 uitvoerbaar verklaard.
Het werd middels aangetekende brief van 23 februari 2010 aan eiseres aangezegd.
Het werd op 29 april 2010 ook betekend aan eiseres, met ditmaal bevel tot betalen.
Middels exploot van 5 mei 2010 liet eiseres dagvaarden in betwisting.
[Verweerder doet ter zitting alvast terecht gelden dat de kosten daarvan niet te zijnen laste kunnen komen, nu niets eiseres belette in te leiden middels verzoekschrift op tegenspraak.]
Er zijn respectieve syntheseconclusies, elk van december 2010.
Verweerder voert aan dat de rechtsvordering onontvankelijk dient verklaard maar onderbouwt in genen dele waarom dat zou moeten.
Dit is niet ernstig.
De rechtbank onderkent geen oorzaak tot ontoelaatbaar verklaring van de rechtsvordering.
De fiscale vordering staat niet op zichzelf in betwisting qua feiten en berekening.
Eiseres werpt ten gronde wél op dat de fiscale vordering buiten termijn werd gesteld.
Dit standpunt kan niet worden bijgetreden.
Te dezen is art. 81bis, § 1, derde lid Wetboek BTW van toepassing.
De belastingdienst BTW bekwam bewijskrachtige gegevens.
Alsdan is de zevenjarige verjaring van toepassing, zo ook te dezen.
Eiseres werpt ten gronde voorts op dat ze te goeder trouw is.
Zulks belet de fiscale navordering niet.
Eiseres werpt voorts op dat ze betalingen verrichtte aan de expediteur.
Eiseres staat evenwel zelf in voor de betaling aan de Staat, deed dit te dezen niet.
Eiseres werpt overmacht in.
Te dezen is hiervan niet in het minste sprake.
Goede trouw en overmacht staan mijlen uit elkaar.
Dat de gekozen expediteur voorschotten van eiseres verduisterde, neemt niet weg dat zij zelf wettelijk voor betaling aan de Staat verantwoordelijk is, zodat hier geen overmacht voorligt.
Niets verhindert haar te dezen om zelfs de Staat te betalen.
Partijen namen gelijklopend standpunt in ter zake de rechtsplegingsvergoeding.
Ze wordt wettelijk berekend tegen 110 %.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de rechtsvordering ontvankelijk en toelaatbaar, maar ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten,
Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op 7.700,00 (zevenduizend en zevenhonderd) Euro bij wijze van rechtsplegingsvergoeding.
N. V. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.