Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 12 september 2007

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-hasselt-2007-09-12-ce68

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
12 september 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

93 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 12.09.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDEVONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE A.R. nr. 06/1661/A :

P. M., consultant, wonende te …, ….

Eiser, vertegenwoordigd door mr. M. D. loco mr. J. D., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, met burelen te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van rechtsingang, betekend door gerechtsdeurwaarder P. V. A., plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder G. H. te Hasselt op 16.11.1995 waarbij eiser verzet aantekende tegen het dwangbevel van 03.10.1995 uitgevaardigd door F. H., ontvanger a.i. van het Eerste Ontvangkantoor van de BTW te Hasselt en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13.10.1995 door R. C., Gewestelijk Directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt;

- de conclusies en stukken van eiser;

- de conclusies en stukken van verweerder.


FEITEN EN VOORGAANDEN :

Eiser is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … ingevolge de door hem uitgevoerde zelfstandige beroepswerkzaamheid als accountant en is onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Op 18.05.1994 hebben R. D. en W. G., resp. inspecteur en hoofdcontroleur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, beiden in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie, resp. 3de en 4de inspectie van de BBI te Brugge een plaatsbezoek gebracht aan de heer M. P..

Zij verzochten de heer P. om inlichtingen te verschaffen over een factuur nr. 91/06 van 01.10.1991 voor een bedrag van … BEF (… euro) verhoogd met … BEF (… euro) BTW, uitgereikt door C.V. H. S. met maatschappelijke zetel te …, …. Er werd uitdrukkelijk gevraagd of er naast de omschrijving op laatstgenoemde factuur, geen bijkomende informatie voorhanden was die de uitvoering van de gefactureerde prestaties en adviezen kon bewijzen.

Door de heer P. werd hierover mondeling uitleg verschaft, die door de controleambtenaren in het proces-verbaal van 20.05.1994 als volgt werd geacteerd :

"(…) De Heer P. gaf mondeling de volgende bijkomende uitleg.

Voor de nagenoemde ondernemingen of personen zijn de gefactureerde prestaties respectievelijk de volgende :

- Expertisebureau H S. NV : waardebepaling bij overname;

- G. B. NV : aanpassingen ten gevolge van milieuproblemen,·

- IMC P. NV : opstarten van een spuitafdeling;

- L. NV : verkoop van een winkel aan Hermans;

- M. V. P. NV : rendabiliteitsstudie;

- W. BVBA : oplossen van financiële problemen ingevolge echtscheiding;

- A. Verse Vruchten NV : investeringen;

- E. M. BVBA : overname.

Hij beweerde ieder van de voormelde prestaties of adviezen zelf te hebben verstrekt doch de Heer D. R., afgevaardigde-bestuurder van H. S. CV te hebben geconsulteerd die, volgens zijn zeggen, funktioneerde als "klankbord". Evenwel waren er geen geschriften die hun gesprekken bevestigden. De Heer P. verklaarde ook dat de betrokken bedrijven van deze russenkomst van H. S. CV niet op de hoogte waren. Zij hadden nooit persoonlijke kontakten met de Heer R.. Ook ontvingen zij van de Heer M. P. en van de CV H. S. geen faktuur waarin de hiervoor omschreven prestaties specifiek werden vermeld. "

(zie stuk 1, bundel overtuigingsstukken verweerder).

Uit de door eiser afgelegde verklaring bleek volgens de controleambtenaren dat er geen bijkomende, bewijskrachtige verduidelijkingen naar voren kwamen in verband met de inhoud van de desbetreffende factuur.

Bij nazicht stelden de controleambtenaren tevens vast dat de factuur niet voldeed aan art. 2 van het KB nr. 1 van 23.07.1969, genomen in uitvoering van art. 52 W.BTW, dat de vermeldingen opsomt die iedere factuur moet behelzen. Op een factuur dient alleszins vermeld te worden : de gewone benaming en de hoeveelheid van de geleverde goederen of de aard van de dienst, met vermelding van alle gegevens die voor het bepalen van de aard van de uitgevoerde handeling en van het toe te passen tarief van de verschuldigde belasting nodig zijn (zie art. 2, 4° KB nr. 1 ). Uit de bedoelde omschrijving op de factuur is vastgesteld dat er bijgevolg niet werd voldaan aan de voornaamste rol van de factuur, namelijk het voorwerp van de prestatie zo duidelijk mogelijk te omschrijven.

De controleambtenaren vroegen ook op welke wijze de factuur werd betaald. De heer P. stelde dat dat met een check aan toonder was gebeurd. Het kon niet achterhaald worden of H. S. CV de check inde. Uit vaststelling gedaan bij de heer D. R., afgevaardigd bestuurder van H. S. CV, blijkt dat de factuur niet werd ingeboekt in de financiële dagboeken van H. S. CV, maar afgetrokken werden van de lopende rekening die de heer D. R. heeft H. S. CV (zie stuk 3, bundel overtuigingsstukken verweerder).

De controleverrichtingen en hun resultaten werden vastgelegd in een proces-verbaal van 20.05.1994 in toepassing van art. 59, § 1 W.BTW en leidde tot de bevinding dat de factuur uitgereikt door H. S. CV aan eiser ten onrechte in aftrek werd gebracht. Er werd gesteld dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- … BEF (… euro) BTW;

- een evenredige geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW in toepassing van art. 70, § 1bis en 70, § 2 W.BTW en art. 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987;

- de intresten bedoeld in en te berekenen volgens art. 91 W.BTW over de BTW vanaf 21.01.1992.

Aangezien een minnelijke afhandeling van het dossier niet mogelijk bleek, werd er op 03.10.1995 een dwangbevel uitgevaardigd gesteund op het proces-verbaal van 20.05.1994. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13.10.1995 en met exploot van gerechtsdeurwaarder P. W. te … op 31.10.1995 betekend aan eiser (zie stukken 4 en 5, bundel overtuigingsstukken verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW, alsmede de vervolgingskosten.

Bij exploot van rechtsingang, betekend door gerechtsdeurwaarder P. V. A., plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder G. H. te … op 16.11.1995 tekende eiser verzet aan tegen het dwangbevel van 03.10.1995.

BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid.

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde.

2.1. Betreffende het recht op aftrek :

De betwisting behelst de vraag of eiser over kon gaan tot aftrek van de BTW met betrekking tot factuur nr. 91/06 van 01.10.1991 voor een bedrag van … BEF (… euro) verhoogd met … BEF (… euro) BTW, uitgereikt door CV H. S. met maatschappelijke zetel te …, ….

Krachtens het op huidig geschil van toepassing zijnde art. 45, § 1 W.BTW waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten.

Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten zou mogen aftrekken, moet de belastingplichtige overeenkomstig art. 3 van het KB nr. 1 van 23.07.1969 in het bezit zijn van een door zijn leverancier of dienstverrichter uitgereikte regelmatige factuur waarop hem inzonderheid de opeisbare belasting wordt in rekening gebracht.

Krachtens voormeld art. 3 van het KB nr. 3 van 10.12.1969 moet eiser aldus, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig art. 2 van het KB nr. 1 van 23.07.1969.

Art. 2 van voormeld KB nr. 1 luidde tekstueel, op het ogenblik van de datering van de factuur, als volgt :

"De in artikel 1 bedoelde factuur dient te vermelden :

(…)

3° de datum van de levering van het goed of van de voltooiing van de dienst en in de gevallen bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2° de datum waarop de belasting verschuldigd wordt; indien de datum niet met zekerheid kan worden bepaald, dient het tijdvak waarin de handeling plaatsvindt te worden vermeld;

4° de gewone benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten, met aanduiding, naargelang het geval, van de hoeveelheid van de goederen of van het voorwerp van de dienst en, meer algemeen van alle gegevens die nodig zijn om de aard van de verrichte handeling te kunnen vaststellen, alsmede het tarief van de verschuldigde belasting;

(…)"

Bijgevolg moet eiser in het bezit zijn van regelmatige facturen en kunnen facturen waarop de verplichte vermeldingen ontbreken geen aanleiding geven tot recht op aftrek tenzij blijkt dat die vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie (zie H.v.J., 14 juli 1988, R. W., 1988-89, 309; Cass., 13 oktober 2000, F.JF., 2000/297 en Cass., 19 september 1996, R. W., 1996-97, 1306; Cass, 13 oktober 2000, www.cass.be).

Uit het proces-verbaal van 20.05.1994, waarvan de vaststellingen door eiser niet worden weerlegd, blijkt dat aan deze voorwaarden niet voldaan is.

Op een factuur dient immers vermeld te worden: de gewone benaming en de hoeveelheid van de geleverde goederen of de aard van de dienst, met vermelding van alle gegevens die voor het bepalen van de aard van de uitgevoerde handeling en van het toe te passen tarief van de verschuldigde belasting nodig zijn (zie art. 2, 4° KB nr. 1 ). Uit de bedoelde omschrijving op de factuur is vastgesteld dat er niet werd voldaan aan de voornaamste rol van de factuur, namelijk het voorwerp van de prestatie zo duidelijk mogelijk te omschrijven.

Op de factuur is enkel een honorarium vermeld en bepaalde namen van dossiers zodat het onmogelijk is om de aard van de handeling te determineren en het tarief van de verschuldigde belasting te bepalen.

Bij gebreke aan vermelding van de juiste omschrijving van de handeling op de facturen, wordt onduidelijkheid gecreëerd omtrent de uitvoering van de belastbare handeling, hetgeen op zijn minst de controle bemoeilijkt.

Verder stelt de rechtbank vast dat niettegenstaande de administratie eiser de mogelijkheid heeft geboden om de werkelijkheid van de verrichtingen aan te tonen, eiser geen nuttige verantwoordingsstukken heeft voorgelegd met betrekking tot de gepresteerde diensten.

Het feit dat voor de BTW-plichtige het recht op aftrek doet ontstaan is niet zozeer de factuur op zich maar de handeling die zijn leverancier/dienstverrichter schuldenaar heeft gemaakt. De formele voorwaarde, namelijk de vermelding van de belasting op de factuur is slechts ondergeschikt ten aanzien van de essentiële voorwaarde, namelijk de verwezenlijking van een handeling die aan de belasting is onderworpen.

Het bewijs dat hem goederen of diensten werden verstrekt, behoort door de belastingplichtige te worden geleverd (zie Gent, 24 juni 1988, BTW-Revue, nr. 84, p. 39).

Eiser houdt voor dat hij mondeling advies zou hebben ingewonnen bij H. S. NV voor bepaalde cliënten, doch hij laat na om het bewijs te leveren dat hij daadwerkelijk van H. S. CV enig advies heeft ontvangen. De adviezen zouden mondeling zijn geschied en de nota's dienaangaande zouden zijn vernietigd.

Terecht laat verweerder opmerken dat een dergelijke uitleg hoogst onwaarschijnlijk voorkomt, enerzijds gezien de professionele beroepsbezigheid van eiser en anderzijds nu het factuurbedrag exclusief BTW toch … BEF (… euro) bedroeg voor beweerd verstrekt advies. Bovendien kan er geen bewijs van betaling worden voorgelegd van de beweerde prestaties.

Nu het bewezen is dat op de factuur voornoemde verplichte vermeldingen ontbreken, deze vermeldingen ongetwijfeld van nut waren voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie en het geenszins bewezen is dat de verrichting werkelijk heeft plaats gevonden, geeft deze factuur geen recht op aftrek.

2.2. Betreffende het rechtszekerheidsbeginsel :

Uit geen enkel objectief element blijkt dat de administratie in het verleden de aftrek heeft aanvaard, ondanks het feit dat dezelfde verplichte vermeldingen op bepaalde facturen ontbrak, zodat er dan ook geen sprake kan zijn van schending van het rechtszekerheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur.

2.3. Betreffende de boete :

De overtreding is bewezen en kan geenszins als louter toevallig worden aangemerkt.

Aangezien eiser niet het minste verantwoordingsstuk heeft kunnen voorleggen met betrekking tot de gepresteerde diensten, is het bewezen dat de overtreding werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken zodat de administratie deze boete terecht heeft opgelegd.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de boete in verhouding staat met de gepleegde overtreding en met de ernst van de feiten.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk, doch ongegrond,

Veroordeelt eiser tot de kosten, begroot in hoofde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 12 september 2007 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., rechter, waarnemend voorzitter,

De heer D. J., rechter,

De heer J. S., plaatsvervangend rechter,

De heer L. P., e.a. adjunct-griffier.

M.C. D. J. J. S. L. P.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking ten uitvoer zullen leggen;

Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank.

VOOR EENSLUIDENDE UITGIFTE, afgeleverd aan verweerder.

Hasselt, 10 oktober 2007

De Waarnemend Hoofdgriffier,

E. S.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 1 art. 22 voorkomens
KB nr. 3 art. 31 voorkomen
KB nr. 41 art. 11 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8