Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 28.05.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste KAMER
AR 03/2174/A
Fiscaal geschil " BTW
Op tegenspraak
Gedeeltelijk eindvonnis + verzending BR
In zake van :
De NV S., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer …, geïdentificeerd door de Administratie der BTW, Registratie en Domeinen onder het nummer BE …
eisende partij,
Vertegenwoordigd door Mter N. M. loco Mter L. D. B., advocaat te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen op vervolging en benaarstiging van de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkuntoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat, 32
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mter F. S., advocaat te …, …
In deze zaak, in beraad genomen op 7 mei 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
I. PROCEDURE
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van F. V., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder J. V. te …, betekend op 21 januari 2000 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;
- de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven respectievelijk op 4 april 2000, op 31 oktober 2000 en op 24 juni 2002;
- de besluiten en synthesebesluiten van eiseres, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven respectievelijk op 4 september 2000 en op 21 februari 2002;
- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 7 februari 2003, waarbij de zaak naar deze rechtbank werd verzonden.
Partijen verklaren hun besluiten, zoals neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, te handhaven, en zich te beperken tot hun wederzijdse synthesebesluiten.
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 7 mei 2004, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
II. FEITEN EN RETROACTEN
De NV S., huidige eiseres, is een groothandelszaak in de petfoodbranche, en als BTW-belastingplichtige geregistreerd sedert 1 maart 1990.
Op 2 juli 1998 werd bij de NV S. een controle betreffende de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de BTW uitgevoerd voor de periode van 1 juli 1995 tot 30 juni 1997.
Op 27 mei 1999 werden de bij deze controle door de Belgische Staat, huidig verweerder, gedane vaststellingen (verdoken meeromzet in de boekjaren 1995 en 1996 en inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur) en verschuldigde sommen, opgenomen in een proces-verbaal.
Uit dit proces verbaal blijkt dat de NV S. aan de BTW-administratie de volgende sommen verschuldigd was :
- als BTW : 47.425,25 euro
- als wettelijke boete : 94.850,51 euro, verminderd tot 8.477,96 euro overeenkomstig de bepalingen van art. 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987
- als interest op grond van art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand te berekenen vanaf 21 juli 1997 tot 20 januari 2002 over 47.422,03 euro en vanaf 21 januari 2002 over 47.420,00 euro : p.m.
Daarop betekende de Belgische Staat een correctieopgave voor de voornoemde periode aan de NV S., die op 7 juni 1999 werd gevolgd door een betaalbericht teneinde de verschuldigde bedragen te voldoen voor 7 juli 1999.
De NV S. verklaarde zich niet akkoord met de zienswijze van de Belgische Staat.
Op 21 oktober 1999 vaardigde de Belgische Staat een dwangbevel uit dat op 26 oktober 1999 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Op 10 november 1999 werd dit dwangbevel aan de NV S. betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot.
Op 17 januari 2000 werd uitvoerend roerend beslag gelegd bij de NV S. met bepaling van de verkoopdatum op 18 februari 2000.
Op 21 januari 2000 ging de NV S. over tot dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Op 7 februari 2003 verzond de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de zaak naar deze rechtbank.
III. IN RECHTE
A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren, dienvolgens :
• - in hoofdorde - het dwangbevel ongegrond te verklaren en te horen zeggen voor recht dat het bedrag erin vermeld ten titel van rechten, boeten, kosten en interesten niet verschuldigd is;
desgevallend de terugbetaling te bevelen van reeds betaalde sommen en ingehouden bedragen, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, gesteld op :
1. als BTW : 47.425,25 euro
2. als geldboete : 8.477,96 euro.
te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsinteresten overeenkomstig art. 91, W.BTW;
• - ondergeschikt - de vordering ontvankelijk te verklaren en te zeggen voor recht dat de opgelegde geldboete niet kan worden opgelegd;
• het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vraagt het verzet van eiseres tegen dwangbevel ongegrond te verklaren en haar eis af te wijzen.
B. BEOORDELING : Wat de vordering van eiseres in hoofdorde betreft :
a) Wat de beweerde inbreuken op de aftrekregeling betreft :
B. a. 1. Eiseres stelt zich niet te willen inlaten in de polemiek omtrent de bewijskracht van haar boekhouding, maar meent dar haar boekhouding zeer nauwkeurig en correct werd gehouden, hetgeen naar haar oordeel blijkt uit het geheel van boekhouddocumenten en haar gedetailleerde uitgaande facturen. Het feit dat ook verweerder blijft steunen op haar boekhoudgegevens staaft dit naar haar oordeel.
Eiseres betwist dan ook de zienswijze van verweerder, die luidens het onderliggende proces-verbaal meent te kunnen overgaan tot het verwerpen van de BTW-aftrek van een aantal facturen bij toepassing van art. 45, § 1 W.BTW en art. 3 van het KB nr. 3 van 10 december 1969.
Eiseres meent dat de facturen in kwestie aan alle wettelijke voorwaarden van voornoemd art. 5 van het KB nr. 1 voldoen. Ofwel werd het bewijsstuk wel degelijk naar voor gebracht, hetgeen volgens eiseres blijkt uit het feit dat de zusteradministratie der directe belastingen deze factuur (uitgaande van de BVBA …) wel als een aftrekbare beroepskost heeft aanvaard, ofwel kan de feitelijke zienswijze van verweerder niet worden gevolgd.
Dit laatste is volgens eiseres inzonderheid het geval wanneer verweerder een aantal aftrekken meent te kunnen verwerpen die betrekking hebben op autokosten-facturen. De omstandigheid dat zij geen autovoertuig op het actief van haar balans heeft staan is daarbij volgens haar zonder relevantie, nu ook personeelsleden, bestuurders of zaakvoerders hun voertuigen zo nodig ter beschikking kunnen stellen in het belang van de economische activiteit van de vennootschap, hetgeen volgens eiseres in casu is gebeurd. Eiseres verwijst nog naar de rechtspraak die aanvaardt dat niets belet dat de BTW van de kosten aan de wagen toebehorend aan de zaakvoerder kunnen worden afgetrokken, indien deze kosten gebeurden ten behoeve van de werkzaamheden van de vennootschap.
Maar zelfs indien de facturen niet aan alle wettelijk vereiste vermeldingen voldoen, dan nog is dit volgens eiseres geen beletsel voor de uitoefening van het recht op aftrek, wanneer uit die omstandigheden blijkt dat die onregelmatigheden de controle en de inning van de BTW niet verhinderen. Dit is volgens eiseres zeker het geval indien kan worden aangetoond dat in het verleden de administratie, bij controles van de facturen, deze steeds heeft aanvaard, zoals dat ook in casu het geval is geweest.
Derhalve zou het verwerpen van de aftrek omwille van het feit dat de facturen niet zouden voldoen aan de wettelijke voorschriften ter zake, een flagrante schending inhouden van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel.
Bijgevolg besluit eiseres dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot het verwerpen van de BTW-aftrek.
B. a. 2. Van zijn kant doet verweerder opmerken dat uit het proces-verbaal blijkt dat het niet-aanvaarden van de bewijskracht van de boekhouding niet gesteund is op loutere vormgebreken. Eiseres hield immers geen dagboek van ontvangsten voor haar kasverrichtingen, noch een centraal register bij, hetgeen overtredingen tegen de wettelijke bepalingen uitmaken.
Verweerder merkt nog op dat het feit dat hij bepaalde berekeningsbestanddelen aan de overgelegde bescheiden ontleent, hem niet het recht ontneemt om zich te beroepen op de onregelmatigheden die die bescheiden vertonen en hun aard van regelmatige boekhoudingsgeschriften met volle bewijskracht te ontzeggen.
Verder stelt verweerder dat uit de samenlezing van art. 3 van het KB nr. 3 en art. 45, § 1 W.BTW twee vereisten naar voor komen om het recht op aftrek uit te oefenen: zo dient de belastingplichtige in het bezit te zijn van een regelmatige factuur, en moet de belasting slaan op aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten.
Voor de boeking in het aankoopjournaal onder nr. 501 van 16 juli 1996 legt eiseres, volgens verweerder, geen factuur voor en is de verwijzing naar de voorlegging van deze factuur een loutere bewering. De factuur nr. 37/96 staat niet op naam van eiseres en voldoet niet aan voormelde eerste voorwaarde.
Voor de overige facturen beschikt eiseres, volgens verweerder, niet over de nodige activa waarvoor de geleverde goederen worden gebruikt. Zelfs indien het zo zou zijn dat voertuigen vreemd aan de vennootschap zouden worden gebruikt voor haar economische activiteit, hetgeen volgens verweerder een loutere bewering uitmaakt, nu nergens de concrete personen en/of voertuigen worden vermeld en nergens wordt aangetoond dat dergelijk voertuigen werden gebruikt, dan is het nog zo dat de belastingplichtige in het bezit moet zijn van een regelmatige factuur opgesteld op zijn naam en dat het goed of de dienst met betrekking tot de wagen aan hem wordt geleverd. Dit is volgens verweerder niet het geval als een zaakvoerder, bestuurder of personeelslid van een belastingplichtige onderneming zijn eigen voertuig gebruikt in het kader van zijn werk.
Ten slotte meent verweerder dat uit het feit dat in het verleden geen vaststellingen werden verricht niet kan worden afgeleid dat eiseres de wettelijke bepalingen, in casu art. 45, § 1 W.BTW. en art. 3 van het KB nr. 3 van 10 december 1969, niet zou moeten naleven.
Verweerder wijst erop dat het recht op rechtszekerheid van de belastingplichtige geen onbeperkt recht is en onder omstandigheden moet wijken voor het legaliteitsbeginsel.
B. a. 3. De rechtbank is van oordeel dat eiseres ten onrechte argumenten tracht te putten uit het feit dat verweerder zich blijft steunen op bepaalde gegevens uit haar boekhouding.
Volgens een constante rechtspraak volgt uit de omstandigheid dat een boekhouding wegens gebrek aan bewijskracht werd verworpen niet dat geen bewijskrachtige gegevens uit die boekhouding kunnen worden geput (zie : Cass., 28 juni 1960, Pas., 1960, I, 1234; Cass., 8 januari 1963, Bull. Bel., nr. 405, p. 625; Antwerpen, 31 december 1992, F.J.F., 1993, Nr. 93/116; Antwerpen, 23 december 1996, F.J.F., 1997, nr. 97/77).
Verder is het zo dat de aanvaarding van de boekhouding door de administratie der directe belastingen de BTW-administratie niet verbindt. Deze laatste oordeelt immers zelfstandig, na aanwending van de controlemiddelen die haar eigen zijn (zie : HUYSMAN, S., "De bewijskracht van de boekhouding in het inkomstenbelastingrecht", A.F.T., 2000, nr. 24, p. 83).
Teneinde zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en diensten, dient de belastingplichtige, krachtens art. 3 van het KB nr. 3, in het bezit te zijn van een factuur opgesteld overeenkomstig de wettelijke voorschriften vervat in art. 5 van het KB nr. 1.
Daarbij rust de bewijslast op diegene die het recht op aftrek wil uitoefenen (zie : Gent, 29 september 1997, F.J.F., 1998, 139; Luik, 2 juni 1998, F.J.F., 2000, 460; J.L.M.B., 1999, 1649; Rev. Rég. Dr., 1998, 470).
In casu voldoen de facturen, waarnaar wordt verwezen in punt 2 van het procesverbaal van 27 mei 1999, naar het oordeel van de rechtbank niet aan de wettelijke voorwaarden.
- Wat de factuur nr. 501/96 d.d. 30 juni 1999 van de BVBA … betreft, weerlegt eiseres geenszins de opmerking van verweerder dat de verwijzing naar de voorlegging van de factuur een loutere bewering is. Ook voor de rechtbank blijft eiseres in gebreke deze factuur voor te leggen.
Met reden doet verweerder ter zake gelden dat het feit dat deze factuur als beroepskost werd aanvaard door de administratie der directe belastingen de voorlegging ervan geenszins bewijst, gelet op de aldaar geldende andere bewijsmiddelen.
- Wat de facturen 37/96 d.d. 16 juli 1996 van … 56/96 d.d. 31 augustus 1996 van S. en 417 d.d. 16 juli 1997 van·… betreft, merkt eiseres met reden op dat niets belet dat de BTW van de kosten aan de wagen toebehorende aan de bestuurder of zaakvoerder kan worden afgetrokken, indien deze kosten gebeurden ten behoeve van de vennootschap, rekening houdend met de beperking van art. 45, § 2 W.BTW, zelfs indien de wagen privé door de bestuurder of zaakvoerder werd aangekocht, en de voorbelasting op de aankoopprijs bijgevolg niet werd afgetrokken (zie : Gent, 27 april 1998, F.J.F., 1998, 517; Rb. Brugge, 11 september 1985, F.J.F., 1987, 196).
Daartoe dient wel vast te staan dat het voertuig door de belastingplichtige vennootschap werd gebruikt voor belastbare werkzaamheden.
In casu ligt dit bewijs geenszins voor. Eiseres laat zelfs na te vermelden om welke voertuigen en welke personen het in concreto gaat, laat staan dat zij aantoont dat deze voertuigen door de vennootschap voor belastbare werkzaamheden werden gebruikt.
Het recht op aftrek, bepaald in art. 45 W.BTW, bestaat immers enkel indien er een werkelijke handeling heeft plaatsgehad, zodat het, om de vordering van de belastingplichtige te beoordelen, essentieel is dat hij bewijst dat de rechtshandelingen, waarvoor hij het recht op aftrek eist, werkelijk hebben plaatsgehad (zie : Rb. Kortrijk, 2 september 1991, Fisc. Koer., 1991, 545).
Wat het rechtszekerheidsbeginsel, inzonderheid het vertrouwensbeginsel betreft, gaat de rechtbank met eiseres akkoord dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 27 maart 1992 (Arr. Cass., 1991-92, 727; BTW-Revue, 1995, 815; Fisc. Koer., 1992, 374; N.F.M., 1993, 70, met noot LEUS, K.; Pas., 1992, I, 680; R.C.J.B., 1995, 53, met noot GEELHAND, N.), heeft gesteld dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die ook ten aanzien van de administratie der belastingen gelden, het recht op rechtszekerheid insluiten. Dat recht houdt onder meer in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid (zie ook : Cass., 24 januari 1997, R.W., 1997-98, 257; Cass., 13 februari 1997, Arr. Cass., 1997, 212; Bull. Bel., 1997, 2272; J.L.M.B., 1998, 102; R.W., 1997-98, 400; T.B.P., 1998, 370; Cass., 11 mei 1998, Fisc. Koer., 1998, 369; F.J.F., 1998, 529; J.D.F., 1998, 280; R.W., 1998-99, 1158; Cass., 14 juni 1999, R.W., 1999-2000, 1450; Cass., 6 november 2000, Fisc, Koer., 2001, 4).
Na het cassatiearrest van 27 maart 1992 werd de daarin opgenomen leer overgenomen in de rechtspraak van de Hoven van Beroep en in de rechtsleer (zie : Antwerpen, 18 januari 1994, F.J.F., 1994, nr. 94/126; Antwerpen, 30 oktober 1995, A.F.T., 1996, 122; Fisc. Koer., 1995, 589; F.J.F., 1996, 57; Luik, 12 januari 1996, Fisc. Koer., 1996, 272; F.J.F., 1996, nr. 96/111; Antwerpen, 4 november 1996, A.F.T., 1997, 185; A.J.T., 1997-98, 24; F.J.F., 1996, 562; R.W., 1997-98, 157; Antwerpen, 24 december 1996, F.J.F., 1997, nr. 97/31; Antwerpen, 1 april 1997, F.J.F., 1997, nr. 97/152; Antwerpen, 29 juni 1999, Fisc. Koer., 1999, 602; F.J.F., 1999, 725; T.F.R., 2000, 17; PEETERS, B., "Rechts(on)zekerheid in het belastingrecht", T.F.R., 1994, 179 e.v.; VAN CROMBRUGGE, S., "Het vertrouwensbeginsel in het fiscaal recht", T.F.R., 1996, 1 e.v.; VAN STEENWINCKEL, J., Les avancées en matière de protection des droits des contribuables à la lumière de la jurisprudence récente, in Reeks 'Les dossiers pratiques de fiscalite', nr. 21, Brussel, Kluwer, 2000).
Voormelde rechtspraak en rechtsleer stellen ondubbelzinnig dat de belastingplichtige een schending van het vertrouwensbeginsel kan inroepen indien er, enerzijds, hetzij een uitdrukkelijk akkoord bestaat tussen hem en de administratie met betrekking tot een concrete feitensituatie, hetzij een impliciet akkoord in de zin van een vaste gedragslijn en er, anderzijds, door de administratie met terugwerkende kracht wordt teruggekomen op dit uitdrukkelijk of stilzwijgend akkoord.
Van belang is evenwel dat tussen de administratie en de belastingplichtige een expliciet akkoord of een impliciet akkoord in de zin van een vaste gedragsregel kan worden afgesloten omtrent een feitenkwestie, doch niet omtrent een rechtskwestie. Een akkoord mag m.a.w. geen rechten verlenen aan de belastingplichtige die strijdig zijn met de wet. Is dat wel het geval, dan mag de administratie het akkoord opzij schuiven. Het legaliteitsbeginsel heeft dan immers voorrang op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zie : Antwerpen, 3 maart 1998, Fisc. Act., 1998, afl. 17. p. 13; Bergen, 17 december 1999, Fisc. Koer., 2000, 183; Antwerpen, 19 september 2000, Fiscoloog, 2000, afl. 772, p. 3; Rb. Antwerpen, 14 juni 2002, F.J.F., 2002, 759). Het is enkel wanneer de administratie een vaste gedragsregel volgt in verband met een feitenkwestie, dat het legaliteitsbeginsel niet in het gedrang komt (zie : Cass., 3 juni 2002, F.J.F., 2003, Nr. 2003/1; R.W., 2003-2004, 1062). De situatie is dus anders indien het gaat om een rechtskwestie.
In casu meent de rechtbank dat de kwestie van de aftrek van BTW bepaald in art. 45, § 1 W.BTW en art. 3 van het KB nr. 3 (d.w.z. de toepassing van een wettelijk voorschrift) geen loutere feitenkwestie. maar in wezen een rechtskwestie is, zodat daaromtrent geen akkoord kan worden afgesloten.
Bijgevolg primeert het legaliteitsbeginsel. en beroept eiseres zich ten onrechte op een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.
Derhalve dient dit eerste onderdeel van de vordering van eiseres in hoofdorde te worden afgewezen.
b) Wat de verdoken meeromzet in de boekjaren 1995 en 1996 betreft :
B. b. 1. Ter zake meent eiseres dat verweerder art. 59, § 1 W.BTW heeft geschonden door de forfaitaire meeromzet te herrekenen met flagrante schending van de bewijsregels bij feitelijke vermoedens.
Vooreerst meent eiseres dat de feiten of elementen die als grondslag dienen voor het feitelijk vermoeden in casu niet zeker en vaststaand zijn. Zo concentreert verweerder zich op één bepaalde dag in het boekjaar om de bruto-winstmarge over een heel jaar te berekenen. Men kan volgens eiseres bezwaarlijk de resultaten van één dag transponeren over een volledig jaar. Volgens eiseres is er van "uitgebreide steekproeven", zoals verweerder voorhoudt, geen sprake. Daarbij komt nog dat de taxatie-ambtenaar met betrekking tot een selectie goederen een beperkte prijsvergelijking heeft gemaakt, en dan nog maar voor één enkele datum (29
september 1995).
Eiseres meent dat het arbitraire karakter van de vaststellingen nog eens wordt benadrukt door het feit dat verweerder voor de producten, andere dan M. P. F., de door hem berekende bruto-winstmarge klaarblijkelijk ook baseert op een prijsvergelijking gedaan op één bepaalde dag in het jaar 1996, nl. 5 september 1996. Vervolgens past verweerder dit percentage dan toe op de aankomen in 1995.
Verder meent eiseres dat het dwangbevel, wat betreft de berekening van de brutowinstmarge, zeer gebrekkig is gemotiveerd. De bewering van taxatie-ambtenaar dat een "uitgebreide steekproef” werd gedaan is in dat verband niet alleen manifest verkeerd en misleidend, maar daarbij gaat de taxatie-ambtenaar regelrecht in tegen gevestigde rechtspraak, die bij herhaling heeft gesteld dat het resultaat van een steekproef nooit dienstig kan zijn als een vaststaand gegeven waarop een logische deductie kan steunen.
Maar zelfs indien verweerder over vaststaande gegevens zou beschikken om over te gaan tot de berekening van een bruto-winstmarge en in de mate dat deze gegevens zouden kunnen worden gespreid over een heel boekjaar, dan nog meent eiseres dat de berekening van de bruto-winstmarge zelf totaal foutief en arbitrair is. Zo begaat de taxatie-ambtenaar, naast de reeds aangehaald fout, een fout door slechts tot prijsopname en -vergelijking over te gaan van een zeer kleine selectie van goederen, door vervolgens enerzijds alle aankoopprijzen op te tellen en anderzijds alle verkoopprijzen, en door dan het aankoopprijzenresultaat te vergelijken met het verkoopprijzenresultaat, om alzo de gemiddelde winst te berekenen. Daarbij gaat de taxatie-ambtenaar totaal verkeerdelijk uit van de premisse dat de beperkt geselecteerde goederen een weergave zijn van het totaal op jaarbasis verkochte goederen, en dit in de juiste verhouding.
Ten slotte wijst eiseres erop dat de taxatie-ambtenaar zelfs lijkt te zijn vergeten dat haast elke onderneming aan belangrijke klanten kortingen geeft, zo ook eiseres.
B. b. 2. Verweerder verwijst naar art. 59, § 1 W.BTW dat de bewijsmiddelen van gemeen recht, waaronder het bewijs door vermoedens toelaat om het bewijs te leveren van elke overtreding van de bepalingen van het W.BTW of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, evenals van elk feit dat de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantoont. Daarnaast mag de administratie de processen-verbaal van haar agenten inroepen.
Bij toepassing van hetzelfde art. 59, § 1 W.BTW mag de administratie van de BTW verder ook gebruik maken van elementen geput uit het dossier van een belastingplichtige bij de administratie van de directe belastingen.
Verweerder wijst erop dat eiseres voor het boekjaar afgesloten op 30 juni 1996 en 30 juni 1997 ambtshalve is belast omdat zij haar aangifte inzake vennootschapsbelasting (Venn. B.) laattijdig indiende. Het essentiële kenmerk van een ambtelijke aanslag is de bij art. 352 WIB 1992 bepaalde omkering van de bewijslast.
Verweerder wijst erop dat de omzetberekening van de BTW-administratie alle elementen van de ambtelijke aanslag ongewijzigd overneemt. Hij meent dat de cijfers van deze aanslag aldus voor de BTW-administratie een ernstig vermoeden uitmaken, vermoeden dat eiseres enkel vermag te weerleggen door het tegenbewijs te leveren, hetgeen zij naar zijn oordeel niet doet.
B. b. 3. De rechtbank is van oordeel dat de BTW-administratie, om het voor BTWdoeleinden aangegeven omzetcijfer te herzien, zich niet zonder meer kan en mag baseren op de ambtelijke aanslag inzake Venn. B., hetgeen verweerder in casu evenwel heeft gedaan.
Vermits eiseres nooit akkoord is gegaan met deze ambtelijke aanslag en tijdig in bezwaar is gegaan, hetgeen door verweerder geenszins wordt betwist, kunnen de elementen van deze ambtelijke aanslag naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer aan de basis liggen van een feitelijk vermoeden dat tot de verschuldigdheid van de BTW doet besluiten.
Zo kan een aanslag inzake directe belastingen in beginsel inzake BTW alleen worden gehanteerd in zoverre die aanslag door de belastingplichtige werd aanvaard, hetzij door er zich akkoord mee te verklaren, hetzij door erin te berusten.
Een betwiste aanslag inzake directe belastingen bezit daarentegen geen bijzondere bewijskracht inzake BTW, nu daarover nog geen definitieve uitspraak werd gedaan (vgl. : VANDEBERGH, H., Taxatie en verweer inzake BTW, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1986, 62-63).
In casu dient wel te worden opgemerkt dat een aanslag van ambtswege, bij toepassing van art. 352 WIB, 1992, een (weerlegbaar) vermoeden van juistheid geniet (zie : Antwerpen, 1 april 2003, Fisc. Koer., 2003, 457), maar het blijft een feit dat eiseres daartegen in bezwaar is gegaan, zodat over deze aanslag nog geen definitieve uitspraak is gedaan.
Derhalve meent de rechtbank dat er aanleiding bestaat om de behandeling van onderhavige zaak op te schorten, en deze zaak naar de rol te verwijzen totdat er met betrekking tot de ambtshalve aanslag inzake directe belastingen een definitieve beslissing is tussengekomen die niet meer kan worden aangevochten of totdat de belastingplichtige heeft ingestemd met of berust in deze aanslag.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart het verzet tegen dwangbevel van de NV S. ontvankelijk.
Wijst reeds de vordering van de NV S. vervat in haar verzet tegen dwangbevel af als ongegrond in zoverre zij betrekking heeft op de verwerping van de BTW-aftrek van de kwestieuze facturen.
Verzendt het overige van de vordering van de NV S. vervat in haar verzet tegen dwangbevel naar de rol in afwachting dat er met betrekking tot de ambtshalve aanslag inzake directe belastingen een definitieve beslissing is tussengekomen of totdat de belastingplichtige heeft ingestemd met of berust in deze aanslag.
Draagt partijen op, zodra terzake een definitieve beslissing is tussengekomen of zodra de NV S. heeft ingestemd met of berust in deze aanslag, om verder te concluderen in onderhavige zaak, deze in staat te stellen en rechtsdag te vragen.
Houdt de kosten aan.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 28 mei 2004,
Waar aanwezig waren en zitting namen :
de heer V., alleenrechtsprekend rechter,
mevrouw B., afgevaardigd adjunct-griffier.
V. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.