Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dd. 17.09.2013 (AR 2011/11948/A)
Belasting over de toegevoegde waarde – Verjaring - Proces-verbaal – Bewijs
Samenvatting
Een voorafgaandelijke kennisgeving is nodig indien de Fiscale Administratie voornemens is de verjaringstermijn bedoeld in art. 81bis§1,2°lid,4° toe te passen.
Dit betekent dat de kennisgeving (slechts) de vordering en niet het onderzoek of de controletermijn moet voorafgaan.
Het proces-verbaal is niet bewijskrachtig als het gebaseerd is op vaststellingen gedaan bij derden waar eisende partij geen weet van heeft zodat zij niets kan verifiëren of controleren en zodoende niet weet of het wel om vaststellingen gaat en of de gemaakte deductie is toegelaten.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 33ste Kamer,
dd. 17.09.2013
AR 2011/11948/A
In zake van:
C.I. b.v.b.a., Met zetel te …. , KBO nummer : ….
EISENDE PARTIJ,
Vertegenwoordigd door Mr. A. C. loco Mr. J. R., advocaat met kantoor te …
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de B.T.W., registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van de B.T.W. van Halle met kantoren te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat nr. 32, vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur van de BBI te Brussel
VERWERENDE PARTIJ,
Vertegenwoordigd door de heer N. V., ambtenaar
In deze zaak, in beraad genomen op 31/05/2013, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:
Gelet op:
• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies Ger. W. uitgaande van eisende partijen en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 30/09/2011;
• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek van 4/11/2011;
• de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op 12/04/12, 13/11/12 en op 12/04/13;
• de conclusies en syntheseconclusies voor eisende partij neergelegd op 10/08/12 en op 11102/13;
• de stukken voor verweerder, neergelegd op 12/04/13;
• de stukken voor eisende partij neergelegd op 23/05/13;
Gehoord de partijen ter openbare zitting van 31/05/2013, waarna de zaak in beraad werd genomen.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
Huidig geding heeft betrekking op een geschil inzake B.T.W.
N.a.v. een controle (2/04/08, 3/09/08 en 28/10/08) door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 1/08/05 - 31/03/08 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de bepalingen van :
• art. 21§3,7° W.B.T.W.
Er werd een regularisatieopgave opgesteld (22/02/11).
Op 2/08/11 werd een proces-verbaal van taxatie opgesteld.
Volgens dit p.v. zou eisende partij' volgende B.T.W. schuld hebben bij verweerder:
B.T.W.: € 7 779,02
Admin. Boete: €15 558,05
Interesten: p.m.
D.m.v. verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30/09/11 stelde eisende partij een vordering in rechte in en tekende eisende partij verzet aan tegen dit procesverbaal.
Een dwangbevel werd op 18/01/12 aan eisende partij betekend.
Voor de behandeling van dit geschil zijn voorts nog relevant dat volgens de Fiscale Administratie eiseres bepaalde sommen ontving die niet werden opgenomen in de BTW aangiftes voor haar dienstprestaties bij bvba G. K T.
2. VOORWERP VAN DE VORDERING
De vordering van eisende partij strekt ertoe het door de diensten van verweerder op 2/08/11 opgestelde proces-verbaal nietig te horen verklaren, minstens te horen zeggen voor recht dat de in het proces-verbaal gevorderde sommen niet verschuldigd zijn zowel wat de B.T.W betreft als wat de boeten, kosten en interesten betreft en uitvoering van het dwangbevel dat op dit proces-verbaal
gebaseerd is te horen verbieden.
Eisende partij vordert tevens de veroordeling van verwerende partij tot het terugbetalen van alle sommen die op grond van voormeld dwangbevel zouden zijn betaald en tot het betalen van de kosten van geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.
Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.
3. BEOORDELING
3.1. De ontvankelijkheid
Verweerder werpt geen middelen op om de ontvankelijkheid van de vordering van eisende partij te betwisten. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van deze vordering. De vordering is dan ook ontvankelijk.
3.2. Ten gronde
Eisende partij voert aan dat:
- de bewijskracht van het proces-verbaal dd. 2/08/11 onvoldoende is in die zin dat het proces-verbaal op geen enkele wijze enige vordering 'van de administratie lastens haar kan staven;
- de gegevens vermeld in het proces-verbaal dd. 2/08/11 niet rechtsgeldig zouden zijn verkregen;
- m.b.t. de onderzoeksdaden van in 2008 en 2010 er voorafgaandelijk geen kennisgeving gebeurde om toepassing te kunnen maken van de uitbreiding van de verjaringstermijn en dus de controletermijn voorzien door art.81bis W.B.T.W.;
- art. 21§3,7° WBTW toepasselijk is en er geen Belgische B.T.W. van toepassing is;
- de Belgische schatkist geen nadeel zou hebben ondervonden;
- de opgelegde boete dient te worden kwijtgescbolden;
M .b.t. het argument dat er m.b.t. de onderzoeksdaden van in 2008 en 201O er voorafgaandelijk geen kennisgeving gebeurde om toepassing te kunnen maken van de uitbreiding van de verjaringstermijn en dus de controletermijn voorzien door art.81bis W.BTW.
Eisende partij voert aan dat inzake de verjaringstermijn werd uitgebreid door de Fiscale Administratie maar dat er inzake geen kennisgeving aangaande de .uitbreiding van die verjaringstermijn (art. 81bis§1,4° W.B.T.W.) werd gedaan.
Meerbepaald zou er geen kennisgeving zijn gebeurd voor er onderzoeksdaden werden gesteld.
Verweerder stelt dat er wel degelijk een dergelijke kennisgeving gebeurde, nl. op 21/02/11 en dit voor verweerder tot invordering overging.
Beoordeling
Art. 81bis W.B.T.W. bepaalt:
“§ 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:
1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is;
2° een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven, handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;
3° bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn;
4° de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
§2. Indien de in artikel 59, §2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, verjaart de vordering tot voldoening van de aanvullende belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van de procedurekosten, door verloop van twee jaar te rekenen van de laatste daad in die procedure. "
Art. 84ter W.B.T.W. bepaalt:
"Indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4°, toe te passen, moet de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende
periode. "
Uit de samenlezing van art. 81bis en art. 84ter W.B.T.W. blijkt dat er een voorafgaandelijke kennisgeving nodig is indien de Fiscale Administratie voornemens is de verjaringstermijn bedoeld in art. 81bis§1,2°lid,4° toe te passen.
Dit betekent dat de kennisgeving (slechts) de vordering en niet het onderzoek of de controletermijn moet voorafgaan (vgl. Brussel 30 september 2010, onuitgegeven en Gent 19 april 2011, AR 2011/50, onuitgegeven).
De tekst van de wet is op dat punt duidelijk en behoeft geen interpretatie.
Dit middel van eisende partij is ongegrond.
M.b. t. het argument dat de bewijskracht van het proces-verbaal onvoldoende zou zijn
Eisende partij stelt in het algemeen zonder precisering dat de bewijskracht van het proces verbaal dd. 2/08/11 onvoldoende zou zijn (punt 2.1. syntheseconclusies eisende partij). Daarenboven zouden gegevens waarnaar wordt verwezen (processen-verbaal dd. 2/04/08, 3/09/08 en 28/10/08) in het proces-verbaal niet als bijlage zijn toegevoegd. Minstens zijn daardoor de rechten van verdediging van eiseres geschonden.
Verweerder stelt dat het proces-verbaal op nauwkeurige en omstandige wijze omschrijft welke documenten en gegevens werden geraadpleegd door de administratie en de vaststellingen die daaruit volgen. Het feit dat enkel een samenvatting van de geraadpleegde gegevens werd toegevoegd aan het proces-verbaal leidt er niet toe dat het proces-verbaal onvoldoende zou zijn gemotiveerd.
Beoordeling
Uit het proces-verbaal dd. 2/08/11 blijkt al onmiddellijk dat de Fiscale Administratie verwijst naar en zich baseert op:
- de processen verbaal dd. 2/04/08, 3/09/08 en 28/10/08 bij nv A.I. ,
- documenten die tijdens de plaatsbezoeken bij nv A.I. werden meegenomen,
- informaticagegevens die bij de nv A.I. werden meegenomen,
- documenten en stukken van bvba F.,
- documenten en stukken van nv A. W.,
- documenten en stukken van sprl M.E.
Verder blijkt er een summiere bijlage bij het proces-verbaal te zitten, met name een tabelletje opgesteld door verwerende partij bestaande uit 5 kolonnen en 10 rijen houdende een overzicht van betalingen.
Het betreft hier zonder meer vaststellingen gedaan bij derden waar eisende partij geen weet van heeft zodat zij niets kan verifiëren of controleren en zodoende niet weet of het wel om vaststellingen gaat en of de gemaakte deductie is toelaten.
Het spreekt voor zich dat die stukken dienen te worden bijgebracht. Nu dit niet gebeurt, ook niet in de loop van huidige procedure, is het proces-verbaal niet bewijskrachtig (vgl. Rb. Antwerpen 23 juni 1983, F.JF., nr. 85/192).
Dit middel is gegrond.
De vordering van eisende partij dient gegrond te worden verklaard.
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
Aangezien de vordering van eisende partij gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verweerder.
Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert tussen €20 000,01 en €40 000,00.
Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober2007 begroot worden op €2 200,00.
Eiseres vordert het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, verweerder vordert hiervan geen afwijking, zodat dit bedrag kan toegekend worden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond,
Vernietig het proces-verbaal dd. 2/08/11 en verbiedt de uitvoering van het dwangbevel dat op dit proces-verbaal gebaseerd is,
Veroordeelt verwerende partij voor zoveel als nodig tot het terugbetalen van alle sommen die op grond van voormeld dwangbevel zouden zijn betaald en tot het betalen van de kosten van geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 17 september 2013
Waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer M. L.: rechter
Mevrouw L. D.: afgevaardigd-griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.