Niet in EU gevestigde belastingplichtige, Recht op teruggaaf · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie Brussel F.20.0068.N/1 25 juni 2021

Zoeken

Niet in EU gevestigde belastingplichtige, Recht op teruggaaf

https://juriel.be/nl/rechtspraak/in-eu-gevestigde-belastingplichtige-recht-cassatie-brussel-2021-06-25-2d1c

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Zetel
Brussel
Rolnummer
F.20.0068.N/1
Datum
25 juni 2021

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 6 maanden
  1. Bestreden beslissingHof van beroep te Brussel03.12.2019
  2. Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België25.06.2021

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

72 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 25.06.2021 (F.20.0068.N/1)

WF 700-15-13/025896

[Ongunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Niet in EU gevestigde belastingplichtige – Recht op teruggaaf – Termijn uitoefening recht op teruggaaf

Wettelijke bepalingen

Artikelen 79, § 2, 80, eerste lid, 82 en 82bis WBTW;

Art. 9, § 2, KB nr. 4;

Richtlijn 2008/9/EG;

Samenvatting

1. Feiten en arrest van het hof van beroep

De niet in EU gevestigde belastingplichtigen (eisers) dienden in maart 2011 een aanvraag tot teruggaaf in. De btw was verschuldigd over diensten die eisers hadden ontvangen in het jaar 2009. Bij beslissing van 10 mei 2011 verwerpt de administratie de aanvragen wegens het laattijdig karakter. De Belgische Staat voert aan dat de vorderingen tot teruggaaf laattijdig zijn ingediend volgens art. 171, richtlijn 2006/112/EG en de bepalingen van richtlijn 2008/9/EG. Gelet op de geleverde diensten in 2009 hadden de aanvragen tot teruggaaf uiterlijk op 30 september 2010 ingediend moeten zijn. Tegen deze beslissing stellen appellanten een vordering in rechte.

De eerste rechter stelde vast dat, indien art. 9, § 2, KB nr. 4 van toepassing is, en dat dit volgens de administratie de omzetting is van bovengenoemde Europese wetgeving, de termijn voor het verzoek tot teruggaaf inderdaad al verstreken is.

In hoger beroep houden eisers vol dat hun verzoek wel tijdig is en beroepen zich op de inhoud van artikelen 79, § 2, 80, eerste lid, 82 en vooral 82bis WBTW. In toepassing van dit laatste artikel konden appellanten hun verzoek tot teruggaaf uitoefenen tot 31 december van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de teruggaaf zich heeft voorgedaan, dus 31 december 2012. Art. 82bis WBTW is, wat betreft de toepasselijke verjaringstermijn, duidelijk strijdig met art. 9, § 2, KB nr. 4, dat sinds de wijziging door het KB van 22 maart 2010 (BS 30 maart 2010) een kortere termijn voorschrijft.

Het hof van beroep oordeelt dat, indien art. 80, eerste lid WBTW de Koning toelaat de praktische formaliteiten en voorwaarden te regelen voor de wijze van indiening van de verzoeken tot teruggaaf, hieruit niet kan besloten worden dat het de Koning toegelaten is , de termijnen van de verjaring van dergelijke aanvragen te wijzigen, door het bepalen van indieningsvoorwaarden.

De bepaling van de richtlijn legt een verbintenis tot het invoeren van wetgeving op aan de Belgische Staat, doch er kan niets anders worden vastgesteld dat voormeld art. 82bis WBTW niet, om daaraan te voldoen, tijdig werd gewijzigd. Aldus moet worden vastgesteld dat eisers wel degelijk tijdig de aanvraag tot teruggaaf hebben ingediend.

Tegen dit arrest van het Hof van beroep stelde de Belgische Staat een cassatieberoep.

2. Arrest van het Hof van Cassatie

Krachtens artikel 80, eerste lid, WBTW bepaalt de Koning de formaliteiten en voorwaarden waaraan de teruggaaf onderworpen is, de wijze waarop ze geschiedt en de ambtenaar die ze verricht.

Op basis van artikel 82 WBTW begint de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interest en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Krachtens artikel 82bis WBTW is er verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de intrest en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, intrest en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Hieruit volgt dat de Koning de formaliteiten en voorwaarden bepaalt met betrekking tot de teruggaaf van btw, doch hierbij geen afbreuk mag doen aan de bepalingen van de artikelen 82 en 82bis WBTW.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat artikel 9, § 2, KB nr. 4 wettig kan afwijken van de bepalingen van de artikelen 82 en 82bis WBTW faalt naar recht.

Een richtlijn legt alleen verplichtingen op aan de lidstaat. Wanneer de overheid bij de omzetting van een richtlijn fouten maakt, kan zij de burger de verplichtingen van de richtlijn niet opleggen.

De onderdelen die geheel ervan uitgaan dat de overheid zich tegen een belastingplichtige kan beroepen op de voorrang van de btw-richtlijnen op het nationale recht, falen naar recht.

Het Hof verwerpt het cassatieberoep van de Belgische Staat.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie van België Nr. F.20.0068.N van 25 juni 2021

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt het Centraal BTWkantoor voor buitenlandse belastingplichtigen-terugbetaling, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3412, eiser, vertegenwoordigd door mr. ...advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

PT S.K.P., vennootschap naar Indonesisch recht, met zetel te ...(Indonesië),verweerster, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 3 december 2019 (rolnummer 2015/AF/189)

Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 76, § 2, Btw-wetboek, zoals hier toepasselijk, kan de niet in § 1 bedoelde belastingplichtige, bij wijze van teruggaaf, de belasting recupereren die geheven werd van de aan hem geleverde goederen en verstrekte diensten, en van de door hem ingevoerde goederen en verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate waarin die belasting voor aftrek in aanmerking komt overeenkomstig de artikelen 45 tot 48. De Koning regelt de toepassingsmodaliteiten van deze paragraaf wanneer de teruggaaf moet plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen inzake teruggaaf van de Richtlijn 2008/9/EG.

Krachtens artikel 80, eerste lid, Btw-wetboek bepaalt de Koning de formaliteiten en voorwaarden waaraan de teruggaaf onderworpen is, de wijze waarop ze geschiedt en de ambtenaar die ze verricht.

Krachtens artikel 82 Btw-wetboek begint de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interest en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Krachtens artikel 82bis Btw-wetboek is er verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interest en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interest en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Hieruit volgt dat de Koning de formaliteiten en voorwaarden bepaalt met betrekking tot de teruggaaf van btw, doch hierbij geen afbreuk mag doen aan de bepalingen van de artikelen 82 en 82bis Btw-wetboek.

2. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat artikel 9, § 2, koninklijk besluit nr. 4 wettig kan afwijken van de bepalingen van de artikelen 82 en 82bis Btw-wetboek, faalt naar recht.

Tweede en derde onderdeel samen

3. Een richtlijn legt alleen verplichtingen op aan de lidstaat. Wanneer de overheid bij de omzetting van een richtlijn fouten maakt, kan zij de burger de verplichtingen van de richtlijn niet opleggen.

4. De onderdelen die geheel ervan uitgaan dat de overheid zich tegen een belastingplichtige kan beroepen op de voorrang van de btw-richtlijnen op het nationale recht, falen naar recht.

Tweede middel

5. Krachtens artikel 21, § 2, Btw-wetboek, zoals van toepassing, wordt als plaats van een dienst aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.

Krachtens artikel 21, § 3, 7°, d), Btw-wetboek wordt evenwel in afwijking van§ 2 als plaats van de dienst aangemerkt: de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan een belastingplichtige die in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit, en voor zover de dienst tot voorwerp heeft intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters alsook informatieverwerking en -verschaffing, met uitzondering van de in 1° bedoelde diensten en de in 2° bedoelde expertises.

Artikel 21, § 2 en § 3, Btw-wetboek vormt de omzetting naar Belgisch recht van respectievelijk artikel 43 en artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde.

6. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat:

- artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG een hele reeks specifieke aanknopingspunten vermeldt, terwijl artikel 43 dienaangaande een algemene regel stelt, en bijgevolg voor elke situatie de vraag dient te worden gesteld of deze valt onder een van de in artikel 9, lid 2, genoemde gevallen; zo niet, dan is het eerste lid van dit artikel van toepassing;

- artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG geen betrekking heeft op beroepen, zoals het beroep van advocaat, raadgever, accountant of ingenieur, maar op diensten; de Uniewetgever vermeldt de in deze bepaling genoemde beroepen om de daarin bedoelde categorieën van diensten te omschrijven;

- de woorden 'andere soortgelijke diensten' in artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG niet verwijzen naar enig element dat de in artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG genoemde ongelijksoortige activiteiten gemeen zouden hebben, maar naar diensten die soortgelijk zijn aan elk van deze activiteiten, afzonderlijk beschouwd; een dienst is dan soortgelijk aan een van de in dit artikel genoemde activiteiten, wanneer beide hetzelfde doel hebben.

7. Aldus is, opdat diensten van management van een vennootschap in aanmerking zouden komen als diensten die vallen onder de algemene plaatsbepalingsregel van artikel 21, § 2, Btw-wetboek, enkel vereist dat het gaat om algemene managementdiensten die niet louter als specifieke diensten van informatieverwerking en -verschaffing in de zin van artikel 21, § 3, 7°, d), Btw-wetboek in aanmerking komen. Het is niet vereist dat wordt aangetoond dat het gaat om management als zaakvoerder of statutair beheerder of management krachtens een overeenkomst waardoor de manager over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de vennootschap op te leggen.

8. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

- de eiser onterecht aanhaalt dat de verweerster niet zou hebben aangetoond dat de haar geleverde diensten algemene diensten in de zin van artikel 21, § 2, Btw-wetboek zijn waarvoor als plaatsbepaling België geldt;

- de eiser onterecht en zonder dit te bewijzen aanvoert dat de verstrekte diensten beperkt zouden moeten worden tot die bedoeld in artikel 21, § 3, 7°, d), Btwwetboek, die specifiek verstrekte diensten van adviesverlening en dergelijke, verleend door specifieke beroepsgroepen, betreffen;

- het daarentegen is aangetoond dat het gaat om algemene managementdiensten, waarvoor de plaatsbepaling van de dienst overeenkomstig artikel 21, § 2, Btwwetboek kan worden gedaan;

- de eiseres onterecht aanhaalt dat opdat deze plaatsbepalingsregel kan worden toegepast, moet zijn aangetoond dat het gaat om management als zaakvoerder of statutair beheerder of management krachtens een overeenkomst waardoor de manager over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de vennootschap op te leggen en de eiseres, door in deze zaak aldus de inhoud van artikel 21, § 2, Btw-wetboek te beperken tot een management in dergelijke omstandigheden, onterecht een voorwaarde aan die plaatsbepalingsregel toevoegt;

- tussen de verweerster en haar dienstverstrekker trouwens een zogenaamde technische adviesovereenkomst bestond, die zodanig uitgebreid is qua dienstverstrekking en blijkens artikel 1 niet limitatief is qua inhoudelijke aard van de dienstverstrekking inzake bijstand, dat kan worden geconcludeerd dat het om een algemene vorm van management ging, bedoeld in artikel 21, § 2, Btwwetboek.

Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

9. In zoverre het middel de schending van de artikelen 21, § 2 en § 3, 7°, d), Btw-wetboek aanvoert, doordat de appelrechters niet vaststellen dat er managementdiensten werden verricht als zaakvoerder of statutair beheerder of dat er diensten van management werden verricht krachtens een overeenkomst waardoor de manager over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de vennootschap op te leggen, kan het niet worden aangenomen.

10. Wanneer een dienstverrichting uit een reeks van elementen bestaat, dient, teneinde de plaats van die dienst overeenkomstig artikel 21, § 2 en § 3, Btw-wetboek te bepalen, op basis van alle omstandigheden waarin de betrokken dienst zich heeft voltrokken, te worden nagegaan of het om twee of meer afzonderlijke diensten dan wel om één enkele dienst gaat. Wanneer er sprake is van één enkele dienst, moet de plaats van de dienstverrichting worden bepaald in functie van het hoofdelement.

11. De appelrechters die vaststellen en oordelen dat de dienstverrichter ten bate van de verweerster een algemene vorm van management verrichtte, verantwoorden hun beslissing naar recht.

12. In zoverre het middel de schending van de artikelen 21, § 2 en § 3, 7°, d), Btw-wetboek aanvoert, doordat de appelrechters niet uitsluiten dat er in het kader van die algemene managementdiensten ook werk van intellectuele aard zou zijn verricht, kan het niet worden aangenomen.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 207,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

9
WBTW art. 2113 voorkomens
WBTW art. 82bis10 voorkomens
WBTW art. 828 voorkomens
KB nr. 4 art. 96 voorkomens
WBTW art. 803 voorkomens
WBTW art. 792 voorkomens
WBTW art. 761 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8