Teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 23 september 2025

Zoeken

Teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd

https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-toegevoegde-waarde-belastingplichtigen-hof-van-beroep-gent-2025-09-23-0dd1

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
23 september 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

140 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

117d17b4-87db-4650-90a4-78aa8885b6cf

WF 700-15-15/008635 - Finality 53030845/01

[ Ongunstig arrest ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat – Plaats van de dienst – Vervaltermijn – Termijn van orde – Belastbaarheid

Wettelijke bepalingen

Artikelen 21, § 2 en 91, § 4 WBTW

Artikelen 4, 12, 16 en 22 KB nr. 56

Artikel 22 Richtlijn 2008/9/EG

Samenvatting

1. Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtigen vormen een btw-eenheid, werkzaam als marktleider in FM-zendernetwerkbeheer in de Benelux. In België beschikt zij over zendinstallaties, waarvoor zij Belgische leveranciers betaalt (o.a. huur van antennesites, energie, telefonie) met Belgische btw. Zij beschikt niet over een vaste inrichting in België. Om de in België betaalde btw over het vierde kwartaal van 2009 terug te vorderen, diende zij een teruggaafverzoek in conform artikel 4 van KB nr. 56 van 9 december 2009. De administratie vroeg bijkomende informatie op grond van artikel 16 KB nr. 56. De administratie wees de vraag tot teruggaaf af omwille van een laattijdig antwoord op de vraag om inlichtingen. Op aanraden van de administratie diende de belastingplichtige een nieuw teruggaafverzoek in. De administratie wees dit tweede verzoek echter af op grond van laattijdige indiening. Zo werd het teruggaafverzoek voor de betrokken periode definitief geweigerd.

Tegen deze afwijzingsbesluiten stelden de appellanten bij verzoekschrift van 31 december 2014 een vordering in bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel. De rechtbank verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond bij vonnis van 27 juni 2016. Daartegen werd op 29 december 2016 hoger beroep ingesteld. Het Hof van Beroep te Brussel oordeelde op 28 oktober 2020 daarentegen dat het hoger beroep gegrond was: het vernietigde het vonnis van 27 juni 2016, verklaarde het oorspronkelijke verzoek ontvankelijk en gegrond, vernietigde de administratieve afwijzingsbesluiten en wees de teruggaaf toe vermeerderd met de moratoriuminteresten (artikel 91 WBTW) en kosten. De Belgische Staat diende hiertegen een cassatieverzoek in. Bij arrest van 18 november 2022 vernietigde het Hof van Cassatie het arrest van 28 oktober 2020 wegens een gebrek aan motivering, nl. het niet antwoorden op de grieven die de Belgische Staat heeft opgeworpen in uiterst ondergeschikte orde, en verwees de zaak naar het Hof van Beroep Gent.

2. Arrest

Het Hof benadrukt dat art. 16, §2 KB/BTW nr. 56 (uitvoeringsbesluit teruggaafrichtlijn 2008/9/EG) geen vervaltermijn kent. Overschrijding van de termijn van één maand om aanvullende gegevens te verstrekken leidt niet automatisch tot verlies van het teruggaafrecht. De beslissing tot afwijzing wegens te late aanlevering is “onredelijk en disproportioneel” en wordt vernietigd. Het Hof volgt de lijn van het Hof van Justitie (C-133/18) dat de belastingplichtige gemiste gegevens later mag indienen.

De administratie meende dat de btw op telefonie niet teruggegeven mocht worden omdat deze diensten in Nederland (zetel van de appellanten) zouden zijn verricht (art. 21, §2 WBTW). Het Hof verwerpt deze grief, vermits het voormelde wetsartikel intussen gewijzigd is; in 2009 was de vorige tekst van toepassing die de dienst belast op de plaats waar de dienstverrichter gevestigd is vanwaar hij de dienst levert. Vermits de diensten gefactureerd werden vanuit Belgische leveranciers, is dan ook Belgische btw verschuldigd. De diensten werden terecht in België belast. Er is dus geen grond om de teruggaaf af te wijzen.

De facturen betreffende het recht om op bepaalde locaties zendinstallaties te plaatsen en te exploiteren werden door de administratie gekwalificeerd als vrijgestelde onroerende verhuur. Het Hof oordeelt echter dat hier geen puur passieve terbeschikkingstelling van onroerend goed plaatsvindt, maar een commerciële dienstverlening. De exploitatie van zendinstallaties is commercieel van aard en niet vergelijkbaar met eenvoudige pacht. Deze diensten zijn dus wel belastbare prestaties. De plaats van dienst was in België. De btw werd daarom terecht betaald en het recht op teruggaaf is gegrond.

Wat de moratoriumintresten betreft stelt het Hof vast dat vanaf 1 januari 2023 nieuwe regelgeving geldt. Art. 91, §4 WBTW (sedert 1/1/2023) bepaalt dat voor de periode waarin vereiste gegevens ontbraken geen interest verschuldigd is. Hieruit volgt dat de moratoriuminteresten slechts worden toegekend vanaf 1 januari 2023.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Arrest van het hof van beroep te Gent dd. 23.09.2025 - 2024/AR/480

2024/AR/480 - In de zaak van:

1.X1,

(voorheen …),

met zetel te … (Nederland),

2.X2,

met zetel te … (Nederland),

3.X3,

(voorheen …),

met zetel te … (Nederland),

oorspronkelijk appellanten, verweerders na cassatie

hebbende als raadsman mr. W.P., advocaat te …

tegen

BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal, Directeur Centrum Specifieke Materies, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, met burelen te 1000 BRUSSEL, Kruidtuinlaan 50 bus 3412,

oorspronkelijk geïntimeerde, eiser na cassatie,

hebbende als raadsman mr. D.C., advocaat te …. en mr. B.T., advocaat te …

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 20 maart 2024 maakte de Belgische Staat de zaak aanhangig voor dit hof, na verwijzing van de zaak naar dit hof door het arrest van het Hof van Cassatie van 18 november 2022.

Het arrest van het Hof van Cassatie vernietigde het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2020 (behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaarde), en verwees de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Het arrest van het hof van beroep Brussel van 28 oktober 2020 oordeelde over het hoger beroep tegen een vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 27 juni 2016.

Gelet op de (gedeeltelijke) vernietiging van het arrest van het hof van beroep Brussel bij arrest van het Hof van Cassatie van 18 november 2022 hernemen de partijen voor dit hof de rechtspositie die ze innamen voor het hof van beroep Brussel, zijnde de belastingplichtigen als appellant en de Belgische Staat als geïntimeerde (zie ook artikel 1110 Ger.W.; Cass. 10 september 2015, AR C.13.0402.N, op juportal.be).

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 17 juni 2025, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellanten zijn deel van de groep Broadcast Partners, die marktleider is op het gebied van FM zendernetwerkbeheer in de Benelux. De groep heeft zenderparken in Nederland, België en Denemarken, die gebruikt worden door o.a. landelijke commerciële en publieke radiozenders. In het kader van haar activiteiten in België beschikt de groep over een aantal zendinstallaties in België, waarvoor zij o.m. inrichtings-, huur-, verbruiks- en onderhoudskosten draagt die haar door Belgische leveranciers gefactureerd worden met Belgische btw. De appellanten hebben geen vaste inrichting in België.

Op 30 september 2010 diende de fiscale eenheid bestaande uit de appellanten een aanvraag in tot het bekomen van terugbetaling van de in België betaalde btw op 44 inkomende facturen uitgereikt door Belgische leveranciers, op grond van artikel 4 KB/BTW nr. 26. Deze aanvraag had betrekking op een bedrag van 20.387,79 euro voor de periode van 1 september tot 31 december 2009. Een ontvangstmelding werd gestuurd op 20 oktober 2010.

Op 7 januari 2011 werd een vraag om inlichtingen verstuurd bij toepassing van artikel 16 KB/BTW nr. 56. De administratie verzocht om (i) via mail de kopies te sturen van alle aankoopfacturen/transacties die betrekking hebben op het teruggaafverzoek, (ii) een uitleg te geven waarin de aankopen in België kaderden, en (iii) indien het handelingen betrof waarvoor (achteraf) facturen aan klanten werden gericht, ook hiervan een kopie te bezorgen. De administratie stelde dat indien niet voldaan werd aan dit verzoek om te antwoorden binnen de maand van verzending van de mail, de aanvraag afgewezen kon worden.

Op 23 februari 2011 bezorgde de belastingplichtige de kopie van de facturen aan de administratie alsook de gevraagde uitleg, met excuses voor de vertraging te wijten aan ziekte. De belastingplichtige stelde dat de aankopen het exploiteren van radiozendinstallaties op locaties in België betrof.

De administratie liet op diezelfde dag weten het volgende weten: "Uw verzoek werd helaas al afgewezen omdat er niet binnen de vooropgestelde termijn werd geantwoord. U kan een nieuw verzoek indienen voor 31 maart 2011." De officiële kennisgeving van de beslissing werd verstuurd op 28 februari 2011 en meldde dat documenten waren gevraagd maar niet tijdig werden bezorgd.

Op 29 juni 2011 werd een nieuw verzoek tot terugbetaling ingediend, dat als laattijdig werd afgewezen op 5 juli 2011.

Met een verzoekschrift neergelegd op 31 december 2014 maakten de appellanten hun vordering aanhangig voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel en vorderden om de beslissingen van 28 februari 2011 en 5 juli 2011 te vernietigen en om het verzoek tot teruggaaf in te willigen. Bij vonnis van 27 juni 2016 verklaarde deze rechtbank de vordering van de appellanten ontvankelijk doch niet gegrond.

Na betekening van dit vonnis op 29 november 2016 stelden de appellanten hoger beroep in middels verzoekschrift neergelegd op 29 december 2016. Bij arrest van 28 oktober 2020 oordeelde het hof van beroep Brussel als volgt:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoend,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt de beslissingen van 28 februari 2011 en van S juli 2011 houdende de afwijzing van verzoeken tot teruggaaf van de BTW m.b.t. de periode 1 september 2009 — 31 december 2009 en willigt het verzoek tot teruggaaf van BTW m.b.t. de periode 1 september 2009 — 31 december 2009 in,

Veroordeelt de Belgische Staat tot teruggaaf van de in de betrokken periode betaalde BTW ten bedrag van €20.387,79 meer moratoire interesten overeenkomstig de bepalingen van art. 91 WBTW evenals tot de kosten van het geding,

Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellante begroot op de rechtsplegingsvergoeding van €2.200 voor de procedure in eerste aanleg en op de rechtsplegingsvergoeding van €2.400 voor de procedure in hoger beroep

Op 28 juli 2021 legde de geïntimeerde een voorziening in Cassatie neer tegen dit arrest.

Bij arrest van 18 november 2022 van het Hof van Cassatie werd voormeld arrest vernietigd; behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaarde. Het Hof van Cassatie weerhield een motiveringsgebrek. De (aldus beperkte) zaak werd naar het hof van beroep Gent verwezen.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellanten

De belastingplichtigen vragen in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren,

Het vonnis uitgesproken door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 27 juni 2016 in de zaak gekend onder het algemeen rolnummer 2015/1/A bijgevolg te vernietigen en opnieuw recht doende, zoals de eerste rechter had moeten doen:

De beslissing dd. 28 februari 2011 houdende de afwijzing van het verzoek tot teruggaaf van de BTW (periode 1 september 2009 — 31 december 2009 — refertenummer van het teruggaafverzoek: NL2010000000189958) ingediend op 20 oktober 2010, alsook de beslissing dd. 5 juli 2011 houdende de afwijzing van het verzoek tot teruggaaf van de BTW (periode 1 september 2009 — 31 december 2009 — refertenummer van het teruggaafverzoek: NL2011000000260818) ingediend op 29 juni 2011 te vernietigen;

Het verzoek tot teruggaaf van de door concluante tijdens de periode van 1 september tot 31 december 2009 betaalde BTW ten bedrag van EUR 20.387,79 ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Geïntimeerde te veroordelen tot de terugbetaling aan concluante van bovenvermeld bedrag van EUR 20.387,79, verhoogd met moratoire interesten overeenkomstig artikel 91 §3 van het BTW Wetboek, berekend vanaf 20 april 2011 overeenkomstig artikel 22 KB/WBTW nr. 56 in zijn versie van toepassing op huidig geschil of, in ondergeschikte orde, overeenkomstig artikel 91 § 4 van het BTW Wetboek, vanaf de inleiding van de gerechtelijke procedure;

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, inclusief de rechtsplegingsvergoeding begroot op EUR 2.200,00 voor de procedure in eerste aanleg en op EUR 3.000,00 voor de procedure in hoger beroep.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

In hoofdorde;

Het hoger beroep ongegrond te verklaren;

Het vonnis a quo te bevestigen in al zijn onderdelen;

Bijgevolg de initiële vordering van appellante ongegrond te verklaren;

Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder begrepen de

rechtsplegingsvergoeding van 3.139.53 euro in graad van beroep

In ondergeschikte orde;

Het vonnis a quo te vernietigen; en opnieuw rechtdoend

Het hoger beroep slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren voor het bedrag van 12.946,19 EUR;

Derhalve de vordering in hoger beroep slechts beperkt gegrond te verklaren en het verzoek tot teruggaaf van Belgische btw slechts in te willigen voor een totaalbedrag van 12.946,19 EUR, aangezien op basis van de aangeleverde facturen de oorspronkelijk betaalde btw slechts opeisbaar is voor dit bedrag en het resterende btw-bedrag niet opeisbaar is;

Voor recht te zeggen dat er geen interesten verschuldigd zijn op het terug te geven btw-bedrag;

De kosten van het geding, waaronder begrepen de rechtsplegingsvergoeding, te verdelen over de partijen a rato de verhouding 12.946,19 over 20.387,79 EUR ten laste van geïntimeerde, en ten laste van appellante voor het overige;

De vordering in hoger beroep ongegrond te verklaren voor het overige;

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. Het KB/WBTW nr. 56 van 9 december 2009 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf, voorziet in de omzetting van richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn.

In de regel rust op de aanvrager van de teruggaaf de verplichting om de betrokken facturen bij het teruggaafverzoek te voegen. Artikel 7, eerste lid KB/WBTW nr. 56 bepaalt immers het volgende: "Onverminderd de krachtens artikel 16 gevraagde gegevens, is de aanvrager gehouden samen met het teruggaafverzoek longs elektronische weg een afschrift van de factuur of het invoerdocument bij te voegen, wanneer de maatstaf van heffing op de factuur of het invoerdocument 1.000 euro of meer bedraagt. Indien de factuur evenwel betrekking heeft op brandstof, is dit drempelbedrag 250 euro."

Alvorens te beslissen over het teruggaafverzoek, kan de administratie aanvullende gegevens opvragen bij de aanvrager. Artikel 16 KB/WBTW nr. 56 bepaalt immers het volgende:

geheel of een deel van het teruggaafverzoek een uitspraak te kunnen doen, kan zij binnen de in artikel 15 genoemde termijn van vier maanden, langs elektronische weg in het bijzonder de aanvrager of de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging om aanvullende gegevens verzoeken. (...)

Zo nodig kan de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft om andere dan in het eerste lid bedoelde aanvullende gegevens verzoeken.

De gevraagde gegevens kunnen ook het overleggen van het origineel of een afschrift van de factuur of het invoerdocument omvatten wanneer de administratie redenen heeft om te twijfelen aan het bestaan van een bepaalde vordering. In dat geval zijn de drempelnormen van artikel 7 niet van toepassing.

§2. De krachtens paragraaf 1 gevraagde gegevens moeten binnen een maand na ontvangst van het verzoek om informatie door de bestemmeling van het verzoek aan de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft worden verstrekt."

Noch artikel 16 KB/WBTW nr. 56 noch voormelde richtlijn 2008/9/EG voorzien in een sanctie indien de door de administratie gevraagde gegevens niet binnen de termijn van een maand worden verstrekt. Waar in artikel 12 KB/WBTW nr. 56 dat de termijn bepaalt om een teruggaafverzoek in te dienen het woord 'uiterlijk' wordt gebruikt, wat erop wijst dat een teruggaafverzoek niet meer rechtsgeldig kan worden ingediend na het verstrijken van de daartoe bepaalde termijn en die termijn dus een vervaltermijn is, herneemt artikel 16 KB/WBTW nr. 56 het woord 'uiterlijk' niet. De omissie van dat woord duidt erop dat de wetgever in de context van het KB/WBTW nr. 56 dan wel richtlijn 2008/9/EG niet de bedoeling had om in artikel 16 KB/WBTW nr. 56 te voorzien in een vervaltermijn. De termijn opgenomen in artikel 16, §2 KB/WBTW nr. 56 is dan ook geen vervaltermijn maar wel een termijn van orde (zie ook K. Wagner, Sancties in het burgerlijk procesrecht, Maklu, Antwerpen, 2007, p. 56, nr. 30; zie ook EHJ 2 mei 2019, zaak C-133/18, randnrs. 38-49). De finaliteit van deze termijn is immers om de procedure te organiseren en te bespoedigen. Een overschrijding van deze termijn schaadt in beginsel niemands rechten, zij het dat de aanvrager er alle belang bij heeft om de gevraagde documenten zo snel als mogelijk te bezorgen aan de administratie. Een vertraging in het bezorgen van de gevraagde aanvullende gegevens heeft immers o.m. tot gevolg dat voor die periode geen moratoriuminteresten aan de aanvrager moeten worden betaald (zie artikel 22 jo. 18, eerste lid KB/WBTW nr. 56 en artikel 22 richtlijn 2008/9/EG), wat ook bevestigt dat het niet om een vervaltermijn gaat. Een overschrijding van de termijn van een maand zoals opgenomen in artikel 16, §2 KB/WBTW nr. 56 leidt aldus niet tot een verlies van het recht op teruggaaf.

Evenwel belet geen enkele wettelijke bepaling de fiscale administratie om, wanneer zij de gevraagde informatie niet ontvangt binnen de termijn van een maand, een beslissing over het teruggaafverzoek te nemen. De fiscale administratie kan, wanneer geen antwoord wordt verstrekt binnen de termijn van artikel 16, §2 KB/WBTW nr. 56 de teruggaaf van btw weigeren (zie ook Circulaire AFZ nr. 20/2009 van 22 december 2009), maar zij is hiertoe niet verplicht.

4.2. Uit het dossier blijkt dat de appellanten op 30 september 2010 een aanvraag hebben ingediend tot het bekomen van terugbetaling van de in België betaalde btw op 44 inkomende facturen uitgereikt door Belgische leveranciers, ten belope van 20.387,79 euro voor het tijdvak van 1 september tot 31 december 2009. Op 7 januari 2011 verzocht de administratie om haar bij toepassing van artikel 16 KB/BTW nr. 56 een kopie van de facturen toe te sturen alsook om uitleg te geven over het kader waarbinnen de aankopen in België geschiedden. Op deze vraag om inlichtingen werd geantwoord op 23 februari 2011 om 11u26. Op dezelfde dag om 15u56 liet de administratie weten dat het teruggaafverzoek was afgewezen aangezien de gevraagde aanvullende gegevens niet tijdig waren aangeleverd. Deze beslissing werd officieel aan de aanvrager ter kennis gebracht op 28 februari 2011.

Zoals reeds overwogen (randnr. 4.1) Ieidt een overschrijding van de termijn van een maand zoals opgenomen in artikel 16, §2 KB/WBTW nr. 56 niet tot een verlies van het recht op teruggaaf. De administratie bewijst niet dat ze op het ogenblik van het antwoord op de vraag om inlichtingen op 23 februari 2011 om 11u26 reeds een beslissing had genomen. Deze werd pas officieel aan de aanvrager ter kennis gebracht op 28 februari 2011. Van een fiscale administratie mag worden verwacht dat zij, wanneer ze op de dag dat ze een beslissing neemt of aan het nemen is om 11u26 in de voormiddag een e-mail met stukken ontvangt in antwoord op een vraag om aanvullende gegevens, haar beslissing uitstelt en deze stukken alsnog in overweging neemt. De termijn om een beslissing te nemen liep nog tot 7 april 2011 (zie termijn opgenomen in artikel 17, eerste lid KB/WBTW nr. 56), als gevolg waarvan er nog voldoende tijd was om de op 23 februari 2011 doorgestuurde stukken in overweging te nemen. Zelfs mocht de administratie op 23 februari 2011 niet alle doorgestuurde documenten hebben ontvangen, mag evenzeer van de fiscale administratie worden verwacht dat zij op het ogenblik dat zij vaststelt dat niet alle documenten goed waren doorgekomen, deze opvraagt bij de aanvrager. De appellanten hadden in hun e-mail van 23 februari 2011 immers uitdrukkelijk vermeld dat zij 13 pdf-files hadden verstuurd, dus kon de administratie bij ontbreken van files ervan uitgaan dat deze niet goed waren doorgekomen en kan worden verwacht dat zij deze navolgend opvroeg. De administratie handelde terzake onredelijk en disproportioneel, en de beslissing tot afwijzing van het teruggaafverzoek om reden dat niet was geantwoord binnen de termijn van een maand is ongegrond. De beslissing van 28 februari 2011 moet dan ook vernietigd worden.

4.3. Ten gronde dient het hof te oordelen of de appellanten hun recht op teruggaaf van de btw afdoende aantonen. Het hof moet hiervoor alle documenten in aanmerking nemen die worden voorgelegd en is niet beperkt tot de documenten die werden voorgelegd aan de fiscale administratie.

De bewering van de administratie dat niet alle op 23 februari 2011 verstuurde documenten werden ontvangen door de administratie, is daarom niet dienend. In het kader van een beroep tegen een afwijzende beslissing over een teruggaafverzoek, heeft de belastingplichtige immers steeds de mogelijkheid om zijn teruggaafverzoek te regulariseren door rechtstreeks aan de rechter de aanvullende gegevens te verstrekken waarmee zijn recht op teruggaaf van de btw kan worden aangetoond (zie ook EHJ 2 mei 2019, zaak C­133/18, randnr. 48). Om diezelfde reden is de discussie over het afdoende en volledig karakter van het antwoord op de vraag tot aanvullende gegevens niet dienend. Zelfs indien er onvoldoende overtuigende documenten waren overgemaakt aan de fiscale administratie en de fiscale administratie op die grond (zie evenwel hierboven: in dit dossier werd het verzoek afgewezen om reden dat niet was geantwoord binnen de termijn van een maand) het verzoek had afgewezen, komt het in deze procedure aan het hof toe om op basis van de op heden voorgelegde gegevens ten gronde te oordelen.

4.4. ledere belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar hij goederen en diensten aankoopt of aan btw onderworpen goederen invoert, heeft recht op teruggaaf van de btw indien de goederen en diensten worden gebruikt hetzij voor de handelingen die door de belastingplichtige buiten de lidstaat waar de belasting verschuldigd of voldaan is, zijn verricht in verband met btw-plichtige werkzaamheden en voor welke handelingen recht op aftrek zou ontstaan indien zij in die lidstaat zouden zijn verricht. Het recht van een in een lidstaat gevestigde belastingplichtige op teruggaaf van de in een andere lidstaat betaalde btw, is de tegenhanger van het door de btw-richtlijn ten gunste van deze belastingplichtige voorziene recht op aftrek van de in zijn eigen lidstaat betaalde voorbelasting (zie ook EHJ 21 maart 2018, zaak C-533/16, randnr. 36). Het recht op teruggaaf, net zoals het recht op aftrek, vormt een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel dat tot doel heeft de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits zij in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen. Het recht op aftrek, en dus het recht op teruggaaf, vormt een integrerend deel van de btw-regeling en kan in beginsel niet worden beperkt (zie ook EHJ 2 mei 2019, zaak C-133/18, randnr. 36).

Opdat de belastingplichtige recht op aftrek van de voorbelasting kan hebben en de omvang van dat recht kan worden bepaald, dient er volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de btw over in een eerder stadium verworven goederen en diensten vooronderstelt immers dat de voor de verwerving gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (zie o.m. HvJ 24 januari 2019, Morgan Stanley, C-165/17, r.o. 30). De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Tussen dergelijke kosten en het geheel van alle economische activiteiten van de belastingplichtige bestaat er immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband (zie o.m. HvJ 14 september 2017, lberdrola, C-132/16, r.o. 29).

Onderzoek van de in deze procedure voorgelegde facturen (stuk 6, bundel appellanten) toont aan dat deze allemaal betrekking hebben op (i) rechten om sites te gebruiken om er zendinstallaties te plaatsen en uit te baten, en (ii) verbruiks- en onderhoudskosten betreffen van deze zendinstallaties, die worden gebruikt door de Belgische klanten van de appellanten en aan wie dit gebruik ook wordt gefactureerd (zie stuk 7, bundel appellanten). Deze inkomende handelingen kaderen wel degelijk binnen de btw-activiteit van de appellanten.

4.5. De administratie stelt in ondergeschikte orde dat het teruggaafverzoek slechts gegrond is ten belope van 12.946,19 euro (in plaats van 20.387,79 euro). Zij stelt dat de wettelijk niet-verschuldigde btw op de facturen voor telefonie en mobiele telefonie (samen 2.494,09 euro) niet kan worden teruggegeven, en dat de handelingen vervat in bepaalde facturen van Telenet, Crowne Plaza en Capital Gold betrekking hebben op onroerende verhuur die is vrijgesteld en dus ook niet kan worden teruggegeven (4.947,51 euro).

Wat de facturen voor telefonie en mobiele telefonie betreft, stelt het hof vast dat op deze facturen Belgische btw werd aangerekend en dat de plaats van deze diensten aldus geacht werd in België te liggen. De appellanten stellen dat deze diensten telefonieverbindingen betreffen die noodzakelijk zijn voor de werking van de gehuurde zendinstallaties. De administratie verwijst naar artikel 21, §2 WBTW dat de plaats van diensten verricht voor een belastingplichtige situeert op de plaats waar deze belastingplichtige de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. Op die rechtsgrond stelt de administratie dat de plaats van deze diensten in Nederland is gelegen, nl. waar de zetel van de economische activiteit van de appellanten is gevestigd. Het hof stelt evenwel vast dat de administratie een verkeerde wettekst hanteert. Het artikel 21, §2 WBTW waarop de administratie zich steunt werd gewijzigd met ingang van 1 januari 2010. De kwestieuze diensten betreffen diensten gefactureerd in de periode van 1 september tot 31 december 2009. Voor diensten gefactureerd in deze periode was de oude tekst van artikel 21, §2 WBTW van toepassing, krachtens hetwelk de plaats van een dienst gelegen is op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd van waaruit hij de dienst heeft verricht. De kwestieuze facturen zijn alle uitgereikt door leveranciers met zetel van economische activiteit gelegen in België, als gevolg waarvan de plaats van deze diensten in 2009 gesitueerd moet worden in België. De facturen werden aldus terecht onderworpen aan Belgische btw. Het hof ziet geen reden om het recht op teruggaaf op die grond te verwerpen.

Wat de facturen betreft aangaande de huur van site/opstelpunten, stellen de appellanten dat deze betrekking hebben op het recht verleend aan Broadcast Partners om sites te gebruiken om er zendinstallaties te plaatsen en uit te baten. De administratie betwist dat Belgische btw verschuldigd is op deze facturen en stelt dat het gaat om een vrijgestelde onroerende verhuur. Het hof stelt vast dat de kwestieuze facturen de huur betreffen van (i) een installatie antennesite Q-Music (Telenet, facturen 15 en 16, stuk 6, bundel appellanten), (ii) een site/opstelpunt in de Crowne Plaza Antwerpen (Crowne Plaza, factuur 26, stuk 6, bundel appellanten), en (iii) een antenne site (Capital Gold, factuur 40, stuk 6, bundel appellanten). Deze facturen betreffen inderdaad het recht om op een bepaalde site een zendinstallatie te plaatsen en te exploiteren. Dit betreft geen van btw vrijgestelde onroerende verhuur. Immers, het in de vrijstelling opgenomen begrip 'verhuur van onroerende goederen' bestaat daarin dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (zie ook HvJ arrest 18 november 2004, Temco Europe, C-284/03, punten 18-19). De verhuur van een onroerend goed wordt volgens het Europees Hof van Justitie gekenmerkt door een betrekkelijke 'passiviteit' van de verhuurder. De onroerende verhuur houdt volgens het Hof in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling in van ruimtes of oppervlakten in gebouwen, tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop (zie ook voormeld arrest Temco Europe, punt 27). De onroerende verhuur is te onderscheiden van andere activiteiten die ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben ofwel een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het leveren van een prestatie dan door de enkele terbeschikkingstelling van een goed. Bij het maken van dit onderscheid moeten alle omstandigheden, en niet een enkele ervan, in aanmerking worden genomen waarin de kwestieuze transactie zich afspeelt teneinde de kenmerkende elementen daarvan te achterhalen. Het recht om op een bepaalde site een zendinstallatie te plaatsen en te exploiteren is minstens een activiteit met een commercieel karakter, die te onderscheiden is van de enkele terbeschikkingstelling van een onroerend goed. Deze diensten zijn niet vrijgesteld van btw. De plaats van deze diensten is in België gelegen (hetzij op grond van artikel 21, §3, 1° WBTW hetzij op grond van de algemene regel opgenomen in artikel 21, §2 WBTW; zie paragraaf hierboven). De kwestieuze facturen zijn alle uitgereikt door leveranciers met zetel van economische activiteit gelegen in België, als gevolg waarvan de plaats van deze diensten in 2009 sowieso gesitueerd moet worden in België. De facturen werden terecht onderworpen aan Belgische btw. Het hof ziet geen reden om het recht op teruggaaf op die grond te verwerpen.

4.6. Het hof besluit dat de appellanten gerechtigd zijn op teruggave van de door hen betaalde btw op de betrokken facturen. De Belgische Staat wordt veroordeeld tot terugbetaling van 20.387,79 euro in hoofdsom.

Aangezien het teruggaafverzoek ingediend op 30 september 2010 gegrond wordt verklaard, is de beslissing over het teruggaafverzoek van 29 juni 2011 zonder voorwerp.

4.7. Op grond van artikel 22 KB/WBTW nr. 56, zoals destijds van toepassing, is de Belgische Staat overeenkomstig artikel 91, §3 WBTW interest verschuldigd over het aan de aanvrager terug te geven bedrag, indien de teruggaaf niet plaatsvindt binnen de termijn voorzien in artikel 18, eerste lid. Artikel 18, eerste lid KB/WBTW nr. 56 bepaalt het volgende:

"Indien het teruggaafverzoek wordt ingewilligd, wordt het goedgekeurde teruggaafbedrag uiterlijk binnen tien werkdagen na het verstrijken van de in artikel 15 genoemde termijn terugbetaald, of, indien om aanvullende of verdere aanvullende gegevens is verzocht, na het verstrijken van de termijnen overeenkomstig artikel 17."

Het wordt niet betwist dat de administratie in 2011 niet over alle gegevens beschikte om het teruggaafverzoek ingediend op 30 september 2010 te beoordelen. Zoals besproken op de zitting van 17 juni 2025, stelt de administratie dat de voor de beoordeling van het teruggaafverzoek vereiste stukken pas werden voorgelegd tijdens de gerechtelijke procedure, m.n. tijdens de periode 2016-2018. De appellanten betwisten dit niet.

Op grond van artikel 91, §3, 2° WBTW, van toepassing tot 31 december 2022, is er geen interest verschuldigd wanneer de belastingplichtige niet tijdig heeft geantwoord op de vraag om aanvullende inlichtingen te verstrekken. Dit artikel stemt overeen met artikel 26, tweede lid van richtlijn 2008/9/EG. Volgens artikel 91, §4, laatste lid WBTW, van toepassing vanaf 1 januari 2023, is er geen moratoriuminterest verschuldigd voor de periode dat de vereiste gegevens niet zijn meegedeeld. Hieruit volgt dat er moratoriuminterest is verschuldigd aan de appellanten vanaf 1 januari 2023.

4.8. Het hoger beroep van de appellanten is gegrond, zij het dat de moratoriuminteresten worden toegekend vanaf 1 januari 2023. De vordering van de appellanten moet in die zin worden ingewilligd.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in essentie in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.400,00 euro toepasselijk voor de procedure in eerste aanleg en van 3.139,53 euro voor de procedure in hoger beroep.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Verder recht doende na het arrest van het hof van beroep Brussel van 28 oktober 2020, deels vernietigd door het arrest van het Hof van Cassatie van 18 november 2022, beslist het hof als volgt:

 verklaart het hoger beroep ingesteld door de appellanten gegrond;

- vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de vordering van de

appellanten ontvankelijk verklaart;

 opnieuw recht doende ten gronde, verklaart de vordering van de appellanten gegrond als volgt:

•vernietigt de beslissingen van 28 februari 2011 en van 5 juli 2011 houdende de afwijzing van de verzoeken tot teruggaaf van de btw m.b.t. de periode 1 september 2009 — 31 december 2009 en willigt het verzoek tot teruggaaf van btw m.b.t. de periode 1 september 2009 — 31 december 2009 in,

•veroordeelt de Belgische Staat tot teruggaaf van de in de betrokken periode betaalde btw ten bedrag van 20.387,79 euro, meer moratoire interesten vanaf 1 januari 2023 overeenkomstig artikel 91 WBTW;

 het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

 aan de kant van de appellanten:

 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 2.400,00 EUR

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.139,53 EUR

 aan de kant van de geïntimeerde:

 kosten procedure Hof van Cassatie: 388,30 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep to Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 23 september 2025.

Aanwezig:

F.C, Raadsheer, wn voorzitter, alleenrechtsprekend

J.D., Griffier

Nota van de FOD Financiën

Verband met voorgaand vonnis/arrest

Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 27.06.2016 (2015/1/A)

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 28.10.2020 (2016/AF/397)

Arrest van het hof van cassatie dd. 18.11.2022 (F21.0128.N)

Referentie WF

WF 700-15-15/008635 - Finality 53030845/01

Aangehaalde teksten

13
WBTW art. 9111 voorkomens
WBTW art. 218 voorkomens
KB nr. 56 art. 163 voorkomens
KB nr. 56 art. 43 voorkomens
KB nr. 56 art. 122 voorkomens
KB nr. 56 art. 222 voorkomens
richtlijn 2008/9 art. 222 voorkomens
richtlijn 2008/9 art. 261 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8