Tegenstelbaarheid publicatie beslissing vennootschap Belgisch Staatsblad, correctieopgave · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 17 november 2017

Zoeken

Tegenstelbaarheid publicatie beslissing vennootschap Belgisch Staatsblad, correctieopgave

https://juriel.be/nl/rechtspraak/tegenstelbaarheid-publicatie-vennootschap-belgisch-staatsblad-rechtbank-brussel-2017-11-17-28bd

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
17 november 2017

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

93 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 17.11.2017

WF 701-15-16/033793

[gunstig voor de administratie]

Belasting over de toegevoegde waarde – tegenstelbaarheid publicatie beslissing vennootschap Belgisch Staatsblad – correctieopgave – erkenning van schuld – levering van een goed

Wettelijke bepalingen

W.Venn.: Art. 76 – art. 69, eerste lid – art. 74

Burg.W: art. 1326

WBTW: art. 16

Samenvatting

1)Feiten en voorgaande procedure

De vennootschap werd opgericht op 25 januari 2001 bij onderhandse akte onder de vorm van een Vennootschap Onder Firma. De heer S. en mevrouw M. traden op als oprichters.

Op 28/5/2003 besliste de buitengewone algemene vergadering tot het ontslag van mevrouw M. als zaakvoerder. De heer S. werd benoemd als zaakvoerder van de vennootschap. Op de buitengewone algemene vergadering van 1/10/2014 werd het ontslag van de heer S. als zaakvoerder en vennoot per 30/9/2014 aanvaard. Het ontslag werd gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 24/10/2014.

Naar aanleiding van een btw-controle mbt de periode van 1/1/2011 tot 31/12/2012 stelde de administratie inbreuken op de btw-wetgeving vast. De heer S. ondertekende op 1/10/2014 een correctieopgave waarin die inbreuken werden opgenomen.

Op 8/6/2016 betekende de administratie een dwangbevel aan de heer S. in zijn hoedanigheid van hoofdelijk aansprakelijke vennoot, voor de betaling van de openstaande btw-schuld.

Op 20/6/2016 heeft de heer S. een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank.

2) De procedure in eerste aanleg

Eiser verklaart verzet aan te tekenen “om de aangerekende kosten en btw bedragen te betalen”.

Eiser beweert dat hij op het ogenblik van de correctieopgave niet bevoegd was om de vennootschap te vertegenwoordigen aangezien zijn mandaat een einde zou hebben genomen op 30/9/2014.

De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. De publicatie van het ontslag als vennoot en zaakvoerder van eiser werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 24/10/2014. Het ontslag kan pas vanaf deze datum aan de Belgische Staat worden tegengeworpen krachtens art. 76 W.Venn. io. 69, eerste lid en 74 W.Venn. De bewering van eiser dat de controleambtenaar reeds vòòr 24/10/2018 op de hoogte was van het ontslag als zaakvoerder en vennoot van de VOF wordt niet bewezen.

Eiser betwist bovendien de rechtsgeldigheid van de ondertekende correctieopgave, daar de woorden “gelezen en goedgekeurd. Goed voor de som van” ontbreken.

De rechtbank komt echter tot een ander oordeel. Art. 1326 B.W. waar eiser impliciet naar verwijst, is enkel van toepassing indien de akte betrekking heeft op het ontstaan van een nieuwe verbintenis. De btw-schuld is niet ontstaan door het ondertekenen van de correctieopgave. De correctieopgave had onder meer betrekking op omzet uit de verkoop van goederen die niet werd aangegeven. Art. 16 WBTW bepaalt dat het belastbare feit plaatsvindt en de belasting opeisbaar wordt op het tijdstip waar de levering van het goed wordt verricht.

Het betreft in casu dus slechts een erkenning van een schuld die daarvoor reeds was ontstaan, zodat de verplichte vermeldingen vervat in artikel 1326 B.W. dan ook niet van toepassing zijn. De vordering van eiser werd dan ook ongegrond verklaard.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 17.11.2017

Rol: 2016/2544/A

In zake van:

De heer K.S., wonende te … eiser. Die niet verschijnt, noch iemand voor hem.

tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het Team Invordering RP Brussel 6, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3112. Verweerder, vertegenwoordigd door Meester …, advocaat met kantoor te … .

Gelet op:

het verzoekschrift van 20/6/2016 (en ingeschreven op de algemene rol op 27/6/2016); de beschikking op grond van artikel 747 §2 Ger.W. van 4/11/2016;

de conclusie van de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 30/1/2017; de stukken van de Belgische Staat.

De advocaat van verwerende partij werd gehoord in zijn pleidooi ter openbare zitting van 29 september 2017, waarna de zaak in beraad werd genomen.

De procedure verliep met in acht name van de toepasselijke bepalingen van de wet van 15 juni 1935 en de wijzigende en aanvullende wetten op het taalgebruik in gerechtszaken.

Overeenkomstig artikel 748bis Ger. W. houdt de rechtbank enkel rekening met de laatst genomen (synthese)conclusies van de partijen.

1. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1.Op 25 januari 2001 werd bij onderhandse akte de VOF K.S.-M. opgericht. De maatschappelijke zetel werd gevestigd aan de Zeedijk 350, GLV, 8670 Koksijde. Deze vennootschap is gekend onder het ondernemingsnummer 0474.103.732.

De heer Mohammed K.S. en mevrouw M. traden hierbij op als oprichters. Het kapitaal van de vennootschap werd vastgesteld op 30.000 BEF 13ls volgt verdeeld:

K.S.: 27 aandelen

M.: 3 aandelen

2.Op 28 mei 2003 besliste de buitengewone algemene vergadering tot het ontslag van mevrouw M. als zaakvoerder. De heer K.S. werd benoemd als zaakvoerder van de vennootschap. Tevens werd de naam gewijzigd in VOF K.S..

Op de buitengewone algemene vergadering van 1 oktober 2014 werd het ontslag aanvaard van de heer K.S. als zaakvoerder en vennoot van de VOF K.S. per 30 september 2014. Het ontslag werd gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 24 oktober 2014.

3.Deze vennootschap is nog de volgende BTW verschuldigd aan het Team Invordering RP Brussel 6:

ArtikelBedragBTWBoetenIntrest BTWMor. Intrest
500132927156€14.017,27€8.943,10€890,00€3.504,48€643,35

Deze BTW-schuld vindt zijn oorsprong in een correctieopgave van 1 oktober 2014, opgesteld naar aanleiding van een BTW-controle (stuk 5 bundel verweerder).·

De correctieopgave heeft betrekking op inbreuken op de BTW-wetgeving in de periode van 1 januari 2011 tot 31 december 2012.

De correctieopgave werd ondertekend door de heer K.S..

4.Op 8 juni 2016 werd via het ambt van gerechtsdeurwaarder Rogiers een dwangbevel betekend aan eiser, in zijn hoedanigheid van hoofdelijk aansprakelijke vennoot, voor de betaling van bovenstaande BTW-schuld.

5.Op 20 juni 2016 heeft eiser een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

6.Eiser verklaart verzet aan te tekenen "om de aangerekende kosten en BTW bedragen te betalen".

7.Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1 Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid.

De vordering is ontvankelijk.

3.2 Gegrondheid

- ontslag als vennoot en zaakvoerder

9.Volgens eiser was hij op het ogenblik van de ondertekening van de correctieopgave niet bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen. Zijn mandaat zou een einde hebben genomen op 30 september 2014.

10.Verweerder stelt terecht dat de publicatle van het ontslag als vennoot en zaakvoerder werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 24 oktober 2014.

Dienvolgens kan het ontslag pas vanaf deze datum aan de Belgische Staat worden · tegengeworpen krachtens artikel 76 W.Venn io. 69, eerste lid en 74 W.Venn.

Eiser stelt dat de controleambtenaar hiervan op de hoogte was, doch levert geen bewijs van deze bewering..

Eiser bewijst niet dat verweerder vóór 24 oktober 2014 kennis had van zijn ontslag als zaakvoerder.

- ondertekening van het minnelijk akkoord

11.Volgens eiser werd het minnelijk akkoord door hem ondertekend, maar ontbreken de woorden "gelezen en goedgekeurd. Goed voor de som van".

12.Eiser verwijst aldus in:ipliciet naar het voorschrift van artikel 1326 B.W.

Terecht stelt verweerder dat artikel 1326 B.W. enkel van toepassing is, indien de akte betrekking heeft op het ontstaan van een nieuwe verbintenis.

De BTW-schuld is in casu n.iet ontstaan door het ondertekenen van de correctieopgave. De correctieopgave had onder meer betrekking op omzet uit çle verkoop van goederen die niet werd aangegeven. Artikel 16 WBTW bepaalt in dat verband dat wat betreft de levering van goederen het belastbare feit plaatsvindt en de belásting opeisbaar wordt op het tijdstip waarop de levering van het goed wordt verricht.

Het betreft in casu dus slechts een erkenning van een schuld die daarvoor reeds was ontstaan.

De verplichte vermeldingen vervat in artikel 1326 B.W. zijn in casu dan ook niet van toepassing.

13.De vordering van eiser is ongegrond.

4.GERECHTSKOSTEN

14.Aangezien de vordering van eiser ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiser.

De waarde van de vordering situeert zich tussen €10.000,01 en €20.000,00. Op grond van de waarde van het geschil kan de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op €1.320.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd;

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk, doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op €1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus beslist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 17/11/2017.

Waar aanwezig waren en zitting hadden: …

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 162 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8