Procesverloop
2 stappen · 2 jaar- Weergegeven beslissingHof van beroep te Gent31.10.2023
- Beslissing in cassatieHof van Cassatie van België20.11.2025
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 31.10.2023
WF 714-15-20/036658
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Tarief - Verlaagde btw-tarief van 6% - Afbraak en heropbouw van gebouwen
Wettelijke bepalingen
Artikel 1 KB nr. 20 van 20 juli 1970 - Rubriek XXXVII van Tabel A van het koninklijk besluit nummer 20 van 20 juli 1970
Samenvatting
1. Feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige is krachtens artikel 44, § 2 WBTW vrijgesteld voor haar dienstverlening kaderend in de erkende jeugdzorg. Zij is erkend binnen het Agentschap Jongerenwelzijn van de Vlaamse Overheid.
De belastingplichtige heeft een bouwproject gerealiseerd waarbij enerzijds een gebouw voor administratieve diensten e.d. en anderzijds een wooninrichting gericht op het permanent verblijf van jongeren, afgebroken en heropgebouwd werd.
De belastingplichtige verzocht de administratie om voor wat betreft de wooninrichting toepassing te mogen maken van het verlaagde btw-tarief van 6%, op grond van tabel A, rubriek XXXVII, KB nr. 20.
De administratie wees door middel van een beslissing het verzoek af.
Tegen deze beslissing legde tegenpartij een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
De eerste rechter oordeelde dat de vordering van de tegenpartij ontvankelijk maar ongegrond is. Tegen dit vonnis ging tegenpartij in hoger beroep.
2. Het arrest van het hof van beroep
Waar het normale btw-tarief 21% bedraagt komt het toe aan de belastingplichtige die aanspraak maakt op het uitzonderingstarief van 6%, om te bewijzen dat de genoemde verblijfsinrichting een woning betreft die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt.
Niettegenstaande de residentiële functie die het wooncomplex onmiskenbaar heeft, kan men er niet aan voorbij dat de kerntaak erin bestaat om hulpverlening te organiseren voor kinderen, jongeren en hun gezin bij problematische opvoedingssituaties. Zelfs in een langdurig residentiële setting kan de bewoning niet losgekoppeld worden van de zorg die centraal staat. De bewoning door de jongeren wordt overkoepeld door en staat niet los van een centraal staand zorgtraject. Bijgevolg bewijst de belastingplichtige niet dat er sprake is van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik voor privébewoning onder begeleiding. Het gaat daarentegen om een zorginrichting met collectieve bewoning.
Het hof oordeelt dat de belastingplichtige niet bewijst dat de wooninrichting, na het uitvoeren van de werken van afbraak en heropbouw, uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning in de zin van rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/BTW nr. 20.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent, vijfde kamer
Arrest van 31/10/2023
Rolnummer:2022/AR/1034
In de zaak van:
X. VZW (voorheen D. K. VZW), ON 079...42,
met zetel te ...,
appellante,
hebbende als raadsman mr. S. J., advocaat te ... en mr. V. D., advocaat te ...
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,
Algemene Administratie van de Inning en Invordering, met burelen te 8500 KORTRIJK,
Hoveniersstraat 31,
Algemene Administratie fiscaliteit, Administratie KMO, met burelen te 8500 KORTRIJK,
Hoveniersstraat 31,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. M. A., advocaat te ...
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 3 juni 2022 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 28 maart 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/1425/A waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 3 oktober 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
D. K. vzw, inmiddels na fusie door overneming X. vzw, is een erkende organisatie van bijzondere jeugdzorg. Haar statutair doel is gericht op hulpverlening aan kinderen, jongeren en hun gezin, voornamelijk met betrekking tot de doelgroep waarbij men spreekt van problematische en verontrustende opvoedingssituaties. Voor de toepassing van de btw wordt de appellante beschouwd als een belastingplichtige, vrijgesteld van de btw op grond van artikel 44, §2 WBTW.
Tussen 2017 en 2020 heeft de appellante op haar site aan de ... en ... in Kortrijk een bouwproject gerealiseerd. Daarbij werd enerzijds een centraal, multifunctioneel gebouw bestemd voor administratieve diensten en voor context- en dagbegeleiding voor jongeren en anderzijds een wooninrichting gericht op het permanent verblijf van jongeren, afgebroken en heropgebouwd. Deze wooninrichting omvat drie zogenaamde koepels met telkens een inkomhal, leefruimtes met zithoek/leeshoek (met televisie), open keuken (voor maximaal 15 personen), open speelhoek (met voetbaltafel, spelconsole, etc.) en open studiehoek, alsook individuele slaapkamers, gezamenlijke sanitaire blokken (met wc's, douches, en mogelijkheid voor verzorging en wassen van baby's), een wasplaats (met droogkast en wasmachine), een bergruimte/fietsstalling en een stalling voor vuilnisbakken en tuinmeubilair, een tuin/terras, een polyvalente ruimte (inzetbaar als ontvangst-, bezoekers-, speel-, studie- of feestruimte), een ouder-kind-kamer en per koepel één kamer voor een begeleider.
Bij de voorbereiding van deze werkzaamheden verzocht de appellante de administratie om voor wat betreft de wooninrichting toepassing te mogen maken van het verlaagde btw-tarief van 6%, op grond van tabel A, rubriek XXXVII 'Afbraak en heropbouw van gebouwen in stadsgebieden' van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belastingen over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij de tarieven. Dit gebouw was immers bestemd om te worden gebruikt voor privébewoning, aldus de appellante.
Bij beslissing van 13 december 2017 weigerde de belastingadministratie de toepassing van het gevraagde btw-tarief van 6%. In de beslissing werd verwezen naar een administratief standpunt, evenals naar het antwoord op een parlementaire vraag van 7 mei 2008, waarin was gesteld dat verblijfsinrichtingen voor bejaarden niet konden worden aangemerkt als een privéwoning, aangezien het instellingen waren waarvan de werkzaamheid bestond uit het verschaffen van onderdak aan bejaarden ter uitvoering van een contract onder bezwarende titel dat tot doel heeft, benevens het ter beschikking stellen van een gemeubileerde kamer, het verstrekken van huishoudelijke en persoonlijke zorgen.
Een verzoek van de appellante om de beslissing van 13 december 2017 te heroverwegen werd afgewezen.
Met een verzoekschrift van 15 juni 2020 stelde de appellante een vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Bij tussenvonnis van 21 juni 2021 zegde de tiende kamer van deze rechtbank voor recht dat “jeugdbeschermingshuizen die op duurzame wijze minderjarige huisvesten in dag- en nachtverblijf en hiervoor erkend zijn door de bevoegde overheid, kunnen voldoen aan de voorwaarden gesteld in tabel A, rubriek XXXVII van de bijlage bij KB/BTW nr. 20 van juli 19701...3, voor zover ook de voorwaarde voldaan is dat het gebouw een woning betreft die uitsluitend dan wel hoofdzakelijk voor privébewoning wordt gebruikt". Vermits de appellante nog niet geconcludeerd had over de vraag of het betreffende gebouw een woning is die uitsluitend dan wel hoofdzakelijk voor privébewoning wordt gebruikt, heropende de rechtbank daartoe het debat. Bij eindvonnis van 28 maart 2022 verklaarde de rechtbank de vordering van de appellante toelaatbaar maar ongegrond en veroordeelde zij de appellante tot de gedingkosten.
Het is tegen het vonnis van 28 maart 2022 dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
Inmiddels is de wooninrichting opgericht en werd op een totaal gefactureerd bedrag van 2.312.104,07 EUR (inzake ruwbouw, HVAC, elektriciteit en sanitair) 6% btw aangerekend en betaald, ten bedrage van 138.726,24 EUR.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens het eindvonnis van de rechtbank van eerste aanleg dd. 28/03/2022 te vernietigen minsten te hervormen, en bijgevolg,
De vordering van concluante na tussenvonnis ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens:
Te horen zeggen voor recht dat het in casu voorliggende woongebouw te Kortrijk uitsluitend of minstens hoofdzakelijk als privé-woning wordt gebruikt, zodat voor wat betreft de afbraak- en heropbouwwerken aan dit woongebouw is voldaan aan deze voorwaarde gesteld in rubriek XXXVII van het KB/WBTW nr. 20, tabel A, dat voorziet in een btw-tarief van 6% ('Afbraak en heropbouw van gebouwen in stadsgebieden'). Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, als volgt begroot:
- in eerste aanleg: € 6.500,00
- in hoger beroep: € 7.000,00
- totaal: € 13.500,00
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
de vorderingen van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer de dato 28/03/2022 (rolnummer 20/1425/A) te bevestigen;
dienvolgens te horen zeggen voor recht dat appellante -op wie de bewijslast rust voor de toepassing van een afwijkend belastingtarief- een toepassing van het beoogde voordeeltarief (rubriek XXXVII, tabel A, KB nr.20) bij de oprichting van haar kwestieus verblijfsgebouw bestemd voor zorgverstrekking aan hulpbehoevende jongeren, niet naar recht verantwoordt;
appellante te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding voor deze beroepsprocedure begroot conform de niet in geld waardeerbare vorderingen.
4. De betwisting en de beoordeling ervan
4.1. Situering en standpunt van de partijen
4.1.1. De voorliggende betwisting gaat over de vraag of de werken in onroerende staat van afbraak en heropbouw van het gebouw van de appellante aan de ... in Kortrijk, zijnde een verblijfsinrichting voor hulpbehoevende jongeren, wel of niet betrekking hebben op "een woning die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt" in de zin van tabel A, rubriek XXXVII van de bijlage bij KB/BTW nr. 20. Indien dit wel zo is, is de appellante gerechtigd op toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% met betrekking tot die werken.
4.1.2. De appellante stelt dat het gebouw waar de jongeren op permanente basis verblijven - in tegenstelling tot haar andere gebouwen - voldoet aan de definitie van rubriek XXXVII, omdat het een verblijfsinrichting is die hoofdzakelijk gebruikt wordt voor privébewoning.
De appellante beklemtoont dat het gebouw bestemd is voor daadwerkelijke langdurige bewoning van jongeren die er gemiddeld 4 tot 5 jaar gehuisvest zijn, in uitvoering van beslissingen van het Agentschap Jongerenwelzijn en/of vonnissen of beschikkingen van de jeugdrechtbank. Zij geeft aan dat het gebouw specifiek is ingericht met het oog op zijn woonfunctie en integraal de gebruikelijke woonfuncties (zoals eten, slapen, ontspannen, schoolwerk maken, etc.) omvat. Het is volgens haar een vorm van collectief wonen onder begeleiding, waarbij de woonbegeleiding en huiselijke afspraken niet zouden beletten dat de jongeren vrij zijn om woonruimtes te gebruiken en dat de privacy van de jongeren in hun kamer een essentieel aspect van deze bewoning vormt. Naast het woongebouw ligt het heropgerichte, centrale en multifunctionele gebouw (waarvoor niet om het verlaagde belastingtarief van rubriek XXXVII gevraagd werd) dat gebruikt wordt voor context- en dagbegeleiding zowel voor de jongeren die langdurig verblijven bij de appellante als voor jongeren die enkel dagbegeleiding behoeven.
De appellante verwijst ter juridische ondersteuning van haar standpunt naar de tekst van de btw-rubrieken, in het bijzonder van de rubrieken XXXVII en XXXI, alsook naar de gebruikelijke betekenis van het begrip privébewoning, naar een aantal rulings van de Dienst Voorafgaande Beslissingen en naar het tussenvonnis van 21 juni 2021 van de eerste rechter. Volgens de appellante is het niet omdat men collectief woont, dat er geen uitsluitende of hoofdzakelijke privébewoning zou kunnen zijn.
Wat betreft de vergelijking tussen de rubrieken XXXVII en XXXI betreffende werk in onroerende staat met betrekking tot privéwoningen, wijst de appellante erop dat beide voordeelregimes op identieke wijze gelden voor handelingen met betrekking tot "woningen die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt". Rubriek XXXI viseert voor de mogelijke toepassing van het verlaagde tarief uitdrukkelijk de woningen die "daadwerkelijk worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, leerlingen en studenten, minderjarigen en [...J", alsook de handelingen verstrekt en gefactureerd aan beheerders "van jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, minderjarigen huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid in het kader van de wetgeving op de jeugdbescherming of de bijzondere jeugdbijstand". Bijgevolg kunnen, volgens de appellante, deze instellingen wel degelijk voldoen aan de voorwaarden van rubriek XXXI, met inbegrip van de voorwaarde inzake 'woning uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt als privéwoning' en zou dus uit de wet blijken dat bij deze instellingen sowieso is voldaan aan deze voorwaarde indien en voor zover haar gebouw in kwestie wordt gebruikt voor 'daadwerkelijke bewoning'. Diezelfde redenering moet volgens de appellante doorgetrokken worden naar rubriek XXXVII.
Voor zover er nog twijfel zou kunnen bestaan dat het woongebouw uitsluitend zoniet minstens hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning, verzoekt de appellante dat wordt overgegaan tot plaatsopneming overeenkomstig artikel 1007 Ger.W.
4.1.3. De geïntimeerde betoogt dat de appellante geen aanspraak kan maken op de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6%. Volgens hem is het gebouw geen woning in de zin van rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/BTW nr. 20 en is het gebruik ervan niet gericht op privébewoning.
Wat betreft de kwalificatie van het gebouw als woning, werpt de geïntimeerde op dat een collectieve verblijfsinstelling met zorgverstrekking geen (privé)woning is in de strikte betekenis van het woord. Hij wijst op het onderscheid dat de wetgever zelf heeft voorzien voor woningcomplexen bestemd voor huisvesting enerzijds en woningen bestemd voor privébewoning anderzijds. Zo voorziet rubriek XXXII enerzijds in een verlaagd tarief voor privéwoningen voor gehandicapten die na de uitvoering van de werken specifiek aangepast zijn om door een gehandicapte als privéwoning te worden gebruikt, en voorziet rubriek XXXIII anderzijds in een verlaagd tarief voor instellingen voor gehandicapten met betrekking tot bepaalde handelingen verricht aan woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor huisvesting van gehandicapten. Ook wordt in rubriek X van tabel B, betreffende huisvesting in het kader van het sociaal beleid, het onderscheid gemaakt tussen privéwoningen en woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor huisvesting.
De geïntimeerde verwijst ook naar de regelgeving met betrekking tot de tijdelijke uitbreiding van het voordeeltarief rond afbraak en heropbouw van woningen tot het gehele Belgische grondgebied (artikel 1quater van KB/BTW nr. 20) en meer bepaald naar de parlementaire voorbereiding dienaangaande, waarin gesteld wordt (1) dat voorzieningen voor collectieve huisvesting met inbegrip van verschillende diensten die door een derde partij worden beheerd (zoals bejaardentehuizen of kostscholen) niet onder de voormelde rubriek XXXVII vallen (Memorie van Toelichting) en (2) dat projecten voor gemeenschappelijk wonen in aanmerking komen voor die maatregel indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, maar dat dit niet geldt voor rusthuizen en soortgelijke collectieve structuren.
De geïntimeerde verwijst voorts naar de eigen administratieve toelichting bij rubriek XXXVII, die verblijfsinrichtingen voor bejaarden, internaten, jeugdbeschermingstehuizen, opvangtehuizen en dergelijke residentiële voorzieningen die gemeubeld logies verstrekken, uitsluit van de toepassing van het verlaagde tarief van 6%. Voorts verwijst de geïntimeerde opnieuw naar het antwoord van de minister op de parlementaire vraag van 7 mei 2008 waarnaar ook verwezen werd in de administratieve beslissing van 13 december 2017.
De geïntimeerde put tot slot nog een argument uit de kadastrale inschrijving van het gebouw als welzijnsgebouw - en niet als huis - dat een hoofdbestemming heeft van zorgverstrekking in de bijzondere jeugdzorg en niet van privébewoning in de zin van rubriek XXXVII, hetgeen ook de reden zou zijn waarom het gebouw vrijgesteld wordt van onroerende voorheffing.
Wat betreft het gebruik van het gebouw, wijst de geïntimeerde erop dat er geen privébewoning in hoofde van de jongeren is, die immers in een instelling verblijven om een begeleidingstraject te volgen dat de nodige zorg, bijstand en opvoeding omvat. Hij wijst erop dat de appellante zorg (met verblijf) aanbiedt en geen woningen voor private bewoning in de gebruikelijke betekenis.
4.2. Beoordeling
4.2.1. Krachtens artikel 37 WBTW bepaalt de Koning de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en geeft hij de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven. Het normale btw-tarief voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek bedraagt 21% (artikel 1 KB/BTW nr. 20). De btw wordt geheven tegen een verlaagd tarief van 6% voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Tabel A, rubriek XXXVII van de bijlage bij dit besluit bepaalt:
XXXVII Afbraak en heropbouw van gebouwen in stadsgebieden
Het verlaagd tarief van 6 pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, die tot voorwerp hebben de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan het vervullen van de navolgende voorwaarden:
1° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privé-woning wordt gebruikt;
2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die gelegen is in één van de grote steden opgesomd in de koninklijke besluiten van 12 augustus 2000, 26 september 2001 en 28 april 2005 ter uitvoering van artikel 3 van de wet van 17 juli 2000 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid;
Waar het normale btw-tarief 21% bedraagt (zie artikel 1 van het KB/BTW nr. 20) komt het toe aan de appellante die aanspraak maakt op het uitzonderingstarief van 6% om te bewijzen dat de genoemde verblijfsinrichting een woning betreft die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt, in de zin van rubriek XXXVII, tweede lid, 1° van tabel A, van de bijlage bij KB/BTW nr. 20. Dat de overige voorwaarden voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief vervuld zijn, wordt tussen de partijen niet betwist.
4.2.2. De uitdrukking 'gebruik als privéwoning' wordt als dusdanig niet gedefinieerd in rubriek XXXVII of elders in het KB/BTW nr. 20 of de bijlage ervan, zodat het past terug te grijpen naar de gewoonlijke betekenis van de termen ervan. 'Gebruik' wijst op de aanwending van het gebouw en slaat op de daadwerkelijke bestemming die aan het gebouw wordt gegeven na de uitvoering van de werken. 'Privé(be)woning' betekent gehuisvest zijn, de organisatie van een duurzaam dag- en nachtverblijf binnen een particuliere, besloten context. Privé kan staan voor 'niet-zakelijk' of 'niet-beroepsmatig', maar in de voorliggende context brengt deze betekenis weinig bij, aangezien duurzaam en daadwerkelijk wonen automatisch een niet-beroepsmatige context veronderstelt. Privé kan ook staan voor 'niet-publiek' of 'op zichzelf', wars van inmenging of controle door externen of derden (zoals overheden). Ook collectieve vormen van bewoning kunnen een dergelijke vorm van privébewoning uitmaken. Voor het verlaagde btw-tarief komen aldus in aanmerking werken van afbraak en heropbouw aan woongebouwen die, na de uitvoering van de werken, uitsluitend dan wel hoofdzakelijk aangewend worden voor duurzame huisvesting (mogelijks in collectieve vorm) in beslotenheid en eigenheid.
Voorts neemt het hof voor een correct begrip van de uitdrukking 'gebruik als privéwoning' en voortgaande op de nuttige argumentatie van de partijen in dat verband, volgende overwegingen mee:
Rubriek XXXVII is ingevoegd in de bijlage bij het KB/BTW nr. 20 door de programmawet van 27 december 2006, in het kader van de strijd tegen de leegstand en onbewoonbaarheid van woningen in bepaalde stadsgebieden (zogenaamde stadkankers) en teneinde in deze gebieden de heropbouw te stimuleren van woningen, die bestemd zijn om uitsluitend of in hoofdzaak als privéwoning te worden gebruikt.
In een eerste toelichting bij deze nieuwe regelgeving (administratief standpunt ET.112.400, uitgebracht op 22 juni 2007) verwees de administratie met betrekking tot het begrip 'gebruik als privéwoning' mutatis mutandis naar rubriek XXXI, met dien verstande evenwel dat "verblijfsinrichtingen voor bejaarden, internaten, jeugdbeschermingstehuizen, opvangtehuizen, en dergelijke residentiële voorzieningen die gemeubeld logies verstrekken, niet in aanmerking komen voor de toepassing van het tarief van 6 pct. van rubriek XXXVII".
De verwijzing in het voornoemde administratieve standpunt ET.112.400 naar rubriek XXXI gaat terug op het feit dat de regeling van rubriek XXXVII werd gecreëerd "naar analogie" met het toenmalige artikel ibis van het KB/BTW nr. 20 en de regeling van rubriek XXXI (zie memorie van toelichting bij de Programmawet van 27 december 2006, Parl.St., Kamer, 51-2773/001, 50).
Rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij KB/BTW nr. 20 voorziet in het verlaagde tarief van 6% voor de renovatie van privéwoningen. In aanmerking voor dit tarief komen handelingen van omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud, met betrekking tot "een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt". Terecht merkt de appellante in dat verband op dat de bestemmingsvoorwaarde van de toekomstige woning op identieke wijze is geformuleerd als de bestemmingsvoorwaarde van rubriek XXXVII. Een bijkomende voorwaarde voor de toepassing van rubriek XXXI is evenwel dat de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan eindverbruikers. Als potentiële eindverbruikers "in de zin van deze bepaling", voor het bedoelde werk in onroerende staat met betrekking tot de woningen die daadwerkelijk worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, leerlingen en studenten, minderjarigen, thuislozen, personen in moeilijkheden, personen met een psychische stoornis, mentaal gehandicapten en psychiatrische patiënten, worden aangeduid: de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die o.a. (naast verblijfsinrichtingen voor bejaarden, internaten, etc.) jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, minderjarigen huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid in het kader van de wetgeving op de jeugdbescherming of de bijzondere jeugdbijstand beheren. Met andere woorden kan rubriek XXXI - zoals de appellante terecht aangeeft - uitdrukkelijk ook renovatiewerken betreffen aan verblijfsinrichtingen bestemd voor meer complexe vormen van daadwerkelijke huisvesting, zoals de huisvesting in jeugdbeschermingstehuizen, die dus ook aangezien (kunnen) worden als 'woningen die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt' in de zin van die bepaling.
Anders dan rubriek XXXI viseert rubriek XXXVII deze meer complexe vormen van langdurig residentieel verblijf evenwel niet. Ze worden er niet in vermeld en er wordt evenmin naar verwezen. In het voornoemde standpunt ET.112.400 wordt het betrekken van die woonvormen in het concept "woning die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privé-woning wordt gebruikt" overigens uitdrukkelijk van het toepassingsgebied van rubriek XXXVII uitgesloten.
In zijn antwoord van 15 mei 2008 op een parlementaire vraag met betrekking tot een woonzorgcentrum, bevestigde de minister van financiën dat verblijfsinrichtingen voor bejaarden voor de toepassing van rubriek XXXVII niet aangemerkt kunnen worden als privéwoningen. De minister wees in dat kader op de dubbele functionaliteit van dergelijke instellingen waar (ter uitvoering van een contract onder bezwarende titel) naast het ter beschikking stellen van een gemeubileerde kamer, aan de bejaarden ook huishoudelijke en persoonlijke zorgen werden verstrekt. Het stelde ook dat "rubriek XXXVII [...] in tegenstelling tot de door het geachte lid genoemde rubriek XXXI, geen afzonderlijke bepaling [bevat] met betrekking tot verblijfsinrichtingen voor bejaarden en [...] dus enkel de heroprichting van privéwoningen in bepaalde stadsgebieden [beoogt]. De oprichting van een verblijfsinrichting voor bejaarden komt dus niet in aanmerking voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6 % van genoemde rubriek XXXVII."
Met de programmawet van 20 december 2020 (BS 30 december 2020) werd voorzien in een nieuwe, tijdelijke regelgeving rond afbraak en heropbouw door wijziging van artikel 1quater van het KB/BTW nr. 20. Deze maatregel is gedeeltelijk geïnspireerd op rubriek XXXVII. In de memorie van toelichting bij de programmawet van 20 december 2020 wordt de maatregel in detail besproken en wordt bij herhaling teruggegrepen naar/vergeleken met de regeling van rubriek XXXVII. Onder meer wordt in dat verband gesteld: "Voorzieningen voor collectieve huisvesting met inbegrip van verschillende diensten die door een derde partij worden beheerd, (zoals bejaardentehuizen of kostscholen) die niet onder de voormelde rubriek XXXVII vallen, vallen evenmin onder deze maatregel" (zie memorie van toelichting bij de Programmawet van 27 december 2006, Parl.St., Kamer, 51-2773/001, 22).
Niet zonder relevantie verwijst de geïntimeerde ook naar de rubrieken XXXII en XXXIII van tabel A, alsook naar rubriek X van tabel B van de bijlage bij het KB/BTW.
Rubriek XXXII van tabel A voorziet in het gunsttarief (6%) voor werken in onroerende staat aan 'privéwoningen voor gehandicapten' verricht aan "een woning die, in ieder geval na de uitvoering ervan, specifiek aangepast is om door een gehandicapte als privéwoning te worden gebruikt". Rubriek XXXIII van tabel A regelt het gunsttarief (6%) voor 'Instellingen voor gehandicapten', dit zijn "woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor huisvesting van gehandicapten", waarbij de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een erkende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die een instelling beheert die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, personen met een handicap huisvest. Met andere woorden wordt, met betrekking tot de huisvesting voor gehandicapten, een onderscheid gemaakt naargelang het type gebouw: gaat om een privéwoning, dan geldt de regeling van rubriek XXXII; gaat het om een woningcomplex bestemd voor huisvesting van gehandicapten waarbij de bestemmeling van de handelingen een erkende instelling is die een collectieve vorm van dergelijke huisvesting organiseert, dan geldt de regeling van rubriek XXXIII.
Rubriek X van tabel B voorziet in een gunsttarief (12%) voor 'huisvesting in het kader van het sociaal beleid' voor bepaalde types van (sociale) 'privéwoningen' enerzijds en voor 'woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, leerlingen en studenten, minderjarigen, thuislozen, personen in moeilijkheden, personen met een psychische stoornis, mentaal gehandicapten en psychiatrische patiënten' anderzijds, waarbij de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan erkende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die instaan voor het beheer van o.a. jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, minderjarigen huisvesten. Ook onder deze rubriek wordt dus voor de toepassing van het gunsttarief voor 'huisvesting in het kader van het sociaal beleid', een onderscheid gemaakt tussen privéwoningen en woningcomplexen.
Uit het bovenstaande vloeit voort dat de bijlage bij het KB/BTW nr. 20 een divers geheel aan verwante, of zelfs gelijklopende uitdrukkingen en criteria bevat die niet steeds consequent doorgetrokken worden en die niet los kunnen gezien worden van het specifieke stelsel waarop ze betrekking hebben. De appellante kan dan ook niet gevolgd worden in haar redenering dat voor de toepassing van rubriek XXXVII, naar analogie met rubriek XXXI, onder andere de jeugdbeschermingstehuizen automatisch voldoen aan de definitie van het uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privéwoning, indien en voor zover het gebouw in kwestie gebruikt wordt voor daadwerkelijke huisvesting.
De verwijzing van de appellante naar de rulingpraktijk van de Dienst Voorafgaande Beslissingen is niet dienstig. De door de appellante aangehaalde voorbeelden betreffen de toepassing van rubriek XXXI en kunnen, zoals uiteengezet, niet per analogie doorgetrokken worden naar rubriek XXXVII.
Gelet op de gewoonlijke terminologische betekenis in de uitdrukking 'uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privéwoning', op de basisdoelstelling van rubriek XXXVII 'afbraak en heropbouw van gebouwen in stadsgebieden' die niet bestaat in het creëren van een verlaagd btw-tarief voor werken in onroerende staat binnen het zorgwoonaanbod en op het criterium van onderscheid zoals dat naar voor komt uit het administratief standpunt ET.112.400 en het antwoord van de minister van financiën van 15 mei 2008 op de voormelde parlementaire vraag, is het de vraag of de kwestieuze verblijfsinrichting van de appellante uitsluitend of hoofdzakelijk aangewend wordt voor 'duurzame huisvesting (mogelijks in collectieve vorm) in beslotenheid en eigenheid' dan wel dan wel of het verblijf kadert in (en dus ondergeschikt is aan) het verlenen van zorg of het verstrekken van bijkomende diensten. Enkel in het eerste geval kan de appellante aanspraak maken op toepassing van het verlaagde tarief van 6%.
4.2.3. Er wordt niet getwist over de feitelijke invulling van het gebouw. Aangenomen kan worden dat het gebouw een daadwerkelijke woonfunctie vervult voor kinderen in problematische opvoedingssituaties die bij de appellante geplaatst worden door de jeugdrechtbank en/of het Agentschap Jeugdhulp voor een (soms langdurig) residentieel verblijf aldaar. In het gebouw, dat is opgesplitst in drie onderscheiden afdelingen, krijgen de kinderen hun persoonlijke slaapkamer en worden zij toegewezen aan een leefgroep, waarbij zij dagelijks en de klok rond begeleid worden. Aangenomen kan ook worden dat het gehele gebouw ingericht is met het oog op dergelijk langdurig verblijf in leefgroepen, waarbij andere aspecten van de hulpverlening, opvang en begeleiding die de appellante aanbiedt, georganiseerd worden vanuit en in het naburige multifunctionele gebouw van de appellante.
Waar er geen betwisting bestaat over de daadwerkelijke invulling van het betrokken gebouw, is het niet dienstig om een plaatsbezoek te organiseren overeenkomstig artikel 1007 e.v. Ger.W. De vordering in subsidiaire orde van de appellante in dat verband wordt afgewezen.
Niettegenstaande de residentiële functie die het wooncomplex onmiskenbaar heeft, kan men er niet aan voorbij dat de kerntaak van de appellante als erkende organisatie van bijzondere jeugdzorg erin bestaat om hulpverlening te organiseren voor kinderen, jongeren en hun gezin bij problematische opvoedingssituaties (zie artikel 3 van de statuten van de appellante). De hulpverlening kan residentieel, semi-ambulant of ambulant zijn, waarbij de georganiseerde bewoning in leefgroepen een (weliswaar intensieve) begeleidingsmodaliteit is van het uitgetekende, geïndividualiseerde zorgtraject. Uit een visienota van de appellante blijkt dat zij in haar werkwijze de jongere en diens problematische context, (mogelijks) evoluerende hulpvraag en welzijn centraal stelt, waarop zij oplossingsgericht en modulair inspeelt en zorg op maat aanbiedt, waaronder dus het (desgevallend langdurig) residentieel verblijf. Daarbij wordt ook voorzien in gedifferentieerde verblijfsmodules, van crisisverblijf of -opvang over een (desgevallend gemoduleerd) verblijf gericht op terugkeer tot een 'warm' (semi)permanent verblijf, met veel zorg voor leefgroepwerking en een volgehouden aanklampen van de oorspronkelijke context.
Uit dit alles komt naar voor dat, zelfs (en misschien zelfs voornamelijk) in een langdurig residentiële setting binnen de wooninrichting van de appellante, de bewoning niet losgekoppeld wordt/kan worden van de zorg die centraal staat. Terecht wordt in het tussenvonnis van de eerste rechter van 21 juni 2021 en in de besluiten van de partijen gewag gemaakt van 'integrale jeugdzorg met huisvesting', in die volgorde. In dat verband kan verwezen worden naar een aantal voorbeelden van beslissingen inzake jeugdhulp die de appellante zelf bijbrengt (stukken 8-11 van de appellante). In een beslissing werd een hulpvraag gekaderd in 'een psychische stoornis: gedrags- en emotionele stoornissen' waarbij een perspectiefbiedend verblijf voor een minderjarige van 0 tot 12 jaar met hoge of lage frequentie werd vooropgesteld. Het duurzaam huisvesten van een jong kind met een dergelijke problematiek kan niet anders dan kaderen binnen een geïndividualiseerd zorgtraject, waarbij niet het verschaffen van bewoning centraal staat, maar wel het aanbieden van de nodige zorg op maat binnen een residentiële context. Een dergelijke 'bewoning' kan ook nooit privé zijn in die zin dat ze los zou kunnen komen of gezien worden van (de inmenging van) het overkoepelende zorgtraject dat eraan gekoppeld is. In een andere beslissing wordt een mogelijk verblijf verbonden aan een voorafgaande 'handelingsgerichte diagnostiek'. Ook dit geeft aan dat het verblijf een modaliteit van een zorgdiagnose is en niet centraal staat in de dienst die aan de jongere verstrekt wordt. In de bijgebrachte beslissingsbrieven wordt kenschetsend ook melding gemaakt van 'hulp met verblijf.
Waar de stelling van de appellante dat het niet is omdat men collectief woont dat er geen uitsluitende of hoofdzakelijke privébewoning zou kunnen zijn op zich correct is, bewijst de appellante evenwel niet en is het ook niet aannemelijk dat de zorgverstrekking op enig ogenblik dermate beperkt is dat het wooncomplex beschouwd kan worden als uitsluitend of hoofdzakelijk gericht op (een collectieve vorm van) privébewoning (onder begeleiding). In tegendeel, uit de visienota van de appellante blijkt dat de appellante zich tot doel stelt op maat en aanklampend te werken naar de oorspronkelijke context toe, waaruit volgt dat, indien een zorgproblematiek opgelost kan worden, een terugkeer naar huis en dus een einde van het verblijf het doel is. Privébewoning zonder bijkomende zorg en begeleiding lijken derhalve niet besloten in de visie en werking van de appellante.
Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de bewoning door de jongeren overkoepeld wordt door en niet losstaat van een centraal staand zorgtraject. Minstens wordt het tegendeel niet aangetoond. Bijgevolg bewijst de appellante evenmin dat er, zelfs in het betrokken residentiële gebouw dat een uitgesproken residentiële functie heeft, sprake is van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik voor (een collectieve vorm van) privébewoning onder begeleiding, binnen een eigen beslotenheid. Het gaat daarentegen om een zorginrichting met collectieve bewoning. Noch de onbetwist lange duur van sommige residentiële begeleidingstrajecten, noch de vaststelling dat sommige kinderen ook effectief gedomicilieerd worden op het adres van de appellante en de wooninrichting van de appellante mogelijks hun enige 'thuis' kunnen noemen, doen afbreuk aan het bovenstaande.
Besloten dient te worden dat de appellante niet bewijst dat de wooninrichting aan de ... in Kortrijk, na het uitvoeren van de werken van afbraak en heropbouw, uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning in de zin van rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/BTW nr. 20.
Het hoger beroep is ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.
5.1. Wat het rolrecht betreft
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft
De geïntimeerde vraagt een rechtsplegingsvergoeding voor een vordering die niet in geld waardeerbaar is. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag).
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.800,00 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.
De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 1.800,00 EUR.
Beschikkend gedeelte
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
· het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
· het bestreden vonnis wordt bevestigd.
· het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):
bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde:
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.800,00 EUR
Aldus gewezen door de VIJFDE KAMER van het hof van beroep te Gent, recht doende in
fiscale zaken, samengesteld uit:
D. V., kamervoorzitter,
F. C., raadsheer
S. V. H., raadsheer
en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van
31 oktober 2023, bijgestaan door J. D., griffier.
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer
Vonnis van 28/03/2022
Rolnummer: 20/1425/A
In de zaak :
D. K. vzw (KBO: 041...56), met adres te ...,
eisende partij,
voor wie is opgetreden meester V. D. loco meester S. J., advocaat te ...(ref.: ... - …@imposto.be),
tegen :
de BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO te KORTRIJK, met kantoor te 8500 KORTRIJK, Hoverniersstraat 31,
verwerende partij,
voor wie optreedt de heer X, attaché (ref.: X@...).
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 15 juni 2020.
Gelet op het tussenvonnis d.d. 21 juni 2021 van deze rechtbank en kamer.
De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.
Partijen werden gehoord op de zitting van 28 februari 2022.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
De rechtbank verwijst voor de feiten naar de uiteenzetting in haar tussenvonnis d.d. 21 juni 2022.
In haar tussenvonnis d.d. 21 juni 2022 heeft de rechtbank de eis toelaatbaar verklaard en reeds gegrond verklaard in de volgende mate: voor recht gezegd dat dat jeugdbeschermingstehuizen die op duurzame wijze minderjarige huisvesten in dag- en nachtverblijf en hiervoor erkend zijn door de bevoegde overheid, kunnen voldoen aan de voorwaarden gesteld in tabel A, rubriek XXXVII van de bijlage bij het KB nr. 20 van juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, voor zover ook de voorwaarde voldaan is dat het gebouw een woning betreft die uitsluitend dan wel hoofdzakelijk voor privébewoning wordt gebruikt. Gezien eiseres nog niet besloten had omtrent de vraag of het betreffende gebouw een woning is die uitsluitend dan wel hoofdzakelijk voor privébewoning wordt gebruikt, heeft de rechtbank alvorens verder over de grond te oordelen de debatten heropend en partijen gevraagd hieromtrent nog te besluiten.
Na het tussenvonnis werd tussen partijen een plaatsbezoek georganiseerd in het betreffende gebouw van eiseres.
Partijen hebben nadien besloten.
2.Eiseres vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- voor recht wordt gezegd dat het betreffende woongebouw te Kortrijk uitsluitend of minstens hoofdzakelijk voor privé-bewoning wordt gebruikt, zodat voldaan is aan de voorwaarden van rubriek XXXVII van het KB/WBTW nr. 20, tabel A;
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.500,00 EUR.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de grond
De rechtbank heeft in haar tussen vonnis geoordeeld dat jeugdbeschermingstehuizen die op duurzame wijze minderjarige huisvesten in dag- en nachtverblijf en hiervoor erkend zijn door de bevoegde overheid, kunnen voldoen aan de voorwaarden gesteld in rubriek XXXVII, voor zover blijkt dat de woning uitsluitend dan wel hoofdzakelijk voor privébewoning wordt gebruikt.
De rechtbank heeft gevraagd aan partijen om te besluiten omtrent de vraag of het gebouw van eiseres voldoet aan de voorwaarden opgenomen in tabel A, rubriek XXXVII van de bijlage bij het kB nr. 20 van juli 1970 en meer in het bijzonder aan de voorwaarden dat het een woning moet betreffen die uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt.
In rubriek XXXVII van tabel A wordt niet omschreven wat dient verstaan te worden onder een woning die uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning.
In de gewone betekenis is een woning een huis (of een deel van een huis) waarin men woont. Wonen betekent verblijf houden of gehuisvest zijn. Dit houdt een zekere duurzaamheid in.
Bovendien moet de woning uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt worden als privéwoning. Privéwoning duidt erop dat de woning niet zakelijk (bijvoorbeeld beroepshalve) wordt gebruikt maar wel als particulier, voor zichzelf, privé. Het betreft een gebruik door iemand op een vrije wijze met respect voor privacy.
Uit het dossier blijkt dat het gebouw van eiseres wordt gebruikt als wooncomplex (contextgerichte units) voor huisvesting van jongeren in het kader van jeugdzorg. De jongeren verblijven in de verblijfunits in functie van een terugkeer naar hun eigen thuis. De jongeren verblijven in leefgroepen al naar gelang het begeleidingstraject. Uit de besluiten van partijen blijkt dat het gebouw is opgedeeld in afgescheiden koepels. Per koepel bestaat het gebouw uit een inkomhal (met kasten en kapstokken voor elke resident), een leefruimte (met openzithoek, open keuken, open speelhoek en open studiehoek), een ontvangstruimte, een polyvalente ruimte, individuele slaapkamers, badkamers, een gezamenlijke wasplaats (met wasmachine en droogkast), een bergruimte (voor fietsen, vuilnisbakken,...) en een kamer voor de begeleider. Een leefgroep wordt steeds bijgestaan door een begeleider (ook 's nachts). Naast de begeleider wordt er in het kader van de begeleiding ook een zorgcoördinator aangesteld. Aan de start van het begeleidingsproject worden met elke jongere afspraken gemaakt omtrent bijvoorbeeld het gebruik van gsm of het tijdstip van gaan slapen. Verder is er een huishoudelijk reglement waaraan elke jongere zich dient te houden. Er zijn afspraken betreffende het gebruik van tabak en alcohol. In overleg met de jongere en de ouders wordt een bezoekregeling uitgewerkt. Overdag gaan de jongeren normaal gezien naar school of hebben ze werkopdrachten. Elke jongere mag zijn slaapkamer zelf inrichten. De begeleider, directie en het onderhoudspersoneel kunnen elke slaapkamer betreden voor onderhoud of controle (eventueel met afspraken). In noodsituatie kunnen de slaapkamers onmiddellijk betreden worden.
Alhoewel het een gebouw betreft voor het verblijf van jongeren, betreft het duidelijk geen woning die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als privéwoning. Het betreft daarentegen een collectieve verblijfsinstelling met zorgverstrekking. De zorgverstrekking (het begeleidingsproject met als doel terugkeer naar hun eigen thuis) heeft tot gevolg dat de jongeren (die in leefgroepen zijn opgedeeld) de verblijfsruimtes (ongeacht of deze gemeenschappelijk zijn of door hen alleen worden gebruikt) niet op vrije wijze kunnen gebruiken en steeds worden begeleid. Er zijn afspraken over alles en nog wat. De jongeren moeten zich aan deze afspraken houden, zo niet worden ze (tijdelijk) uit de leefgroep verwijderd of krijgen ze een straftaak.
De rechtbank is van oordeel dat het gebouw van eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20. Het betreft namelijk geen woning die uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning.
De eis is derhalve ongegrond.
B. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1° lid GerW de gerechtskosten dragen.
Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat, zodat hij geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-
Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG ACHTENTWINTIG MAART
TWEEDUIZEND TWEEËNTWINTIG waar zitting hadden:
L. D. P., rechter;
N. L., griffier.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.