Tarief, Verlaagde btw-tarief van 6% · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie Brussel 20 november 2025

Zoeken

Tarief, Verlaagde btw-tarief van 6%

https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-verlaagde-btw-afbraak-heropbouw-cassatie-brussel-2025-11-20-e477

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Zetel
Brussel
Datum
20 november 2025

Procesverloop

2 stappen · 2 jaar
  1. Bestreden beslissingHof van beroep te Gent31.10.2023
  2. Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België20.11.2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

71 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 20.11.2025

Finality 55174706/01 WF WF 714-15-20/036658

[ Gunstig arrest voor de Belgische Staat ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Tarief - Verlaagde btw-tarief van 6% - Afbraak en heropbouw van gebouwen

Wettelijke bepalingen

Artikel 1 KB nr. 20 van 20 juli 1970 - Rubriek XXXVII van Tabel A van het koninklijk besluit nummer 20 van 20 juli 1970

Samenvatting van het arrest

1. Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige is krachtens artikel 44, § 2 WBTW vrijgesteld voor haar dienstverlening kaderend in de erkende jeugdzorg. Zij is erkend binnen het Agentschap Jongerenwelzijn van de Vlaamse Overheid.

De belastingplichtige heeft een bouwproject gerealiseerd waarbij enerzijds een gebouw voor administratieve diensten e.d. en anderzijds een wooninrichting gericht op het permanent verblijf van jongeren, afgebroken en heropgebouwd werd.

De belastingplichtige verzocht de administratie om voor wat betreft de wooninrichting toepassing te mogen maken van het verlaagde btw-tarief van 6%, op grond van tabel A, rubriek XXXVII, KB nr. 20.

De administratie wees door middel van een beslissing het verzoek af.

Tegen deze beslissing legde tegenpartij een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

De eerste rechter oordeelde dat de vordering van de tegenpartij ontvankelijk maar ongegrond is. Tegen dit vonnis ging tegenpartij in hoger beroep.

Het hof van beroep oordeelde dat waar het normale btw-tarief 21% bedraagt het toekomt aan de belastingplichtige die aanspraak maakt op het uitzonderingstarief van 6%, om te bewijzen dat de genoemde verblijfsinrichting een woning betreft die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt.

Niettegenstaande de residentiële functie die het wooncomplex onmiskenbaar heeft, kan men er niet aan voorbij dat de kerntaak erin bestaat om hulpverlening te organiseren voor kinderen, jongeren en hun gezin bij problematische opvoedingssituaties. Zelfs in een langdurig residentiële setting kan de bewoning niet losgekoppeld worden van de zorg die centraal staat. De bewoning door de jongeren wordt overkoepeld door en staat niet los van een centraal staand zorgtraject. Bijgevolg bewijst de belastingplichtige niet dat er sprake is van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik voor privébewoning onder begeleiding. Het gaat daarentegen om een zorginrichting met collectieve bewoning. De belastingplichtige bewijst niet dat de wooninrichting, na het uitvoeren van de werken van afbraak en heropbouw, uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning in de zin van rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/BTW nr. 20.

De belastingplichtige diende een cassatieberoep in tegen dit arrest.

2. Het arrest van het Hof van Cassatie

Eerste en enige middel

Eiseres in cassatie voert in het eerste onderdeel aan dat de appelrechters onterecht oordelen dat jeugdbeschermingstehuizen uitgesloten zijn van de toepassing van rubriek XXXVII van tabel a bij KB nr. 20.

Het Hof oordeelt dat de appelrechters niet hebben geoordeeld dat jeugdbeschermingstehuizen uitgesloten zijn van de toepassing van rubriek XXXVII van tabel A bij KB nr. 20 maar wel dat de betrokken wooninrichting in casu niet uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt in de zin van voormelde rubriek. Het onderdeel, dat berust op een onjuiste lezing van het arrest mist feitelijke grondslag.

Wat het tweede onderdeel betreft oordeelt het Hof dat uit de samenhang van de bepalingen vervat in Rubriek XXXI, § 1, 1°, Rubriek XXXI, § 1, 4° en Rubriek XXXI, § 2, 3° van tabel A bij KB nr. 20 niet volgt dat de huisvesting van minderjarigen door erkende jeugdbeschermingstehuizen steeds voldoet aan vereiste van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik van het kwestieuze gebouw als privéwoning. Het blijft vereist dat het daadwerkelijke gebruik wordt getoetst aan de vereiste van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privéwoning in de zin van de voormelde rubriek XXXI, § 1, 1°.

Het cassatieberoep werd verworpen.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 20.11.2025

Nr. F.24.0062.N

X., met zetel te …, ingeschreven bij de KBO onder het nummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiezen,

tegen

BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 31 oktober 2023.

Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 22 oktober 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

- De eiseres die aanspraak maakt op het uitzonderingsbtw-tarief van 6pct dient te bewijzen dat de verblijfsinrichting een woning betreft die, na uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt in de zin van rubriek XXXVII, tweede lid, 1°, van tabel A van de bijlage bij het KB/BTW nr. 20;

- Deze bestemmingsvoorwaarde op een identieke wijze is geformuleerd in rubriek XXXI van voormelde tabel, die eveneens voorziet in een verlaagd btw-tarief voor werken met betrekking tot een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt;

- De bijlage bij het KB/BTW nr. 20 evenwel een divers geheel aan verwante, of zelfs gelijklopende uitdrukkingen en criteria bevat die niet steeds consequent doorgetrokken worden, zodat de eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling van voor de toepassing van rubriek XXXVII, naar analogie met rubriek XXXI, de jeugdbeschermingshuizen automatisch voldoen aan de definitie van het uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privéwoning, in dien en voor het zover het gebouw in kwestie gebruikt wordt voor daadwerkelijke huisvesting;

- De uitdrukking “gebruik als privéwoning” als dusdanig niet wordt gedefinieerd in de rubrieken noch elders in het KB, zodat het past terug te grijpen naar de gewoonlijke betekenis van de termen ervan;

- Vereist is dat het woongebouw na de uitvoering van de werken uitsluitend dan wel hoofdzakelijk wordt aangewend voor duurzame huisvesting in beslotenheid en eigenheid, waarbij ook collectieve vormen van bewoning een vorm van privébewoning kunnen uitmaken.

- Gelet op de gewoonlijke terminologische betekenis van de uitdrukking “uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privéwoning”, alsook op de basisdoelstelling van rubriek XXXVII die niet bestaat in het creëren van een verlaagd btw-tarief voor werken in onroerende staat binnen het zorgaanbod, dient te worden nagegaan of de verblijfsinrichting van de eiseres uitsluitend of hoofdzakelijk aangewend wordt voor “duurzame huisvesting (mogelijks in collectieve vorm) in beslotenheid en eigenheid”, dan wel of het verblijf kadert in, en dus ondergeschikt is aan, het verlenen van zorg of het verstrekken van bijkomende diensten;

- Niettegenstaande de residentiële functie die het wooncomplex onmiskenbaar heeft, men niet eraan voorbij kan dat de kerntaak van de eiseres als erkende organisatie van bijzondere jeugdzorg erin bestaat om hulpverlening te organiseren voor kinderen en hun gezin bij problematische opvoedingssituaties;

- Zelfs, en misschien wel voornamelijk, in een langdurige residentiële setting binnen de wooninrichting van de eiseres, de bewoning niet losgekoppeld wordt of kan worden van de zorg die centraal staat; immers niet het verschaffen van bewoning centraal staat, maar wel het aanbieden van de nodige zorg op maat binnen een residentiele context;

- Een dergelijke ‘bewoning’ ook nooit privé kan zijn in die zin dat ze los zou kunnen komen of gezin worden van de inmenging van het overkoepelende zorgtraject dat eraan verbonden is.

- Hoewel het gegeven dat men collectief woont op zich niet uitsluit dat er uitsluitende of hoofdzakelijke privébewoning kan zijn, de eiseres niete bewijst dat de zorgverstrekking op enig ogenblik dermate beperkt is dat het wooncomplex beschouwd kan worden als uitsluitend of hoofdzakelijk gericht op een collectieve vorm van privébewoning onder begeleiding, binnen een eigen beslotenheid;

- De eiseres bijgevolg niet bewijst dat de betrokken wooninrichting, na het uitvoeren van de werken van afbraak en heropbouw, uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning in de zin van rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/BTW nr. 20.

2. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de jeugdbeschermingstehuizen steeds uitgesloten zijn van de toepassing van de rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/BTW nr. 20, maar wel dat de betrokken wooninrichting van de eiseres in casu niet uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt in de zin van voormelde rubriek.

Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Rubriek XXXI, § 1, 1°, van tabel A van de bijlage bij het KB/BTW nr. 20, zoals van toepassing, bepaalt betreffende de renovatie van privéwoningen dat handelingen van omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud, onderworpen worden aan het verlaagd btw-tarief indien zij betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt.

Rubriek XXXI, § 1, 4°, van voormelde tabel stelt als bijkomende voorwaarde dat de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindgebruiker.

Rubriek XXXI, § 2, 3°, van voormelde tabel merkt aan als “eindgebruiker” in de zin van deze bepaling, jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf minderjarigen huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid in het kader van de wetgeving op de jeugdbescherming of de bijzondere jeugdzorg.

4. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt niet dat de huisvesting van minderjarigen door erkende jeugdbeschermingstehuizen steeds voldoet aan de vereiste van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik van het kwestieuze gebouw als privéwoning. Vereist blijft dat het daadwerkelijke gebruik wordt getoetst aan de vereiste van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privéwoning in de zin van de voormelde rubriek XXXI, § 1, 1°.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 221,36 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 20 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael.

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

Finality 55174706/01 WF WF 714-15-20/036658

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 20 art. 12 voorkomens
WBTW art. 441 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8