Tarief, Btw-tarief van 6 %, gebouwd onroerend goed · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 2022/AR/421 10 oktober 2023

Zoeken

Tarief, Btw-tarief van 6 %, gebouwd onroerend goed

https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-btw-gebouwd-onroerend-goed-hof-van-beroep-gent-2023-10-8edc

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Rolnummer
2022/AR/421
Datum
10 oktober 2023

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

184 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep Gent d.d. 10.10.2023 (2022/AR/421)

Finaliti 54296572/01 WF 708-15-21/014812

Zie ook: Arrest van het Hof van Cassatie F.24.0044.N

Zie ook: Vonnis rechtbank van eerste aanleg: 21/258/A

Belasting over de toegevoegde waarde – Tarief – Verlaagde btw tarief van 6% - Levering gebouw – Vrijstelling van btw – Diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met onderwijs

Samenvatting

1. Feiten en voorgaande procedure

Het bestuur van een West-Vlaamse stad bouwde een nieuwe buitenschoolse kinderopvang op een locatie waar zich geen eigenlijke schoolinfrastructuur bevindt. Het baat deze opvang zelf uit ten behoeve van leerlingen van alle kleuter- en lagere scholen in de stad en staat tevens in voor het busvervoer. De facturen voor de werken in onroerende staat werden opgesteld met verlegging van heffing. Het bestuur paste daarbij het verlaagd btw-tarief van 6% toe op grond van rubriek XL, 1° van tabel A bij KB nr. 20. Na een fiscale controle oordeelde de administratie dat dit verlaagd tarief ten onrechte was toegepast en stelde zij een proces-verbaal van regularisatie op. Daarop stelde het stadsbestuur een vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. De eerste rechter volgde het standpunt van de administratie en oordeelde dat het gebouw niet voldoet aan de voorwaarden van rubriek XL, 1° van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20. Tegen dit vonnis tekende het stadsbestuur hoger beroep aan. In hoger beroep werd de vordering van het stadsbestuur echter gegrond verklaard. Het hof van beroep oordeelde onder meer dat de buitenschoolse kinderopvang, die het stadsbestuur in het betwiste gebouw organiseert voor schoolkinderen, nauw samenhangt met de op grond van artikel 44, § 2, 4°, a) WBTW vrijgestelde onderwijsprestaties. Bijgevolg werd het verlaagd btw-tarief van 6% terecht toegepast. De fiscale administratie diende een cassatieberoep in tegen dit arrest.

2. Het arrest van het Hof van Cassatie

Eerste en enige middel

Volgens eiseres in cassatie heeft de appelrechter niet wettig geoordeeld dat verweerster met reden het verlaagd btw-tarief van 6% heeft toegepast op grond van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20.

In het eerste onderdeel stelt eiseres in cassatie dat het verlaagd btw-tarief van 6% niet van toepassing is omdat de buitenschoolse kinderopvang die verweerster aanbiedt niet ‘nauw samenhangt’ met de dienst van het vrijgestelde onderwijs in de zin van artikel 44, § 2, 4°, a) WBTW. De organisatie van de buitenschoolse kinderopvang is niet noodzakelijk voor het verrichten van de op grond van artikel 44, § 2, 4°, a) WBTW vrijgestelde onderwijsprestaties.

In het tweede onderdeel voert eiseres in cassatie aan dat verweerster niet kan beschouwd worden als een instelling of organisatie zoals bedoeld in artikel 44, § 2, 4°, a) WBTW.

Tot slot stelt eiseres in cassatie dat het betwiste onroerend goed is opgericht op een locatie waar geen school is gevestigd en waar bijgevolg geen onderwijsactiviteiten plaatsvinden. Aangezien het gebouw functioneel niet verbonden is met een schoolinrichting, kan er volgens eiseres in cassatie geen sprake zijn van een dienst die ‘nauw samenhangt’ met de dienst van onderwijs.

Wat betreft het eerste onderdeel oordeelde het Hof van Cassatie dat de appelrechter zijn beslissing naar recht heeft verantwoord. De appelrechter stelde dat de dienst van buitenschoolse kinderopvang, die verweerster aanbiedt, nauw samenhangt met de dienst van onderwijs die wordt aangeboden aan schoolkinderen en dat verweerster bijgevolg terecht aanspraak maakt op het verlaagd btw-tarief.

Wat betreft het tweede onderdeel is het Hof van Cassatie van oordeel dat verweerster, die een centrale buitenschoolse kinderopvang organiseert voor alle schoolkinderen, moet worden beschouwd als een organisatie in de zin van artikel 44, § 2, 4°, a) WBTW.

Wat betreft het derde onderdeel oordeelt het Hof van Cassatie dat noch uit de wetsbepalingen, noch uit de in rechtsoverweging 4 vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een dienst of levering op dezelfde locatie als de hoofdactiviteit moet plaatsvinden om te kunnen worden aangemerkt als ‘nauw samenhangend’ in de zin van artikel 132, lid 1, i) van Richtlijn 2006/112 en artikel 44, §2, 4°, a) WBTW.

Het cassatieberoep werd verworpen.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Gent

Arrest

Vijfde kamer

10.10.2023

2022/AR/421

2022/AR/421 - In de zaak van:

STAD V., ON …,

College van Burgemeester en Schepenen, met burelen te …

appellante, van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, 10e kamer, dd. 31.01.2022, 21/258/A

hebbende als raadsman mr. DEFOOR Wim, advocaat te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 57¬59

tegen

BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. BRICOUT Tine, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A en mr. DECORDIER Carmenta, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 4 april 2023, waarvan het dictum als volgt luidt:

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

•het hoger beroep is ontvankelijk;

•alvorens over de grond van het hoger beroep uitspraak te doen laat het hof de partijen toe om in conclusies hun standpunt te formuleren wat betreft de hogervermelde vraag;

•de zaak wordt in voortzetting gesteld op de zitting van dinsdag twaalf september 2023 om 13:45 uur;

•het hof bepaalt dat, behoudens afwijkend akkoord tussen de partijen, de conclusies van de partijen ter griffie zullen moeten voorgelegd worden, dit met toepassing van artikel 747 §2 Ger. W.,

- door de appellant ten laatste op 25 april 2023;

- door de geïntimeerde ten laatste op 29 mei 2023;

- door de appellant ten laatste op 28 juni 2023 en

- door de geïntimeerde ten laatste op 31 juli 2023;

•het hof houdt de uitspraak over de regeling van de gerechtskosten ondertussen aan.

De partijen hebben conclusies neergelegd en de zaak en hun middelen en besluiten met betrekking tot het onderwerp dat het voorwerp uitmaakt van de heropening van het debat zoals beslist in het tussenarrest voorgedragen in de openbare terechtzitting van 12 september 2023, waarna het debat opnieuw werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak opnieuw in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2.De relevante feiten en de voorafgaande procedure

Het hof herhaalt voor de goede orde het feitenrelaas vermeld in zijn tussenarrest van 4 april 2023:

De appellant is een stad.

Hij heeft een nieuwe buitenschoolse kinderopvang gebouwd op een locatie waar zich geen eigenlijke schoolinfrastructuur bevindt. De buitenschoolse kinderopvang wordt door de appellant zelf uitgebaat. Hij zorgt voor busvervoer waarmee de kinderen van en naar verschillende scholen op zijn grondgebied kunnen worden opgehaald en gebracht.

De facturen voor de ‘werken in onroerende staat’ met betrekking tot het gebouw werden aanvankelijk opgemaakt met verlegging van de heffing naar de medecontractant. De appellant boekte die facturen in met 21% verschuldigde btw zonder uitoefening van een recht op aftrek en droeg op die manier de btw af aan de Schatkist.

Omdat de appellant van oordeel was dat de bouw van de buitenschoolse kinderopvang, bij toepassing van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 inzake btw-tarieven onder het tarief van 6% valt, heeft hij die facturen uitgeboekt (met opname in het rooster 62 van de btw-aangifte) en opnieuw ingeboekt aan het verlaagde tarief van 6%.

Na een controle hebben controleagenten van de geïntimeerde op 27 januari 2020 een correctieopgave naar de appellant gestuurd om de — volgens hen onterechte - toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% te regulariseren. Hun stelling was dat de uitgevoerde werken in onroerende staat op grond van artikel 37 en 38 WBTW en het K.B. nr. 20 moeten gefactureerd worden met toepassing van het btw-tarief van 21%.

Op 4 maart 2020 liet de appellant weten niet akkoord te gaan.

Op 25 juni 2020 heeft de geïntimeerde op grond van de door hem vastgestelde inbreuken wat betreft de toepassing van het tarief een proces-verbaal opgemaakt. Daarin werd voor 148.428,17 euro btw en een verminderde geldboete van 14.840,00 euro verschuldigd verklaard (schuldnummer …).

Met een verzoekschrift van 2 februari 2021 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 31 januari 2022 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg

West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten

laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt nog steeds aan het hof om:

Het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en dienovereenkomstig:

Het bestreden vonnis zoals verleend door de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, sectie burgerlijke rechtbank, 10de Kamer, op de terechtzitting van 31 januari 2022, in de zaak met rolnummer 21/258/A gewezen tussen appellante en geïntimeerde te hervormen; Opnieuw wijzende:

- In hoofdorde: de bestreden fiscale schuld (BTW) zoals opgenomen en uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister btw met schuldnummer 500228425474 te vernietigen en/of te ontheffen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn,

- In ondergeschikte orde: de behandeling van de zaak te schorsen en de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie: "Valt de organisatie van buitenschoolse kinderopvang van kinderen van inwoners van de stad V. die onderwijs volgen in de onderwijsinstellingen in het centrum van de stad … in een gebouw dat exclusief hiervoor bestemd is en waar deze kinderen huiswerk kunnen maken onder het begrip "school- of universitair onderwijs (met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hiermede nauw samenhangen)" van artikel 132, lid 1, onder i) van richtlijn (2006/112)" ?

- In uiterst ondergeschikte orde: de administratieve geldboete van 10 % te vernietigen en/of te ontheffen (of minstens kwijt te schelden of uit te stellen).

De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan appellante van alle bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten, die reeds door appellante zouden zijn betaald of door de Belgische Staat zouden zijn ingehouden ter delging van de beweerde fiscale schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de dag van de betaling, te kapitaliseren overeenkomstig artikel 1154 B.W.;

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de vaste bijdrage voor de juridische tweedelijnsbijstand (inwerkingtreding op 1 mei 2017 van de wet van 19 maart 2017), zowel in eerste aanleg (20,00 EUR) als in graad van hoger beroep (22,00 EUR), evenals de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in graad van hoger beroep, overeenkomstig het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 9 november 2007) (basisbedrag — ad 7.000,00 EUR).

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt nog steeds aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

Het incidenteel verzoek van appellante tot het stellen van een prejudiciële vraag af te wijzen;

Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen.

Appellante tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, begroot aan de zijde van de

Belgische Staat op 7.500,00 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in

graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4. De betwistingen en hun beoordeling

Het hof heeft in zijn tussenarrest het debat heropend nadat het de volgende overwegingen heeft gemaakt (citaat).

4.1. Over het toepasselijke btw-tarief

Er bestaat geen betwisting over dat het gebouw waarvoor de werken zijn uitgevoerd en waarop de facturen betrekking hebben die aan de grondslag liggen van de btw-schuld van de appellant, werd opgetrokken op een plaats waar zich geen enkele school of andere onderwijsinstelling bevindt. Het gebouw is ook uitsluitend bestemd en aangewend om buiten de schooluren schoolgaande kinderen op te vangen.

Wat de tarieven betreft kan gewezen worden op de volgende bepalingen:

Artikel 1 van KB nr. 20, van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, waarvan de tekst als volgt luidt:

Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het

Wetboek bedraagt 21 pct.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van:

a) 6 pct. voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft;

b) 12 pct. voor de goederen en diensten opgenomen in tabel B van de bijlage bij dit besluit.

In de tabel A van de bijlage leest men onder rubriek XL met titel 'Gebouwen bestemd voor onderwijs en leerlingenbegeleiding':

Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op (met eigen onderstreping door het hof):

1° de leveringen van gebouwen, bestemd voor het school- of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Wetboek is vrijgesteld, alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 10, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld;

2° de levering van gebouwen bestemd voor de psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding, die op grond van artikel 44, § 2, 2°, tweede lid, zesde streepje, van het Wetboek zijn vrijgesteld alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 10, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld;

3° het werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Wetboek, met uitsluiting van de reiniging, en de andere handelingen bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, met betrekking tot de onder 1° en 2° genoemde gebouwen;

4° de in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek bedoelde onroerende financieringshuur of onroerende leasing die betrekking heeft op de in de bepalingen onder 1° en 2° genoemde gebouwen.

4.1.1. Kinderopvang is geen onderwijs - gevolgen

Het verstrekken van de dienst van buitenschoolse kinderopvang van schoolkinderen is te onderscheiden van die van het verstrekken van onderwijs. Een dergelijke kinderopvang strekt er immers niet toe om onderwijs te verstrekken. Het gaat in essentie om het, onder toezicht, laten verblijven van schoolkinderen op een veilige plaats voor de tijd, buiten de schooltijd, dat die kinderen niet meer ('s morgens) of nog niet ('s avonds) thuis terechtkunnen, in de regel omdat hun ouders, grootouders of anderen bij wie ze verblijven of wonen op dat moment de opvang en het toezicht niet kunnen waarnemen.

Het van de btw vrijgestelde `school- of universitair onderwijs' dat hier bedoeld wordt, is gekenmerkt door het verstrekken van 'onderricht en dus op leeroverdracht'. Volgens het Hof van Justitie verwijst het begrip "school of universitair onderwijs" voor de btw-regeling naar een geïntegreerd stelsel van overdracht van kennis en vaardigheden op het gebied van een brede en diverse reeks van onderwerpen, alsmede naar de verdieping en ontwikkeling van die kennis en vaardigheden door de leerlingen en studenten naarmate zij vorderen en zich specialiseren binnen de verschillende niveaus van dit stelsel (HvJ 14 maart 2019 arrest C-449/17, punt 26, via www.curia.eu).

Het enkele feit dat kinderen in de buitenschoolse kinderopvang die door de appellant in het betreffende gebouw wordt ingericht de mogelijkheid bestaat voor de kinderen om er huiswerk te maken, brengt niet mee dat die kinderopvang als `onderwijs' moet worden beschouwd. Zelfs als er toezicht is, is de kinderopvang er niet op gericht om aan de kinderen kennis of vaardigheden over te dragen. Het gaat om een in essentie passieve handeling die geen leeroverdracht inhoudt, noch tot doel heeft (er bestaat geen subjectief recht om een dergelijke leeroverdracht te vragen, ook niet ten aanzien van kinderen die hun huiswerk maken). De eerste vaststelling is dus al zeker dat het gebouw niet als zodanig voor onderwijs gebruikt wordt.

De appellant roept in dat die kinderopvang beschouwd moet worden als een dienst die nauw samenhangt met het onderwijs.

De vrijstelling van artikel 44, § 2, 4°, a WBTW is in het Belgisch recht geïmplementeerd ter uitvoering van artikel 132, 1., sub i, Richtl. 2006/112/EG dat immers de vrijstelling voorschrijft van (met onderstreping door het hof): onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend.

Die bepaling stemt overeen met deze van artikel 13, A, 1., sub i, van de Zesde richtlijn.

Wanneer het verstrekken van de betreffende kinderopvang een dienst is die nauw samenhangt met het onderwijs dat in de scholen waar de kinderen die de appellant in het betreffende gebouw opvangt schoollopen, zou ook die dienst onder de vrijstelling van artikel 44, §2, 4°, a WBTW vallen.

Artikel 134 sub a, Richtl. 2006/112/EG bepaalt het volgende:

Goederenleveringen en diensten zijn in de volgende qevallen van de in artikel 132, lid 1, punten b), g), h), 1), I), m) en n), bedoelde vrijstellingen uitgesloten:

a) wanneer zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen;

b) (...].

Die bepaling stemt overeen met deze van artikel 13, A, 2 sub b, eerste streepje van de Zesde richtlijn.

Welke uitlegging ook aan de uitdrukking "nauw samenhangen" in het kader van artikel 132, 1., sub i, Richtl. 2006/112/EG (of artikel 13, A, lid 1, sub i, Zesde richtlijn) wordt gegeven, artikel 134 sub a, Richtl. 2006/112/EG (of artikel 13, A, lid 2, sub b, Zesde richtlijn) [s]telt voor de vrijstelling hoe dan ook de voorwaarde dat de betrokken leveringen van goederen of diensten onontbeerlijk moeten zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen (HvJ 1 december 2005, Ygeia, C-394/04 en C-395/04, punt 26; HvJ, 9 februari 2006, Stichting Kinderopvang Enschede, C-415/04, punt 25 -via www.curia.eu).

Het hof stelt dan ook vast dat de vraag is of het, voor het verstrekken van onderwijs in de scholen waar de kinderen die de appellant in het betreffende gebouw opvangt schoollopen, onontbeerlijk is om de betreffende opvangdienst aan te bieden.

De partijen hebben daarover in hun conclusies geen standpunt ingenomen.

Om de partijen daartoe de kans te geven, heropent het hof het debat. Voor de goede orde voorziet het hof

ook dwingende conclusietermijnen.

[einde citaat uit het tussenarrest van 4 april 2023]

De partijen hebben in conclusies hun standpunt uiteengezet over de vraag of hier voldaan is aan de vereiste dat `voor het verstrekken van onderwijs in de scholen waar de kinderen die de appellant in het betreffende gebouw opvangt schoollopen, onontbeerlijk is om de betreffende opvangdienst aan te bieden'.

Het hof kan slechts vaststellen dat die voorwaarde wel degelijk vervuld is.

Normen moet worden uitgelegd en begrepen op een manier dat ze zinvol zijn binnen de maatschappelijke context waarvoor ze bedoeld zijn en dus voor de maatschappij die ze (mede-) ordenen.

Die maatschappelijke context is dat schoolgaande kinderen van het kleuter- en lager onderwijs in België in de overgrote meerderheid van de gevallen deel uitmaken van een gezin.

Die gezinnen kunnen klassiek gevormd worden rond een ouderpaar van vader en moeder, maar het kunnen ook een-ouder-gezinnen zijn en/of zogenaamde 'nieuw samengestelde gezinnen' (waarvan de feitelijke organisatie/samenstelling periodiek verschilt omdat de kinderen beurtelings bij de ene dan wel bij de andere ouder en/of grootouder verblijven). Ongeacht de organisatie van het gezin, is het in België (zeker in Vlaanderen, waar de feiten zich situeren) de regel dat ouders van de kinderen die naar de kleuter- of lagere school gaan, uit werken gaan.

Uit werken veronderstelt voor werknemers, maar ook voor vele zelfstandigen (waaronder trouwens de vele zaakvoerders en zaakvoersters vallen van een eenmansvennootschap voor een breed gamma van managementtaken) aanwezigheid op de werkvloer, meestal

- vanaf een uur dat ten laatste samenvalt met de start van de lesuren,

- tot na het uur waarop het laatste lesuur gedaan is (ten vroegste om 15 uur en ten laatste om 17 uur (https://onderwiis.vlaanderen.be/nl/ouders/organisatie-van-de-school/schooljaar-schoolweek-en-schooldag/schooliaar-schoolweek-schooldag-in-het-basisonderwijs), maar in de praktijk is dat, behalve op woensdagen, meestal rond 15:30 uur,

waarbij bovendien voor de meesten een verplaatsing naar en van het werk nodig is (gemiddeld legt volgens een onderzoek van de Antwerp Management School een werknemer in Vlaanderen 22,9 kilometer af om van/naar zijn/haar werk te pendelen en doet hij/zij daar gemiddeld 40,8 minuten over, enkele rit: zie https://www.jobat.be/nl/art/hoe-lang-ziin-we-gemiddeld-onderweg-naar-ons-werk).

In die omstandigheden zijn de ouders van de meeste van die kinderen niet in de mogelijkheid om hun kinderen

- naar de school te brengen op een moment dat voldoende kort gelegen is voor de start van de schooluren waarvoor de leerkrachten toezicht moeten houden (in Vlaanderen is dat 15 minuten voor de eerste les; zie https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/ouders/organisatie-van-de-school/schoollaar-schoolweek-en-schooldag/schooliaar-schoolweek-schooldag-in-het-basisonderwijs

en/of

- af te halen op de school binnen de tijd waarin de leerkrachten na afloop van de laatste les van de dag nog toezicht moeten houden (in Vlaanderen is dat 15 minuten; zelfde bron).

Kinderen van het kleuter- en lager onderwijs hebben in de regel nog niet de leeftijd, noch de rijpheid bereikt die hen toelaat, noch om alleen thuis te kunnen zijn, noch om alleen het traject naar en van de school af te leggen.

Onverminderd de (laatste jaren toegenomen) mogelijkheid die voor sommige werknemers geboden wordt om op sommige dagen thuis te werken, brengt de arbeidssituatie van de meeste ouders (of eventuele anderen bij wie de kinderen wonen en er de zorg voor dragen) mee dat het tegenwoordig praktisch totaal niet haalbaar is om onderwijs voor het kleuter¬en lager onderwijs aan te bieden zonder dat tegelijk een dienst wordt aangeboden die erin bestaat dat voor die kinderen een opvang gebeurt zowel v66r als na het beperkte toezicht dat door de leerkrachten zelf moet worden gehouden.

Het feit dat er ouders (of eventuele anderen bij wie de kinderen wonen en er de zorg voor dragen) zijn die zelf regelingen (kunnen) treffen waarmee hun kind(eren) word(t)(en) opgevangen voor en/of na de schooluren, belet niet dat dit voor velen (wellicht zelfs de meesten) niet mogelijk is en al zeker niet op alle schooldagen. Waar en voor wie onderwijs verplicht is, moeten nochtans gelijke kansen worden geboden.

Zonder dat buitenschoolse kinderopvang structureel georganiseerd wordt en als voor alle kinderen als dienst wordt aangeboden, kan een kleuter- of lagere school momenteel (tegen de geschetste maatschappelijke achtergrond) haar onderwijsopdracht praktisch niet vervullen.

Buitenschoolse kinderopvang voor kleuter- en lager onderwijs is dus 'onontbeerlijk' om dat onderwijs te kunnen aanbieden.

Het is deze achtergrond die ook de Vlaamse decreetgever heeft doen besluiten met betrekking tot de buitenschoolse kinderopvang een regelend kader te voorzien, meer bepaald met het Decreet houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten van 3 mei 2019 (BS 27 juni 2019, 65986). In artikel 3 van dat decreet worden de doelstellingen als volgt verwoord (met onderstreping door het hof):

1° kinderen ontplooiingskansen en speelmogelijkheden aanbieden buiten de schooluren en buiten de middagopvang op school;

2° ouders de kans geven om te participeren aan de arbeidsmarkt of om een opleiding te volgen;

3° sociale cohesie en gelijke kansen bevorderen.

Dat doet besluiten dat de dienst van kinderopvang die door de appellant wordt aangeboden in het onroerend goed waarop het geschil betrekking heeft, `nauw samenhangt met de dienst van het onderwijs' dat wordt aangeboden voor kinderen van de kleuter- en lagere scholen gelegen op zijn grondgebied.

Dat de appellant, als gemeente, een centrale buitenschoolse kinderopvang organiseert voor alle kinderen van het kleuter- en lager onderwijs op zijn grondgebied mag niet verwonderen. Volgens het hogergenoemde decreet komt het precies aan de lokale besturen toe om de regie van de buitenschoolse activiteiten op te nemen (artn. 4 e.v.).

De appellant maakt dan ook met reden aanspraak op het verlaagd tarief van 6% voor de btw die werd geheven op de aan hem verstrekte leveringen en diensten met betrekking tot het gebouw waarin hij voor die kinderen centrale buitenschoolse opvang organiseert.

De vordering van de appellant die ertoe strekt om de bestreden btw-schuld opgenomen en uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister btw met schuldnummer … geheel te ontheffen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn, is dan ook gegrond.

5. De gerechtskosten

5.1. De gerechtskosten voor de eerste aanleg

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in eerste aanleg dragen.

5.1.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

5.1.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

De vordering in eerste aanleg is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (31/01/2022). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 6.500,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De geïntimeerde is voor de procedure in eerste aanleg aan de appellant een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 6.500,00 euro.

5.2. De gerechtskosten voor het hoger beroep

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

5.2.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

5.2.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 7.500,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De geïntimeerde is voor de procedure in hoger beroep aan de appellant een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 7.500,00 euro.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

•het hoger beroep is gegrond;

•het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaart;

•het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellant als volgt gegrond;

- de bestreden btw-schuld opgenomen en uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister btw met schuldnummer 500228425474 wordt geheel ontheven;

- het hof zegt voor recht dat de bedragen die in dat innings- en invorderingsregister werden opgenomen zowel wat betreft de BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn;

- de geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van wat eventueel al op grond van het bedoelde innings- en invorderingsregister. teveel betaald werd, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten;

•het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant:

•bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR

•rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 6.500,00 EUR

•bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 EUR

•rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.500,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 10 oktober 2023.

Aanwezig:

Dries Vandeputte, kamervoorzitter, alleen rechtsprekend

Jenny Dammekens, griffier

Aangehaalde teksten

10

Rechtspraak

2

België

2

Hof van CassatieF.24.0044.N22.01.2026

Verlaagd btw-tarief 6%, Artikel 44, §2, 4°, a) WBTW

Rechtbank van eerste aanleg te Brugge21/258/A31.01.2022

Vrijstelling van Btw, onderwijs, tarief, Btw-tarief van 6 %

Bekijk de 2 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8