Strafrechtelijke sancties, valsheid in geschrifte en gebruik ervan · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie 3 juni 2009

Zoeken

Strafrechtelijke sancties, valsheid in geschrifte en gebruik ervanstrafrechtelijke sancties - valsheid in geschrifte en gebruik ervan

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafrechtelijke-sancties-valsheid-in-geschrifte-cassatie-brussel-2009-06-03-b224

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Datum
3 juni 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

153 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 03.06.2009, Zaak P.08.1732.F

Strafrechtelijke sancties

Valsheid in geschrifte en gebruik ervan

Samenvatting

Terwijl artikel 196 Sw. ertoe strekt het vertrouwen van het publiek in geschriften te beschermen, beoogt artikel 73bis BTW-Wetboek geen bescherming van de openbare trouw maar de specifieke bestraffing van het valse stuk dat tot doel heeft de belastingadministratie te misleiden met het oog op de berekening van de voormelde belasting, de betaling ervan te vermijden of de verplichting daartoe uit te stellen; daaruit volgt dat het gebruik van dat valse belastingstuk voortduurt tijdens het fiscale geschil, wanneer het geen louter verweermiddel is maar ertoe strekt het oogmerk zelf van de valsheid te verwezenlijken (1).

(1) Zie Cass., 13 juni 2006, AR P.06.0306.N, A.C., 2006, nr 327; Cass., 21 mei 2008, AR P.07.1710.F, Pas., 2008, nr 307, met concl. adv.-gen. VANDERMEERSCH.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. P.08.1732.F

K. M. A.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, op

vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de Bijzondere

Belastinginspectie,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel,

correctionele kamer, van 21 oktober 2008.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de tegen de

eiser ingestelde strafvordering

Eerste middel

Ofschoon het tegenstrijdig is om tegelijkertijd dezelfde feiten bewezen te

verklaren onder de ene strafrechtelijke omschrijving en niet bewezen onder een

andere, kan de grief inzake tegenstrijdigheid worden afgewezen wanneer de

redengeving van de beslissing geen enkele twijfel laat bestaan over de wil van de

rechter om de vervolgde persoon uitsluitend voor één kwalificatie te veroordelen,

zodat de anders omschreven feiten op kennelijk overtollige wijze niet bewezen

worden verklaard.

Met overneming van de redenen van de eerste rechter, stelt het arrest vast dat het

openbaar ministerie de feiten van de telastleggingen A en B tegelijkertijd als

gemeenrechtelijke valsheid en als fiscale valsheid heeft omschreven en dat die

feiten beide misdrijven konden opleveren, maar beslist het dat niet is bewezen dat

de eiser de bedoeling zou hebben gehad om anderen dan de belastingadministratie

te misleiden.

Wanneer de wetgever, in een bijzondere bepaling, afwijkt van de straf op valsheid

in geschriften, die in algemene bewoordingen in artikel 196 Strafwetboek is

bepaald, is doorgaans die bijzondere bepaling van toepassing, met uitsluiting van

alle overige bepalingen.

Op grond van de voormelde overweging van het arrest sluiten de appelrechters

dus de toepassing uit van de gemeenrechtelijke valsheid, die over het algemeen

een misdrijf is tegen de openbare trouw en die, zoals het te dezen is omschreven,

de mogelijkheid van schade met zich meebrengt en ruimere technieken impliceert

dan de fiscale valsheid.

Daaruit volgt dat het hof van beroep, door de eiser alleen te veroordelen wegens

overtredingen van artikel 73bis btw-Wetboek, niet in de aangevoerde

tegenstrijdigheid is vervallen door de telastleggingen A.1 tot A.11 niet bewezen te

verklaren, maar aan de feiten die het bewezen verklaarde hun enige echte

strafrechtelijke omschrijving heeft gegeven, door zich te voegen naar de

voormelde regel van het specifieke karakter van de valsheid.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Voor het overige voert het middel aan dat het gezag van gewijsde is miskend

omdat het bestreden arrest de eiser wegens fiscale valsheid veroordeelt, na hem te

hebben vrijgesproken van een telastlegging van valsheid in geschriften die

dezelfde feiten betreft.

Vermits de toepassing van dat algemeen rechtsbeginsel inhoudt dat het gewijsde

uit een onherroepelijke beslissing blijkt, faalt het middel wat dat betreft naar recht.

Tweede middel

De verwijzing naar het procédé om de belasting over de toegevoegde waarde te

ontwijken en de vermelding, in de omschrijving van de valse facturen, dat de

belasting niet aan de Schatkist werd betaald maar wel werd afgetrokken door de

vennootschappen waaraan de facturen waren geadresseerd, tonen voldoende

duidelijk aan dat het gebruik van valse stukken, niettegenstaande het gebruik van

het voegwoord "of", in de vervolging was begrepen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Wanneer een beklaagde wordt vervolgd wegens valsheid en gebruik van het valse

stuk, begint de verjaring van de strafvordering ten aanzien van beide misdrijven

eerst te lopen vanaf het laatste gebruik, dat voortduurt, zelfs zonder nieuw feit van

de dader en zonder dat hij opnieuw handelt, zolang het door hem beoogde doel

niet volledig is bereikt en de beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het

nuttig gevolg blijft hebben dat hij ervan verwachtte. De rechter moet in feite

oordelen waarin een dergelijk gebruik bestaat en wat de duur ervan is, maar het

Hof gaat na of de bestreden beslissing het begrip gebruik van valse stukken niet

miskent, door te onderzoeken of de rechter uit de aldus op onaantastbare wijze

vastgestelde gegevens, naar recht heeft kunnen afleiden dat het gebruik de door de

vervalser gewenste uitwerking bleef hebben.

Terwijl artikel 196 Strafwetboek ertoe strekt het vertrouwen van het publiek in

geschriften te beschermen, beoogt artikel 73bis btw-Wetboek niet de bescherming

van de openbare trouw, maar de specifieke bestraffing van het valse stuk dat tot

doel heeft de belastingadministratie te misleiden met het oog op de berekening

van de voormelde belasting, deze te ontwijken of de verplichting tot betaling

ervan uit te stellen. Daaruit volgt dat het gebruik van dat valse belastingstuk

voortduurt tijdens het fiscale geschil, wanneer het geen louter verweermiddel is

maar ertoe strekt het oogmerk zelf van de valsheid te verwezenlijken.

Het arrest beslist om de verjaringstermijn te berekenen vanaf het laatste nuttig

gevolg dat de valse facturen uitsluitend ten aanzien van de belastingadministratie

hebben gehad, en stelt vast dat een voorziening in belastingzaken hangend is. Bij

gebrek aan een conclusie die het bestaan van dat bezwaarschrift betwist, dienden

de appelrechters noch de indiener noch het oogmerk ervan te preciseren. Zij

omkleden aldus hun beslissing dat, voor de feiten die de eiser ten laste zijn gelegd,

de verjaring van de strafvordering niet was ingetreden, regelmatig met redenen en

verantwoorden haar naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

Met bevestiging van het beroepen vonnis, spreekt het arrest tegen de eiser en de

beide medebeklaagden, op grond van de als oplichting omschreven telastlegging

C, de verbeurdverklaring uit bij equivalent van het bedrag van 28.016.779, 70

euro "met inbegrip van de aandelen van de vennootschap Agha", omdat de

voormelde aandelen op het ogenblik van de huiszoekingen in de kluis lagen van

één van de vennootschappen van de eiser en het bezit ervan ondubbelzinnig was.

Het middel voert enerzijds aan dat deze straf niet naar recht verantwoord is omdat

zij gestoeld is op een telastlegging die, hoewel zij als misdrijf wordt omschreven

in de artikelen 45, §1, 73 en 73bis btw-Wetboek, niet de overgang van gelden naar

de beklaagden beoogt, maar de onrechtmatige en bedrieglijke aftrek van de

belasting door een vennootschap die niet in de zaak is.

Het arrest veroordeelt de eiser als mededader van de aftrekken die verricht zijn

met behulp van fictieve facturen, door de vennootschap waarvan hij één van de

bestuurders was.

De aldus verkregen gelden zijn vermogensvoordelen die het hof van beroep

bijgevolg, met toepassing van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek, bij

equivalent verbeurd kon verklaren.

De door de eiser aangevoerde omstandigheid dat de vennootschap zèlf niet werd

vervolgd, ontneemt aan de bekritiseerde verbeurdverklaring niet de wettelijke

grondslag waarop zij steunt.

Het middel kan dienaangaande niet worden aangenomen.

Het middel voert anderzijds aan dat de bevolen verbeurdverklaring bij equivalent,

met toepassing van de artikelen 42, 3°, en 43bis, tweede lid, Strafwetboek, slechts

op een geldbedrag kan slaan

In zoverre het arrest de verbeurdverklaring bij equivalent beveelt van de aandelen

van de vennootschap Agha, is het middel gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven

rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet

gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de tegen de

eiser ingestelde burgerlijke rechtsvordering

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het tegen de eiser de verbeurdverklaring

bij equivalent beveelt van de aandelen van de vennootschap Agha.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het

gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in viervijfde van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het

overige vijfde ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door

afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de

raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in

openbare terechtzitting van 3 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean

de Codt, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met

bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean-Pierre Frère en

overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 73bis3 voorkomens
WBTW art. 451 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8