Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 05.03.2002 (P.01.1431.N)
Fraude - Valsheid - Gebruik van valse stukken - Bedrieglijk opzet - Bijzondere verbeurdverklaring - Vernieling van processtukken
Wettelijke bepalingen
Art. 486, Wetboek van Strafvordering
Art. 149, Gerechtelijk Wetboek
Artt. 73 en 73bis, W.BTW
Samenvatting
Het Hof van Cassatie verwerpt de aangifte van een misdaad, gepleegd door een lid van een hof van beroep in de uitoefening van zijn ambt, incidenteel gedaan door de benadeelde eiser in een zaak die voor het Hof aanhangig is, wanneer de eiser de feitelijke elementen die hij aanvoert niet aannemelijk maakt.
Om naar recht met redenen te zijn omkleed, moet de op de strafvordering gewezen veroordelende beslissing niet alleen opgave doen van de wetsbepalingen waarbij de straf wordt bepaald, maar ook van de wetsbepalingen die de bestanddelen van het aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijf omschrijven.
Voor het bestaan van het misdrijf valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken inzake belasting over de toegevoegde waarde is onder meer de vermelding vereist van de bepalingen van het BTW-wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, die de dader heeft overtreden of heeft willen overtreden.
Onwettig is de beslissing waarbij een bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken zonder opgave van de redenen waarom die bijkomende straf is gekozen.
De verbeurdverklaring is geen bestanddeel van de hoofdstraf, zodat de onwettigheid ervan enkel de verbeurdverklaring zelf aantast.
Wanneer de minuut van een proces-verbaal van een terechtzitting geheel of gedeeltelijk is vernield of verdwenen en er noch uitgiftes noch authentieke afschriften van bestaan, mag het bestaan en de inhoud van dit proces-verbaal door alle rechtsmiddelen worden bewezen; het komt het Hof toe de bewijskracht van deze rechtsmiddelen te beoordelen.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 05.03.2002
(P.01.1431.N)
D.T., K.P., L.S., P.P., D.W., M.F., B.S., eisers beklaagde met als raadsman Mr. W.K., advocaat bij de balie te Antwerpen,
tegen
BELGISCHE STAAT, ministerie van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, directie Hasselt, verweerder, burgerlijke partij,
I. Bestreden uitspraken
Het cassatieberoep van T.D. is gericht tegen de beschikking van de raadkamer te Antwerpen van 24 september 1999 en tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 september 2001.
De cassatieberoepen van de overige eisers zijn gericht tegen het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 september 2001.
II. Rechtspleging voor het Hof
De eiser T.D. heeft op 5 maart 2002 incidentele aangifte gedaan overeenkomstig artikel 486, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
T. D. stelt in een memorie acht middelen voor. Bovendien doet hij een incidentele aangifte.
P. P. stelt in een memorie twee middelen voor.
W. D. stelt in een memorie vier middelen voor.
F. M. stelt in een memorie drie grieven voor.
Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
S. B. stelt in een memorie één grief voor.
IV. Beslissing van het Hof
A. Cassatieberoep van T.D.
1. Onderzoek van de aangifte
Overwegende dat eiser de feitelijke elementen die hij aanvoert, niet aannemelijk maakt;
Dat de incidentele aangifte niet kan worden aangenomen;
2. Onderzoek van de middelen
2.1. Eerste middel
Overwegende dat artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, bepaalt dat indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast;
Dat deze regel ook toepasselijk is wanneer een nieuwe wet voor het misdrijf een strafuitsluitingsgrond invoert tenzij die wet die strafuitsluitingsgrond niet wil zien toepassen op de onder de oude wet gepleegde misdrijven, wat kan blijken onder meer uit het stelsel van de wet;
Overwegende dat artikel 5, eerste en tweede lid, Strafwetboek, in het in de aanhef van het tweede lid bepaalde geval, een strafuitsluitingsgrond invoert voor een door zowel een natuurlijke als een rechtspersoon gepleegd misdrijf voor wie van hen beiden de minst zware fout heeft begaan, voor zover het misdrijf door de natuurlijke persoon uit onachtzaamheid gepleegd is;
Overwegende dat uit de omstandigheid dat de wet de strafuitsluitingsgrond verbindt aan de strafbaarheid van de rechtspersoon volgt dat de nieuwe wetsbepaling onbetwistbaar die strafuitsluitingsgrond niet wil toepassen op de onder de oude wet gepleegde misdrijven, maar enkel op deze die na de inwerkingtreding van de nieuwe wet zouden worden gepleegd;
Overwegende dat artikel 15, lid 1, IVBPR hieraan geen afbreuk doet;
Overwegende dat deze verdragsrechtelijke bepaling enkel voor gevolg heeft dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit de nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dit feit is gewijzigd;
Overwegende dat vermits het voormelde artikel 5, eerste en tweede lid, Strafwetboek niet het oogmerk heeft de strafwaardigheid van feiten gepleegd door natuurlijke personen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet te wijzigen, de uitsluiting van de in door die wetsbepalingen ingevoerde strafuitsluitingsgrond, de vermelde verdragsrechtelijke bepalingen niet schendt;
Dat het middel faalt naar recht;
2.2. Tweede middel
Overwegende dat geen miskenning van het recht op een eerlijk proces en van het recht op verdediging kan worden afgeleid uit de weigering stukken waarvan het bestaan bekend is, bij het dossier te voegen als de rechter vaststelt dat die stukken niet noodzakelijk zijn voor de ontdekking van de waarheid en hij ze niet aanwendt bij de vorming van zijn oordeel;
Overwegende dat het arrest (blz. 91-92) vaststelt dat "dhr. S. ter terechtzitting van 8 november onder eed verklaarde dat (de) werkmap enkel dubbels van processen-verbaal (waarvan de originelen zich in het dossier bevinden), bijlagen en faxberichten bevat" en oordeelt dat die verklaring geloofwaardig is; dat zij voorts vaststellen "dat deze werkmap, gelet op haar inhoud niet dienend is voor het ontdekken van de waarheid" en "dat uit niets blijkt dat bij het onderzoek gebruik zou zijn gemaakt van het inmiddels vernietigd werkdossier van P.; dat deze zich immers beperkt heeft tot het verwijzen naar het te Antwerpen gevoerde onderzoek, dat volledig ter inzage van de beklaagden is, en de uitvoering van een Britse rogatoire commissie, dewelke eveneens, na voeging op verzoek van het Openbaar Ministerie, ter inzage van de partijen is";
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
2.3. Derde middel
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan niet blijkt dat eiser voor de appèlrechters heeft aangevoerd geprovoceerd te zijn door medebeklaagde W.R. of dat hij om de heropening van het debat heeft verzocht;
Dat het middel niet ontvankelijk is;
2.4. Vierde middel
Overwegende dat de aangevoerde tegenstrijdigheid niet bestaat;
Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist;
Overwegende dat voor het overige het middel geheel is afgeleid uit dit vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek;
Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is;
2.5. Vijfde middel
Overwegende dat, in strafzaken, de veroordelende beslissingen, om naar het vormvoorschrift van artikel 149 Grondwet en van artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, met redenen te zijn omkleed, niet alleen opgave moeten doen van de wetsbepalingen waarbij de straf wordt bepaald maar ook van de wetsbepalingen die de bestanddelen van het aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijf omschrijven;
Overwegende dat artikel 73 BTW-wetboek correctionele straffen oplegt voor alle overtredingen van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden zijn gepleegd, terwijl artikel 73bis, van dat wetboek de valsheid in geschriften straft, evenals het gebruik van dergelijke valse stukken, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, om een van de in artikel 73 bedoelde misdrijven te plegen;
Overwegende dat een vonnis tot veroordeling wegens valsheid of het gebruik van een dergelijk vals stuk, bedoeld in het voormelde artikel 73bis, de bepalingen van het BTW-wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten moet vermelden die de dader heeft overtreden of heeft willen overtreden;
Overwegende dat de appèlrechters eiser op grond van het voormelde artikel 73bis schuldig verklaren aan valsheid in geschriften en gebruik van fiscale valsheden in de hem ten laste gelegde feiten A I, II 1-2-3, III, IV en XI; dat zij (blz. 97 van het arrest) hebben beslist dat de jegens eiser bewezen verklaarde fiscale valsheden, wat alle in de telastlegging A vermelde stukken betreft, zijn gepleegd met het bedrieglijk opzet de BTW te ontduiken;
Overwegende dat de appèlrechters eiser tevens schuldig verklaren, doordat hij met overtreding van de artikelen 53, 3° en 4° en 73 BTW-wetboek, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden als belastingplichtige geen BTW-aangiften te hebben ingediend en geen BTW te hebben betaald, bedoeld in de telastleggingen B I, IIa, IIIa, IVa, V, VIa, VIIa, VIIIa, IXa, X, XI, XII, XIII, XIVa, XV, XVI, XVIIa, XVIII, XIX en XX in verband met de onder de telastleggingen A vermelde facturen, en doordat hij met overtreding van de artikelen 45, § 1, en 73 BTW-wetboek met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, BTW ten onrechte in aftrok heeft gebracht, bedoeld in telastleggingen C I, II a-b-c, III en IV, ingevolge gebruik van de onder de telastleggingen A nader omschreven facturen van niet-indieners;
Overwegende dat uit de redenen van het arrest volgt dat de appèlrechters beslist hebben dat eiser de in de telastleggingen A bedoelde en jegens hem bewezen verklaarde misdrijven van valsheden in geschriften en gebruik van die valse stukken heeft gepleegd teneinde de in de telastleggingen B en C bedoelde en eveneens jegens hem bewezen verklaarde feiten te plegen;
Overwegende dat het arrest aldus de bepalingen van het BTW-wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten vermeldt die eiser heeft overtreden of heeft willen overtreden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
2.6. Zesde middel
Overwegende dat het bestreden arrest lastens eiser de som van 970.651.175 frank verbeurd verklaart zonder echter de redenen te geven waarom die bijkomende straf is gekozen;
Overwegende dat de verbeurdverklaring geen bestanddeel is van de hoofdstraf, zodat die onwettigheid enkel de verbeurdverklaring zelf aantast;
Dat het middel in zoverre gegrond is;
2.7. Zevende middel
Overwegende dat de rechter, krachtens artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering, nauwkeurig maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen moet vermelden waarom hij dergelijke straf of dergelijke maatregel oplegt en de strafmaat moet rechtvaardigen voor elke uitgesproken straf;
Dat geen wetsbepaling voorschrijft dat een afzonderlijke motivering is vereist voor de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat; dat de maat van iedere straf of van iedere maatregel niet met een telkens verschillende motivering moet worden verantwoord;
Dat geen wetsbepaling voorschrijft dat de appelrechter, naast de motivering van de door hem uitgesproken straf, in het bijzonder motiveert waarom de door de eerste rechter opgelegde straf ontoereikend is;
Dat het middel faalt naar recht;
2.8. Achtste middel
Overwegende dat wanneer de minuut van een proces-verbaal van een terechtzitting geheel of gedeeltelijk is vernield of verdwenen en er noch uitgiftes noch authentieke afschriften van bestaan, het bestaan en de inhoud van dit proces-verbaal bewezen mag worden door alle rechtsmiddelen;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt:
- dat het twaalfde en laatste blad van het origineel proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van Beroep te Antwerpen, tiende correctionele kamer, van 7 november 2000, ontbreekt;
- dat F. De Mond, advocaat-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen, op 17 januari 2002 een niet-getekende kopie van dit proces-verbaal, inclusief de twaalfde en laatste bladzijde die luidens zijn verklaring in zijn bezit was, aan de procureur-generaal bij het Hof heeft toegestuurd;
- dat advocaat-generaal Duinslaeger op 21 januari 2001 dit stuk ter griffie van het Hof heeft neergelegd;
- dat V. Lenders, kamervoorzitter in het Hof van Beroep te Antwerpen, en W. Vermeren, griffier aldaar, bevestigen dat de handtekeningen die op het twaalfde en laatste blad van de ter griffie van het Hof neergelegde niet-getekende kopie van het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2000 voorkomt, hun handtekening is;
Overwegende dat op grond van die elementen op afdoende wijze blijkt dat, anders dan het middel aanvoert, het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2000 werd getekend door de voorzitter en de griffier;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
3. Ambtshalve onderzoek van de bestreden beslissingen op de strafvordering
Overwegende dat, behoudens de beslissing op de verbeurdverklaring, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. Cassatieberoep van P. K.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Geschonden wettelijke bepaling
- artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering:
Overwegende dat het bestreden arrest lastens eiser de som van 46.279.779 frank verbeurd verklaart zonder echter de redenen te geven waarom die bijkomende straf is gekozen;
Overwegende dat de verbeurdverklaring geen bestanddeel is van de hoofdstraf, zodat die onwettigheid enkel de verbeurdverklaring zelf aantast;
Overwegende dat, voor het overige, op de strafvordering, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
C. Cassatieberoep van S.L.
Overwegende dat eiseres geen middel aanvoert;
Overwegende dat, op de strafvordering, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
D. Cassatieberoep van P.P.
1. Onderzoek van de middelen
1.1. Eerste middel
Overwegende dat uit het antwoord op het eerste middel van T.D. volgt dat dit middel faalt naar recht;
1.2. Tweede middel
Overwegende dat uit het antwoord op het vijfde middel van T.D. volgt dat dit middel niet kan worden aangenomen;
2. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat, op de strafvordering, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
E. Cassatieberoep van W. D.
1. Onderzoek van de middelen
1.1. Eerste middel
Overwegende dat uit het antwoord op het eerste middel van T.D. volgt dat dit middel faalt naar recht;
1.2. Tweede middel
Overwegende dat artikel 6, lid 1, EVRM de eerbiediging van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces waarborgt; dat artikel 6, lid 3, d, EVRM in het bijzonder aan de beklaagde het recht erkent om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden in dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
Dat aan de beklaagde evenwel geen onbeperkt recht toekomt om het oproepen van getuigen voor het gerecht te verkrijgen; dat het de rechter staat te antwoorden op een door de beklaagde gedaan verzoek om een getuige te horen en te oordelen of dit verhoor noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid;
Overwegende dat de appèlrechters (blz. 95 van het arrest) vaststellen dat eiser "niet werd geconfronteerd met medebeklaagde B.R., nu deze zulks tijdens het gerechtelijk onderzoek weigerde, en verstek liet gaan bij de behandeling ten gronde (in eerste aanleg)"; dat zij voorts de redenen uiteenzetten waarom de verklaringen van B.R. geloofwaardig zijn, om te besluiten "dat een confrontatie tussen (eiser) en B. in die omstandigheden niet nodig is ter ontdekking van de waarheid";
Dat de appèlrechters op deze gronden, zonder eisers recht van verdediging te miskennen, wettig vermochten de confrontatie te weigeren;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
1.3. Derde middel
Overwegende dat uit het antwoord op het vijfde middel van T.D. volgt dat dit middel niet kan worden aangenomen;
1.4. Vierde middel
1.4.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat het bestreden arrest lastens eiser de som van 390.495.777 frank verbeurd verklaart zonder echter de redenen te geven waarom die bijkomende straf is gekozen;
Overwegende dat de verbeurdverklaring geen bestanddeel is van de hoofdstraf, zodat die onwettigheid enkel de verbeurdverklaring zelf aantast;
Dat het middel in zoverre gegrond is;
1.4.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het tweede onderdeel niet tot een ruimere cassatie kan leiden;
2. Ambsthalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat, behoudens de beslissing over de verbeurdverklaring, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
F. Cassatieberoep van F.M.
1. Onderzoek van de middelen
1.1. Eerste middel
Overwegende dat het middel, in zoverre het niet gericht is tegen de bestreden beslissing, niet ontvankelijk is;
Overwegende dat het middel, in zoverre het opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter niet ontvankelijk is;
Overwegende voor het overige dat uit de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan, niet blijkt dat eiser de aangehaalde grieven in verband met de beweerde schending van zijn rechten van de verdediging voor de appèlrechters heeft aangevoerd, zodat het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk is;
1.2. Tweede middel
Overwegende dat er geen recht is op eenvormigheid van toepassing van de wet;
Overwegende dat de rechter onaantastbaar, binnen de door de wet vastgestelde perken, de strafmaat bepaalt die hij in verhouding acht tot de zwaarte van het bewezen verklaarde misdrijf;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
1.3. Derde middel
Overwegende dat het middel niet preciseert welke onwettigheid het arrest bevat;
Dat het middel niet ontvankelijk is;
1.4 Overige grieven
Overwegende dat het Hof geen acht slaat op de nota die eiser ter terechtzitting, dit is buiten de termijn van artikel 420bis Wetboek van Strafvordering, is neergelegd;
2. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Geschonden wettelijke bepaling
- artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering:
Overwegende dat het bestreden arrest lastens eiser de som van 255.173.279 frank verbeurd verklaart zonder echter de redenen te geven waarom die bijkomende straf is gekozen;
Overwegende dat de verbeurdverklaring geen bestanddeel is van de hoofdstraf, zodat die onwettigheid enkel de verbeurdverklaring zelf aantast;
Overwegende dat, voor het overige, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
G. Cassatieberoep van S.B.
Overwegende dat het Hof geen acht slaat op de memorie die op de griffie van het Hof is neergelegd op 11 januari 2002, dit is buiten de termijn bepaald in artikel 420bis van het Wetboek van Strafvordering;
Overwegende dat, op de strafvordering, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
H. Cassatieberoep van G.P.
Overwegende dat eiser op 31 oktober 2001 cassatieberoep heeft aangetekend tegen het bestreden arrest, dit is na het verstrijken van de in artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn;
Dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de incidentele aangifte;
Vernietigt de bestreden uitspraak van het hof van beroep te Antwerpen van 18 september 2001 enkel in zoverre het in toepassing van artikel 43bis Strafwetboek sommen verbeurd verklaart lastens T.D., P.K., W.D. en F.M.;
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt de eisers S.L., P.P., S.B. en G.P. in de kosten van hun cassatieberoep;
Veroordeelt de eisers T.D., P.K., W.D. en F.M. in negen tiende van de kosten van hun cassatieberoep en laat het overige tiende van die kosten ten laste van de Staat;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van duizend vierenzestig euro tweeënzeventig cent, waarvan I. op de voorziening van T.D. : honderd vierenzestig euro vijfenveertig cent verschuldigd en II. op de voorzieningen van elk van de overige zeven eisers: honderd achtentwintig euro eenenzestig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ...
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.