Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 31 januari 2012

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2012-01-31-caee

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
31 januari 2012

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

77 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 31.01.2012

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent - 5e kamer

Nr. 2011/AR/796

in de zaak van :

M. M.,

wonende te …, …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. P., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Belastingen en Invordering, Sector BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, in de persoon van de e.a,. inspecteur, rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, met kantoren te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 10, die woonstkeuze deed op het BTW-Ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. S. L., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 6.5.2009 bestreed de appellante het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door C. P., eerstaanwezend inspecteur a.i. bij een fiscaal bestuur van het BTW-ontvangkantoor te 8800 Roeselare op 10.2.2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11.2.2009 door R. C., e.a. inspecteur a.i., controlekantoor Torhout 1, aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante: een bedrag van … EUR belasting over de toegevoegde waarde + … EUR geldboete krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek, hetzij in totaal … EUR, vermeerderd met de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 23.2.2007, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellante dat het proces-verbaal dd.15.9.2008 en het bestreden dwangbevel nietig zouden worden verklaard, en de opgelegde administratieve geldboete zou worden kwijtgescholden.

Bij vonnis van 10.1.2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellante toelaatbaar doch ongegrond verklaard, en werd zij veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 11.3.2011 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen tenietdoen en de oorspronkelijke vordering van de appellante te horen toewijzen.

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.

2. Het dwangbevel dd. 10.2.2009 verwijst naar het proces-verbaal dd. 15.9.2008 van het tweede controlekantoor BTW te Torhout, dat op zijn beurt verwijst naar het proces-verbaal van 19.11.2007 van de administratie van douane en accijnzen.

De beide processen-verbaal werden samen met het dwangbevel meebetekend aan de appellante bij het gerechtsdeurwaardersexploot van 23.2.2009 (zie het stuk 3 van de geïntimeerde).

Het vermelde dwangbevel is een bestuurshandeling waarop de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van toepassing is. Dit houdt in dat het dwangbevel de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de belastingschuld ten grondslag liggen, en dat die motivering afdoende moet zijn, d.i. de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen (artikel 2 en 3 van de wet van 29.7.1991).

De motieven bevinden zich te dezen zowel in het dwangbevel als in de meebetekende processen-verbaal naar dewelke het dwangbevel verwijst.

Uit deze stukken is onder meer op te maken dat van de appellante BTW wordt gevorderd voor de invoer zonder aangifte op 22.2.2007 van een terreinwagen Toyota Landcruiser Prado in de stukken nader omschreven, dat daaromtrent vaststellingen gebeurden door de administratie van douane en accijnzen, welke vaststellingen gebeurden, welke verklaringen de appellante en haar zoon in dat verband aflegden, hoe de maatstaf wordt berekend voor de heffing van de BTW, aan welk tarief de BTW wordt berekend en hoeveel hij bedraagt, welke wettelijke bepalingen van toepassing zijn op de aangehaalde feitelijke gegevens.

Meer bepaald wordt de maatstaf van heffing gedetailleerd uiteengezet, met de samenstellende elementen, in het proces-verbaal dd. 19.11.2007, nl. een bedrag van … EUR (stuk 1, p. 4 van de geïntimeerde), evenals vermeld welk het BTW-tarief is (21 %).

Verder wordt. in het proces-verbaal van de administratie van douane en accijnzen onder meer vastgesteld dat :

- de verbaliserende ambtenaren op 22.2.2007 het voertuig opmerken te … ter hoogte van de splitsing …, dit voertuig een nummerplaat draagt met Arabische opschriften, en zij tot controle overgaan;

- de appellante wordt verhoord op 22.2.2007 om 15:05 uur, en zij onder meer verklaart dat zij gecontroleerd werd terwijl zij op de openbare weg het voertuig bestuurde, dat zij het gebruikt voor privédoeleinden, het voertuig eigendom is van een bedrijf in het sultanaat Oman waarvan de zoon van de appellante werknemer is, en zij het voertuig ter beschikking kregen van deze firma, de zoon van de appellante en de appellante het voertuig van Muscat (Oman) naar België hebben gereden en zij aangekomen zijn in België in de zomer 2005;

- de zoon van de appellante wordt verhoord op 10.9.2007 om 10:20 uur, en hij in zijn verklaring bevestigt dat hij verhoord wordt over de invoer zonder aangifte van het voertuig, zijn moeder en hijzelf met het voertuig vanuit Oman over de weg naar België zijn gekomen, het voertuig toebehoort aan een firma in Oman waar hij bij tewerkgesteld is, zijn moeder de geschreven toelating heeft van zijn werkgever om met het voertuig te rijden.

Er kon dan ook in hoofde van de appellante geen twijfel bestaan over het feit dat de BTW gevorderd werd voor de invoer zonder aangifte van het voertuig.

Verder wordt in de beide processen-verbaal, naast de berekening van de verschuldigde BTW, uiteengezet op grond van welke wetsbepalingen deze invoer beteugeld wordt, welke straffen zijn bepaald, en op grond van welke wettelijke bepalingen de aan de appellante ten laste gelegde invoer zonder aangifte de BTW wegens invoer is verschuldigd. Deze laatste wettelijke bepalingen worden in hun geheel aangehaald in het proces-verbaal van de BTW-administratie, en het is voldoende duidelijk dat zij toepasselijk zijn op de aan de appellante ten laste gelegde feiten, zonder dat hierbij bijkomende uitleg moet worden gegeven.

In het proces-verbaal van de administratie van de BTW wordt ook vermeld welke geldboete wordt opgelegd en op grond van welke wettelijke bepalingen dit gebeurt.

Gelet op al deze gegevens moet aangenomen worden dat het dwangbevel afdoende formeel gemotiveerd is.

3. Deze feiten werden volgens het proces-verbaal van de administratie van douane en accijnzen vastgesteld op 22.2.2007, en dit proces-verbaal werd opgesteld op 19.11.2007 (ongeveer 9 maanden later). Het proces-verbaal van de administratie van de BTW werd opgesteld op 15 .9.2008. Er kan niet gesteld worden dat er een onredelijke termijn verliep tussen de vaststelling van de invoer zonder aangifte en het opstellen van het proces-verbaal. De appellante kan niet gevolgd worden waar zij stelt dat de processen-verbaal nietig zouden zijn of zonder bewijskracht omdat de wederrechtelijke invoer gebeurde in 2005 en pas op 15.9.2008, volgens de appellante "meer dan drie jaar na de feiten" proces-verbaal wordt opgesteld. De vordering voor de BTW en de invoerrechten was nog niet verjaard en er kon dus nog steeds proces-verbaal worden opgesteld, omtrent de wederrechtelijke invoer die pas gebleken is op 22.2.2007.

Het behoorde verder de appellante niet alleen aangifte te doen van de invoer, maar ook het bewijs van deze aangifte te kunnen leveren als het voertuig in België wordt aangetroffen, ook na de invoer. Men ziet dan ook niet in hoe de rechten van verdediging van de appellante zouden kunnen geschonden zijn in dit verband.

Door de appellante wordt niet aangetoond dat het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel zouden geschonden zijn omdat de zoon van de appellante voorafgaand aan het overbrengen van het voertuig naar België "de douanediensten" "meermaals zou gecontacteerd" hebben "om alles in orde te stellen", doch zij hem meegedeeld hebben "dat hij niks hoefde te doen noch te vrezen...". Dit zou dan telefonisch gebeurd zijn. Volgens de appellante heeft de douane een fout begaan door aan de zoon van de appellante onjuiste inlichtingen of richtlijnen te geven. Dergelijke fout wordt op geen enkele wijze bewezen of zelfs maar waarschijnlijk gemaakt. Het blijft bij loutere beweringen van de appellante. Hierbij moet opgemerkt worden dat, zelfs indien de appellante zou kunnen aantonen dat haar zoon telefonisch contact had met de douanediensten op een bepaald ogenblik, dit niet voldoende is om aan te tonen dat dit contact betrekking had op de invoer van het voertuig en nog minder of dan inderdaad aan de zoon van de appellante een onjuist advies werd gegeven. Een schending van de voormelde beginselen kan ook niet afgeleid worden uit het feit dat de wederrechtelijke invoer pas werd vastgesteld in 2007, terwijl het voertuig reeds in de zomer van 2005 in België kwam. Het feit dat het voertuig zou opvallen met zijn Arabische nummerplaat verandert hieraan niets. Er bestaat· in hoofde van de administratie geen verplichting om alle voertuigen te controleren, en ook niet om alle voertuigen met een Arabische nummerplaat te controleren (nog afgezien van de materiële mogelijkheid dergelijke controles te doen over het ganse grondgebied).

De appellante werd strafrechtelijk veroordeeld bij vonnis van 24.12.2008 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 16e kamer, zetelend in correctionele zaken, veroordeling die werd bevestigd bij arrest van 30.9.2009 van het hof van beroep te Gent, derde kamer, recht doende in correctionele zaken, wegens :

"

zich schuldig te hebben gemaakt:

in de loop van 2005 te Brugge of elders in het Rijk, aan de invoer zonder aangifte van goederen onderworpen aan invoerrechten en BTW, hetzij één personenwagen Toyota Landcruiser Prado Chassisnummer JTEBU25J455018405 met een waarde van … EUR onderworpen aan … EUR invoerrechten en … EUR BTW."

De wederrechtelijke invoer staat vast en kan niet terug in vraag gesteld worden zonder schending van het strafrechtelijk gewijsde van de vermelde strafrechtelijke beslissingen.

In deze beslissingen vindt men onder de motieven die dienen tot steun van de veroordeling, en derhalve eveneens strafrechtelijk gewijsde hebben, de overweging terug dat de voorwaarden voor tijdelijke invoer geenszins werden vervuld, zodat de appellante thans niet meer voorhouden kan dat zij genoot van de regeling van tijdelijke vrijstelling.

4. De appellante betwist ook de opgelegde administratieve geldboete.

In het dwangbevel werd een boete opgenomen van … EUR. Deze boete werd opgelegd krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek, en verminderd in toepassing van artikel 1 van het KB nr. 41 van 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, en van tabel G, VIII, 6 van de bijlage bij dit KB (d.i. laattijdige voldoening van de belasting ingevolge overtredingen in verband met de opschortende douaneregelingen bedoeld in artikel 23, § 4 en 5, van het Wetboek, en de opschortende fiscale regelingen bedoeld in § 5 van hetzelfde artikel: 10 % van de verschuldigde belasting).

Voor het opleggen van deze geldboete is niet vereist dat het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken zou komen vast te staan, zodat de appellante ten onrechte aanklaagt dat dergelijk oogmerk noch in het dwangbevel noch in de processen-verbaal worden vastgesteld.

De appellante voert aan dat de administratieve boete moet worden vernietigd wegens de schending van het "non bis in idem" - principe, omdat zij reeds veroordeeld werd tot het betalen van een boete die werd opgelegd door de administratie van douane en accijnzen en waartoe zij werd veroordeeld.

De opgelegde administratieve geldboete is te beschouwen als een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. Zij wordt opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtige is, en strekt ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de verhoging te vermijden, meer bepaald om de betrokkenen ertoe aan te zetten tijdig de wettelijk voorgeschreven aangifte in te leveren, als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

De belastingplichtige kan door de rechter laten nagaan of er omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de administratieve boete wordt verminderd tot onder het door de wet bepaalde tarief. De rechter aan wie gevraagd wordt een opgelegde administratieve boete met een repressief karakter te toetsen, heeft de volle rechtsmacht om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, en heeft de mogelijkheid na te gaan of de administratieve boete niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van dergelijke administratieve boete van zodanige omvang (vergelijk onder meer met : Cass. 12.12.2008, rolnummer F.06.0111.N;. Cass. 12.11.2010, rolnr. F.09.0146.N; of met Cass. 11.3.2011, rolnr. F.10.0020.N; beiden met vindplaats http://jure.juridat.just.fgov.be).

Bovendien heeft de rechter dezelfde bevoegdheid als deze die de administratieve overheid ten aanzien van die sanctie heeft, om deze kwijt te schelden of te verminderen (vergelijk met Cass. 3.3.2009, rolnr. P.08 .1451.N, overweging nr. 13, http://jure.juridat.just.fgov.be). Dit houdt echter niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass. 13.2.2009, rolnummer F.06.0108.N, http://jure.juridat.just.fgov.be).

Te dezen werden aan de appellante volgende sancties opgelegd met strafrechtelijk karakter :

• een boete op de invoerrechten van … EUR en een hoofdgevangenisstraf van vier maanden, met uitstel gedurende drie jaar voor de hoofdgevangenisstraf en voor 9/10 van de boete (zie het arrest dd. 30.9.2009 van het hof van beroep te Gent); de hoofdgevangenisstraf werd uitgesproken voor het hoger omschreven feit, nl. invoer zonder aangifte van goederen, onderworpen aan invoerrechten en BTW;

• een boete van … EUR wegens de BTW-overtreding.

De appellante kreeg derhalve twee strafrechtelijke sancties opgelegd voor dezelfde BTW-overtreding, nl. de hoofdgevangenisstraf van 4 maanden met uitstel (arrest) en nog een boete van … EUR (het dwangbevel).

Bij de beoordeling van de vraag of de opgelegde boete van … EUR in redelijkheid kon worden opgelegd en evenredig is met de · begane inbreuk, moet er rekening mee gehouden worden dat de appellante reeds een strafrechtelijke sanctie opliep voor deze inbreuk, meer bepaald zelfs een gevangenisstraf. Het hof is dan ook van oordeel dat het onredelijk is en onevenredig is met de inbreuk dat in het dwangbevel bijkomend nog eens een boete wordt opgelegd voor de reeds bestrafte inbreuk.

De in het dwangbevel opgelegde geldboete van … EUR dient in deze omstandigheden tot nul te worden herleid.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het in beperkte mate gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis, behalve waar dit beslist over de in het dwangbevel opgelegde geldboete en dit statueert over de kosten;

Opnieuw wijzende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante gegrond wat betreft de in het dwangbevel opgelegde administratieve boete van … EUR;

Vernietigt het bestreden dwangbevel in de mate waarin een administratieve geldboete van … EUR wordt opgelegd;

Veroordeelt de appellante tot 9/10 en de geïntimeerde tot 1/10 van de kosten van de beide aanleggen, en begroot deze kosten :in hun geheel als volgt :

• aan de zijde van de appellante: op … EUR rechtsplegingsvergoed:ing eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde: op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op EENENDERTIG JANUARI TWEEDUIZENDEN TWAALF.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 702 voorkomens
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
WBTW art. 231 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8