Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 08.11.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent - 5e kamer
Nr.2010/AR/1819
in de zaak van :
L. F., wonende te … (…), …, handelend in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de NV L. M. EN C. S., destijds met KSO-nummer … en met maatschappelijke zetel te …, …, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde van 29.10.2007 en gesloten bij vonnis van zelfde rechtbank dd. 1.10.2008,
appellant q.q.,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. Y., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Dendermonde, met kantoren gevestigd te 9200 DENDERMONDE, St.Rochusstraat 63 en Administratie van Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, met kantoren gevestigd te 9300 AALST, Graanmarkt 1,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. G. loco mr. V. A. E., advocaat te … (…), …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. De procedure
Bij verzoekschrift van 1 juli 2010 heeft de appellant q.q. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 17 maart 2010 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellant q.q. ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen met verwijzing van de appellant q.q. in de gerechtskosten.
De appellant q.q. stelt zijn vordering in hoger beroep waarmee hij van het Hof vraagt :
Het hoger beroep, door concluant ingesteld bij huidig verzoekschrift, ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren.
Derhalve het bestreden vonnis, hierboven aangehaald, te vernietigen in alle overwegingen en beschikkingen in zoverre de oorspronkelijke vordering van concluant Q.Q. ongegrond werd verklaard.
En opnieuw recht doende :
De vordering van concluant Q.Q. ontvankelijk en gegrond te verklaren. Zowel :
1°) het proces-verbaal, opgemaakt op 31 augustus 2006 door de heer F. B., fiscaal deskundige bij de Administratie van de Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum Dendermonde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde, Sint-Rochusstraat 63, op 31 augustus 2006 aangetekend overgemaakt aan de NV L. M. EN C. S. en welk door de NV L. M. EN C. S. op 29.09.2006 "voor niet akkoord" werd beantwoord, en blijkens hetwelk vanwege de NV L. M. EN C. S. wordt gevorderd :
* als BTW : de som van … EUR;
* als fiscale geldboeten : de som van … EUR;
* als proportionele geldboeten : … EUR;
* als interesten : 0;8 % per maand te rekenen over het bedrag van de verschuldigde belasting afgerond naar het lagere tiental in EURO, vanaf 21.04.2005.
2°) het proces-verbaal, opgemaakt op 29 november 2006 door de heer F. B., fiscaal deskundige bij de Administratie van de Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum Dendermonde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde, Sint-Rochusstraat 63, op 29 november 2006 aangetekend overgemaakt aan de NV L. M. EN C. S., en blijkens hetwelk vanwege de NV L. M. EN C. S. wordt gevorderd :
* als BTW : de som van … EUR;
* als fiscale geldboeten : de som van … EUR;
* als interesten: 0;8 % per maand te rekenen over het bedrag van de verschuldigde belasting afgerond naar het lagere tiental in EURO, vanaf 21.04.2005.
3°) het dwangbevel met referentienummer RCIV … van de Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, sector BTW, BTW-Ontvangkantoor Aalst,. Graanmarkt 1, ondertekend op 4 december 2006 door de heer B. M., eerstaanwezend inspecteur ai, Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, op 5 december 2006 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer L. V. M., eerstaanwezend inspecteur van de BTW-Controle te Dendermonde 1, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Gent, betekend bij exploot dd. 8 december 2006 van gerechtsdeurwaarder H. V. D., met standplaats te …, er kantoorhoudende te …, … te …, en blijkens dewelke vanwege de NV L. M. EN C. S. wordt gevorderd :
* de som van … EUR als belasting over de toegevoegde waarde;
* de som van … EUR als geldboete in uitvoering van artikel 70, § 1 en 1bis W.BTW;
* de som van … EUR als intresten berekend tot 20 december 2006;
* de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel, ingevolge art. 91, § 4 van het BTW-Wetboek;
* de vervolgingskosten.
4°) het dwangbevel met referentienummer RCIV … van de Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, sector BTW, BTW-Ontvangkantoor Aalst, Graanmarkt 1, ondertekend op 13 december 2006 door de heer B. M., eerstaanwezend inspecteur ai, Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, op 5 december 2006 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer L. V. M., eerstaanwezend inspecteur van de BTW-Controle, te Dendermonde 1, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Gent, betekend bij exploot dd. 19 december 2006 van gerechtsdeurwaarder P. D., plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder J.-P. V. O., met standplaats te …, er kantoorhoudende te …, …, en blijkens dewelke vanwege de NV L. M. EN C. S. wordt gevorderd :
* de som van … EUR als belasting over de toegevoegde waarde;
* de som van … EUR als geldboete in uitvoering van artikel 70, § 1 en 1bis W.BTW;
* de som van … EUR als intresten berekend tot 20 december 2006;
* de interest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.12.2006;
* de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel, ingevolge art. 91, § 4 van het BTW-Wetboek;
* de vervolgingskosten.
5°) de afrekening met betalingsaanvraag dd. 4.12.2006 van het BTWOntvangkantoor te Aalst, Graanmarkt 1 te 9300 Aalst, voor het totaal bedrag van … EUR.
6°) het herhaald bevel dd. 13 februari 2007 van gerechtsdeurwaarder J. V. R., gerechtsdeurwaarder met standplaats te …, er kantoor houdend te …, …, waarbij uitvoerend beslag werd gelegd op roerende goederen van de NV L. M. EN C. S. en een verkoopdag werd gesteld op donderdag 22 maart 2007.
nietig en ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat alle tegenover de NV L. M. EN C. S. in rekening gebrachte en gevorderde bedragen, zowel aan belasting over de toegevoegde waarde, aan geldboeten, aan intresten, aan moratoire interesten en aan vervolgingskosten, ten onrechte tegenover de NV L. M. EN C. S. in rekening werden gebracht en ten onrechte werden gevorderd.
De Belgische Staat te veroordelen tot het terugbetalen van alle door haar sedert de voormelde processen-verbaal a quo en/of tijdens de procedure nagevorderde of ingehouden sommen.
De Belgische Staat te veroordelen tot alle kosten van de beide instanties.
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellant q.q. zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep.
2. De feitelijke gegevens
De taxatiedienst heeft op 25 juli 2006 een onderzoek gestart naar de toepassing van de wetgeving en regelgeving inzake de BTW door de NV L. M. en C. S. voor de periode van 1 april 2004 tot 31 maart 2005.
Op 31 augustus 2006 maakte de taxatieambtenaar een voorstel tot minnelijke regeling (een zgn. 'in regelstelling') over, maar de belastingplichtige liet op 29 september 2006 weten niet akkoord te kunnen gaan.
Dezelfde vaststellingen als deze in de inregelstelling werden een eerste keer overgenomen in het in de vordering van de appellante genoemde proces-verbaal van 29 november 2006. Op diezelfde dag werd een kopie van dat pv aan de belastingplichtige overgemaakt.
Nadien volgden het dwangbevel van 4 december 2006 en de andere navolgende uitvoeringsakte waarvan sprake in de vordering van de appellante.
Met een verzoekschrift van 15 maart 2007 stelde de belastingplichtige haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent.
Met een vonnis van 29 oktober 2007 van de rechtbank van koophandel van Dendermonde werd de belastingplichtige failliet verklaard.
Bij vonnis van 1 oktober 2008 werd het faillissement gesloten verklaard bij gebrek aan actief.
De appellant is van rechtswege vereffenaar en werd op 12 februari 2009 door de geïntimeerde gedagvaard in gedwongen gedinghervatting voor de eerste rechter.
De zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 17 maart 2010, zoals vermeld, de vordering van de appellant q.q. afgewezen als ongegrond.
Het is tegen dat vonnis dat de appellant q.q. hoger beroep heeft ingesteld.
3. De betwistingen tussen de partijen
3.1. Motivering van het dwangbevel en van het eraan gehechte proces-verbaal
Voor de BTW is het dwangbevel de uitvoerbare titel.
Het dwangbevel is een bestuurshandeling in de zin van artikel 1 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van 29 juli 1991, wat meebrengt dat het dwangbevel gemotiveerd moet zijn en wel op die manier dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn (artn. 2 en 3 van die wet).
Om aan die motiveringsvereiste te voldoen kan het dwangbevel verwijzen naar een eerder of samen met het dwangbevel meegedeeld proces-verbaal, op voorwaarde dat het proces-verbaal, behoorlijk gemotiveerd is. Dat is wat hier gebeurd is. Aan het dwangbevel van 4 december 2006 werd het proces-verbaal van 29 november 2006 gehecht en in de overwegingen werd uitdrukkelijk naar dat proces-verbaal verwezen. De bedragen die in het proces-verbaal genoemd worden werden verschuldigd verklaard met toevoeging van de betrokken wetsartikelen. Het proces-verbaal zelf bevat de volledige feitelijke achtergrond samen met de wetsbepalingen waaruit het verschuldigd zijn van de opgevorderde bedragen werd afgeleid.
Op die manier werd de appellante via de kennisgeving van het proces-verbaal volledig ingelicht van de feitelijke en juridische overwegingen die de taxatiedienst deden besluiten om de bedragen op te vorderen waarmee hij via het dwangbevel betaling wenste te bekomen vanwege de appellante. De appellante heeft de draagwijdte en de motivering van het dwangbevel niet verkeerd kunnen begrijpen, wat overigens blijkt uit haar brief van 29 september 2006; daarmee reageerde de appellante immers inhoudelijk op de inregelstelling die haar op 31 augustus 2006 was overgemaakt en dezelfde feitelijke en juridische overwegingen bevat als het latere proces-verbaal van 29 november 2006.
Deze grief is dus ongegrond.
3.2. De BTW-inbreuken
3.2.1. De appellant q.q. betwist het bedrag van … euro dat als BTW werd nagevorderd met betrekking tot een voordeel van alle aard, bestaande uit de terbeschikkingstelling van een voertuig door de vennootschap aan de appellant als gedelegeerd bestuurder. De appellant q.q. stelt dat slechts een bedrag van … euro bijkomend kon aangerekend worden omdat al een bedrag van … euro als BTW op dat voordeel van alle aard was aangegeven. Dat zou duidelijk zijn omdat er slechts sprake was van één voordeel van alle aard, namelijk de auto.
Beoordeling
Samen met de geïntimeerde kan het hof slechts vaststellen dat het om een eenzijdige bewering gaat van de appellant q.q. die niet objectief met bewijzen wordt hard gemaakt. Uit niets blijkt dat het in de boekhouding al op 31 maart 2005 geboekte voordeel van alle aard voor de auto … euro, bij die gelegenheid werd opgenomen in een BTW-aangifte. Dat de aangifte van … euro voor het tweede kwartaal van 2006 op datzelfde voordeel van alle aard betrekking heeft, wordt niet bewezen, zelfs niet met aanwijzingen of vermoedens. Bovendien laat de geïntimeerde terecht gelden dat het in dat geval zou gaan om een correctie na de controleverrichtingen, meer bepaald na het voorstel tot inregelstelling. Wilde de belastingplichtige zich in regel stellen, dan had zij dat moeten doen ten aanzien van het tekort voor het eerste kwartaal 2005, periode waarin de belastingschuld was ontstaan.
De grief is dus ongegrond.
3.2.2. Volgens de appellant q.q. werd ook ten onrechte BTW verschuldigd verklaard met betrekking tot een bedrag van … euro die ze van de BVBA C. ontving einde 2004 en begin 2005. Het zou om betalingen gaan van kosten die gemaakt werden en verschuldigd waren overeenkomstig de contracten die de vennootschap met de BVBA C. gesloten had (reiskosten, diverse kosten n.a.v. besprekingen met investeringsgroepen die werden gemaakt in de boekhouding). Op het moment van de ontvangst zou de BTW nog niet verschuldigd zijn geworden; dat zou pas het geval geweest zijn na het maken van de eindafrekening met die cliënt, een jaar later.
Beoordeling
Terecht laat de geïntimeerde gelden dat het ontvangen van de voorschotten - die trouwens op 31 maart 2005 in de boekhouding werden geboekt - de belastingplichtige er op dat moment toe verplichtte om een factuur op te maken voor de prestaties waarvoor die voorschotten een vergoeding waren, waarvan trouwens niet betwist wordt dat het om prestaties gaat die de BTW opeisbaar maken (artn. 53 W.BTW en 4, § 1 KB nr. 1).
Dat er later, in het eerste kwartaal van 2006, facturen werden opgemaakt waarin die prestaties zijn begrepen, belet niet dat de geïntimeerde de betrokken BTW invordert die in het eerste kwartaal opeisbaar was geworden (art. 51, § 1, 3° W.BTW) maar niet was aangegeven, noch doorgestort aan de Schatkist. De stelling van de geïntimeerde dat de facturen van het eerste kwartaal 2006 trouwens niet werden opgenomen in de periodieke BTW-aangifte, wordt door de appellant q.q. overigens niet tegengesproken.
Ook deze grief is ongegrond.
3.2.3. De appellant q.q. voert ook betwisting met betrekking tot de toepassing van het algemeen verhoudingsgetal. Waar de appellant q.q. aanvaardt dat de commissie van … euro die de vennootschap ontving voor haar tussenkomst in de overdracht van aandelen van 'de groep P.' met zich brengt dat ze gemengde belastingplichtige werd, betwist hij dat het algemeen verhoudingsgetal (vastgesteld door de omzet van 2004 die onderworpen is aan de BTW (zijnde zonder de commissie) te delen door de totale omzet van die periode) zou mogen toegepast worden op alle kosten uit diezelfde periode. Volgens de appellant q.q. beperkten de kosten voor de overdracht van de aandelen in 'de groep P.' zich tot wat restaurantkosten en ging het voor het overgrote deel om louter intellectueel denkwerk. Anders dan de eerste rechter aannam, zou er geen sprake zijn geweest van de betrokkenheid van het hele kantoor, nu alle werk gedaan zou zijn geweest door de appellant als gedelegeerd bestuurder.
Beoordeling
Er bestaat geen betwisting over dat de belastingplichtige voor het jaar 2004 beschouwd moet worden als gemengde BTW-belastingplichtige; naast de gebruikelijke activiteiten die aan de BTW onderworpen zijn, stelde zij immers handelingen, waaronder bemiddeling, inzake aandelen en deelnemingen in vennootschappen ('de groep P.), activiteit die vrijgesteld is krachtens artikel 44, § 3, 10° W.BTW.
Voor die laatste activiteit bestaat, gelet op de bewoordingen van artikel 45 W.BTW geen recht op aftrek.
Artikel 46, § 1 W.BTW voorziet in dat geval als regel dat de aftrekbare BTW beperkt wordt, met name wordt de belasting ter zake van de voor die activiteit (d.i. de totale economische activiteit) gebruikte goederen en diensten in aftrek gebracht naar verhouding van de breuk gevormd door het bedrag van de laatstgenoemde handelingen (d.i. de handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat) en het totale bedrag van de door de betrokkene verrichte handelingen. Hier bracht dat mee dat (afgerond) 80 % van de voorbelasting niet aftrekbaar werd, met name 125.000/154.500sten. De geïntimeerde heeft van die regel gebruik gemaakt door de voorbelasting voor het jaar 2004 slechts aftrekbaar te stellen voor (afgerond) 20 %, zijnde 29.500/154.500sten.
De belastingplichtige kon aan deze regel niet ontsnappen door de toepassing van het bijzonder verhoudingsgetal te vragen, vermits de voorwaarden daartoe, voorzien in artikel 46, § 2 W.BTW, niet vervuld waren. Niet alleen had de belastingplichtige daartoe niet het in dat artikel vereiste (voorafgaand) verzoek gericht aan de geïntimeerde en bijgevolg ook geen toestemming bekomen om volgens het systeem van het werkelijk gebruik tewerk te gaan. De eerste rechter liet terecht gelden dat de appellant q.q. niet aantoont dat in de boekhouding een onderscheid gemaakt werd tussen de twee onderscheiden activiteiten (in het bijzonder wat dat aan elk van de activiteiten verbonden kosten betreft). Van dan af is het trouwens een loutere bewering van de kant van de appellant q.q. dat de bemiddeling inzake overdracht van aandelen of deelnemingen (nagenoeg) zonder kosten zou gebeurd zijn.
Ook deze grief is dus ongegrond.
4. De gerechtskosten
De appellant q.q. wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.
Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.
Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak;
gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,
verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;
veroordeelt de appellant q.q. tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt :
- aan de kant van de appellant q.q. : nihil
- aan de kant van de geïntimeerde :
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ACHT NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.