Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 22 oktober 2009

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-brussel-2009-10-22-4bf2

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Datum
22 oktober 2009

Procesverloop

2 stappen · 2 jaar 4 maanden
  1. Weergegeven beslissingHof van beroep te Brussel22.10.2009
  2. Beslissing in cassatieHof van Cassatie van België15.03.2012

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

76 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 22.10.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 22-10-2009

Nr. van de zaak : 2007/AR/1504

INZAKEVAN :

Mevrouw M. M., handelaarster, wonende te …, …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester B. loco meester H. V., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst· Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur-ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Gent 2, met kantoren te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 108,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester A. D., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….


In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.

R. 2009/7480 EINDARREST - gedeeltelijk gegrond

PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 9 november 2000, het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 juni 2005, en het arrest van het Hof van cassatie van 16 februari 2007.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Appellante, die een kleinhandel in voedingswaren en dagbladen uitbaatte, tekende voor de eerste rechter, dit is de rechtbank van eerste aanleg te Gent, verzet aan tegen het dwangbevel van 25 november 1996, dat haar op 13 december 1996 werd betekend en een BTW-bedrag in hoofdsom van … BEF en een geldboete van … BEF tot voorwerp had.

Bij vonnis van 9 november 2000 achtte de eerste rechter bewezen dat appellante tijdens de jaren 1992 t.e.m. 1995 goederen had ontvangen, die niet onder haar inkoopfacturen werden opgenomen, waardoor ze niet in aanmerking werden genomen voor de berekening van de met BTW belastbare omzet.

De eerste rechter wees het verzet af wat betreft het BTW-bedrag. Hij herleidde wel de geldboete tot 50 % van de verschuldigde belasting.

Appellante tekende hoger beroep aan, zowel wat betreft het BTW-bedrag, als wat betreft de geldboete, van welke geldboete zij de kwijtschelding of de verdere vermindering vorderde.

Geïntimeerde tekende incidenteel beroep aan, waarbij zij de vermindering van de geldboete aanvocht.

Bij arrest van 28 juni 2005 verklaarde het hof van beroep te Gent het hoofd en incidenteel beroep beide ontvankelijk, doch· ongegrond.

Op voorziening van geïntimeerde vernietigde het Hof van cassatie op 16 februari 2007 het arrest van het hof van beroep te Gent, in zoverre het uitspraak deed over de geldboete en de kosten, en verwees de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

HET VOORWERP VAN HET GESCHIL

De betwisting slaat na cassatie enkel op de geldboete van 200 %, die appellante vraagt te herleiden tot een redelijk bedrag (verbeterde syntheseconclusie, blz. 4), die geïntimeerde vordert te behouden op 200 %, zoals gevorderd in het bestreden dwangbevel, en die door het bestreden vonnis, bevestigd door het hof van beroep te Gent, werd herleid tot 50 %.

Na cassatie vraagt appellante aan het hof het bestreden dwangbevel te vernietigen in de mate waarin een boete van 200 % wordt gevorderd, en de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de wettelijke interesten sedert de betaling, alsmede geïntimeerde te veroordelen tot de kosten.

Appellante nodigt het hof uit desgevallend de volgende prejudiciële vragen te stellen, aan het Grondwettelijk Hof : "Schenden artikel 70, § 1 W.BTW en artikel 1 KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de fiscale geldboeten inzake BTW, het evenredigheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces vastgelegd resp. in artikel 10-11 Grondwet en artikel 6, 1 EVRM, indien moet aanvaard worden dat deze bepalingen de rechter niet toelaten een boete te beoordelen op zijn evenredigheid met de begane overtreding; de rechter in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie en de rechter geen rekening mag houden met verzachtende omstandigheden ?", en aan het Hof van Justitie : "Schenden artikel 70, § 1 W.BTW en artikel 1 KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de fiscale geldboeten inzake BTW de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht met name het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces indien moet aanvaard worden dat deze bepalingen de rechter niet toelaten een boete te beoordelen op zijn evenredigheid met de begane overtreding; de rechter in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie en de rechter geen rekening mag houden met verzachtende omstandigheden ?"

Geïntimeerde vraagt aan het hof de vordering. van appellante ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, en appellante te veroordelen tot de kosten.

BEOORDELING

1. De eerste rechter herleidde de opgelegde geldboete van 200 % tot 50 %, op volgende gronden : "Enerzijds, stelt de rechtbank vast dat er een opgezette constructie bestond en dat (appellante) gedurende vier jaren grote hoeveelheden goederen in het zwart aangekocht heeft waardoor zij een belangrijke niet aangegeven omzet realiseerde en waarop zij evenmin BTW betaalde. De bedoeling van het fraudemechanisme bestond erin te voorkomen dat de belastingadministratie weet zou hebben van de ware identiteit van de werkelijke afnemer, dewelke aldus beschikte over een zwarte voorraad.

Dit rechtvaardigt een zware boete opdat (appellante) zou inzien dat zij door haar handelwijze niet alleen aan oneerlijke concurrentie deed, maar bovendien de belangen van de gemeenschap in belangrijke mate heeft geschaad en haar ertoe aan te zetten in de toekomst correct te handelen.

Anderzijds, moet deze boete in redelijkheid begroot worden. Er dient rekening mee gehouden dat het bedrag van de BTW zelf in het gewone tarief al gelijk is aan 21 % en vooral dat deze percentages niet worden berekend op de door de overtreder behaalde winst, maar op de aan de BTW onderworpen prijzen (de door haar gerealiseerde omzet).

In acht genomen deze gegevens, moet de boete, voorzien door art. 70, § 1 BTW-Wetboek, verminderd worden tot de helft van de verschuldigde belasting".

Het hof van beroep te Gent bevestigde het bestreden vonnis, op volgende gronden : "De boete aan de appellante opgelegd in toepassing van artikel 70, § 1 BTW-Wetboek is een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM (…). Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, Silvester's Horeca Service ti België (...).

Te dezen moet worden vastgesteld dat een boete van 200 % onevenredig is met de door de appellante begane inbreuken, en dient te worden herleid tot redelijke proporties. In dit verband dient er op gewezen dat de appellante zich toch bewust schuldig gemaakt heeft aan fraudepraktijken, dit over een periode van vier jaar. Het bedrag van de ontdoken BTW bedraagt … BEF (… EUR). Een boete van … BEF (… EUR), hetzij 50 %. van de ontdoken rechten is in redelijkheid gerechtvaardigd".

Op voorziening van geïntimeerde vernietigde het Hof van cassatie op 16 februari 2007 het arrest van het hof van beroep te Gent, in zoverre het uitspraak deed over de geldboete en de kosten, op grond dat "de appelrechters verminderen de opgelegde geldboete tot 50 % van de ontdoken rechten om de enkele reden dat een boete van 200 % onevenredig is en dient verminderd te worden tot 50 % van het bedrag van de ontdoken rechten. Het arrest, dat expliciet wijst op het bewust karakter van de inbreuken, laat aldus na te onderzoeken in welke mate het bestuur zelf gebonden was door een sanctie en op welke gronden het bestuur van de vaste schalen had moeten afwijken".

Het Hof van cassatie verklaarde aldus het cassatiemiddel gegrond, door geïntimeerde afgeleid uit de schending van (1) de artikelen 70, eerste paragraaf, eerste lid, 72 en 84 W.BTW, het artikel 84, inzonderheid het derde lid, zoals ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986, (2) artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid het laatste lid, in de tekst voor en na de wijziging bij koninklijk besluit van 21 oktober 1993, naargelang de tekst voor en na deze datum op de opgelegde boete toepasselijk is, (3) voor zoveel als nodig de tabel A in de bij dit koninklijk besluit nr. 41 aangehechte bijlage, en (4) artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

2. Artikel 70, eerste paragraaf, eerste lid, bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84, tweede lid, W.BTW, vóór de wijziging bij de wet van 15 maart 1999, beslist de minister van Financiën over de verzoeken tot kwijtschelding van administratieve geldboeten.

In artikel 84, derde lid, W.BTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Tot uitvoering daarvan wordt in het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en in de daaraan gehechte bijlage een schaal met verminderde boeten vastgelegd. In het laatste lid van artikel 1 van dit. koninklijk besluit wordt evenwel voorgeschreven dat deze tabellen niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

3. Appellante noemt de toegepaste administratieve boete van 200 %, berekend op de BTW op de omzet, en toegepast na een eerste overtreding, "verschrikkelijk hoog" (verbeterde syntheseconclusie, blz. 4), onevenredig en onredelijk.

Volgens appellante kan dergelijke boete het voortbestaan van haar bedrijf in het gedrang brengen en is een vorm van onteigening.

4. De eerste rechter, hierin gevolgd door het hof van beroep te Gent, en op dit punt niet bekritiseerd door appellante, oordeelde dat appellante de overtredingen op het W.BTW beging met het oogmerk de belasting te ontduiken (zie supra).

Volgens geïntimeerde, gelet op de fraude, "(bestaat er) in toepassing van artikel 84 van het BTW-wetboek en art. 1, laatste lid, KB nr. 41 voor de administratie geen enkele vrijheid van beoordeling. De rechter is derhalve eveneens door de wettekst gebonden" (tweede syntheseconcIusie na cassatie, blz. 2).

Deze zienswijze kan niet worden bijgetreden. Het middel dat aanvoert dat de rechter een administratieve sanctie slechts kan verminderen wanneer hij vaststelt dat het bestuur over een matigingsbevoegdheid beschikt, steunt op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht (Cass. 13 februari 2009, nr. F.06.0107.N).

Voorts sluit het feit dat de rechter bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in acht moet nemen in welke mate de administratie zelf gebonden was i.v.m. de sanctie, niet uit dat de rechter de opgelegde boete kan verminderen (Cass. 13 februari 2009, nr. F.06.0108.N : "Het arrest oordeelt dat de verweerster opzettelijk heeft gehandeld maar oordeelt dat de sanctie onevenredig was omdat de overtreding begaan werd onder druk van haar concurrenten die op een vergelijkbare manier te werk gingen, omdat zij geen fiscaal voordeel genoot en omdat zij en haar bestuurders strafrechtelijk veroordeeld waren zodat herhaling in de toekomst moeilijk lijkt. Uit die gegevens konden de appelrechters afleiden dat de opgelegde boete van … euro (… frank) onevenredig was en moest verminderd worden tot het bepaalde bedrag (… EUR)").

Volgens vaste cassatierechtspraak, en o.m. het in onderhavige zaak gewezen arrest van het hoogste hof van 16 februari 2007, houdt het toetsingsrecht enkel niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. De rechter mag volgens die rechtspraak wel in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld.

In dit verband mag het hof er bijgevolg rekening mee houden dat het een eerste overtreding van appellante betreft.

Dit gegeven rechtvaardigt evenwel nog geen herleiding van de boete van 200 % tot 50 %, waartoe de eerste rechter besloot. De onderhavige zaak is, wat betreft de gegevens op basis waarvan de rechter de boete kan herleiden tot een boete die hij evenredig acht (50 %), niet gelijkaardig aan de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het Hof van cassatie van 13 februari 2009. Appellante roept immers enkel in dat het een eerste overtreding betreft.

Het hof herleidt de betwiste administratieve geldboete van 200 % derhalve tot 75 %. Aldus wordt ook rekening gehouden met het feit, ingeroepen door geïntimeerde, dat de fraude het algemeen belang schaadt en concurrentieverstorend is.

Men kan bezwaarlijk stellen dat een boete van 75 % van de ontdoken belasting het bestaan van het bedrijf van appellante in het gedrang brengt en een onteigening van appellante inhoudt, wiens financiële toestand overigens niet wordt medegedeeld.

Het bestreden vonnis wordt in voormelde zin hervormd.

5. Appellante vordert ook de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de wettelijke interesten sedert de betaling.

Overeenkomstig artikel 91, vierde paragraaf, W.BTW zijn moratoire interesten over de terug te geven sommen verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regelen.

Dit betekent dat de interesten maar·verschuldigd zijn vanaf het ogenblik dat appellante de administratie in gebreke stelde.

Overeenkomstig artikel 1139 B.W. kan de ingebrekestelling gebeuren door een aanmaning of door een daarmee gelijkstaande akte.

Een dagvaarding voor de rechtbank is een akte die gelijkstaat met een aanmaning.

Het blijkt met dat appellante voorafgaand aan de dagvaarding van 9 januari 1997 de administratie in gebreke stelde.

De moratoire interesten worden toegekend vanaf 9 januari 1997.

6. Op de zitting verklaarden de partijen zich akkoord omtrent het basisbedrag van … EUR van de rechtsplegingvergoeding.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoofd- en incidenteel beroep in de hierna bepaalde mate gegrond,

Hervormt het bestreden vonnis, in zoverre het uitspraak deed over de geldboete en de kosten, als volgt,

Vernietigt het dwangbevel waartegen verzet wat betreft de op grond van artikel 70, eerste lid, W.BTW opgelegde geldboete ten belope van … BEF, en vermindert deze boete tot 75 % van de verschuldigde belasting, hetzij … BEF of … EUR,

Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van de op basis van het aldus vernietigde dwangbevel ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoire interesten sedert 9 januari 1997,

Veroordeelt appellante tot drievierden en geïntimeerde tot één vierde van de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellante begroot op het bedrag van … EUR (rechtsplegingvergoeding eerste aanleg : … EUR; rechtsplegingvergoeding hof Gent : … EUR; rechtsplegingvergoeding hof Brussel : … EUR) en aan de zijde van geïntimeerde op het bedrag van … EUR (dagvaarding : … EUR; rechtsplegingvergoeding eerste aanleg : … EUR; rechtsplegingvergoeding hof Gent : … EUR; rechtsplegingvergoeding hof Brussel : … EUR).

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22 10.2009

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

P. V., alleenzetelend raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. P. V.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 41 art. 14 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 841 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8