Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 08.11.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 6e bis KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :
Zitting van : 8.11.2005
Eindarrest
(art. 162, 4° W. Reg. – BTW)
Inzake : 2004/AR/2178
NV E.-B., met zetel gevestigd te …, …, gekend bij de fiscale administratie onder het nationaal nummer …, RPR Antwerpen …;
appellante,
tegen een vonnis gewezen door de 4e F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 19 april 2004, aldaar gekend onder nr. AR 01/4744/A;
vertegenwoordigd door Mr. S. M. loco Mr. J. N., advocaat, kantoorhoudende te …, … (ref. : 76JN0005);
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, sector BTW, hier vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. D. V. loco Mr. R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, … (ref. : BTW.1247/RL/SV);
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 19 april 2004, dat zou betekend zijn op 29 juni 2004, doch waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 29 juli 2004, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
Nietigheid conclusies
Ter zitting van 11 oktober 2005 heeft appellante de nietigheid ingeroepen van de door geïntimeerde neergelegde conclusies wegens het gebruik van de Franse taal in deze conclusies.
Geïntimeerde heeft aangeboden deze citaten te schrappen.
Het Hof stelt vast dat de door geïntimeerde op 1 oktober 2004 neergelegde conclusie en de op 21 juni 2005 neergelegde syntheseconclusies inderdaad citaten in de Franse taal zonder vertaling bevatten.
Het aanbrengen van doorhalingen of wijzigingen in een akte van rechtspleging, na het aanwenden van deze akte, om een met nietigheid gesanctioneerd vormgebrek of verzuim erin te willen verbeteren, kan niet zomaar toegelaten worden. De nietigheid bestaat immers vanaf het aanwenden van de akte.
Het Hof stelt evenwel vast dat de citaten in de Franse taal zonder vertaling louter illustratief zijn en niet behoren tot de argumentatie als een noodzakelijk element tot ondersteuning van deze argumentatie. De zakelijke inhoud van de citaten (trouwens de letterlijke tekst van geciteerde rechtspraak) is aanwezig in de overige tekst.
Er is dan ook geen reden om te besluiten tot de nietigheid van de kwestieuze conclusies.
De toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek
Artikel 747, § 2, zesde lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de conclusie die is overgelegd na het verstrijken van de termijnen bepaald op grond van dit artikel, ambtshalve uit het debat worden geweerd, onverminderd de toepassing van artikel 748, §§ 1 en 2 van dit wetboek.
Die bepaling sluit niet uit dat de partijen zelf een overeenkomst kunnen sluiten betreffende de conclusietermijnen en dat de partij tegen wie geconcludeerd wordt in strijd met die conventionele regeling, het verwijderen van die conclusies uit het debat kan eisen.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 september 2004 blijkt dat de raadslieden van beide partijen aanwezig waren en een verzoek tot regeling van conclusietermijnen neerlegden en dat de termijnen om conclusies neer te leggen en ter zelfder tijd aan de andere partij toe te zenden bepaald werden als volgt :
eerste conclusie : geïntimeerde uiterlijk op 15 november 2004;
appellante uiterlijk op 15 januari 2005;
tweede conclusie : geïntimeerde uiterlijk op 15 maart 2005;
appellante uiterlijk op 16 mei 2005;
derde conclusie : geïntimeerde uiterlijk op 15 juli 2005.
Geïntimeerde heeft een conclusie neergelegd op 1 oktober 2004 (dus tijdig) en een syntheseconclusie op 21 juni 2005 (eveneens tijdig).
Appellante heeft een conclusie neergelegd op 17 januari 2005 (tijdig, 15 januari 2005 een zaterdag zijnde) en een samenvattende conclusie op 17 mei 2005 (tijdig, 16 mei een feestdag zijnde).
Ter zitting van 11 oktober 2005 heeft appellante de wering uit de debatten gevorderd van de door geïntimeerde op 21 juni 2005 neergelegde syntheseconclusie omdat geïntimeerde de hem toegekende tweede conclusietermijn heeft laten voorbijgaan.
Het laten voorbijgaan van een conclusietermijn is evenwel geen reden om een latere, tijdig neergelegde, conclusie uit het debat te weren, temeer wanneer in deze conclusie - zoals te dezen - geen nieuwe argumenten worden ontwikkeld.
Anderzijds heeft geïntimeerde de wering uit het debat gevorderd van de door appellante op 17 mei 2005 neergelegde conclusie.
Deze conclusie werd evenwel tijdig neergelegd zodat er geen reden is om ze uit het debat te weren.
Voorafgaande feiten en procedure
Appellante heeft op 23 oktober 2000 de periodieke BTW-aangifte van de maand september ingediend met in vak 71 een aan de Staat verschuldigde belasting van 8.924.725 BEF (€ 221.238,15), doch is niet overgegaan tot betaling van dit bedrag.
Derhalve werd haar rekening-courant op 30 november 2000 op nul gebracht en werd een bijzondere rekening opgemaakt voor de periode van 31 augustus 2000 tot 30 november 2000. Ingevolge deze bijzondere rekening was appellante een bedrag verschuldigd van 13.820.658 BEF (€ 342.605,16) BTW en 1.385.000 BEF (€ 34.333,25) boeten en intresten (pro memorie).
Bij schrijven van 13 maart 2001, gericht aan het BTW-ontvangkantoor te Antwerpen 3, vraagt appellante haar een betalingsuitstel toe te staan tot uiterlijk 30 april 2001, de opgelegde boete kwijt te schelden en de intresten te verminderen of kwijt te schelden.
Bij beslissing van de gewestelijk directeur van 26 april 2001 wordt het verzoek van appellante afgewezen onder de redengeving dat er inzake de boete, in de gegeven omstandigheden, geen wettelijke of feitelijke rechtvaardigingsgrond bestaat om in toepassing van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 deze kwijt te schelden en dat inzake de intresten het ingesteld onderzoek geen gegevens heeft opgeleverd die de toepassing van de uitzonderingsmaatregelen bedoeld bij artikel 84bis van het BTW-Wetboek kunnen rechtvaardigen.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 24 juli 2001 vordert appellante de beslissing van de gewestelijk directeur te vernietigen, de opgelegde administratieve boete kwijt te schelden en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten.
Appellante voert aan dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is; zij stelt dat de administratieve boete een strafrechtelijk karakter heeft, dat de straf niet in verhouding staat tot de overtreding en dat bij het opleggen van de boete rekening dient gehouden te worden met de bijzondere omstandigheden, namelijk dat appellante in de onmogelijkheid was om de verschuldigde BTW te voldoen omdat zij met ernstige liquiditeitsproblemen kampte omwille van openstaande vorderingen op diverse klanten en dat zij bovendien alle medewerking heeft toegezegd om tot een spoedige betaling van de verschuldigde BTW te komen.
Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar doch ongegrond, wijst appellante ervan af en veroordeelt appellante tot de kosten van het geding.
De eerste rechter stelt dat de grief van appellante dat de beslissing niet gemotiveerd is, steriel is, nu appellante geen belang aanvoert bij de vernietiging van de beslissing, om reden dat ze hoe dan ook toegang heeft tot de rechtbank om haar grieven tegen de in haren hoofde toegepaste boete uiteen te zetten en ter beoordeling aan de rechtbank voor te leggen.
De eerste rechter stelt dat de grief van appellante dat de straf niet in verhouding zou staan met de overtreding, zij het in percentage, zij het in absolute cijfers, niet kan worden bijgetreden, nu de boete reeds conform KB nr. 41 inzake BTW is gemoduleerd en op die wijze is teruggebracht tot slechts 1/20 van de wettelijk bepaalde boete, die niet alleen een bestraffend, maar daarnaast ook een preventief en een vergoedend karakter heeft.
Het motief van appellante dat zij door buitenlandse klanten niet tijdig was of zou zijn betaald, wat haar zou hebben gehinderd bij het tijdig voldoen van haar BTW-schuld is volgens de eerste rechter in strijd met het wettelijk voorschrift dat de BTW moet zijn voldaan binnen de aangiftetermijn, ongeacht haar goede trouw, welke laatste geen recht op kwijtschelding of vermindering opent. Het was aan appellante om zich dusdanig te organiseren dat zij haar wettelijke verplichting terzake tijdige betaling van de BTW kon voldoen. Het gegeven dat de boete als absoluut bedrag hoog ligt, houdt slechts verband met het hoge omzetcijfer van appellante, waarbij zij verhoudingsgewijs niet zwaarder werd gesanctioneerd dan een BTW-belastingplichtige met in absolute bedragen lagere omzetten.
Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis te vernietigen en de vordering van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren, de beslissing van de gewestelijk directeur te vernietigen, de opgelegde administratieve boete kwijt te schelden en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.
Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, met de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding.
In rechte
Appellante roept niet langer het gebrek aan motivering van de beslissing van 26 april 2001 in.
De betwisting betreft nog uitsluitend de vordering van appellante tot kwijtschelding van de boete van € 34.333,25.
Appellante stelt dat niet een administratieve geldboete, maar een strafsanctie werd opgelegd en stelt dat de rechtbank bevoegd is om te oordelen over de opportuniteit van de opgelegde boete en aldus niet gebonden is door de boeteschalen vastgelegd in het KB nr. 41. het lijkt appellante niet geoorloofd om het louter feit van de niet betaling van de verschuldigde BTW te sanctioneren met een straf die 10 % bedraagt van de verschuldigde BTW (ongeacht het bedrag van de verschuldigde BTW) bovenop het aanrekenen va een nalatigheidsintrest wegens laattijdige betaling. De straf staat niet in verhouding tot de overtreding; enkel het opleggen van een vergoeding voor de geleden schade, zijnde het ontberen van de gelden gedurende een bepaalde tijdspanne, lijkt appellante aanvaardbaar. Bovendien dient bij het opleggen van de boete rekening gehouden te worden met de bijzondere omstandigheden, namelijk appellante was buiten haar wil om in de onmogelijkheid om de verschuldigde BTW te voldoen, omdat zij met ernstige liquiditeitsproblemen kampte wegens de openstaande vorderingen op diverse klanten en bovendien heeft zij alle medewerking geleverd om tot een spoedige betaling van de verschuldigde BTW te komen.
Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84 van dat wetboek wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de koning worden vastgesteld.
Krachtens artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van voormeld artikel 70 W.BTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass., 21 januari 2005, inzake C.02.0572.N).
Te dezen bedraagt de opgelegde boete 10% van de verschuldigde BTW.
De wijze waarop deze boete werd bepaald is volledig in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en is, gelet op de ernst van de overtreding, niet onevenredig.
De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat het argument van appellante dat zij in de onmogelijkheid was om de verschuldigde BTW te voldoen omdat zij met ernstige liquiditeitsproblemen kampte omwille van openstaande vorderingen op diverse klanten, in strijd is met het wettelijk voorschrift dat de BTW moet voldaan zijn binnen de aangiftetermijn, ongeacht haar goede trouw, die geen recht op kwijtschelding of vermindering opent. Wat appellante vraagt is dat rekening zou gehouden worden met verzachtende omstandigheden in haren hoofde, waartoe de rechter niet bevoegd is.
Aan appellante werd geen boete opgelegd die hoger is dan wat in gelijkaardige gevallen wordt toegepast.
De eerste rechter heeft terecht de vordering van appellante als ongegrond afgewezen.
Het hoger beroep van appellante is derhalve ongegrond en appellante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis.
Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 475,97 rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van ACHT NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF,
waar aanwezig waren :
D. W., raadsheer, wnd. voorzitter
G. V., griffier
G. V. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.