Procesverloop
2 stappen · 4 jaar 4 maanden- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg15.10.1999
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen02.03.2004
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 02.03.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
Zitting van : 2/3/2004
EINDARREST - Dwangbevel
Inzake : 1999/AR/3362
M. W., zonder beroep, wonende te …, …, voorheen geregistreerd als BTWbelastingplichtige Nr. BE …;
appellante,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 15 oktober 1999;
vertegenwoordigd door Meester L. d. V. loco Meester V. D., advocaat te …, …;
de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de E.a. inspecteur van het Tweede BTW-controlekantoor te Geel, wiens burelen gevestigd zijn te 3440 Geel, RAC Werft 65;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester P. B. loco Meester P. v. d. S., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 15 oktober 1999, betekend op 30 november 1999, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 28 december 1999, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
Voorafgaande feiten en procedure
Appellante baatte een kleinhandel uit in tweedehandskleding en was geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder nummer BE ….
Op 23 maart 1995 werd een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de naleving van het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan gegeven regels voor de periode van 1 januari 1993 tot 22 november 1994 (datum van stopzetting van haar activiteiten).
Op 20 december 1995 werd een correctieopgave gestuurd aan appellante, waarmee zij zich op 29 januari 1996 niet akkoord verklaarde.
Op 14 april 1998 werd een proces-verbaal opgesteld en bij aangetekend schrijven van 26 mei 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd op 19 mei 1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 mei 1998, aan appellante ter kennis gebracht. Hierin werd betaling gevorderd van een totaal bedrag van 1.260.649 BEF, zijnde 883.025 BEF BTW + 88.000 BEF geldboete + 289.624 BEF wettelijke intresten.
Op 28 juni 1998 betaalde appellante onder alle voorbehoud een bedrag van 1.260.649 BEF.
Bij dagvaarding van 18 september 1998 vordert appellante de veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van een bedrag van 1.260.649 BEF, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten vanaf de dagvaarding en de kosten van het geding. In conclusies herleidt appellante haar vordering tot een bedrag van 716.136 BEF, te vermeerderen met het gedeelte van de boete op grond van artikel 70 BTW-Wetboek die op deze som bepaald werd, meer de intresten die op deze totaliteit gerekend werden, meer de nalatigheidsintresten vanaf de dagvaarding en de kosten van het geding.
Appellante beroept zich op de aanschrijving nummer 88/1970 krachtens dewelke vrijstelling van BTW wordt verleend voor de verkoop van lompen en vodden en stelt dat zij wel degelijk lompen en/of vodden verkocht.
Het bestreden vonnis verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt appellante tot de kosten van het geding. Volgens de eerste rechter beantwoordt de circulaire van 15 december 1970 aan de vereiste van gelijkheid, rechtszekerheid en billijkheid, waarbij tevens het algemeen belang gediend is, zodat deze een niet - wetsconforme uitvoering inhoudt van de fiscale regelgeving. De rechtsonderhorige kan zich op bedoelde omzendbrief beroepen teneinde op bepaalde ontheffingen aanspraak te maken, op voorwaarde dat de in de omzendbrief voorziene voorwaarden voldaan zijn. Te dezen werd niet voldaan aan de opgelegde formaliteit om ontheffing van belasting te bekomen, met name de vereiste vermelding op de facturen ‘recuperatieproducten, BTW niet toegepast. Aanschrijving van 15 december 1970 nr. 88' werd niet op de facturen opgenomen.
Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis te vernietigen en haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren. Volgens appellante hebben de kwestieuze uitgaande facturen wel degelijk betrekking op recuperatiestoffen, minstens toont geïntimeerde niet aan dat het om de verkoop van tweedehandskleding zou gaan. Volgens appellante gaat het om de verkoop van vodden en lompen en zij heeft dus terecht geen BTW aangerekend op de verkoop van deze recuperatiestoffen.
Appellante stelt dat de formele tekortkomingen moeten genuanceerd worden en geen aanleiding kunnen geven tot het niet toepassen van het vereenvoudigingstelsel in hoofde van appellante. De verwerping van de toepassing van het vereenvoudigingstelsel is een sanctie die buiten verhouding is en in strijd met het beginsel van de neutraliteit van de belasting, één van de basiskenmerken van het BTW-stelsel.
Er is tevens sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel: door in de praktijk en gedurende tal van jaren de aanschrijving op een bepaalde wijze te interpreteren zodat een gehele sector van belastingplichtigen op basis van deze interpretatie belastingvrij goederen heeft geleverd, heeft de administratie een bepaalde verwachting geschapen bij deze belastingplichtigen, die moet gehonoreerd worden.
Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis.
Een vergunning om de belasting die verschuldigd is doch niet moet worden voldaan kan slechts van toepassing zijn voor zover het gaat om recuperatiestoffen bedoeld onder lompen en vodden en moet bijkomend de door de leverancier uitgereikte factuur de vermelding 'recuperatiestoffen BTW niet toegepast. Aanschrijving van 15 december 1970, nr. 88 bevatten en moet deze factuur opgenomen zijn in het boek voor uitgaande facturen van de leverancier.
Volgens het handelsregister is er sprake van een kleinhandel in confectie en tweedehandsconfectie (niet van recuperatiestoffen). De facturen zijn niet in overeenstemming met artikel 5, § 1, 6° KB nr. 1 met betrekking tot de regeling van de voldoening van de BTW.
Bovendien is niet voldaan aan de voorwaarden van de aanschrijving nr. 88 (vermelding op de facturen niet correct).
In rechte
Volgens het proces-verbaal van 14 april 1998 werden bij de controle doorgevoerd op 23 maart 1995 in hoofde van appellante een aantal overtredingen tegen de BTW-wetgeving vastgesteld, onder meer onder rubriek IV inbreuken op het KB nr. 20 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij deze tarieven (voor een totaal bedrag aan BTW van 916.136 BEF).
Appellante verzet zich enkel tegen voornoemde rubriek IV van het proces-verbaal en betwist enkel de aanrekening van BTW op de verkoop van tweedehandskleding.
Appellante stelt dat de administratie er ten onrechte van uitgaat dat het gaat om de verkoop van tweedehandskleding, waar het gaat om de verkoop van lompen en hierop geen BTW zou verschuldigd zijn.
Uit het proces-verbaal blijkt dat de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen door appellante op de door haar uitgereikte facturen vermeld werd als "Lev. Goederen", "Gebruikt tekstiel", "Geleverde gebruikte kleding", enz.
Deze facturen zijn niet in overeenstemming met artikel 5, § 1, 6° van het KB nr. 1 met betrekking tot de regeling van de voldoening van de BTW. Immers op basis van de vermeldingen op de factuur moet het mogelijk zijn om de handelingen te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen (inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en hun hoeveelheid).
Bovendien bracht appellante op de facturen de vermelding aan 'vrij van BTW' en verwees zij bij navraag hieromtrent naar de aanschrijving nummer 88 van 1970.
Nochtans dient volgens deze aanschrijving een andere vermelding op de facturen aangebracht te worden, zodat zij ook niet voldeed aan de voorwaarden van deze aanschrijving.
Uit het voorgaande blijkt dat uit de libellering van de uitgereikte facturen niet kan afgeleid worden over welke goederen het juist gaat.
Bovendien blijkt uit het door de administratie uitgevoerde onderzoek dat de activiteit van appellante nergens omschreven is als handelaarster in recuperatieproducten en dat haar voornaamste afnemer een handelaar in tweedehandskleding was.
Zelfs als de geleverde goederen zouden kunnen beschouwd worden als vodden en lompen, wat niet bewezen is, zou appellante de aanschrijving 88/1970 niet kunnen inroepen (voor zover zij hierop beroep zou kunnen doen) omdat zij de voorgeschreven vermeldingen niet heeft aangebracht.
De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering van appellante als ongegrond afgewezen.
Het bestreden vonnis dient bevestigd te worden en appellante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis, mits deze wijziging dat in het beschikkend gedeelte ervan de bedragen uitgedrukt in BEF dienen omgezet te worden in EURO als volgt :
- 8.290 BEF dient gelezen als 205,50 €;
- 12.500 BEF dient gelezen als 309,87 €;
- 12.300 BEF dient gelezen als 304,91 €;
Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op 456,14 EUR, volgens opgave in de aanvullende conclusie.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van TWEE MAART TWEEDUIZENDENVIER,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M. D. en S. B., Raadsheren;
A. v. L., Griffier.
A. V. L. S. B. M. D. D. W.
Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;
Dat onze procureurs-generaal en onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van heb gevorderd wordt;
Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof.
Voor gelijkvormige expeditie afgeleverd aan gerechtsdeurwaarder R. J. ten verzoeke van meester V. D. S. P., advocaat die optreedt voor de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen.
Antwerpen, 7 mei 2004
V. V.
Griffier-hoofd van dienst.
98/494/A van : 15.10.1999
VONNIS gewezen en uitgesproken in het Gerechtsgebouw "Het Kasteel" te Turnhout op VRIJDAG, 15 OKTOBER 1900 NEGENENNEGENTIG, in openbare zitting van de Tiende Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het arrondissement Turnhout, alwaar zetelden :
G. R., Enig Rechter.
J. B., griffier.
Inzake van :
Mevrouw W. M., … te …;
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door Mr. K. S. loco Mr. H. V., advocaat te ….;
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW Registratie en Domeinen, in de persoon van het hoofd van het Tweede BTW-controlekantoor te geel, wiens burelen gevestigd zijn te 2440 Geel RAC "De Werft", Werft 65;
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door Mr. T. R. loco Mr. J. V. R., advocaat te …, …;
Gezien de dagvaarding betekend op 18 september 1998 ertoe strekkende de terugbetaling te bevelen van het bedrag van 1.260.649 Frank, verhoogd met de nalatigheidsinteresten vanaf 18 sepember 1998 en verweerster te veroordelen tot de kosten.
Gehoord partijen, bij monde van hun raadslieden, ter zitting van 17.9.1999 in hun middelen en besluiten.
De vordering komt ontvankelijk voor. Partijen voeren daarover geen betwisting.
Probleemstelling
Aanlegster baatte een kleinhandel in tweedehandskleding uit. Zij was geregistreerd als BTW-belastingplichtige vanaf 10.7.1990.
Ingevolge een controle van de BTW-Administratie op 23.3.1995 werd een dwangbevel uitgevaardigd, waarbij bevel tot betaling werd gegeven van een bedrag van 883.025 BF BTW, 88.000 BF proportioneel verminderde boete, tevens te verhogen met interesten.
Aanlegster voldeed op 28.6.1998, onder alle voorbehoud van rechten, een bedrag van 1.260.649 BF
De discussie tussen partijen betreft het onderdeel van het dwangbevel, waarbij de Administratie vooropstelt dat BTW verschuldigd is ten bedrage van 716.136 BF op uitgereikte facturen voor goederen, welke zij kwalificeert als "tweedehandskledij", terwijl aanlegster zich beroept op de vergunning, zoals voorzien in de aanschrijving nr. 88 van 15.12.1970, om de belasting, die op de handeling verschuldigd is, niet te voldoen.
Aanlegster beroept zich op de aanschrijving nr. 88 d.d. 15.12.1970.
Zoals het heffen van belastingen enkel kan gebeuren bij Wet, kan ook de vrijstelling van belasting slechts bij Wet worden ingevoerd.
Principieel behoort het niet aan de Administratie om, door middel van een omzendbrief, af te wijken van de fiscale reglementering.
Zo echter de circulaire een algemene draagwijdte heeft, werd gepubliceerd met goedkeuring van de administratie en in overeenstemming is ·met de aard en het doel van de belasting, wordt voldaan aan de vereiste van gelijkheid, rechtszekerheid en billijkheid, waarbij tevens het algemeen belang gediend is, zoals door de wetgever beoogd.
(cfr. K. Geens, Binden circulaires, toezeggingen of inlichtingen de fiscus ?, TFR 1983, p. 10-11)
In casu bestaat er tussen partijen geen betwisting over dat de bedoelde circulaire aan deze vereiste beantwoordt, zodat deze een niet-wetsconforme uitvoering inhoudt van de fiscale regelgeving.
Partijen betwisten niet dat de rechtsonderhorige zich op de bedoelde omzendbrief mag beroepen ten einde op bepaalde ontheffingen aanspraak te maken.
Volgens de aanschrijving verleent de Administratie vergunning voor de verhandeling van recuperatiestoffen en recuperatieproducten om de belasting, die daarop verschuldigd is, niet te voldoen, volgens volgende modaliteiten :
1° als recuperatiestoffen en -producten worden aangemerkt: "lompen en vodden"
2° ...
3° voor de leveringen in België verricht, reikt de koper een inkoopborderel uit aan de verkoper dat de vermelding bevat "recuperatieproducten. BTW niet toegepast. Aanschrijving van 15 december 1970, nr. 88".
Het uitreiken van een inkoopborderel door de koper is niet vereist indien de leverancier een factuur aflevert, voorzien van dezelfde vermelding.
Opdat de rechtsonderhorige zich op de ontheffing kan beroepen, dienen de in de omzendbrief voorziene voorwaarden voldaan te zijn.
(cfr. K. Geens, op. cit., p. 11)
Wanneer de Administratie, met het oog op het verlenen van ontheffing, bepaalde formele verplichtingen oplegt, kunnen deze aan de rechtsonderhorige, die zich op voormelde omzendbrief beroept, tegengesteld worden.
Door het opleggen van formaliteiten omtrent een ontheffing contra legem, als uitvoeringsmaatregel, worden door de Administratie de verplichtingen van de rechtsonderhorige m.b.t. de belastingheffing niet verzwaard.
Immers, de regel is, het verschuldigd zijn van de belasting, bij afwezigheid van een ontheffing bij wet en aanlegster kan bezwaarlijk voorhouden dat deze regel door de formele vereisten van de circulaire verzwaard zijn.
In casu werd aan de opgelegde formaliteit om ontheffing van belasting te bekomen, door aanlegster niet voldaan : de vereiste vermelding op de factuur werd niet opgenomen.
De facturen vermelden "vrij van BTW. Niet bestemd voor de Belgische markt".
Hieruit kan zelfs niet worden afgeleid dat aanlegster zich beroept op de ontheffing, zoals voorzien in de aanschrijving nr. 88.
Tevergeefs argumenteert aanlegster dat zij niet verplicht zou zijn geweest een factuur op te maken :
de principiële hoedanigheid van belastingplichtige in hoofde van aanlegster wordt niet betwist.
Overeenkomstig art. 53, 1ste lid, 2° Wb. BTW is de BTW-plichtige, met uitzondering van diegene die geen enkel recht op aftrek van BTW heeft, gehouden een factuur of een als zodanig geldend stuk uit te reiken voor de door hem of haar verrichte leveringen van goederen.
(cfr. P. Wille en M. Govers, De factuur en de BTW, 1998, p. 63 e.v.)
Volgens de aanschrijving nr. 88 worden zij, die recuperatieproducten verhandelen, niet als belastingplichtige beschouwd.
(cfr. H. Vandebergh, BTW-Handboek, editie 1995, p. 47)
Doch, in acht genomen, het voorgaande, zal dit slechts het geval zijn voor zover door de betrokkenen aan de voorwaarden van de circulaire voldaan is.
Aanlegster kan echter geen inkoopborderellen voorleggen, zoals door de circulaire voorzien. Bij gebreke daaraan kan aanlegster zich dan ook bezwaarlijk beroepen op enige ontheffing tot het opmaken van een factuur.
Aanlegster bewijst niet te hebben voldaan aan de vereisten van de aanschrijving nr. 88 d.d. 15.12.1970 om van de ontheffing van belasting te genieten.
Dit in acht genomen, dient het overige van de door partijen aangevoerde argumentatie niet onderzocht te worden.
De vordering komt ongegrond voor.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
Gezien de artikelen 2, 34, 36, 37 en 42 van de wet van 15 juni 1935
DE RECHTBANK, vonnissende op tegenspraak en in eerste aanleg,
verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond,
Legt de kosten ten laste van aanlegster en begroot deze op :
- in hoofde van eiseres op :
- dagvaarding en rolrecht : 8.290 BF
- rechtsplegingsvergoeding : 12.500 BF
- in hoofde van verweerster op
- rechtsplegingsvergoeding : 12.300 BF
J. B. G. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.