Voldoening van de belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 15 oktober 1999

Zoeken

Voldoening van de belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-rechtbank-turnhout-1999-10-15-110a

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
15 oktober 1999

Procesverloop

2 stappen · 4 jaar 4 maanden
  1. Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg15.10.1999
  2. Beslissing in beroepHof van beroep te Antwerpen02.03.2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

64 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Turnhout d.d. 15.10.1999

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het Gerechtsgebouw "Het Kasteel" te Turnhout op VRIJDAG, 15 OKTOBER 1900 NEGENENNEGENTIG, in openbare zitting van de Tiende Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het arrondissement Turnhout, alwaar zetelden :

G. R., enig rechter.

J. B., griffier.

Inzake van :

Mevrouw W. M., …, …,

eiseres,

ter zitting vertegenwoordigd door Mr. K. S. loco Mr. H. V., advocaat te …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW Registratie en Domeinen, in de persoon van het hoofdd van het Tweede BTW controlekantoor te Geel, wiens burelen gevestigd zijn te 2440 Geel RAC "De Werft", Werft 65;

verweerster,

ter zitting vertegenwoordigd door Mr. T. R. loco Mr. J. V. R., advocaat te …, …;

Gezien de dagvaarding betekend op 18 september 1998 ertoe strekkende de terugbetaling te bevelen van het bedrag van 1.260.649 Frank, verhoogd met de nalatigheidsinteresten vanaf 18 september 1998 en verweerster te veroordelen tot de kosten.

Gehoord partijen, bij monde van hun raadslieden, ter zitting van 17.9.1999 in hun middelen en besluiten.

De vordering komt ontvankelijk voor. Partijen voeren daarover geen betwisting.

Probleemstelling

Aanlegster baatte een kleinhandel in tweedehandskleding uit.

Zij was geregistreerd als BTW-belastingplichtige vanaf 10.7.1990.

Ingevolge een controle van de BTW-administratie op 23.3.1995 werd een dwangbevel uitgevaardigd, waarbij bevel tot betaling werd gegeven van een bedrag van 883.025 fr. BTW 88.000 fr. proportioneel verminderde boete, tevens te verhogen met interesten.

Aanlegster voldeed op 28.6.1998, onder alle voorbehoud van rechten, een bedrag van 1.260.649 fr.

De discussie tussen partijen betreft het onderdeel van het dwangbevel, waarbij de Administratie vooropstelt dat BTW verschuldigd is ten bedrage van 716.136 fr. op uitgereikte facturen voor goederen, welke zij kwalificeert als "tweedehandskledij" , terwijl aanlegster zich beroept op de vergunning, zoals voorzien in de aanschrijving nr. 88 van 15.12.1970, om de belasting, die op de handeling verschuldigd is, niet te voldoen.

Aanlegster beroept zich op de aanschrijving nr. 88 d.d. 15.12.1970.

Zoals het heffen van belastingen enkel kan gebeuren bij Wet, kan ook de vrijstelling van belasting slechts bij Wet worden ingevoerd.

Principieel behoort het niet aan de Administratie om, door middel van een omzendbrief, af te wijken van de fiscale reglementering.

Zo echter de circulaire een algemene draagwijdte heeft, werd gepubliceerd met goedkeuring van de administratie en in overeenstemming is met de aard en het doel van de belasting, wordt voldaan aan de vereiste van gelijkheid, rechtszekerheid en billijkheid, waarbij tevens het algemeen belang gediend is, zoals door de wetgever beoogd.

(cfr. K. Geens, Binden circulaires, toezeggingen of inlichtingen de fiscus ?, TFR 1983, p. 10-11)

In casu bestaat er tussen partijen geen betwisting over dat de bedoelde circulaire aan deze vereiste beantwoordt, zodat deze een niet-wetsconforme uitvoering inhoudt van de fiscale regelgeving.

Partijen betwisten niet dat de rechtsonderhorige zich op de bedoelde omzendbrief mag beroepen ten einde op bepaalde ontheffingen aanspraak te maken.

Volgens de aanschrijving verleent de Administratie vergunning voor de verhandeling van recuperatiestoffen en recuperatieproducten om de belasting, die daarop verschuldigd is, niet te voldoen, volgens volgende modaliteiten :

1° als recuperatiestoffen en -producten worden aangemerkt : "lompen en vodden"

2° ....

3° voor de leveringen in België verricht, reikt de koper een inkoopborderel uit aan de verkoper dat de vermelding bevat "recuperatieproducten. BTW niet toegepast. Aanschrijving van 15 december 1970, nr. 88".

Het uitreiken van een inkoopborderel door de koper is niet vereist indien de leverancier een factuur aflevert, voorzien van 'dezelfde vermelding.

Opdat de rechtsonderhorige zich op de ontheffing kan beroepen, dienen de in de omzendbrief voorziene voorwaarden voldaan te zijn. (cfr. K. Geens, op. cit., p. 11)

Wanneer de Administratie, met het oog op het verlenen van ontheffing, bepaalde formele verplichtingen oplegt, kunnen deze aan de rechtsonderhorige, die zich op voormelde omzendbrief beroept, tegengesteld worden.

Door het opleggen van formaliteiten omtrent een ontheffing contra legem, als uitvoeringsmaatregel, worden door de Administratie de verplichtingen van de rechtsonderhorige m.b.t. de belastingheffing niet verzwaard.

Immers, de regel is, het verschuldigd zijn van de belasting, bij afwezigheid van een ontheffing bij wet en aanlegster kan bezwaarlijk voorhouden dat deze regel door de formele vereisten van de circulaire verzwaard zijn.

In casu werd aan de opgelegde formaliteit om ontheffing van belasting te bekomen, door aanlegster niet voldaan: de vereiste vermelding op 'de factuur werd niet opgenomen.

De facturen vermelden "vrij van BTW. Niet bestemd voor de Belgische markt".

Hieruit kan zelfs niet worden afgeleid dat aanlegster zich beroept op de ontheffing, zoals voorzien in de aanschrijving nr. 88.

Tevergeefs argumenteert aanlegster dat zij niet verplicht zou zijn geweest een factuur op te maken :

De principiële hoedanigheid van belastingplichtige in hoofde van aanlegster wordt niet betwist.

Overeenkomstig art. 53, 1ste lid, 2° Wb. BTW is de BTW-plichtige, met uitzondering van diegene die geen enkel recht op aftrek van BTW heeft, gehouden een factuur of een als zodanig geldend stuk uit te reiken voor de door hem of haar verrichte leveringen van goederen.

(cfr. P. Wille en M. Govers, De factuur en de BTW, 1998, p. 63 e.v.)

Volgens de aanschrijving nr. 88 worden zij die recuperatieproducten verhandelen, niet als belastingplichtige beschouwd.

(cfr. H. Vandebergh, BTW Handboek, editie 1995, p. 47)

Doch, in acht genomen, het voorgaande, zal dit slechts het geval zijn voor zover door de betrokkenen aan de voorwaarden van de circulaire voldaan is.

Aanlegster kan echter geen inkoopborderellen voorleggen, zoals door de circulaire voorzien. Bij gebreke daaraan kan aanlegster zich dan ook bezwaarlijk beroepen op enige ontheffing tot het opmaken van een factuur.

Aanlegster bewijst niet te hebben voldaan aan de vereisten van de aanschrijving nr. 88 d.d. 15.12.1970 om van de ontheffing van belasting te genieten.

Dit in acht genomen, dient het overige van de door partijen aangevoerde argumentatie niet onderzocht te worden.

De vordering komt ongegrond voor.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

Gezien de artikelen 2, 34, 36, 37 en 42 van de wet van 15 juni 1935

DE RECHTBANK, vonnissende op tegenspraak en in eerste aanleg,

verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond,

Legt de kosten ten laste van aanlegster en begroot deze op :

- in hoofde van eiseres op :

- dagvaarding en rolrecht : 8.290 fr.

- rechtsplegingsvergoeding : 12.500 fr.

- in hoofde van verweerster :

- rechtsplegingsvergoeding op : 12.300 fr.

J. B. G. R.