Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 13 september 2005

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-bewijs-hof-van-beroep-gent-2005-09-13-491a

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
13 september 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

53 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 13.09.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent - 5de kamer

Nr. 2001/AR/2203

in de zaak van :

T. L. I. NV,

met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. D. K. H. loco mr. T. R., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,·FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Sector BTW, in de persoon van de E.a. Inspecteur van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoren zijn gevestigd te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. I. loco mr. P. M., advocaat te …, ….

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtdeurwaardersexploot van 8.4.1998 heeft de appellante verzet aangetekend tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door A. R., eerstaanwezend inspecteur a.i. van het tweede BTW-ontvangkantoor te Kortrijk op 3.3.1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11.3.1998 door G. T., gewestelijk directeur van de administratie .van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge.

In dit dwangbevel. werd, als schuld ten laste van de appellante opgenomen een geldboete ingevolge artikel 70, § 4 BTW-wetboek van … BEF (… EUR) en de vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellante de vernietiging van het dwangbevel, tevens dat zou gezegd worden voor recht dat de geldboete van … BEF (… EUR) op grond van artikel 70, § 4 BTW-wetboek niet verschuldigd is.

Bij vonnis van 3.9.2001 van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer, werd het verzet ontvankelijk en toelaatbaar, doch ongegrond verklaard, en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 22.10.2001 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

In graad van beroep vordert de appellante de vernietiging van het bestreden vonnis, de oorspronkelijke vordering van de appellante toe te wijzen, en :

"

• Het dwangbevel, betekend bij deurwaardersexploot van 23.03.1998, te vernietigen en voor recht te zeggen dat het in dit dwangbevel opgenomen bedrag niet verschuldigd is;

Te zeggen voor recht dat m.b.t. de beweerde inbreuk de boete van … BF of … € niet verschuldigd is;

• De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle op grond van het aldus vernietigde dwangbevel betaalde, ingehouden of beslagen bedragen, vermeerderd met de gemeenrechtelijke intresten vanaf de betekening op grond van art. 91, § 4 BTW-Wb.;".

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard en het bestreden vonnis zou worden bekrachtigd.

2. Het staat vast dat de appellante geweigerd heeft aan de controlerende ambtenaren van de geïntimeerde een kopie te overhandigen van de historiek van de klanten met betrekking tot het jaar 1994 zoals werd vastgesteld in het proces-verbaal dd. 17.1.1995 (stuk 1 van de geïntimeerde).

Ten onrechte heeft de appellante dit geweigerd.

Overeenkomstig artikel 61, § 1 BTW-wetboek (in de op het ogenblik van de controle geldende versie) is eenieder gehouden de boeken en stukken die hij overeenkomstig artikel 60 BTW-wetboek moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan. Zelfde bepaling voorziet dat, wanneer de boeken en stukken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, die ambtenaren het recht hebben zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te doen voorleggen. Steeds volgens zelfde bepaling kunnen die ambtenaren eveneens degene bedoeld in het eerste lid van artikel 60, § 1 verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopies te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan.

Overeenkomstig artikel 61, § 2 BTW-wetboek hebben de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft het recht om de boeken en stukken, die overeenkomstig artikel 60 BTW-wetboek moeten worden bewaard, alsmede de overeenkomstig § 1 tweede lid, gemaakte kopies, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken of kopies de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.

Uit deze laatste bepaling blijkt dat de appellante de verplichting om de historiek van de klanten te overhandigen niet vermocht afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat zou meegedeeld worden "... met welk doel de copies gevraagd werden ..." (zie de brief van 12.1.1995 van de raadsman van de appellante) of "...op grond waarvan volgens haar de verschuldigdheid van de BTW of van de boete uit de klantenlisting m.b.t. het jaar 1994 zou blijken..." (zie de conclusie van de appellante neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 24.7.2002, p. 6 onderaan). Artikel 61, § 2 BTW-wetboek vereist enkel dat de controlerende ambtenaren "menen dat de boeken, stukken of kopies de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen", meer niet.

Dat de controlerende ambtenaren deze mening waren toegedaan bleek op het ogenblik van de weigering afdoende. Zij hebben dit immers aan de appellante meegedeeld zoals blijkt uit het proces-verbaal (stuk 1 van de geïntimeerde, p. 4) : "Vervolgens hebben wij de afdruk teruggegeven aan de Heer D.. Wij hebben hem gewezen op het belang van dit document in het kader van onze controle en hebben hem luidop artikel 61, par. 2 van het BTW-wetboek voorgelezen. De Heer D. bleef echter weigeren om voormelde afdruk aan ons over te dragen."

Uit geen enkel gegeven kon worden afgeleid dat er willekeur kon zijn. De controleambtenaren konden de mening zijn toegedaan dat het stuk de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de appellante of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen. Het stuk in kwestie maakte immers deel uit van de boekhouding van de appellante.

De uitleg die de administratie tijdens de procedure geeft wijst evenmin op willekeur. De geïntimeerde stelt dat de kwestieuze klantenlisting moest worden voorgelegd om bijkomende elementen te verzamelen i.v.m. de leveringen aan haar klant de NV E. I. en dit aan de appellante bekend was. Dit is aannemelijk. Uit het proces-verbaal van 17.1.1995 blijkt trouwens (p. 2, tweede en derde paragraaf) dat zij nazicht deden op de hun ter hand gestelde (onvolledige) lijst naar gegevens van de klant E. I.. Anders dan door de appellante voorgehouden, belet verder niets de administratie om gegevens waarover zij reeds zou beschikt hebben met betrekking tot de NV E. I. nog bijkomend te controleren aan de hand van stukken zoals de klantenlistings, indien zij dit nodig achtte.

De appellante heeft derhalve alleen door de weigering de afdruk mee te geven reeds artikel 61, § 2 BTW-wetboek overtreden, zodat de administratie met toepassing van artikel 70, § 4 BTW-wetboeken rubriek XVI van de bijlage bij het KB nr. 44 van 21.10.1993 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, de geldboete van … BEF (… EUR) kon opleggen.

Het dwangbevel is te dezen te beschouwen als een bestuurshandeling zoals omschreven in artikel 1 eerste gedachtestreepje van de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen nl. een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Zodoende dient dit dwangbevel krachtens artikel 2 van de wet van 29.7.1991 uitdrukkelijk te worden gemotiveerd.

Te dezen zijn op afdoende en uitvoerige wijze zowel de juridische als de feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de geldboete aangegeven in het proces-verbaal van 17.1.1995, waarop het dwangbevel uitdrukkelijk gegrond wordt (zie de eerste paragraaf van het dwangbevel, stuk 1 van de geïntimeerde) en dat in bijlage bij het dwangbevel werd gevoegd (ibidem). Het dwangbevel is naar eis van de wet van 29.7.1991 gemotiveerd.

Het in het kader van de controle door de ambtenaren geformuleerde verzoek om de afdruk van de klantenlisting mee te nemen is geen bestuurshandeling zoals bedoeld bij de wet van 29.7.1991. Dergelijke bestuurshandeling is enkel de handeling die bewust wordt verricht met het oog op het creëren van rechtsgevolgen of het beletten van de totstandkoming van bepaalde rechtsgevolgen, met·andere woorden de handeling die gericht is op de wijziging van een bestaande rechtstoestand of die integendeel erop gericht is een wijziging in die rechtstoestand te beletten (vergelijk met Cass. 7.1.2005, rolnr. C030186N, www.cass.be). Dit is niet het geval met de voormelde vraag om de afdruk mee te nemen.

Het artikel 109 van de wet van 4.8.1986 is niet geschonden : het opleggen van de boete werd afdoende gemotiveerd zoals hoger uiteengezet, en deze bepaling is niet van toepassing op het verzoek tot afgifte van de afdruk.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, als volgt begroot :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, op DERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 614 voorkomens
WBTW art. 703 voorkomens
WBTW art. 602 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8