Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 25.11.1988 (nr. 5510)
[gunstig voor de administratie]
Slachthuizen - Beroepslokaliteiten - Begrip - Recht op vrije toegang voor de ambtenaren belast met de controle van de BTW - Administratiekantoor van de exploitant - Frigo - Onschendbaarheid van de woning - Administratiekantoor van de exploitant gelegen in de woning.
Samenvatting
Slachthuizen. Beroepslokaliteiten. Begrip. Recht op vrije toegang voor de ambtenaren belast met de controle van de BTW. Administratiekantoor van de exploitant. Frigo. Onschendbaarheid van de woning. Administratiekantoor van de exploitant gelegen in de woning.
Grondwettelijke macht van de Koning. Opdracht bij artikel 52 van het BTW-Wetboek. gegeven aan de Koning. Slachthuizen. Wettelijke grondslag van artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit nr. 27 van 26 juni 1973 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van vlees van slachtdieren.
Wetgeving
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 25.11.1988
(nr. 5510)
1. D••••••• M••••, slachthuisuitbaatster, en·voor zoveel nodig haar echtgenoot 2. H•••••[ G••••, beiden wonende te Adinkerke, s••••••• o• M•••• ••, eisers tot cassatie van een arrest, op 26 maart 1986 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, vertegenwoordigd door Mr. Arnould Bayart, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1180 Brussel, Messidorlaan 202, alwaar keuze van woonplaats werd gedaan,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister ven Financiën, administratie van do B.T.W., Registratie en Domeinen, wiens kantoor gevestjgd zijn to 1000 Brussel, Wetstraat 14, in de persoon van de directeur van de 8. T .i..J., Registratie en Domeinen, Brugge II, met kantoren te Brugge, Sint Katelijnestraat 7, op vervolging en benaarstiging van de ontvanger van de B.T.W. te 0ostende, en/of ·van de hoofdcon t r o 1 e u r van ei n B.T.W te 0 o s t e n d e , w .i c r ( 11 an b P j den ) k an t o r e n ge v e s t i g d z i j n t e 8400 Oostende, Vrijhavonstraat 1, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13,
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Matthijs en op de conclusie van advocaat-generaal Tillekaerts ; Gelet op het bestreden arrest, op 26 maart 1986 door het Hof van Beroep te Gent gewezen ;
Overwegende dat uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat verweerder aan eiseres wegens overtreding van artikel 1, §3, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 tot vervanging van het koninklijk besluit nummer 27, van 15 december 1970, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren, met toepassing van artikel 70, §4, van het 8.T.W.-Wetboek, 28 administratieve geldboeten heeft opgelegd van elk 1000 frank, welke geldboeten door eiseres onder voorbehoud werden betaald Dat het arrest de vordering van eiseres tot terugbetaling van die geldboeten ongegrond verklaart Over het eerste, het tweede en het derde middel het eerste uit de schending van de artikelen 10, 6 7;, 78, 107, 110, §1, van de Grondwet, 52, 59, §1, 63, 70, mE\.e r bepaald 70, §4' van het 8.T.W.-Wetboek, en in het bij2071der van artikel 6' §2, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973, tot vervanging van het koninklijk besluit nummer 27 va0 15 december 1970, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren, en uit de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel "Fraus omnia corrumpit” , of dat de begane onwettelijkheid geen gevolgen mag hebben, doordat het arrest voorhoudt dat artikel 6, §2, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 zou toelaten dat de BTW-ambtenaren, zonder zich te legitimeren, of het doel van hun komst bekend te maken, zichzelf toegang verschaffen tot de slachthuizen, dag en nacht, ook al is dit beroepslokaal in de woning gelegen, en zonder dat de uitbater de vrije toegang heeft verschaft, en niet alleen in de eigenlijke beroepslokalen, waar de aard en het volume van de beroepsactiviteit, van de goederen, en van de produktie-en vervoermiddelen kan worden nagegaan, maar ook in het kantoor van administratie waar de boekhouding wordt gehouden en bewaard, en dat dit "kijkrecht" ook een recht van huiszoeking zou impliceren, wat de ambtenaren zou hebben toegelaten een frigokast zelf open te maken, om de inhoud ervan na te gaan, zonder toelating van de uitbater, zodat het optreden van de B.T.W,-ambtenaren, ter zake, die precies zonder zich zelf te legjtimeren en het doel van hun komst bekend te maken, waren binnengevallen, zonder toelating van de uitbaatster, niet alleen in de eigenlijke beroepslokalen, maar ook in het administratiekantoor in de woning gelegen, en er de boekhouding hadden nagegaan, en ook zonder toelating een frigokast hadden opengerria8kt, zou stroken met artikel 6, §2, van voormeld koninklijk besluit, en aldus het proces-verbaal van 10 november 1977 geldig zou zijn, en de overtreding zodoende zou bewezen zijn en de teruggevorderde boete terecht zou zijn betaald, en dat dit koninklijk besluit, meer bepaald artikel 6, §2, zijn grondwettelijke grond zou vinden in artikel 52 van het B.T.W,-Wetboek, bepaald in de zinsnede 11en alle andere voorzieningen nodig om de voldoening van de belasting te verzekeren11 , terwijl de Koning zijn residuaire wetgevende bevoegdheid slechts kan uitoefenen zoals bepaald door de artikelen 67 en 78 van de Grondwet, en artikel 67 van de Grondwet ter zake niet kan toepasselijk zijn, omdat de door het arrest aangehaalde wettekst <artikel 52 van het 8,T,W.-Wetboek) geen regeling en geen principeregeling inhoudt, die dan door de Koning kan worden uitgevoerd, zonder de wet evenwel te schorsen, noch vrijstelling van uitvoering ervan te verlenen, vermits de tekst van artikel 52 van het 8.T.W.-Wetboek de Koning zelf opdraagt een regeling te treffen, noch artikel 78 van de Grondwet kan toepasselijk zijn, vermits deze tekst impliceert dat het terrein waarvoor de Koning regelingen kan treffen, nauwkeurig moet worden afgebakend en omschreven, zowel in 11 ruimte 11 , als in tijd, en dit niet mag neerkomen op het delegeren, door de wetgever, van de wetgevende bevoegdheid als dusdanig, voor een ·onbeperkte tijd, en voor een groot deel van de maatschappelijke verhoudingen, en bepaald de gedragingen en verhoudingen van, en tussen, ambtenaren en 8.T.W.-belastingplichtigen, zoals het gebied van de controlemaatregelen, die de uiteindelijke betaling van de belasting moet verzekeren, en/of de maatregelen in verband met de betaling der belasting zelf, wat zeker het geval is, wanneer de interpretatie van artikel 52 van het B.T.W.-Wetboek, zoals door het arrest voorgestaan, wordt aanvaard, en te meer daar het hier gaat om een beperking van de onschendbaarheid van de woonst, gewaarborgd door artikel 10 van de Grondwet, voor welke beperking geen enkele aanwijzing is te vinden in de door het arrest aangewezen "macht i gin g s t e k s t11 i n a r t ik e l 5 2 van het 8 . BTW-We tb o e k , z o d a t , ingevolge artikel 107 van de Grondwet, het arrest artikel 6, §2, van het koninklijk besluit van 26 juni ·1973 niet mocht toepassen, met alle gevolgen van dien, wet betreft de geldigheid van het proces-verbaal van 10 november 1977, en van de onder voorbehoud betaalde boete ; overigens artikel 52 van het B.T.W.-Wetboek geenszins de controlemaatregelen op het verrichten van de belastbare handelingen zelf <slachtingen) bedoelt of inhoudt, maar hoogstens maatregelen die verband houden met de betaling (voldoening) der belasting, vermits het plaatsen van 11 voor 11 in de plaats van 11 van11 in de titel van hoofdstuk VIII, de wettekst zelf niet breder kan maken dan hij is, en deze tekst er wel degelijk laat van blijken dat het om de betaling van de belasting gaat, of wat er onmiddellijk mee aansluit, en dit des te meer klemt, waar het arrest zelf stelt dat artikel 6>§2,van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 een precisering is van artikel 63 van het B.T.W.Wetboek, dat evenwel opgenomen is onder een ander hoofdstuk, met name, Hoofdstuk X, dat als titel draagt : 11 Bewijsmiddelen en controlemiddelen11 , zodat artikel 6, §2, van voormeld koninklijk besluit niet eens zijn (grond)wettelijke grond ken vinden in artikel 52 van het B.T.W.-Wetboek, met alle gevolgen van dien, boven reeds aangeduid, noch dat artikel 52 in die zin kan worden geïnterpreteerd ;
het tweede middel : schending van de artikelen 10, 67, 78, 107, 110 van de Grondwet, 52, 59, §1, 63, 70, meer bepaald arUkel 70, §4, van het B. T.t,J.-Wetboek, 6, §2, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973, tot vervanging van het koninklijk besluit nummer 27 van 15 december 1970, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren, en uit de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel "Fraus omnia corrumpit n , of dat de begane onwettelijkheden geen gevolgen mogen hebben, doordat het arrest, aannemend dat artikel 6, § Z, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 de precisering is ten· opzichte van de slachthuizen, van artikel 63 van het B.T.W.Wetboek, en beide artikelen op dezelfde· wijze moeten worden geïnterpreteerd, op de betwiste punten, stelt dat : l) artikel 63 van dit wetboek niet impliceert dat de controlerende ambtenaren zich vooraf moeten legitimeren en het doel van hun komst bekend moeten maken aan de uitbaters der beroeps- lokalen 2) de controlerende B.T.W,-ambtenaren zichzelf toegang mogen verschaffen tot de beroepslokalen, of wat zij als dusdanig beschouwen; 3) zij zelfs zonder toelating mogen binnendringen in het administratief bureau, en al wat ze willen mogen openmaken en uithalen, ten einde hun controleopdracht uit te voeren, terwijl eiseres stelt en stelde dat, zelfs indien mocht aanvaard worden dat. artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 (grond)wettelijke grond vindt in artikel 52 van het B.T.W.-Wetboek, en aldus krachtens die tekst controlemaatregelen mogen worden genomen, ook indien ze de onschendbaarheid van de woonst beperken en regelen -quod non-dan, in elk geval, bedoeld i:irtikel 6, § 2, van het koninklijk besluit geen afbreuk kan doen aan artikel 63 van het B.T.W.-Wetboek, en binnen de perken ven deze wet tekst moest blijven, op straffe van nietigheid, en niet toepasselijkheid, omdat de tekst van artikel S2 dit niet toelaat of voorschrijft, en dat artikel 63 van het B.T.W.-Wetboek nu precies bepaalt : 1) dat de belastingplichtingen "hun beroepslokaliteiten" 11 vrij toegankelijk (moeten) stellen", "voor de ambtenaren en beambten belast met de controle op de hef f i n g van de B , T , W . 11 , 11ten e inde die ambtenaren en beambten in staat te stellen, zich rekenschap te geven van de daar uitgeoefende werkzaamheden ... ", dit 0 op straffe van een geldboete van duizend tot tienduizend frank per overtreding", wat impliceert dat de exploitant (belastingplichtige), actief optreedt en de verplichting heeft actief toegang te verschaffen, op straffe van boete, en niet het binnendringen van de ambtenaren passief te ondergaan, 2) en wat dan ook impliceert dat de ambtenaren zich legitimeren en het doel van hun komst bekend maken aan de belastingplichtige, vermits deze laatste anders niet kan weten of het gaat om ambtenaren, die een controleopdracht uitoefenen, en aan wie hij vrij toegang moet verlenen tot zijn beroepslokalen, 3) en bepaalt dat, het gaat om de toegang tot de bedrijfs1okalen, "zoals fabrieken, werkplaatsen, bergplaatsen en garages, alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen", 11 ten einde (, ,,) zich rekenschap te geven van de aldaar uitgeoefende werkzaamheden en van het bestaan, de aard en de hoeveelheid van alle aldaar aanwezige goederen, daaronder begrepen de produktie-en vervoermiddelen", wat kennelijk het administratiekantoor uitsluit, vermits dit niet valt onder de beroepslokalen in de. boven omschreven zin, en ook niet laat blijken van de aard en de hoeveelheid van uitgeoefende beroepswerkzaamheid, goederen, produktie-en vervoermiddelen, en zonder dat mag worden overgegaan tot een 11 huiszoeking11 wat het openen van een frigokast niet toelaat, zodat het arrest een verkeerd idee heeft van artikel 63 van het B.T.W,Wetboek en metten ook ten onrechte niet beslist dat artikel 6, §Z, van het koninklijk besluit, in strijd is met genoemd artikel 63 van het wetboek, en aldus nietig is, gezien het prevaleren van een wet boven een koninklijk besluit, en tenslotte artikel 107 van de Grondwet schendt, en ten onrechte het onderhavig proces-verbaal van 10 november .1977 niet nietig verklaart, en de betaalde boete niet doet terugbetalen het derde middel : schending van de artikelen 10, 67, 78, 107, 110 van de Grondwet, .52, 59, §1, 63, 70, meer bepaald 70, §4, van het B.T.W.-Wetboek, en van artikel 6, §2, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973, tot vervanging van het koninklijk besluit nummer 27 van 15 december 1970, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van slachtdieren, en uit de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel "Fraus omnia corrumpit 11 , of dat een begane onwettelijkheid geen gevolgen mag hebben, doordat het arrest, artikel 6, §; van h..t koninklijk besluit ven 26 juni 1973 in die zin interpreteert dat het de gedragingen der ambtenaren, die zich niet ligitimeerden noch het doel van hun komst bekend maakten, en "onmiddellijk" binnenvielen, dan ook nog in het administratief kantoor, en bovendien zonder toelating de frigokast openmaakten, dekt, terwijl artikel 6, §2, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 moet worden geïnterpreteerd in de lijn van artikel 63 van het B.T.W,-Wetboek, zoals in het tweede middel uiteengezet, en het aangewezen is een koninklijk besluit niet zodanig te interpreteren dat het in strijd komt met Grondwet of wet, zodat het arrest ten onrechte niet oordeelt da t de ad mini s tra t i e ar tik e 1 6 ., § 2, van voor rn e 1 d kon in k 1 ij k besluit niet had overtreden, met alle gevolgen van dien, boven reeds aangeduid :
Overwegende dat de middelen er onder meer van uitgaan dat het arrest aanneemt dat "de B.T.W.-ambtenaren (, .. ), zonder zich te legitimeren en het doel van hun komst bekend te maken, waren binnengevallen, zonder toelating van de uitbaatster, ( . .. ) in de eigenlijke beroepslokalen, ( ... ) in het administratiekantoor in de woning gelegen, (,,.) en ook zonder toelating een frigokast hadden opengemaakt" ;
Overwegende dat het arrest integendeel vaststelt : "dat die beweringen nergens steun vinden (,,,) 11 ; dat eiseres, met betrekking tot de overtredingen die op 27 juni 1977 te haren laste werden vastgesteld, in haar bezwaarschrift van 14 juli 1977 11 geen zweem van kritiek op de gedane vaststellingen" heeft uitgeoefend; dat eiseres 11 zelfs niet aantoont dat zij ( ... )om enige legitimiteit heeft gevraagd" ;
dat er "ten deze geen spoor te vinden (is) van enige moeilijkheid of van enige onregelmatigheid, zo van de zijde van (eiseres) als van de zijde van de verbalisanten, wanneer de laatstgenoemden zich onmiddellijk hebben begeven in het slachthuis en in het kantoor van administratie" ; Dat de middelen in zoverre feitelijke grondslag missen Overwegende dat artikel 63 van het 8.T.W-Wetboek, zoals het op de dag van de feiten van kracht was, luidt : 11 8elastingplicht i gen en anderen die een beroepswerkzaamheid uitoefenen moeten, op straffe van een geldboete van 1000 frank tot 10,000 frank per overtreding, hun beroepslokaliteiten zoals fabrieken, werkplaatsen,, bergplaatsen en garages, alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen, vrij toegankelijk stellen voor de ambtenaren en beambten belast met de controle op de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde, ten einde die ambtenaren en beambten in staat te stellen zich rekenschap te geven van de aldaar uitgeoefende werkzaamheden en van het bestaan, de aard en de hoeveelheid van alle aldaar aanwezige goederen, daar on dei begrepen de pro du k t ie -en v, ervoer mi d de 1 en 11 ;
Overwegende dat artikel 6, §2, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973, waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, bepaalt : "De ambtenaren van het Ministerie van financiën hebben dag en nacht vrije toegang tot de slachthuizen ( ... ).
Overwegende dat artikel 10 van de Grondwet bepaalt : “De woning is onschendbaar geen huiszoeking kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft" ;
Overwegende dat het arrest oordeelt : "Aldus zijn ( ... ) het kantoor van administratie (van eiseres) en haar frigo op de zelfde voet als de slachtplaats te beschouwen als de beroeps lokaliteiten waarin (eiseres) haar exploitatie van een slacht huis uitoefent en waarin de controlerende beambten wettelijke vrije toegang hebben," En het is niet om reden dat (eiseres) in een gedeelte van het tot woonhuis opgericht gebouw haar kantoor van administratie zou hebben opgericht, dat dit bureau het karakter van particuliere woning of van een bewoond lokaal zou hebben verworven en geen beroepslokaliteit meer zou ziin. Overwegende dat het arrest op grond van die redengeving wettig beslist dat het administratiekantoor en de frigo beroepslokaliteiten zijn in de zin van artikel 63 van het B.T,W.-Wetboek, en dat, nu het administratiekantoor met de woning van eiseres geen uitstaans heeft, artikel 10 van de Grondwet ten deze geen toepassing vindt ;
Overwegende dat de middelen tenslotte niet preciseren hoe het arrest het vermelde algemeen rechtsbeginsel en de andere t1angewezen wetsbepalingen schendt ;
Dat de middelen in zoverre niet kunnen worden aangenomen ;
Over het vierde middel : schending van de artikelen 10, 67, 78, 107 van de Grondwet, 52, 59, §1, 70, meer bepaald 70, §4, van het B.T.W.-Wetboek, en in het bijzonder van artikel 1, §3, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 tot vervanging van het koninklijk besluit nummer 27 van 15 december 1970, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren, doordat het arrest stelt dat artikel 1, §3, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 dat de exploitanten van slachthuizen oplegt bij het binnenkomen van de dieren in hun inrichting, aan ieder dier een merkteken ter individualisering te geven, en zodra de dieren zijn geslacht, de merkplaatjes te hechten aan· het achterste deel van het geslachte dier, indien het niet wordt gehalveerd, en anders een merkplaatje te hechten aan het achterste deel van iedere helft, met dien verstande dat de merkplaatjes niet mogen worden weggenomen v66r het versnijden, zijn (grond)wettelijkheid vindt in artikel 52 van het wetboek bepaald : 'alle andere voorzieningen nodig om de voldoening van de belasting te verzekeren", en aldus volkomen (grond)wettelijk zou zijn, terwijl, de wetgevende bevoegdheid van d.. Koning, die artikel 1, §3, van dit koninklijk besluit heeft genomen, wordt bepaald door de artikelen 67 of 78 van de Grondwet, en, in het geval van artikel 67 van de Grondwet, de wet zelf een principiële regeling inhoudt, waarvan de Koning dan de uitvoeringsrnodaliteiten vastlegt, zonder de wet te schorsen, of van de uitvoering ervan vrij te stellen, wat ter zake niet het geval kan zijn, vermits de aangeduide tekst 1artikel 52 van het Wetboek) geen enkele principiële regeling inhoudt, maar voorziet dat de Koning een regeling zal uitwerken, en, in het geval dat artikel 78 ven de Grondwet wordt geviseerd, wat ter zake de bedoeling lijkt te zijn geweest, dan de machtigingswet nauwkeurig het terrein, waarop de Koning als wetgever kan optreden, moet afbakenen, en in een beperkende en duidelijke zin, wat ter zake het geval niet is, vermits dezelfde wettekst van artikel 52 van het Wetboek, zowel artikel 6, §2, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 een beperking van de onschendbaarheid van de woonst inhoudt, volgens het arrest, en een regeling van het huiszoekingsrecht, rechtvaardigt, als artikel 1, §3, van dit koninklijk besluit, dat een soort identificatie vYn de geslachte dieren inhoudt, zodat bedoelde tekst van artikel 52, alle mogelijke regelingen inhoudt, die de uiteindelijke betaling der B.T.W. zouden verzekeren, wat neerkomt op de delegatie van de wetgevende bevoegdheid, aan de Koning, voor een niet nauwkeurig en wel omschreven gebied, en voor onbepaalde tijd , wat de toepassing van artikel 78 van Grondwet uitsluit, en terwijl overigens artikel 52 van het Wetboek alleen maar de regelingen toelaat die betrekking hebben op de betaling van de B.T.W., en de daarmee nauw aansluitende verrichtingen en niet op de controlemaatregelen die verband houden met de belastbare verrichtingen zelf (slachten), zodat het arrest ten onrechte art i k el l , § 3 , , van het koninklijk bes 1 uit van 26 juni 1971 als niet on(,grondwettelijk en nietig verklaart, en de betaalde boete niet doet terugbetalen :
Overwegende dat, al vermag de Koning, bij de uitoefening van de Hem bij artikel 67 van de Grondwet toegekende opdracht, de strekking vin de wet niet te verruimen noch te beperken, het kan Hem staat uit het beginsel van de wet en haar algemene economie de gevolgtrekkingen af te leiden welke daaruit natuurlijk voortvloeien 11olgens de geest die aan het ontwerpen van de wet ten grondslag lag en de doeleinden die de wet nastreeft
Overwegende dat artikel 52, eerste lid, van het B.T.W.-Wetboek bepaalt : "Onverminderd de opdracht Hem gegeven bij de artikelen 50 en 51, regelt de Koning ( ... ) de inhoud van de door belastingplichtigen te houden en voor te leggen boeken en stukken, de verplichtingen van de medecontractanten van belastingplichtigen en alle andere voorzieningen nodig om de voldoening van de belasting te verzekeren ( ... ) 11
Overwegende dat het tweede lid van dit artikel de opdracht van de Koning als volgt preciseert : "Hij kan onder meer het houden van een goederen-administratie voorschrijven aan belastingplichtingen die door Hem aan te wijzen goederen onder zich hebben, gebruiken, bewerken en verwerken, en Hij kan tevens een maakloonwerkers de verplichting opleggen een bijzonder register bij te houden waarin zij optekenen : de naam en het adres ven hun opdrachtgevers, alsmede, voor ieder van hen, de aard en de hoeveelheid van de gebruikte en van de bewerkte of verwerkte goederen11
Overwegende dat artikel 1 1 §3, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973, tot vervanging van het koninklijk besluit nummer 27 van 15 december 1970, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren, genomen ter uitvoering van artikel 52 van het 8.T.W.-Wetboek, bepaalt : 11 1n de slachthuizen moet de exploitant bij het binnenkomen van de dieren in zijn inrichting aan ieder dier een merkteken tot individualisering geven waarvan het model is bepaald door de administratie die bevoegd is voor de belasting over de toegevoegde waarde. ( ... ) Zodra de dieren geslacht zijn hecht de exploitant van hef slachthuis een merkplaatje aan het achterste deel van iedere helft van deze dieren. Indien de dieren niet worden gehalveerd, moeten de beide markplaatjes worden gehecht aan het achterste deel van het geslachte dier, De mer..plaatjes mogen niet worden weggenomen v6ór het versnijden" ;
Overwegende dat het arrest, na te hebben vastgesteld dat artikel 52 is opgenomen in hoofdstuk VIII vim het B.T.W.-Wetboek onder de titel 11 regeling voor de voldoening van de belasting" en dat in dit hoofdstuk, onder meer in de artikelen 50, §1, 2 ° , 50, §2, laatste lid, en 51, tweede lid, tel van maatregelen zijn voorgeschreven die zeer concreet de vaststelling, de. controle en zelfs de beteugeling van bepaalde overtredingen regelen, oordeelt : De door artikel 1, §3, <van het koninklijk besluit van 26 juni 1973) voorziene maatregelen strekken ongetwijfeld tot het verzekeren van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, vermits zij de bij het artikel 1, §2, voorgeschreven goederen-administratie bestaande uit het houden van een r e g i s t e r w e a r i n a a n t e ken i n g w o r d t ge hou de n, on de r me e r , v a n het merkteken tot individualisering bedoeld in artikel 1, §3, aanvullen en wel noodzakelijk aanvullen, el was het maar om te weten welk dier werd ingeschreven en het tussendoor slachten van niet ingeschreven dieren te kunne.. vaststellen en i n het belang van de schatkist te vermijden”
Overwegende dat het arrest door die redengeving de beslissing "dat de aangevochten maatregel door de Koning wettelijk is getroffen", naar recht verantwoordt
Dat het middel faalt naar recht
Over het vijfde middel : schending van de artikelen 59, §1, 52, 70, §4, van het 8.T.W,-Wetboek, en l, §3, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973, tot vervanging van het koninklijk besluit nummer 27 van 15 december 1970, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren, doordat het arrest, op de opwerping van eiseres dat de vaststellingen van het proces-verbaal van 10 november 1977 onvoldoende waren om de overtreding van artikel 1, §3, van het koninklijk besluit van 26 juni 1973 te bewijzen ( 0 zodra de dieren geslacht zijn 11 moeten merkplaatjes worden aangebracht op het, of de achterste delen), antwoordt dat de vermelding in het proces-verbaal : "Wij hebben vastgesteld dat zich in het slachthuis achtentwintig 1 geslachte I varkens bevonden, waarvan het merkteken tot individualisering niet was. aangebracht 11 , volstaat om te bewijzen dat die dieren 11 geslacht 11 waren in de zin van de wet <artikel 1, §3, van het koninklijk besluit}, terwijl het of een proces-verbaal van de B.T.W.-ambtenaren slechts bewijskracht heeft tot het bewijs van het tegendeel, voor de feiten propriis sensibus" vastgesteld door de verbalisanten, en de vermelding dat de dieren "geslacht" waren, een conclusie uitmaakt, met een juridische draagwijdte, en bepaald deze voorzien bij artikel 1, §3, van voormeld koninklijk besluit, die niet is gedekt door de bewijskracht van het proces-verbaal, zoals bepaald door artikel 59, §1, van het B.T.W.-Wetboek, meer bepaald, tweede lid ; een proces-verbaal, dat als bewijs kan dienen, had moeten vermelden dat de ingewanden waren weggehaald en de romp gereinigd, dit de feiten zijnde die kunnen worden "vastgesteld", en waaruit kan worden afgeleid door de rechter dat de slachting was beëindigd en de merkplaatjes moesten worden aangebracht, zodat het arre1 een verkeerd begrip heeft van de bewijskracht van een proces-verbaal, en ter zake ten onrechte het bewijs van de overtreding door onderhavig proces-verbaal van 10 november 1977 als bewez..n aanneemt :
Overwegende dat het arrest oordeelt : 11 Duidelijk is daarbij (namelijk bij het hechten van de plaatjes) beoogd de individualisering van ieder ter slachting aangeboden en in het register ingeschreven dier alsmede de mogelijkheid tot het volgen van dat geïnduvidualseerd dier eens het geslacht is", én "Het ogenblik waarop (eiseres), althans naar haar bewering begonnen was te slachten of nog bezig was te slachten, is zonder belang. Enkel is in tel dat er meerdere geslachte dieren, 28 in totaal, aanwezig war waaraan, in strijd met het wettelijk voorschrift, aan het achterste deel van iedere helft geen merkplaatje was gehecht" ;
Dat het arrest aldus te kennen geeft dat het stadium waarin de slachting verkeert, voor de verplichting het plaatje aan te hechten, zonder belang is.
Dat het middel, dat tegen dat oordeel niet opkomt, niet tot cassatie kan leiden en derhalve bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is ;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,.
Verwerpt de voorziening Veroordeelt de eisers in de kosten.
De kosten begroot op de som van negentienduizend driehonderd tweeëndertig frank jegens de eisende partijen en op de som van duizend zeshonderd vijfentachtig frank jegens de verwerende partij. Aldus door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig november negentienhonderd achtentachtig uitgesproken, alwaar aanwezig zijn afdelingsvoorzitter Janssens, voorzitter, afdelingsvoorzitter Soetaert, raadsheren Caenepeel, Matthijs, Baeté-Swinnen, advocaat-generaal Tillekaerts, griffier Boon.
Getekend Janssens, Soetaert, Caenepeel, Matthijs, Baeté-Swinnen.. Boon.
De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (privéadres) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
1België
1Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt17.11.2010