Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 10.10.2013
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
INZAKE A.R. nr. 07/598/A :
E. M., ondernemingsnummer …, wonende te …, ….
Eiseres, vertegenwoordigd door mr. B. T., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCH E STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de rekenplichtige van het 1ste BTWontvangkantoor, met burelen gevestigd te …, ….
Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw N. H., inspecteur bij het BBI Centrum te Hasselt.
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het tussenvonnis van deze rechtbank van 17.01.2013;
- de syntheseconclusies na tussenvonnis van verweerder;·
- de herneming van het dossier voor de thans anders samengestelde zetel.
BEOORDELING :
Eiseres beweerde dat de vordering van de fiscus op grond van artikel 81 (oud) van het BTW-Wetboek verjaard zou zijn m.b.t. factuur nr. 84 d.d. 24.01.1995.
Bij tussenvonnis van 17.01.2013 verzocht de rechtbank na te gaan of de vordering van de fiscus m.b.t. factuur nr. 84 van 24.01.1995 verjaard is aangezien de stuiting van de verjaring pas op 22.02.2000, dus na de vijfjarige verjaringstermijn, plaatsvond :
''In geval van maandaangifte in het mogelijk dat de handelingen die eiseres heeft verricht in de maand januari 1995 en die vermeld worden op factuur nr. 84 van 24.01.1995, dienden aangegeven te worden uiterlijk de twintigste dag volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft, zijnde 20.02.2000. Zodat de verjaring van de vordering tot voldoening mogelijks begon te lopen op 21.02.2000 met betrekking tot de facturen vermeld in de factuur nr. 84 van 24.01.1995. De eerste kennisgeving van het dwangbevel dateert van 22.02.2000. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat desbetreffende de debatten dienen heropend te worden teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen met betrekking tot de verjaring en toe te lichten of het een maand- of kwartaalaangifte betrof (...)”.
Uit de overlegde stukken blijkt dat de eiseres kwartaalaangiften indiende, o.m :
- de door eiseres ingediende aangifte van aanvang werkzaamheid 604 A d.d. 15.04.1994 met vermelding in vak II, c dat het vermoedelijk jaarlijks omzetcijfer kleiner is dan … BEF, waardoor zij op grond van het op dat ogenblik van kracht zijnde artikel 18, § 2 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 gemachtigd was om slechts om de drie maanden een aangifte in te dienen, uiterlijk de twintigste van de maand na ieder kalenderkwartaal;
- eiseres werd dan geregistreerd met de code AT = trimesteriële aangiften (code AM = maandelijkse aangiften), zoals blijkt uit de jaarlijkse opgave van de ingediende Btwaangiften voor het jaar 1995 dat een overzicht geeft van in totaal vier (4) aangiften respectievelijk ingediend in april 1995 (03), juli 1995 (06), oktober 1995 (09) en januari 1996 (12);
- uit het door verbalisant J.-P. B. opgestelde controleverslag (pagina A1 - rubriek btw-stelsel, b) periodiciteit van de aangifte), blijkt dat eiseres per kwartaal de aangifte indiende.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de vordering tot voldoening van de BTW m.b.t. factuur nr. 84 geenszins verjaard is en derhalve is eiseres ook over deze factuur de BTW verschuldigd;
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen ter zake standpunt ingenomen.
In casu wordt de wettigheid van de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.
Deze vordering is niet in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN :
De rechtbank, na herneming van de zaak voor de thans anders samengestelde zetel, rechtdoende op tegenspraak;
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 10.10.2013, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De Heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.